- Instantie Hof van Justitie
- Zaaknummer G.R. no. 13732
- Uitspraakdatum 07 december 2001
- Publicatiedatum 18 mei 2026
- Rechtsgebied Civiel recht
-
Inhoudsindicatie
Het kind heeft niet betwist en derhalve staat vast dat de Kantonrechter verlof heeft verleend tot het leggen van beslag op perceelnummer 1. Het kind heeft zich weliswaar erop beroepen dat beslag is gelegd op perceelnummer 2, met uitzondering van de overgedragen delen, maar, naar hij zelf stelt, was van de 14 kavels, kavel 9 nog niet overgedragen en werd kavel 14 door appellant zelve bewoond. Hieruit volgt dus dat perceelnummer 2, met uitzondering van de overgedragen delen, niet samenvalt met perceelnummer 1, zodat geen beslag is gelegd op het perceel waarvoor verlof van de Kantonrechter was bekomen.
Uitspraak
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
GENERALE ROL: 13732.
[Appellant], wonende in het [district] aan de [straatnaam] voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.Truideman, advokaat,
appellant in conventie
en in reconventie,
t e g e n
[Geïntimeerde], in zijn hoedanigheid van vader uitoefenende de ouderlijke macht over de minderjarige [kind], geboren in Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.C.M.HOOPLOT, advokaat,
geïntimeerde q.q. in conventie
en in reconventie,
De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien ’s Hofs interlocutoire vonnissen respectievelijk van 16 mei 1997 en 4 december 1998 tussen partijen gewezen en uitgesproken;
TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat partij [appellant] in de enquête drie getuigen heeft doen horen, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat de gemachtigde van partij [appellant] hierna een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie na gehouden enquête heeft genomen – onder overlegging van een produktie – wordende de inhoud van de overgelegde produktie hier als ingelast beschouwd;
Overwegende, dat de gemachtigde van geïntimeerde vervolgens een eveneens hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie na gehouden enquête en uitlating produktie heeft genomen;
Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 21 mei 1999, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader op heden.
TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
In conventie en in reconventie;
1. Het Hof neemt hier over en volhardt bij hetgeen in laatstvermeld tussenvonnis is overwogen en beslist.
In conventie voorts:
2. In s’ Hofs tussenvonnis van 4 december 1998 is aan [appellant] opgedragen te bewijzen dat hij de koopovereenkomst met [naam] is aangegaan onder beding dat laatstgenoemde de koopsom binnen zes maanden diende te betalen en dat, indien [naam] drie maanden achterstallig zou zijn, de koopovereenkomst van rechtswege ontbonden zou zijn.
3. [Appellant] heeft drie getuigen, te weten [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] doen horen, terwijl geen tegengetuigen zijn voorgebracht.
4. Met betrekking tot hetgeen [appellant] en [naam] zijn overeengekomen heeft geen van de getuigen iets verklaard. Uit hun verklaringen blijkt wel dat zij elk het erfpachtsrecht op een perceel van [appellant] hebben gekocht en dat daarbij telkens is overeengekomen dat de koopsom binnen zes maanden (na de koop) moest zijn voldaan. Geen van de getuigen heeft er echter gewag van gemaakt dat hij met [appellant] iets heeft afgesproken over de gevolgen van drie maanden achterstalligheid. Verder hebben de getuigen, voor zover hier van belang, het volgende verklaard:
[getuige 1]:
“Tussen [appellant] en ik was verder afgesproken dat indien de koopsom niet binnen deze termijn werd betaald, het perceel weer van de eigenaar zou zijn”
[getuige 2]:
“ Indien dit laatste (i.e. betaling van de koopsom binnen zes maanden: toevoeging door het Hof) niet het geval zou zijn, zou de koop niet doorgaan. Afgesproken was dat als ik de koopsom niet binnen 6 maanden had betaald [appellant] het perceel zou intrekken”.
[getuige 3]:
“Met [appellant] was afgesproken dat de koopsom binnen 6 maanden moest zijn betaald en dat [appellant] anders het perceel zou intrekken”.
Uit het voorgaande blijkt niet dat [appellant] en de getuigen het van rechtswege ontbonden zijn van de tussen hen gesloten koopovereenkomst zijn overeengekomen, maar eerder dat er sprake is van een annuleringsbeding (i.e. de bevoegdheid om de overeenkomst als ontbonden te beschouwen; in de woorden van de getuigen: “om het perceel in te trekken”).
5. Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat [appellant] niet heeft waargemaakt dat tussen hem en de getuigen een beding is gemaakt als hierboven onder 2 bedoeld en des te minder dat tussen hem en [naam] een dergelijk beding is totstandgekomen. Hij is dus niet geslaagd in het aan hem opgedragen bewijs.
6. [Appellant] heeft ontkend dat de akte van cessie gedateerd “maart 1988”, aan hem is betekend. Dit verweer wordt verworpen, aangezien het Hof door het in fotokopie overgelegd exploit van deurwaarder G.O.Niekoop dd.9 maart 1988, waartegen [appellant] geen bewijs heeft aangeboden, bewezen acht dat genoemde akte van cessie in persoon aan [appellant] is betekend.
7. [Appellant] heeft ook nog aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat de persoon van [kind] de Nederlandse nationaliteit bezit, permanent verblijf houdt in Nederland en dat blijkens het Decreet Landhervorming slechts toestemming tot het overdragen van erfpachtsrecht zal worden verleend indien de begunstigde de Surinaamse nationaliteit bezit. Hiertegen is aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat genoemde [kind] “thans” de Nederlandse nationaliteit heeft, maar ten tijde van de cessie, alsmede bij de indiening van het inleidend rekest (op 10 mei 1990) en ook toen de toestemming van de Minister van NHE dd. 4 mei 1989 werd gegeven, de Surinaamse nationaliteit bezat; dat de wijziging in nationaliteit generlei invloed uitoefent op de uit de cessie voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen.
8. Partijen hebben kennelijk het oog op het Decreet uitgifte Domeingrond, waarvan art 2 sub a, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, bepaalt dat het recht om domeingrond te krijgen slechts toekomt aan Surinamers die in Suriname wonen. Zij, partijen, zien echter hierbij over het hoofd dat het in casu niet betreft de uitgifte van grond door de Staat, maar de overdracht van een in 1966 (zie bij het inleidend rekest overgelegde hypothecair uittreksel) gevestigd erfpachtsrecht, waarop van toepassing is art.6 van het Decreet rechtstoestand vóór 1 juli 1982 juncto artikel 28 van het Decreet uitgifte Domeingrond. Laatstvermeld artikel bepaalt weliswaar dat overdracht van het recht uitsluitend met toestemming van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie kan geschieden en dat aan die toestemming voorwaarden kunnen worden verbonden, maar bedoeld artikel bepaald geenszins dat toestemming voor overdracht van het erfpachtsrecht slechts wordt verleend indien de begunstigde de Surinaamse nationaliteit bezit. De onder 7 weergegeven stelling van [appellant] gaat dus niet op.
9. Op grond van hetgaan hierboven en in de aan dit vonnis voorafgaande tussenvonnissen is overwogen, dient het vonnis van de Kantonrechter, waarvan beroep, onder verbetering van gronden te worden bevestigd.
10. [Appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.
In reconventie voorts:
11. Uit de overgelegde, en in zoverre niet betwiste, stukken blijkt het volgende:
a. ten verzoeke van [geïntimeerde] is bij exploiten nummers 304 en 311 van deurwaarder Sh.kandhai, beide dd.4 mei 1990, conservatoir beslag gelegd op een perceelland groot 1.8637 ha, bekend als [perceelnummer 2], “met uitzondering van de overgedragen delen” respectievelijk op enkele in het exploit genoemde roerende goederen.
b. bovenvermeld perceelland is verdeeld in 14 delen, waaronder het perceelland groot 1.070,73 m², bekend als [perceelnummer1]
12. [appellant] heeft gevorderd dat voormelde beslagen zullen worden opgeheven, omdat door de Kantonrechter uitsluitend verlof is verleend tot het leggen van beslag op het perceelland bekend als [perceelnummer 1] en niet op het perceelland bekend als [perceelnummer 2] voorts, omdat hij niet in enige contractuele relatie tot [geïntimeerde] stond.
13. [kind] heeft niet betwist en derhalve staat vast dat de Kantonrechter verlof heeft verleend tot het leggen van beslag op [perceelnummer 1]. [kind] heeft zich weliswaar erop beroepen dat beslag is gelegd op [perceelnummer2] “met uitzondering van de overgedragen delen”, maar, naar hij zelf stelt, was, van de 14 kavels, kavel 9 nog niet overgedragen en werd kavel 14 door [appellant] zelve bewoond. Hieruit volgt dus dat [perceelnummer 2] “met uitzondering van de overgedragen delen” niet samenvalt met [perceelnummer 1], zodat geen beslag is gelegd op het perceel waarvoor verlof van de Kantonrechter was bekomen.
14. Volgens de betreffende exploiten zijn de beslagen gelegd ter verzekering van een vordering groot Sf.55.000,–. Aangezien het beslagrekest ontbreekt is niet duidelijk welke vordering wordt bedoeld. [kind] heeft in conventie de vanwaardeverklaring van deze beslagen gevorderd en het wordt er dan ook voor gehouden dat de beslagen zijn gelegd ter verzekering van de, kennelijk op Sf.55.000,– begrootte subsidiaire vordering. Deze vordering blijft echter, nu de primaire vordering wordt toegewezen, buiten bespreking.
15. De vordering van partij [appellant] dient op grond van al het voorgaande te worden toegewezen. [kind] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.
RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
In conventie:
Bevestigt onder verbetering van gronden het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en op 25 mei 1993 uitgesproken vonnis.
Veroordeelt [appellant] in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.nihil;
In reconventie:
Vernietigt het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en op 25 mei 1993 uitgesproken vonnis.
EN OPNIEUW RECHTDOENDE:
Heft op de bij exploiten nummers 304 en 311 van deurwaarder Sh.Kandhai, beide dd. 4 mei 1990, gelegde conservatoire beslagen.
Veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van partij [appellant] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.26.789,50,–;
met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van f.2.500,–;
bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geïntimeerde eveneens op f.2.500,–;
In conventie en in reconventie
Aldus gewezen door: Mr.E.S.OMBRE, Fungerend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mw.Mr.Drs.C.C.L.A.VALSTEIN-MONTNOR, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 7 december 2001, in tegenwoordigheid van Mr.R.R.BRIJOBHOKUN, Fungerend-Griffier.
Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.R.U.F.Truideman namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.Truideman en geïntimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.J.Nibte namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.E.C.M.Hooplot, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.