SRU-HvJ-1993-5

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer A-299
  • Uitspraakdatum 02 juli 1993
  • Publicatiedatum 12 april 2019
  • Rechtsgebied Ambtenarenrecht
  • Inhoudsindicatie

    Het Hof verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van en te oordelen over verzoeksters vorderingen, primair om voor recht te verklaren dat het besluit van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling (vervat in het schrijven van de Directeur van Onderwijs d.d. 5 oktober 1992) non-existent is, en subsidiair om dit besluit nietig te verklaren, aangezien hier het een “declaratoir” van het Hof betreft (waartoe artikel 79 lid 1 Personeelswet de mogelijkheid niet biedt) onderscheidenlijk er niet van een besluit tot ontslagverlening sprake is (en derhalve dit besluit niet onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 2 Personeelswet valt).
    -De overige vorderingen wijst het Hof af, aangezien artikel 69a lid 3 Personeelswet geen tijdstip vermeldt met ingang waarvan het ontslag moet worden verleend (er is sprake van “kan”) en er, mitsdien van een bevoegdheid van de Staat sprake is terwijl de Personeelswet geen regeling bezit voor de datum (het tijdstip) waarop of tegen waarbinnen op een verzoek als het onderhavige moet worden beslist. (Artt. 69a lid 3 en 79 leden 1 en 2 Personeelswet).
    SJ 1993

Uitspraak

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 2 juli 1993
(Mrs. R.E.Th.Oosterling, A.C.Veldema en E.S.Ombre)

[verzoekster], echtgenote van [naam], wonende in [district], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo, aan de Watermolenstraat no. 36 beneden ten kantore van de advokaten Mr. E.C.M. HOOPLOT en Mr. J.G. BOETIUS, van wie als haar gemachtigde optreedt, Mr. E.C.M. HOOPLOT, verzoekster,

tegen

DE STAAT SURINAME, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende aan de Gravenstraat no.52-54, Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, advokaat Mr. Y.V. VAN TRIGT, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoekster], echtgenote van [naam] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, waarin zij heeft gesteld:

1. Verzoekster wenst de navolgende vordering in te stellen tegen:

DE STAAT SURINAME, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal, kantoorhoudende aan de Gravenstraat no. 52-54 te Paramaribo;

2. Verzoekster is ambtenaar in de zin van de Personeelswet en als leerkracht verbonden aan de Openbare Muloschool te [adres], werkzaam bij het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling;

3. Bij schrijven van 19 mei 1992 heeft verzoekster ingevolge artikel 69a lid 3 van de Personeelswet de wens te kennen gegeven ingaande 1 oktober daaraanvolgend haar ontslag wegens sanering van Staatsdienst te verlenen. Verzoekster heeft daarbij een bedrijfsplan en ander materiaal van het door haar op te zetten garnalenverwerkingsbedrijf ingediend;

4. De directeur van Onderwijs heeft namens de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling bij schrijven d.d. 5 oktober 1992 verzoekster medegedeeld, dat haar verzoek niet kan worden ingewilligd aangezien de categorie leerkrachten waartoe verzoekster behoort, niet behoeft te worden (weg) gesaneerd;

5. Voormeld besluit van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling, zoals vervat in het schrijven van de directeur van Onderwijs is in strijd met de wet alsook met de beginselen van behoorlijk bestuur en wel om de volgende redenen:

– de afwijzing van het verzoek is in strijd met artikel 69a lid 3 van de Personeelswet aangezien uit het besluit niet blijkt dat de Raad van Ministers of een door deze aan te wijzen orgaan over het verzoek heeft geoordeeld. Immers is in de toelichting van voornoemd artikel aangegeven dat de beslissing aan het oordeel van de Raad van Ministers is overgelaten teneinde een adequate uitvoering te verzekeren;

– voorts blijkt uit het genomen besluit tot afwijzing dat slechts gelet is op de belang van de dienst. De haalbaarheid van de plannen van verzoekster en haar persoonlijke mogelijkheden om de plannen tot een succes te maken zijn bij het vormen van het oordeel niet in ovenweging genomen:

– bovendien is voormeld besluit zoals vervat in het schrijven van 5 oktober 1992 tardief aangezien het verzoek dateert van 19 mei 1992 en verzoekster de wens te kennen heeft gegeven om ingaande 1 oktober 1992 met ontslag te gaan. Het besluit is in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur met name het beginsel van rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel. Ervan uitgaande dat haar verzoek stilzwijgend was gehonoreerd, heeft verzoekster de werkzaamheden als leerkracht na de schoolvakantie niet hervat en heeft zich toegelegd op de actualisering van de plannen tot het stichten van een eigen bedrijf. Zij mocht erop vertrouwen dat aan haar het aangevraagde ontslag geheel in de geest en strekking van artikel 69a lid 3 van de Personeelswet was verleend m.i.v. 1 oktober 1992 danwel de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin het verzoek is binnengekomen;

6. Met toepassing van artikel 69a lid 4 van de Personeelswet is verzoekster danook gerechtigd tot toekenning van het laatstelijk genoten salaris gedurende een tijdvak van ten hoogste 18 maanden na haar ontslag;

7. Verzoekster is op grond van het vorenstaande gerechtigd als na te melden te vorderen.

Overwegende, dat verzoekster op deze gronden heeft gevorderd:

– dat bij vonnis;

A: PRIMAIR: voor recht zal worden verklaard dat het besluit van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling zoals vervat in het schrijven van de directeur van Onderwijs d.d. 5 oktober 1992 is non existen;

SUBSIDIAIR: nietig zal worden verklaard, althans zal worden vernietigd het besluit van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling zoals vervat in het schrijven van de directeur van Onderwijs d.d. 5 oktober 1992;

B: PRIMAIR:  verweerder zal worden  veroordeeld om aan  verzoekster  ingevolge artikel 69a lid 3 van de Personeelswet te rekenen van 1 oktober 1992 danwel de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin het verzoek is binnengekomen, eervol ontslag uit staatsdienst te verlenen onder toekenning van haar laatstelijk genoten salaris gedurende een tijdvak van ten hoogste 18 maanden na haar ontslag e.e.a. onder verbeurte van een dwangsom van f. 25.000,– voor iedere dag of keer dat gedaagde in strijd met voormelde veroordeling handelt;

SUBSIDIAIR: verweerder zal worden veroordeeld tot betaling van een dwangsom van f. 25.000,– voor iedere dag dat hij in gebreke blijft het besluit conform het bepaalde in artikel 69a lid 3 van de Personeelswet te nemen, alsmede om gedurende een periode van 18 maanden vanaf haar ontslag, maandelijks op de gebruikelijke wijze aan verzoekster haar bezoldiging uit te keren, kosten rechtens;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijk gestelde termijn een verweerschrift is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd:

1. Dat hij ontkent en betwist al hetgeen in het navolgende niet uitdrukkelijk door hem wordt erkend onder aanbod van bewijs zijner stellingen door alle middelen rechtens meer speciaal door getuigen.

2. Dat bij verzoekschrift ingekomen ter Griffie van het Hof op 3 november 1992 verzoekster als ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Personeelswet bij het Hof een vordering aanhangig heeft gemaakt tegen de Staat Suriname met name het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, verweerder, omvattende (citaat):

”A: PRIMAIR: voor recht te verklaren dat het besluit van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling zoals vervat in het schrijven van de directeur van Onderwijs d.d. 5 oktober 1992 is non existent.

SUBSIDIAIR: voor nietig te verklaren althans te vernietigen het besluit van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling  zoals vervat in het schrijven van de directeur van Onderwijs d.d. 5 oktober 1992.

B: PRIMAIR: verweerder te veroordelen om aan verzoekster ingevolge artikel 69a lid 3 van de personeelswet te rekenen van 1 oktober 1992 danwel de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin het verzoek is binnengekomen, eervol ontslag uit Staatsdienst te verlenen onder toekenning van haar laatstelijk genoten salaris gedurende een tijdvak van ten hoogste 18 maanden na haar ontslag e.e.a. onder verbeurte van een dwangsom van f. 25.000,– voor iedere dag of keer dat gedaagde in strijd met voormelde veroordeling handelt.

SUBSIDIAIR: Verweerder te veroordelen tot betaling van een dwangsom van f. 25.000,– voor iedere dag dat hij in gebreke blijft het besluit conform het bepaalde in artikel 69a lid 3 van de Personeelswet te nemen, alsmede om gedurende een periode van 18 maanden vanaf haar ontslag, maandelijks op de gebruikelijke wijze aan verzoekster haar bezoldiging uit te keren” (einde citaat).

3. Met nadruk wijst verweerder op artikel 79 tweede lid van de personeelswet houdende een limitatieve opsomming van de besluiten die vatbaar zijn voor vernietiging door het Hof.

Het Hof is op grond van het hiervoren gestelde onbevoegd kennis te nemen van de vordering als genoemd in het petitum.

4. Het gestelde in het 3e ”dat” van artikel 69a lid 3 is niet een op zichzelf staande, doch dient in samenhang met het 1ste lid van dit artikel te worden gelezen.

5. Genoemd artikel geeft duidelijk de gronden van de ontslagverlening aan en wel reorganisatie, inkrimping en sanering.

Dit ontslag kan:

a. ambtshalve door de President (lid 1) als wel

b. op schriftelijk verzoek van de landsdienaar (lid 2) worden verleend.

6. Verweerder acht het noodzakelijk te wijzen op de twee essentialia in het artikel:

a. het algemeen belang moet er mee gediend zijn en

b. er moet sprake zijn van sanering, reorganisatie, inkrimping.

Voorts wordt er met nadruk gewezen op het woordje ”KAN” hetgeen inhoudt dat de ontslagverlening niet verplichtend gesteld is.

7. Het is juist dat bij schrijven d.d. 5 oktober 1992 verweerder verzoekster mededeelde dat haar verzoek niet kan worden ingewilligd, aangezien de categorie leerkrachten waartoe zij, verzoekster, behoort, niet behoeft te worden gesaneerd.

Verzoekster die in het bezit is van de hoofdakte, verzorgt lessen in het vak Nederlands op de Openbare Muloschool te [adres]. Het is een notoir feit dat er een nijpend tekort is aan onderwijzers, met de onderwijzers- en hoofdakte bevoegdheid in het algemeen en aan onderwijzers die het vak Nederlands verzorgen.

Dit tekort aan leraressen Nederlandse taal doet zich ook op middelbaar niveau gevoelen met als consequentie dat het regelmatig voorkomt dat deze krachten van het Mulo-niveau worden onttrokken en op het middelbaarniveau worden tewerk gesteld.

Op grond hiervan werd reeds in 1991 besloten om in verband met de kritische situatie waarin de leerkrachten-voorziening is komen te verkeren, dat niet langer bevorderd zou worden dat deze categorie van landsdienaren en met hen gelijk gestelden in aanmerking worden gebracht voor de regeling als vervat in artikel 69a van de Personeelswet.

Een uitzondering op het hierboven gestelde werd door de Minister gemaakt voor de categorie van Onderwijzeressen-A. Als produkties worden hierbij overgelegd een fotocopie van het schrijven van de directeur van Onderwijs van 22 april 1991 aan de onder-Directeur van de Hoofdafdeling Onderwijs en van 27 juli 1992 van de directeur van Onderwijs aan de onder-Directeur van de Hoofdafdeling, met verzoek aan U, E.A. de inhoud hierbij als letterlijk herhaald en geïnsereerd te beschouwen (zie prod. no. 1 en 2).

8. Het door verzoekster in het 5e ”dat” van haar inleidend rekest gestelde, dat het besluit van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling als vervat in het schrijven van de directeur in strijd is met de wet alsook met de beginselen van behoorlijk bestuur alsmede de door haar aangehaalde gronden ter staving van haar stelling is reeds op grond van het hiervoren onder het 7e ”dat” gestelde pertinent onjuist.

De motivering:

a. dat het besluit in strijd is met artikel 69a lid 3 van de Personeelswet aangezien niet blijkt dat de Raad van Ministers danwel een aan te wijzen orgaan over het verzoek heeft geoordeeld, is van elke grond ontbloot. In lid 3 is duidelijk gesteld dat de ontslagverlening wegens sanering na goedkeuring door de Raad van Ministers of een door deze aan te wijzen orgaan wordt beoordeeld. In casu is er absoluut geen sprake van ontslagverlening.

b. dat er slechts gelet is op het algemeen belang van de dienst en niet op de haalbaarheid der plannen is juist. Zoals eerder gesteld is een der essentialia voor de ontslagverlening het algemeen belang. Trouwens had verzoekster kunnen weten dat haar verzoek niet zou worden ingewilligd, aangezien het schrijven van de directeur van Onderwijs dateert van 1991. In genoemd schrijven deed de directeur het verzoek de leerkrachten op de hoogte te brengen van de gewijzigde situatie, waardoor de afvloeiingsregeling niet langer kan worden toegepast.

Dit om eventuele teleurstellingen te voorkomen. Verwezen wordt naar de laatste alinea van genoemd schrijven. In alle redelijkheid kan verzoekster niet van verweerder verwachten dat deze zich gaat verdiepen in haalbaarheid van geëntameerde projekten van partikulieren, burgers. Bovendien stelt verzoekster in haar schrijven aan gedaagde zelf (citaat):

”Als bijlage vindt U een fotokopie van haar produkt dat binnenkort op de Surinaamse markt proffesioneler dan nu het geval is, zal worden geïntroduceerd” (einde citaat). Als produktie wordt hierbij overgelegd een fotokopie van het schrijven van verzoekster van 19 mei 1992 aan de directeur van Onderwijs en Volksontwikkeling, met verzoek aan U, E.A. de inhoud hierbij als letterlijk herhaald en geïnsereerd te beschouwen (zie prod. no. 3).

c. voormeld besluit is volgens verzoekster tardief aangezien het schrijven van 19 mei 1992 dateert en het besluit van 5 oktober 1992 en verzoekster de wens te kennen had gegeven om ingaande 1 oktober 1992 met ontslag te gaan. Deze stelling van verzoekster is pertinent onjuist. Ingevolge artikel 98, tweede lid wordt een orgaan geacht een besluit te hebben genomen indien het niet binnen zes maanden uitdrukkelijk heeft beslist. Verweerster heeft terdege rekening gehouden met de gestelde wettelijke termijn van 6 (zes) maanden getuige de datum van het verzoekschrift 19 mei 1992 en de datum van het besluit 5 oktober 1992. De houding van verzoekster aan te nemen dat het verzoek stilzwijgend was gehonoreerd is op grond van al het vorenstaande onjuist. Verzoekster had de verplichting te informeren bij verweerder of haar verzoek zou worden ingewilligd. Gelet op de eerder genoemde brieven had zij niet het recht er op te vertrouwen dat het gevraagde ontslag zou worden verleend op basis van artikel 69a lid 3. Uit de hele houding van verzoekster blijkt dat zij zeer zelfzuchtig, egoistisch is, alles moet gaan zoals zij verzoekster haar plannen heeft uitgestippeld. Verzoekster heeft door haar werkzaamheden op 1 oktober 1992 NIET te hervatten wanprestatie gepleegd jegens verweerder.

9. Uit het vorenstaande blijkt dat verweerder geenszins gehandeld heeft in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en is het gestelde onder punt 6 van haar verzoekschrift danook absurd.

Op grond van het voorgaande is verweerder danook van oordeel dat voor het gevorderde geen grond bestaat;

Overwegende, dat de verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

– dat verzoekster in haar vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard, althans dat deze aan haar zal worden ontzegd alszijnde ongegrond en niet bewezen;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking van 2 december 1992 in Raadkamer zijn verschenen, verzoekster in persoon, advokaat Mr. H.E. Struiken namens advokaat Mr. E.C.M. Hooplot, gemachtigde van verzoekster, advokaat Mr. Y.V. van Trigt, gemachtigde van verweerder en de heer B.L. Tjin Liep Shie, onder-Directeur van het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling namens verweerder, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – procesverbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van verweerder ten dage voor dupliek pleidooi bepaald, gepersisteerd en vonnis gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 18 juni 1993, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Personeelswet (P.W.), en tijdig – zijnde het tegendeel noch gesteld noch gebleken – het Ambtenarengerecht heeft geadieerd;

Overwegende m.b.t. verzoeksters vorderingen onder A:

ad primair:

– dat verzoekster i.c. een ”declaratoir” van het Hof als Ambtenarengerecht verzoekt;

– dat het Hof daartoe onbevoegd is, gevende artikel 79 van de Personeelswet het Hof die bevoegdheid niet;

ad subsidiair:

– dat het Hof ook in dit onderdeel van verzoeksters vordering onbevoegd is te oordelen;

immers geeft artikel 79 lid 2 van de Personeelswet, in het bijzonder het onderdeel e daarvan aan, dat o.a. een besluit tot ontslagverlening door het Hof, voor nietigverklaring vatbaar is (vide art. 69a en 69 lid 2 P.W.);

Overwegende, dat nu het schrijven van de directeur van Onderwijs van 5 november 1992 [nummer], naar ’s Hoven oordeel, zulk een besluit niet inhoudt, is het Hof, gelijk hierboven bereids aangehaald, onbevoegd daarover te oordelen; Overwegende m.b.t. verzoeksters vorderingen onder B:

– dat naar ’s Hoven oordeel, geen verschil valt te constateren tussen het primair en het subsidiair aldaar gevorderde;

– dat het den Hove blijkt, dat de grondslag van verzoeksters vorderingen onder B, het vertrouwensbeginsel is;

Overwegende te dien aanzien, dat het den hove ontgaat, waarom verzoekster er op mocht vertrouwen, dat haar verzoek was ingewilligd;

– dat naar ’sHoven oordeel, verzoeksters rekest op dit punt niet duidelijk is; verzocht was ontslag per 1 oktober 1992 en het schrijven (besluit) van de direkteur van Onderwijs d.d. 5 oktober 1992 is aan verzoekster dus na verstrijking van de gewenste ontslagdatum, medegedeeld;

– dat naar ’s Hoven oordeel, artikel 69a lid 3 van de Personeelswet geen tijdstip vermeldt met ingang waarvan het ontslag moet worden verleend, waarbij nog zij vermeld, dat die bepaling spreekt van ”KAN”;

– dat i.c. mitsdien sprake is van een bevoegdheid van de Staat;

Overwegende, dat naar ’s Hoven oordeel, de Personeelswet geen regeling bezit voor de datum (het tijdstip) waarop of tegen waarbinnen op een verzoek als waarvan hier sprake is, moet worden beslist;

– dat het enkele verstrijken van de gevraagde datum van ontslag onvoldoende wordt geacht, om de hierboven aangehaalde verwachting bij verzoekster te wekken; Overwegende, dat verzoeksters vorderingen sub B (primair als subsidiair) als ongegrond dienen te worden afgewezen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

I Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van en te oordelen over verzoeksters vorderingen sub A, zowel primair als subsidiair;

II. Wijst verzoeksters vorderingen sub B, zowel primair als subsidiair, als ongegrond af;