- Instantie Hof van Justitie
- Zaaknummer onbekend
- Uitspraakdatum 11 november 1988
- Publicatiedatum 16 mei 2019
- Rechtsgebied Civiel recht
-
Inhoudsindicatie
Het Hof deelt de opvatting van de Kantonrechter dat de door de erflater van de appellanten gedane bijdragen tot de beterschap van het perceel en gebouwen op het erfpachtsrecht toebehorende aan de concubine van de erflater ( geintimeerde) als een gift beschouwd moeten worden.
Tussen concubine en concubaan onstaat er geen mede-eigendom van rechtswege.
De appellanten vorderen terecht van geintimeerde een bedrag voor de bijdrage van de erflater van appellanten tot beterschap van perceel en gebouwen.
(artt. 658,659 jo art.. 1685 ev. BW)
SJB
Uitspraak
1. [appellant sub 1], wonende in [district],
2. [appellant sub 2], wonende te [eiland]
3. [appellant sub 3], echtgenote van [appellant sub 4] en
4. [appellant sub 4], tot machtiging en bijstand zijner echtgenote,
beiden gemeenschappelijk wonende in [land], advokaat Mr. W.C. PENGEL
appellanten,
tegen
[geintimeerde], wonende in [land]
advocaaat MR. E.J. BRUMA
geintimeerde,
De waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek het navolgend vonnis uit:
Het hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding waaronder:
1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de kantonrechter in het Eerste Kanton respektievelijk van 27 februari 1979, 12 februari 1980 en 26 januari 1982 tussen partijen gewezen;
2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 10 februari 1982, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;
Gehoord partijen bij monde van hun respektieve advokaten;
TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat
[appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] EN [appellant sub 4] als eisende partijen in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton hebben gewend, daarbij stellende:
1. Eisers wensen de navolgende vordering in te stellen tegen [geintimeerde], wonende in [land], domicilie kiezende te Paramaribo aan de Kromme Elleboogstraat 22, ten kantore van Mr. D.H. Emmanuels, advokaat.
2. Op 18 januari 1978 is te [district] ab intestato overleden [erflater], nalatende als zijn enige en algehele erfgenamen ingevolge de wet eisers sub 1, 2 en 3.
3. Bij beschikking van de Minister van Opbouw de dato 21 juli 1965 werd aan gedaagde voor de tijd van 50 jaren ter uitoefening van de landbouw, in erfpacht uitgegeven het perceelland, groot 6.4561 ha, gelegen in [district] aan [weg], uitmakende de percelen bekend als no’s 7 en 9, deeluitmakende van de [vestigingsplaats] en nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter F. Emanuels van 4 mei 1965 met de letters A.B.C.D.
4. Bereids is een uittreksel van de beschikking van de Minister van Opbouw in de daartoe bestemde openbare registers ten Hypotheekkantoor overgeschreven.
5. Het door gedaagde aan de Minister van Opbouw gedaan verzoek tot uitgifte aan haar in erfpacht van het in het Derde “dat” van dit rekest omschreven perceelland, had gedaagde voor en namens de erflater van eisers laten doen in het kader van een op 5 januari 1954 op haar – gedaagde – door genoemde erflater uitgebrachte generale notariële volmacht.
6. Instede van het desbetreffend verzoek voor en namens de erflater van eisers, die alle in verband met de uitgifte van de erfpacht te betalen kosten uit eigen middelen had voldaan, te doen, deed zij zulks op eigen naam en werd aldus eigenares van het erfpachtsrecht op bedoeld perceelland.
7. Gedaagde handelde dan ook geheel in strijd met de op haar uitgebrachte notariële generale volmacht.
8. PRIMAIR stellen eisers … dat gedaagde jegens hun erflater wanprestatie heeft gepleegd. Eisers wensen als rechtsopvolgers onder algemene titel van de overleden [erflater], gedaagde bij wijze van nakoming tot juridische levering aan te spreken van het aan haar uitgegeven erfpachtsrecht op meerbedoeld perceelland.
9. SUBSIDIAIR wensen eisers aan hun vordering de navolgende feiten ten grondslag te leggen. De erflater van eisers heeft vele jaren buiten echt samengeleefd met gedaagde en heeft in het kader van de buitenechtelijke samenleving niet alleen bijgedragen, zij het financieel, in het kunnen verkrijgen van het erfpachtsrecht op het in het derde “dat” van dit rekest omschreven perceelland, doch ook in de aanschaf van alle bouwmaterialen van het op dat perceel staand huis, landbouwgereedschappen, machinerieën en ten slotte alles wat met de uitoefening van de landbouw hetzij direkt hetzij indirekt te maken had.
10. Door deze buitenechtelijke verhouding heeft tussen de erflater van eisers en gedaagde met betrekking tot het erfpachtsrecht op het perceelland bestaan een vorm van vrije-mede-eigendom. Op grond daarvan zullen eisers die niet verplicht zijn in de onverdeelde boedel te blijven, SUBSIDIAIR vragen om scheiding en deling.
11. Eisers wensen meer subsidiair aan hun vordering ten grondslag te leggen dat hun erflater als bezitter te goeder trouw op het aan gedaagde in erfpacht toebehorend perceelland heeft gebouwd, het heeft beplant en bezaaid.
12. Ingevolge het bepaalde in de artikelen 658 en 659 van het Surinaams Burgerlijke Wetboek zou hun erflater moeten toekomen voldoening voor de waarde der bouwstoffen zo ook die van de waarde der beplantingen en bezaaiingen alsmede het totale arbeidsloon.
13. De totale vergoeding wordt door eisers gewaardeerd op f. 30.000,–.
14. Betaling van dit bedrag dient eisers toe te komen. Daartoe weigert gedaagde trots aanmaning, zodat zij haar voldoening daarvan in rechte zullen aanspreken.
15. Eisers hebben na daartoe toestemming te hebben bekomen bij exploit van deurwaarder B.S. Ramkhelawan de dato 16 maart 1978 conservatoir beslag doen leggen op het in dat exploit omschreven onroerend goed.
16. Het beslag dient thans van waarde verklaard te worden;
Overwegende, dat de eisende partijen op deze gronden hebben gevorderd:
dat bij vonnis:
PRIMAIR:
A. gedaagde zal worden veroordeeld binnen een door de rechter te bepalen termijn het in het eerste “dat” van dit rekest omschreven onroerend goed aan eisers juridisch te leveren, met bepaling dat indien zij weigeren mocht zulks te doen zij ten titel ener dwangsom zal verbeuren het bedrag van f. 100,– per dag;
B. Het sub A gevorderde uitvoerbaar zal worden verklaard bij voorraad;
C. gedaagde zal worden veroordeeld tot betaling der proceskosten.
SUBSIDIAIR:
A. zal worden verklaard voor recht dat tussen partijen met betrekking tot het in het eerste “dat” van het inleidend rekest een vorm van vrije-mede-eigendom bestaat;
B. gedaagde zal worden veroordeeld met eisers over te gaan tot scheiding en deling van het in het derde “dat” van dit rekest omschreven onroerend goed, met benoeming ener notaris door wie of te wiens overstaan de scheiding en deling zal plaatsvinden, zo partijen niet binnen een door de Rechter te bepalen termijn omtrent de keuze ener notaris overeenstemming zullen hebben bereikt en met benoeming van een onzijdig persoon ten einde gedaagde bij de scheiding en deling te vertegenwoordigen, indien zij, na daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet verschijnt of, wel verschenen zijnde, weigeren mocht aan de scheiding en deling mede te werken;
C. Het sub B gevorderde uitvoerbaar zal worden verklaard bij voorraad;
D. gedaagde zal worden veroordeeld tot betaling der proceskosten
MEER SUBSIDIAIR
A. gedaagde zal worden veroordeeld tegen behoorlijke kwijting aan eisers te betalen de som van f. 30.000,– ter zake als ten rekeste voorschreven met de wettelijke interessen daarover ad 6% per jaar vanaf de dag der rechtsingang tot aan die der voldoening;
B. het sub A gevorderd uitvoerbaar zal worden verklaard bij voorraad;
C. het door deurwaarder B.S. Ramkhelawan op 16 maart 1978 gelegd beslag van waarde zal worden verklaard;
D. gedaagde zal worden veroordeeld tot betaling der proceskosten, die van het gelegde beslag daaronder begrepen;
Overwegende, dat [geintimeerde] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatste te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:
dat de door eisers gevorderde zal worden afgewezen en dat eisers zullen worden veroordeeld in de kosten van het geding;
Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek, eisers onder overlegging van produkties haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 27 februari 1979 op de daarin opgenomen gronden een comparitie van partijen heeft gelast, bij welke comparitie zijn verschenen partij [geintimeerde] in persoon en de gemachtigde van partij [achternaam appellanten sub 1 t/m sub 3], die hebben verklaard tegelijk in het daarvan opgemaakt hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat ten dage voor beraad beschikking bepaald geen schikking tot stand is gekomen, waarna de gemachtigde van gedaagde bewijs van zijn stellingen heeft aangeboden en vonnis heeft gevraagd, terwijl de gemachtigde van eisers heeft gepersisteerd bij zijn stellingen;
Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 12 februari 1980 op de daarin opgenomen gronden iedere beslissing in de zaak heeft aangehouden, totdat in de zaak bekend onder A.R.No. 781100 is beslist;
Overwegende, dat de Kantonrechter ambtshalve een comparitie van partijen heeft gelast, bij welke comparitie partijen in persoon zijn verschenen en hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakt – hier als ingelast te beschouwen proces-bverbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partijen hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusies na comparitie hadden genomen, de Kantonrechter bij vonnis van 26 januari 1982 op de daarin opgenomen gronden:
eisers hun vordering heeft ontzegd;
de van waarde verklaring van het door de deurwaarder B.S. Ramkhelawan de dato 16 maart 1978 gelegd conservatoir beslag heeft geweigerd;
dit beslag heeft opgeheven;
eisers heeft veroordeeld in de proceskosten; aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op NIHIL;
Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] EN [appellant sub 4] in hoger beroep zijn gekomen van voormeld eindvonnis van 26 januari 1982;
Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R. Kappel van 14 april 1983 aan geintimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;
Overwegende, dat de advokaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden;
TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat appellanten tijdig in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, gewezen tussen partijen en uitgesproken op 26 januari 1982;
Overwegende, dat appellanten zich door dit vonnis gegriefd achten en in essentie wensen te stellen, dat de Kantonrechter hun meer subsidiaire vordering ten onrechte heeft afgewezen; dat zij thans naar redelijkheid en billijkheid een bedrag door het Hof vastgesteld zien voor het feit, dat hun erflater met eigen geld en inspanningen heeft bijgedragen in de beterschap van de percelen en terzake een comparitie van partijen wenselijk achten;
Overwegende, dat de Kantonrechter op dit punt in een ontruimingsvordering van geintimeerde, toen eiseres tegen één der appellanten, namelijk tegen appellant sub 1, toen gedaagde, bekend in het A.R. van Kanton I onder 78/1100, in hoger beroep bekend onder G.N.No.11608 heeft overwogen:
“ In zoverre de erflater van gedaagde eiseres financieel heeft geholpen bij de verwerving van het voormeld recht van erfpacht en de gebouwen op het perceel heeft gebouwd uit eigen middelen, kunnen deze bijdragen en kosten als gift worden aangemerkt, die door zijn erfgenamen zouden kunen worden ingekort, voor zover die aan hun legitieme portie tekort doen”;
Overwegende, dat de Kantonrechter deze overweging heeft overgenomen ter beslechting van de onderhavige vordering van appellanten;
Overwegende, dat het Hof de overweging van de Kantonrechter dat van een “gift” sprake is niet deelt;
– dat appellanten terecht een bedrag vorderen van geintimeerde voor de bijdrage van de erflater van appellanten tot de beterschap van het perceel en gebouwen;
Overwegende, dat een exact bedrag niet vast te stellen is;
– dat nu het onderhavige geval zich langer dan tien jaren geleden heeft afgespeeld (de erflater overleed in 1978 en het vermoeden bestaat dat geintimeerde inmiddels is overleden zonder dat het geding is geschorst geweest), zal het Hof niet ingaan op het verzoek van appellanten een comparitie van partijen te gelasten, doch zal het Hof dit bedrag ex aequo et bono vaststellen en wel op f. 9.000,– (NEGEN DUIZEND GULDEN) te vergoeden aan appellanten;
Overwegende, dat het beroepen vonnis op grond van het voorgaande niet in stand kan blijven en dient te worden vernietigd en opnieuw rechtdoende in voege als na te melden dient te worden beslist;
RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, gewezen tussen partijen en uitgesproken op 26 januari 1982, waarvan beroep;
EN OPNIEUW RECHTDOENDE:
– Wijst af de primaire en subsidiaire vordering van appellanten;
– Wijst de meer subsidiaire vordering in voege als na te melden toe;
Veroordeelt geintimeerde om aan appellanten tegen behoorlijke kwijting te betalen de som van f. 9.000,– (NEGEN DUIZEND GULDEN) vermeerderd met de wettelijke rente hierover ad 6% vanaf 23 maart 1978 tot aan de dag der algehele voldoening;
Verklaart van waarde het door deurwaarder bij het Hof van Justitie B.S. Ramkhelawan de dato 16 maart 1978 gelegd conservatoir beslag (exploit No.142);
Veroordeelt geintimeerde in een derde deel der proceskosten, waaronder die van het gelegd beslag, in beide instanties aan de zijde van appellanten gevallen;
– in eerste aanleg begroot op f. 35,25
– in hoger beroep begroot op f 57,17
met inbegrip van het door het Hof aan hun advocaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris f. 75,– bepalende het Hof het salaris van de advocaat van geintimeerde eveneens op f. 75,–
Wijst af het meer of anders gevorderde.
Aldus gewezen door de heren: Mr. R.E.TH. OOSTERLING, waarnemend-President, Mr. A.C. VELDEMA, Lid, Mr. R.C. RODRIGUES, Lid-plaatsvervanger en door de waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG 11 NOVEMBER 1988 in tegenwoordigheid van K.PULTOO Substituut-Griffier.
w.g. K. Pultoo w.g. R.E.TH. Oosterling
Partijen, appellanten vertegenwoordigd door hun gemachtigde advokaat Mr. W.C. Pengel en geintimeerde vertegenwoordigd door advocaat Mr. H.E. STRUIKEN namens haar gemachtigde advokaat Mr. E.J. BRUMA, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.