- Instantie Hof van Justitie
- Zaaknummer G.R. no. 13707
- Uitspraakdatum 16 november 2001
- Publicatiedatum 11 juni 2025
- Rechtsgebied Civiel recht
-
Inhoudsindicatie
Het Hof overweegt, dat het vonnis één is hetwelk niet bij voorraad kan worden ten uitvoer gelegd en appellante binnen acht dagen na de dag van de uitspraak daartegen hoger beroep heeft aangetekend, dient appellante ingevolge artikel 264 lid 1 van eerder gemeld wetboek niet ontvankelijk te worden verklaard in haar tegen het beroepen vonnis aangetekend appel.
Uitspraak
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
GENERALE ROL NO.13707.
CYBIMEX S.A., rechtspersoon naar het recht van de Republiek Venezuela, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.NAARENDORP, advokaat, appellante,
t e g e n
BRUYNZEEL SURINAME HOUTMAATSCHAPPIJ N.V., rechtsopvolgster van Bruynzeel Suriname Houtmaatschappij B.V., gevestigd en kantoorhoudende aan de Slangenhoutstraat te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.B.A.HALFHIDE, advokaat, geïntimeerde,
De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding waaronder:
- de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 14 oktober 1994 en 11 november 1995 tussen partijen gewezen;
- het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 16 november 1995, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;
Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;
TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat Cybimex S.A als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:
- Dat eiser de navolgende vordering wenst in te stellen tegen BRUYNZEEL SURINAME HOUTMAATSCHAPPIJ N.V., rechtsopvolgster van BRUYNZEEL SURINAME HOUTMAATSCHAPPIJ B.V., gevestigd en kantoor houdende aan de Slangenhoutstraat te Paramaribo, gedaagde.
- Eiseres is met gedaagde in augustus 1980, althans in het jaar 1980, overeengekomen, dat laatstgenoemde aan eerstgenoemde zou betalen een commissie van 2%, voor dier bemiddeling bij de totstandkoming van een overeenkomst tussen gedaagde en het Venezolaanse ”Instituto Nacional de la Vivienda” ter zake van de levering van 500 geprefabriceerde woningen. Een fotokopie van de agentuurovereenkomst, vervat in de brief van 22 augustus 1980 van de Algemeen Directeur van gedaagde van eiseres, gaat hierbij, met verzoek de inhoud als letterlijk aangehaald en geinsereerd aan te merken.
- De overeenkomst tussen gedaagde en het Venezolaanse ”Instituto Nacional de la Vivienda” is op 2 december 1981 tot stand gekomen en uitgevoerd door levering zijdens gedaagde van steeds 100 geprefabriceerde woningen, respectievelijk op 26 februari, 15 mei, 8 juli, 17 september en 19 november 1982 en betaling zijdens het ”Instituto Nacional de la Vivienda” van US$ 3,310,000.00 (DRIE MILJOEN DRIE HONDERD EN TIENDUIZEND US DOLLARS) middels onherroepelijk geconfirmeerde Letter of Credit, in welk bedrag begrepen was de aan eiseres toekomende commissie van 2%. De leveringsfacturen van bovengenoemde data gaan in fotokopie hierbij, met verzoek de inhoud als letterlijk aangehaald en geinsereerd aan te merken.
- Gedaagde is uit hoofde van de onder 2 genoemde agentuuroverenkomst aan eiseres, ter zake van de totstandkoming en uitvoering van de overeenkomst tussen het Venezolaanse ”Instituto Nacional de la Vivienda” en gedaagde, verschuldigd het bedrag van US$ 64,901.95, (VIER EN ZESTIGDUIZEND NEGEN HONDERD ÉÉN 95/00 US DOLLARS) waarvan eiseres, herhaaldelijke aanmaning ten spijt, tot op heden geen betaling heeft mogen bekomen. De commissiefacturen terzake worden hierbij overgelegd, met verzoek de inhoud als hier aangehaald en geinsereerd aan te merken.
- Door als voormeld te handelen maakt gedaagde zich jegens eiseres schuldig aan wanprestatie.
- Eiseres heeft gedaagde, door middel van haar vertegenwoordigster hier te lande, Scala International Consultants N.V., herhaaldelijk en laatstelijk bij exploot no. 330 van 3 juni 1993 van deurwaarder Tj.Jagroe behoorlijk in gebreke gesteld, zonder dat gedaagde aan de sommatie tot betaling gevolg heeft gegeven, waardoor eiseres thans het bedrag der schuld, in hoofdsom groot US$ 64,901.95, te vermeerderen met rente en kosten, respectievelijk US$ 44,748.05 en US$ 12,868.00, dus totaal US$ 122,518.00 (HONDERD TWEE EN TWINTIGDUIZEND VIJF HONDERD EN ACHTTIEN US DOLLARS) opeisbaar van gedaagde te vorderen heeft. Het voormelde exploot wordt hierbij overgelegd met verzoek de inhoud als hier letterlijk aangehaald en geinsereerd aan te merken.
- Eiseres heeft er thans recht en belang bij om in rechte de nakoming van de overeenkomst te vorderen, benevens de vergoeding van kosten schade en interessen.
- Eiseres wenst het navolgende secundair aan haar vordering ten grondslag te leggen:
a. Eiseres heeft, voorafgaand aan de sub 2 vermelde transactie, meerdere malen ten behoeve van gedaagde bemiddeld bij de tot standkoming van exporten naar Venezuela en heeft daarvoor de haar toekomende commissie ontvangen.
b. Gedaagde heeft als gerenommeerd bedrijf in Suriname, mede door het hiervoren gestelde, in ieder geval bij eiseres de schijn gewekt, dat eiseres veilig met haar, gedaagde, zaken kon doen.
c. Mocht door enig nalaten van gedaagde om te voldoen aan de bepalingen van de wet die de boven haar gestelde overheid heeft gesteld voor de totstandkoming van overeenkomsten zoals de tussen partijen gesloten agentuurovereenkomst, en mocht daaruit de nietigheid van deze overeenkomst voortvloeien, dan heeft gedaagde daarmede jegens eiseres, die niet een Surinaams ingezetene is, als in strijd met de maatschappelijk betamelijke zorgvuldigheid, onrechtmatig gehandeld met haar schuld daaraan.
d. Eiseres lijdt door dit onrechtmatig handelen schade, gelijk aan commissie die haar uit de overeenkomst toekwam, thans te vermeerderen met rente en kosten, en totaal te begroten op US$ 122,518.00 (HONDERD TWEE EN TWINTIGDUIZEND VIJF HONDERD EN ACHTTIEN US DOLLARS), welk bedrag zij thans in rechte wenst te vorderen. Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gedaagde zal worden veroordeeld:
PRIMAIR:
tot betaling van de door haar, terzake van de tussen partijen gesloten agentuurovereenkomst van augustus 1980, aan gedaagde verschuldigde commissie, vermeerderd met rente en kosten een totaal bedrag van US$ 122,518.00 (HONDERD TWEE EN TWINTIGDUIZEND VIJF HONDERD EN ACHTTIEN US DOLLARS), of de tegenwaarde daarvan in Surinaams courant, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der rechtsingang tot die van de algehele voldoening.
SUBSIDIAIR:
tot vergoeding van de schade door eiseres geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van gedaagde, welk schade beloopt het bedrag van US$ 122,518.00 (HONDERD TWEE EN TWINTIGDUIZEND VIJF HONDERD EN ACHTTIEN US DOLLARS), of de tegenwaarde daarvan in Surinaams courant, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der rechtsingang tot aan die van de algehele voldoening, Kosten rechtens;
Overwegende, dat Bruynzeel Suriname Houtmaatschappij N.V., als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – onder overlegging van produkties welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:
dat eiseres niet ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering, althans deze haar zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen;
Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van eiseres tevens produkties overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 11 oktober 1994 op de daarin opgenomen gronden een comparitie van partijen heeft gelast:
Overwegende, dat de door de Kantonrechter bevolen en gehouden comparitie van partijen, partijen in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun respectieve gemachtigden, die hebben verklaard gelijk in het daarvan door de Griffier van het Kantongerecht opgemaakte proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat ten dage voor conclusie na gehouden comparitie van partijen zijdens partijen bepaald, de gemachtigden van partijen een schriftelijke conclusie hebben overgelegd, waarvan de inhoud hier als geinsereerd dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat ten dage voor uitlating produktie bepaald, de gemachtigde van eiser een schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, waarvan de inhoud ook hier eveneens als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij vonnis van 14 november 1995 op de daarin opgenomen gronden:
Eiseresses vordering heeft ontzegd;
Eiseres in de proceskosten heeft veroordeeld aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. Nihil;
Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal Cybimex S.A. in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 14 november 1995;
Overwegende, dat bij exploot van deurwaarder R.Kappel van 12 maart 1996 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;
Overwegende, dat ten dage voor pleidooi peremptoir bepaald, de gemachtigde van appellant recht op stukken heeft gevraagd en advokaat Mr.A.R.Baarh heeft gepersisteerd bij zijn stellingen;
Overwegende, dat het Hof vonnis had bepaald op 3 augustus 2001, doch bij rolbeschikking uitlating zijdens partijen met betrekking tot proces-verbaal 1e aanleg heeft gevraagd;
Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens partijen met betrekking tot proces-verbaal 1e aanleg bepaald, de gemachtigde van geïntimeerde een hier als ingelast te beschouwen conclusie heeft genomen;
Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis had bepaald op 7 december 2001, doch bij vervroeging op heden.
TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat, naar luid van artikel 264 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is het hoger beroep van een vonnis, hetwelk niet bij voorraad kan worden ten uitvoer gelegd, niet ontvankelijk indien het is ingesteld binnen acht dagen na de dag van de uitspraak;
Overwegende, dat, naar blijkt uit het procesdossier, appellante haar vordering bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 14 november 1995 aan haar is ontzegd;
Overwegende, dat, naar wijders uit het procesdossier blijkt, appellante alstoen eiseres, bij de uitspraak vertegenwoordigd werd door de deurwaarder bij het Hof van Justitie, R.Kappel, namens haar gemachtigde, Mr.E.Naarendorp, advokaat bij het Hof van Justitie; dat namens appellante bij schrijven de dato 16 november 1995 hoger beroep werd aangetekend tegen gemeld eindvonnis van 14 november 1995;
Overwegende, dat bij rolbeschikking van het Hof de dato 6 juli 2001 partijen in de gelegenheid werden gesteld zich uit te laten over de vraag of was opgemaakt een proces-verbaal naar aanleiding van een op 20 februari 1995, in eerste aanleg gehouden comparitie van partijen, nadat partijen ter terechtzitting van 1 juni 2001 gevraagd hadden om recht op stukken;
Overwegende, dat geïntimeerde, zich bij daartoe strekkende conclusie de dato 5 oktober 2001 uitlatend over datgene waartoe partijen bij rolbeschikking de dato 6 juli 2001 in de gelegenheid zijn gesteld, onder meer gesteld heeft dat appellante te vroeg appel heeft aangetekend en dat zij – appellante – derhalve niet ontvankelijk behoort te worden verklaard in haar beroep, hebbende geïntimeerde daar een uitdrukkelijk beroep op gedaan; appellante heeft de gelegenheid haar bij gemelde rolbeschikking geboden evenwel niet te baat genomen, ondanks peremptoirstelling;
Overwegende, dat nu het vonnis de dato 14 november 995 één is hetwelk niet bij voorraad kan worden ten uitvoer gelegd en appellante binnen acht dagen na de dag van de uitspraak daartegen hoger beroep heeft aangetekend, dient appellante ingevolge artikel 264 lid 1 van eerder gemeld wetboek niet ontvankelijk te worden verklaard in haar tegen het beroepen vonnis aangetekend appel;
beantwoording van de vraag of van de op 20 februari 1995 gehouden comparitie van partijen proces-verbaal is opgemaakt kan als niet tegen langer relevant, geheel in het midden worden gelaten;
Overwegende, dat appellante de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen, dient te dragen;
Gezien de betrekkelijke Wetsartikelen;
RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Verklaart appellante niet ontvankelijk in het door haar ingesteld hoger beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 14 november 1995 gewezen en uitgesproken;
veroordeelt de appellante in de kosten aan de zijde van de geïntimeerde op de procedure in hoger beroep gevallen tot dusverre begroot op sf.2.500,–;
met in begrip van het door het Hof aan haar advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van sf.2.500,–;
bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellante eveneens op sf.2.500,–;
Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.K.PULTOO, Leden en bij vervroeging door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 16 NOVEMBER 2001, in tegenwoordigheid van Mr.R.R.BRIJOBHOKUN, Fungerend- Griffier.
Partijen, appellante vertegenwoordigd door advokaat Mr.L.E.PALMBURG namens haar gemachtigde, advokaat Mr.E.NAARENDORP en geïntimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.N.P.K.TJIN A DJIE namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.B.A.HALFHIDE, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.