SRU-HvJ-1993-11

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer A-291
  • Uitspraakdatum 12 maart 1993
  • Publicatiedatum 12 april 2019
  • Rechtsgebied Ambtenarenrecht
  • Inhoudsindicatie

    Verzoekers vordering – dat bevolen wordt om hem met terugwerkende kracht te bevorderen – is niet toewijsbaar, omdat deze niet valt onder de in artikel 79 van de Personeelswet omschreven limitatieve opsomming, weshalve verzoeker in zijn vordering niet ontvankelijk wordt verklaard. Nu verzoeker het Hof niet heeft gevraagd om nietigverklaring van de betrokken beschikking en om veroordeling van de Staat tot het verrichten van het nodige ter bevordering van hem in de naast hogere rang, komt zijn verzoek niet voor toewijzing in aanmerking, omdat inwilliging daarvan zou neerkomen op het in strijd handelen met artikel 79 Personeelswet.
    (Art. 79 Personeelswet).

Uitspraak

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 12 maart 1993
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R.von Niesewand en R.W. Willemzorg)

[verzoeker], wonende te [district] aan de [adres], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. J.G.O. KOULEN, advokaat, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, m.n. het Ministerie van Justitie, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende aan de Gravenstraat no. 3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, advokaat Mr. Dr. C.D. OOFT, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname:

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. Dat verzoeker de navolgende vordering bij het ambtenarengerecht aanhangig wenst te maken tegen DE STAAT SURINAME, (m.n. het Ministerie  van  Justitie)  in  rechte  vertegenwoordigd  wordende  door  de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie en zetelende aan de Gravenstraat no. 3 te Paramaribo;

2. Dat verzoeker op 15 februari 1985 in dienst is getreden van het Ministerie van Justitie;

3. Dat i.v.m. een luchtwegaandoening verzoeker door de behandelende specialist erop is geattendeerd dat hij geen avond- en nachtdienst mag verrichten totdat zijn algehele gezondheidstoestand zich in positieve zin zal hebben ontwikkeld;

4. Dat verzoeker nog niet helemaal hersteld is doch toch met de hiervoren vermelde restrictie zijn werkzaamheden verricht;

5. Dat verzoeker te rekenen van 3 januari 1990 t/m 18 februari 1991 tegen zijn wil in werd gemuteerd naar het Bureau voor Familierechtelijke Zaken;

6. Dat verzoeker gedurende de staking van personeelsleden van de Centrale Penitentiaire Inrichting te Santo Boma van 23 mei 1990 t/m 1 juni 1990 naar Santo Boma werd gemuteerd alwaar hij als penitentiair-ambtenaar zijn werk verricht;

7. Dat verzoeker daarom niet kan inzien waarom hij na de stakingsperiode niet alszodanig gehandhaafd kon worden;

8. Dat verzoeker in aanmerking diende te komen voor bevordering doch bij schrijven d.d. 12 februari 1992 [nummer 1] afkomstig van de onder-Directeur Deliquentenzorg aan hem werd medegedeeld dat hij niet voor promotie in aanmerking kon worden gebracht omdat hij vanwege het feit dat hij op advies van de behandelende specialist geen middag- en nachtdiensten mag verrichten, niet volledig inzetbaar zou zijn en dientengevolge als een middelmatige kracht is beoordeeld;

9. Dat het vorenstaand standpunt van zijn werkgever geen stand kan houden als het gestelde in punt 6 daarmede in relatie wordt gebracht;

10. Dat verzoeker zich afvraagt of hij er geen recht op heeft carriere te maken, omdat hij buiten omstandigheden welke binnen zijn invloedssfeer liggen niet wordt ingezet, doch zijn werk als penitentiair-ambtenaar altijd correct tracht uit te voeren;

11. Dat echter zoals hiervoren vermeld verzoeker tegen zijn wil in naar het Bureau voor Familierechtelijke Zaken werd gemuteerd waardoor het gestelde ten aanzien daarvan in het schrijven van de onder-Directeur Delinquentenzorg d.d. 24 juni 1991 [nummer 2] hem niet kan worden verweten;

12. dat het algemeen bekend is dat de heren [naam 1], [ naam 2] en [ naam 3] allen penitentiair-ambtenaar, die indertijd ook in dezelfde situatie hebben verkeerd als verzoeker wel in aanmerking zijn gekomen voor bevordering, terwijl verzoeker zulks onthouden wordt;

13. Dat het in een rechtsstaat past dat de Staat één gedragslijn volgt teneinde de burgers rechtszekerheid te geven en zich moet onthouden van delingen die als basis willekeur inhouden, zoals in het onderhavig geval van verzoeker.

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

– dat de Staat Suriname m.n. het ministerie van Justitie en Politie, zal worden bevolen de rechtmatig aan verzoeker toekomende bevordering met terugwerkende kracht te rekenen van 1 juli 1990 te willen toekennen, kosten rechtens; Overwegende, dat de Staat Suriname binnen de bij de Wet gestelde termijn een verweerschrift heeft ingediend waarin hij als verweer heeft aangevoerd:

1. Verweerder ontkent en betwist al hetgeen niet woordelijk en uitdrukkelijk door hem wordt erkend, met beroep op de onsplitsbaarheid van zijn stellingen en biedt bewijs aan door alle middelen rechtens, in het bijzonder door getuigen;

2. Verweerder erkent, dat verzoeker op 15 februari 1985 in dienst van de Staat is getreden in de hoedanigheid van adspirant penitentiaire ambtenaar en dat al gauw na zijn aanstelling er klachten waren met betrekking tot zijn gezondheid.

Reeds op 7 april 1987 werd hij door de Directeur van Justitie opgedragen zich te onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek, in verband met zijn arbeidsgeschiktheid c.q. ongeschiktheid.

Op 7 april 1987 werd betrokkene gekeurd met de aantekening, dat verzoeker, gelet op zijn gezondheidstoestand, ”geen nachtdiensten mag verrichten” (medicus E.P. HO A SJOE). Venmoedelijk wordt dat bedoeld in het derde sustenu van het inleidend rekest, waarin verzoeker zegt of stelt ”een luchtwegaandoening te hebben”;

3. Op grond van deze ziekelijke omstandigheid van verzoeker, is hij vanaf 1987 nooit volledig inzetbaar geweest als penitentiaire ambtenaar, hoewel hij toch kort daarvoor op 16 juni 1986 werd aangesteld tot penitentiaire ambtenaar 4e klasse. Hij heeft nooit avond- of nachtdiensten meer verricht. Vanaf toen ging het niet zo goed met verzoeker, hetgeen blijkt uit het personeelsdossier in het bijzonder zijn beoordelingslijsten vanaf 1986. Meer dan 12 keren in zijn korte diensttijd is betrokkene in de gelegenheid gesteld zich te verweren voor vele tekortkomingen, waarvan een aantal voor onwettig verzuim of in diensttijd zijn post verlaten, maar ook wegens overtreding van ernstige aard, waaromtrent desnodig nader bewijs door verweerder zal kunnen worden geleverd, aan de hand van zijn personeelsdossier (onder de sectie ”plichtsverzuim” );

4. Omtrent het gestelde in de punten 5, 6 en 7 van bet verzoekschrift, te weten, de mutatie van betrokkene naar het Bureau voor Familierechtelijke Zaken en het waarnemen gedurende één week (tussen 23 mei 1990 en 1 juni 1990) tijdens de staking in de penitentiaire inrichting te Santo Boma is niets vreemds aan de orde, omdat het allemaal werkzaamheden zijn, welke aan een penitentiaire ambtenaar kunnen worden opgedragen c.q. hem eenzijdig arbeid kan doen verrichten op een post, waar hij beter inzetbaar is. Ook het achtste sustenu is alszodanig onvolledig, omdat daarin alleen met het ziek zijn van verzoeker, die dus geen avond- of nachtdiensten doet, rekening is gehouden en over zijn plichtsverzuim niets is gezegd;

5. Verweerder kan dan ook niet inzien welk recht van verzoeker kan zijn geschonden, wanneer hij niet zo vlot carriere maakt. Evenmin is het duidelijk, in ieder geval niet door verzoeker nader gemotiveerd, dat er van ongelijke behandeling sprake zou zijn tussen verzoeker en de heren [naam 1] , [naam 2] en [ naam 3].

De omstandigheden namelijk van de drie in het verzoekschrift genoemde penitentiaire ambtenaren verschillen al te duidelijk wanneer het betreft de langere diensttijd, de inzetbaarheid en het gedrag (prestatie) van genoemde collegae, omstandigheden die tot grondslag hebben gediend voor hun bevordering. Op grond hiervan wordt danook door verweerder, punt 13 van het verzoekschrift nadrukkelijk tegengesproken, omdat het niet slechts gaat om één gedragslijn voor allen, maar om dezelfde gedragslijn voor allen die verkeren onder nagenoeg dezelfde c.q. gelijke omstandigheden, waardoor willekeur of discriminatie wordt uitgesloten. Het gelijkheidsbeginsel, door verzoeker in bet 13e sustenu in verband gebracht met de rechtsstaat, is op zichzelf nog niet een voldoende duidelijk criterium tot het vinden van hetgeen in een bepaald geval als recht moet gelden. Daarenboven is de jurisprudentie algemeen van oordeel, dat dit gelijkheidsbeginsel niet goed toepasselijk is terzake van bevorderingen, omdat in die gevallen niet licht van gelijke gevallen, welke op gelijke wijze moeten worden behandeld, sprake zal zijn (zie rapport ALGEMENE BEPALINGEN VAN ADMINISTRATIEF RECHT e.d. 1980 punt 3.2.6.5.4., blz. 182);

Inderdaad zijn de gevallen door verweerder aangehaald niet gelijk aan zijn geval. De met name genoemde collegea hebben een langere diensttijd dan verzoeker, vervullen normaal alle diensten in de inrichting (shift) en hebben geen gelijke conduitestaat als die van verzoeker;

6. Onverminderd het voorgaande doet verweerder zeggen, dat daargelaten, dat de feiten hierboven aangehaald geen grond opleveren tot toewijzing van de vordering door het Hof van Justitie als ambtenarengerecht, het ook zo is, dat het petitum zal behoren te leiden tot niet ontvankelijkheid, wegens in strijd met de Personeelswet.

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

– dat de vordering van verzoeker niet voor toewijzing vatbaar is, wegens ongegrondheid en niet bewezen, alsook niet ontvankelijk zal zijn, wegens in strijd met de Personeelswet i.h.b. artikel 79;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking d.d. 20 oktober 1992 in Raadkamer zijn verschenen verzoeker in persoon, advokaat Mr. J.G.O. Koulen, gemachtigde van verzoeker, advokaat Mr. Dr. C.D. Ooft, gemachtigde van verweerder en mej. P. Sanichar, Hoofd afdeling Delinquentenzorg, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof de uitspraak aanvankelijk had bepaald op 26 maart 1993, doch bij vervroeging op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker, ambtenaar in de tin van artikel 1 van de Personeelswet, verzoekt op grond van feiten, aan zijn vordering ten grondslag gelegd en die als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd dienen te worden aangemerkt, verweerder te bevelen hem – verzoeker – te rekenen van 1 juli 1990 te bevorderen tot de, naar uit de door verzoeker in het geding gebrachte bescheiden valt af te leiden, naast hogere rang;

Overwegende, dat tijdens het verhoor van partijen gebleken is, dat verzoeker de ingangsdatum van de verzochte bevordering heeft bedoeld te stellen op 1 januari 1991, nu hij zijn diploma op 21 december 1990 zou hebben gehaald;

Overwegende, dat verweerder zich te dezen aanzien aan ’s Hofs oordeel heeft gerefereerd en zich dus niet persé daartegen heeft verzet, zodat aan verzoeker akte wordt verleend van deze wijziging;

Overwegende, dat blijkens het door de onder-Direkteur Delinquentenzorg aan verzoeker, (toen) penitentiaire ambtenaar 4e klasse, gericht schrijven d.d. 12 februari 1992 (kenmerk [nummer 1]), onderwerp: ”Bevordering”, kennelijk als reactie op een door verzoeker gedaan verzoek om bevordering, hem – verzoeker – alstoen de mededeling is gedaan, dat hij voorshands niet in aanmerking kan worden gebracht voor een benoeming in de naast hogere rang, om redenen, in gemeld schrijven vastgelegd en welke als hier ingelast dienen to worden aangemerkt;

– dat in meergemeld schrijven is gerelateerd een besluit in de zin van de Personeelswet, met de inhoud waarvan verzoeker zich niet kan verenigen, hetgeen moge blijken uit het in het 9e tot en met 12e ”dat” van het verzoekschrift gestelde;

– Overwegende, dat verzoeker ingevolge het bepaalde in artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet het Hof dan ook had moeten vragen om nietigverklaring van gemeld besluit en wel binnen de bij artikel 80 lid 1 sub b van de Personeelswet voorgeschreven termijn, hetgeen verzoeker niet blijkt to hebben gedaan; Overwegende, dat verzoekers vordering, strekkende tot het bevelen van verweerder hem te rekenen van 1 juli 1990(lees: 1 januari 1991) te bevorderen tot de naast hogere rang naar verweerder terecht aanvoert, niet toewijsbaar is, omdat deze niet valt onder de in artikel 79 van genoemde wet omschreven limitatieve opsomming;

– dat verzoeker in zijn vordering dan ook niet ontvankelijk is;

Overwegende, dat naar blijkt uit de namens verzoeker in het geding gebrachte besckikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 14 augustus 1992 [nummer 3], verzoeker te rekenen van 1 januari 1992 is bevorderd tot de rang zoals in gemelde beschikking vermeld;

– dat naar uit diens pleitnota blijkt, verzoeker zich niet kan verenigen met de datum van ingang zijner bevordering, te weten: 1 januari 1992, stellende verzoeker dat de datum van ingang had moeten zijn 1 januari 1991,

hebbende verzoeker gesteld zijn vordering te verminderen in dier voege dat, aldus zijn stellingen opvattend, worden gelezen 1 januari 1992 instede van 1 juli 1990 en verzocht dienovereenkomstig te beslissen, waarvan bereids akte is verleend;

Overwegende, dat verzoeker, naar’s Hoven oordeel, nu hij zich niet kan verenigen met de beschikking van 14 augustus 1992 het Hof van Justitie had moeten adiëren en vragen om nietigverklaring van gemelde beschikking en voorts verweerder te veroordelen het nodige te verrichten ter bevordering van hem – verzoeker – tot de naast hogere rang en wel met ingang van 1 januari 1991, hetgeen verzoeker ook niet blijkt te hebben gedaan;

– dat het verzoek van verzoeker als vervat in diens pleitnota d.d. 20 november 1992, – trots het feit`dat verweerder zich te dien aanzien aan het oordeel van het Hof heeft gerefereerd – niet voor toewijzing in aanmerking komt, omdat inwilliging daarvan en toewijzing van het dan gewijzigd verzoek (eveneens) zouden neerkomen op het in strijd handelen met artikel 79 van de Personeelswet, waarin hetgeen van het Hof kan worden gevorderd limitatief is omschreven, onder welke limitatieve omschrijving niet valt gemeld verzoek;

Overwegende, dat verzoeker mitsdien niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn vordering;