Uitspraak civiele vordering Pikin Saron van 8 april 2025

Op 8 april 2025 heeft de kantonrechter uitspraak gedaan in de civiele zaak die was aangespannen door R.M., G.Z., G.D. en J.D. en M.W. en M.G. tegen de Staat Suriname. In deze zaak ging het om het betalen van een schadevergoeding aan familieleden, namelijk een broer, twee zussen en een nicht van twee personen die tijdens een vuurgevecht op 2 mei 2023 nabij Pikin Saron zijn overleden en twee slachtoffers R.M. en G.Z., die schotverwondingen hebben opgelopen tijdens dat incident. Volgens de eisers heeft de politie- en militaire eenheid op die dag in strijd gehandeld met respectievelijk het Politie Handvest en de Wet Nationaal Leger door excessief geweld tegen de overleden personen en R.M. en G.Z. aan te wenden.

De eisers vorderden dat de kantonrechter voor recht verklaart dat de Staat zich jegens hen onrechtmatig heeft gedragen, met name door het excessief geweld aan te wenden, waardoor zij en hun directe familieleden schade hebben geleden, dat de Staat vanwege deze onrechtmatigheid aan hun schadevergoeding moet betalen en dat er zowel geldelijke schade is als immateriƫle schade. Omdat de immateriƫle schade moeilijk is vast te stellen moet de vergoeding aan de hand van de module van het Inter-Amerikaanse Hof voor de Rechten van de Mens (IAHRM) worden vastgesteld. Ook vorderen zij dat de Staat wordt veroordeeld tot het betalen van de gemaakte kosten voor rechtsbijstand.

De Staat heeft in reactie op de vordering aangehaald dat zij niet onrechtmatig heeft gehandeld en dus niet aansprakelijk is voor schade.

De kantonrechter heeft beslist dat jegens de overleden slachtoffers en hun familie onrechtmatig is gehandeld. Naar het oordeel van de rechter is het gebleken dat tegen de overleden personen excessief geweld is gepleegd door de politie- en militaire eenheid. Echter overweegt de kantonrechter dat broers, zussen en nichten volgens de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek niet in aanmerking komen voor schadevergoeding. Slechts echtgenoten, levensgezellen, kinderen en ouders, voor zover zij door een overledene werden verzorgd, komen in aanmerking voor schadevergoeding.

Voor wat betreft de eisers R.M en G.Z. heeft de kantonrechter geoordeeld dat het uit de processen-verbaal die zijn overgelegd, niet is gebleken dat jegens hun onrechtmatig is gehandeld, met name is het niet gebleken dat de Staat excessief geweld tegen hun heeft aangewend.

Om die reden heeft de kantonrechter in de uitspraak voor recht verklaard dat er jegens de overleden personen onrechtmatig is gehandeld, doch is de gevraagde schadevergoeding afgewezen.

 

Paramaribo, 28 mei 2025

Communicatie Unit Hof van Justitie