- Instantie Hof van Justitie
- Zaaknummer A-419
- Uitspraakdatum 16 november 2001
- Publicatiedatum 11 juni 2025
- Rechtsgebied Civiel recht
-
Inhoudsindicatie
Tussenarrest. Ontslag ambtenaar wegens plichtsverzuim. Het Hof ziet in de stellingen van partijen aanleiding om een comparitie van partijen te gelasten voor het inwinnen van inlichtingen met betrekking tot gepleegde valsheid in geschrifte door de verzoeker, omdat het strafbare feit op zich te vaag is en bijzonderheden van het door de verzoeker gepleegde delict nodig zijn om een juist oordeel te vormen.
Uitspraak
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
A – 419
[VERZOEKER ], wonende te Paramaribo aan de [straatnaam], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Einaarstraat no.8, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.Truideman, advokaat,
verzoeker,
t e g e n
DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name HET MINISTERIE VAN JUSTITIE EN POLITIE, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname ten Parkette aan de Gravenstraat no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.Baarh, advocaat,
verweerder,
De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;
TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:
1. dat verzoeker de navolgende rechtsvordering wenst in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name HET MINISTERIE VAN JUSTITIE EN POLITIE, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname ten Parkette aan de Gravenstraat no.3, verweerder;
2. dat de verzoeker in dienst is van de verweerder en aldus ambtenaar is in de zin van Personeelswet, op wie de Personeelswet in haar volle omvang van toepassing is;
3. dat de verzoeker in het jaar 1997 zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit (valsheid in geschrifte) en op 27 augustus 1997 door het bevoegde gezag in verzekering is gesteld;
4. dat de verzoeker als gevolg van deze inverzekeringstelling bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 25 september 1997 [nummer1] in de uitoefening van zijn functie werd geschorst in afwachting van de resultaten van het strafrechtelijk onderzoek, met verzoek de inhoud van deze beschikking als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;
5. dat de verzoeker vanwege van het strafbare feit bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 22 januari 1998 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren ter zake valsheid ingeschrifte;
6. dat aangezien de verweerder van oordeel is dat de veroordeling plichtsverzuim oplevert, heeft hij in de persoon van Korpschef bij schrijven d.d. 10 september 1998 [nummer 2] de verzoeker in de gelegenheid gesteld zich ter zake te verweren en dat de verzoeker bij schrijven van 14 september 1998 zich ter zake deze veroordeling schriftelijk heeft verweerd en zijn verweerschrift heeft ingediend bij de Korpschef. Zowel de brief van de Korpschef als het verweerschrift van de verzoeker worden hierbij gevoegd, met verzoek de inhoud van deze stukken als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;
7. dat de verzoeker tengevolge van deze veroordeling bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 30 november 1998 [nummer 2] uit Staatsdienst is ontslagen, met verzoek de inhoud van deze beschikking als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;
8. dat de verzoeker deze ontslagbeschikking pas op 22 januari 1999 van de verweerder althans de Korpschef heeft ontvangen en hij gebruik wenst te maken van zijn rechten als voorkomende in de Personeelswet namelijk dat hij binnen een maand nadat de beschikking te zijner kennis is gebracht in beroep kan gaan bij de Ambtenarenrechter;
9. dat de verzoeker opmerkt dat de overwegingen in de beschikking niet juist zijn, dat in de tweede overweging van de beschikking van 30 november 1998 door de verweerder wordt gesteld dat de verzoeker geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om zich terzake te verweren. Dit is pertinent niet juist, daar de verzoeker zich op 14 september 1998 schriftelijk heeft verweerd terzake van de veroordeling met opgave van zijn persoonlijke en huiselijke omstandigheden, met welke omstandigheden de verweerder geen rekening heeft gehouden;
10. dat de verweerder verder in paragraaf III van de beschikking gesteld heeft dat bij deze tuchtstraf van ontslag rekening is gehouden met de persoonlijke en huiselijke omstandigheden van de verzoeker, hetgeen niet juist is, nu de verweerder zelf heeft gesteld dat de verzoeker zich niet heeft verweerd;
11. dat de verzoeker van oordeel is dat nu de verweerder geen kennis heeft genomen van zijn verweerschrift d.d. 14 september 1998 de opgelegde tuchtstraf veel te zwaar is en derhalve in strijd is met het evenredigheidbeginsel als voorkomende in artikel 79 lid 3 van de Personeelswet, daar deze tuchtstraf van ontslag niet in een redelijke verhouding staat tot de ernst en de gevolgen van het plichtsverzuim en de omstandigheden waardoor het is begaan, temeer daar de verweerder geen rekening heeft gehouden met het feit dat de verzoeker een plichtsgetrouwe ambtenaar is en duidelijk misleid is geworden en bovendien een gezin heeft te verzorgen bestaande uit vrouw en vier kinderen;
12. dat de verzoeker op grond van de schending van dit evenredigheidbeginsel door de verweerder Uw Hof nadert met het verzoek de tuchtstraf van ontslag om te zetten in die van schorsing c.q. een ander passende tuchtstraf aan de verzoeker op te leggen;
Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard de beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 30 november 1998 [nummer 2] en dat Uw Hof moge bepalen dat aan de verzoeker de tuchtstraf van schorsing wordt opgelegd c.q. een ander passende tuchtstraf een en ander overeenkomstig artikel 82 lid 4 van de Personeelswet; Kosten rechtens.
Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd;
1. Verweerder ontkent en betwist alhetgeen niet woordelijk en uitdrukkelijk door hem wordt erkend met een beroep op de onsplitsbaarheid van zijn aveu, onder aanbod van bewijs conform recht en wet.
2. Verzoeker is in dienst GEWEEST van verweerder, welk dienstverband is geëindigd op 23 januari 1999 zijnde dag volgende op die waarop verzoeker de ontslagbeschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 30 november 1998 [nummer 3] heeft ontvangen.
3. Verweerder bevestigt hetgeen verzoeker heeft gesteld in het 3e tot en met 7e sustenu van het verzoekschrift waardoor deze feiten en het daaruit voortvloeiende plichtsverzuim rechtens tussen partijen vaststaan.
4. Hetgeen verzoeker heeft gesteld in het 9e sustenu van het inleidend rekest is FEITELIJK onjuist en onwaar, omdat de 2e (tweede) overweging van de ontslagbeschikking luidt alsvolgt: “dat het vonnis alsmede de handelingen die geleid hebben tot het vonnis ernstig plichtsverzuim opleveren voor [verzoeker] voornoemd, weshalve hij bij schrijven de dato 10 september 1998 ingebreke werd gesteld en IN DE GELEGENHEID ZICH TERZAKE TE VERWEREN DOCH DE ARGUMENTEN AANGEHAALD IN ZIJN VERWEERSCHRIFT de dato 14 september 1998 BLIJKEN NIET STEEKHOUDEND TE ZIJN om van bestraffing af te zien.
5. Uit punt III van het dictum van de ontslagbeschikking blijkt tevens dat verweerder bij de straftoemeting rekening heeft gehouden met de omstandigheden waaronder deze feiten (door [verzoeker]) gepleegd zijn, alsmede de persoonlijke en huiselijke omstandigheden van betrokkene. Hetgeen verzoeker heeft gesteld in de 2e en 3e zinsnede van het 10e sustenu van het inleidend rekest is feitelijk onwaar en onjuist, hetgeen moge blijken uit het vorige en dit sustenu.
6. Aangezien verweerder wel kennis heeft genomen van het verweerschrift ontkent hij met klem enig beginsel van behoorlijk bestuur te hebben geschonden. Verzoeker doet in diverse door hem gestelde posita de waarheid geweld aan.
7. Het komt verweerder voor dat geen enkele door verzoeker aangevoerde grond enige strafvermindering rechtvaardigt. Bovendien is de ontslag beschikking binnen een redelijke termijn ter kennis van verzoeker gebracht, zodat in dit opzicht evenmin een grond voor strafvermindering is te putten.
Overwegende, dat hij op deze gronden heeft geconcludeerd:
dat verzoeker in zijn vordering niet zal worden ontvangen althans hem deze zal worden ontzegd als ongegrond en onbewezen;
Overwegende, dat ingevolge s’ Hofs beschikking van 19 maart 2001 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, in Raadkamer zijn verschenen, [verzoeker] en advokaat Mr.A.R.Baarh, gemachtigde van verzoeker, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker bij pleitnota een produktie heeft overgelegd, wordende de inhoud van de overgelegde produktie hier als ingelast beschouwd;
Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder hierna een antwoord pleidooi tot uitlating produktie heeft genomen, waarna het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 5 oktober 2001, doch nader op heden.
TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat het Hof in de stellingen van partijen aanleiding vindt om een comparitie van partijen te gelasten voor het inwinnen van inlichtingen met betrekking tot gepleegde valsheid in geschrifte door de verzoeker, omdat dit feit op zich te vaag is en bijzonderheden van het door de verzoeker gepleegde delict nodig zijn om een juist oordeel te vormen;
Overwegende, dat de griffier danook zal worden gevraagd om zo spoedig mogelijk het strafdossier te doen overleggen;
Alvorens definitief te beslissen:
RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Vraagt de griffier om zo spoedig mogelijk het strafdossier aan het Hof te doen overleggen.
Gelast partijen, verzoeker in persoon en verweerder deugdelijk vertegenwoordigd, desgewenst vergezeld van haar advokaten ter terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 11 januari 2002 des voormiddags te 8.30 uur te verschijnen om de nodige inlichtingen aan het Hof te verstrekken.
Bepaalt, dat deze comparitie van partijen zal worden gehouden ten overstaan van een Rechter-Commissaris, als hoedanig wordt benoemd, Mr.S.GANGARAM-PANDAY, Fungerend-President van dit Hof;
Houdt iedere verdere uitspraak aan.
Aldus gewezen door Mr.S.Gangaram Panday, Fungerend-President, Mr.E.S.Ombre en Mw.Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 16 november 2001, in tegenwoordigheid van Mr.R.R.Brijobhokun, Fungerend-Griffier.
Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.M.G.Vos namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.Truideman en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde advokaat, Mr.A.R.Baarh, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.