SRU-HvJ-2003-1

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer G.R. no. 14161
  • Uitspraakdatum 30 april 2003
  • Publicatiedatum 11 juni 2025
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Verweerster heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd, dat de schadeprocedure een vervolgprocedure is die voortgezet wordt bij dezelfde rechter; dat de uitvoerbaarverklaring bij voorraad weliswaar tot consequentie heeft dat de schorsende werking van de gewone rechtsmiddelen wordt opgeheven, doch dat dit onverlet laat dat de verzoekster hoger beroep kan instellen tegen dit vonnis; dat zulks geheel in overeenstemming is met de heersende doctrine, ongeacht of het betreft de oneigenlijke executie van een einduitspraak; dat zij – verweerster – ten overvloede op wijst dat de jurisprudentie niet verbiedt dat de uitvoerbaarverklaring bij voorraad gekoppeld wordt aan de veroordeling tot betaling van schade nader op te maken bij staat en te vereffenen ingevolge de Wet; dat de vrees voor de zogenaamde restitutie risico de behandeling van de schadestaatprocedure niet in de weg kan en mag staan.
    Het Hof heeft ten aanzien van voormeld verstrekkend verweer opmerkt, dat de artikelen 268 e.v.van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zowel de gerechtelijke tenuitvoerlegging, – “excecution forcée” – als de “execution par suite d’ instance” betreffen. Het voeren van een schadestaatprocedure is in laatstgenoemde zin een tenuitvoerlegging van een vonnis tot schadevergoeding. Het Hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat nu ten onrechte de tenuitvoerbaarlegging bij voorraad van dit deel  van het vonnis, m.n: de “execution par suite” d’ instance”, is bevolen, ingevolge artikel 272 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de staking van de staatprocedure dient te worden bevolen.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14161.

 

DE SURINAAMSE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V.,  gevestigd te Paramaribo en kantoorhoudende aldaar aan de Mr.J.Lachmonstraat no.136, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.Kruisland, advokaat, verzoekster,

t   e  g  e  n 

PARBHOE’S HANDELMAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd te Paramaribo en kantoorhoudende aldaar aan de Domineestraat no. 11, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.E.Debipersad, advokaat, verweerster,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken:

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat  De Surinaamse Luchtvaartmaatschappij N.V. zich bij verzoekschrift tot het Hof van Justitie heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Appellante is bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 20 november 2001 (A.R.No.98-4909) veroordeeld om aan PARBHOE’S HANDELMAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd te Paramaribo en kantoorhoudende aldaar aan de Domineestraat no. 11 (nader geintimeerde), tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een som geld, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgende de wet. Appellante is van voormeld vonnis in hoger beroep gekomen op 29 november 2001 blijkens een op die datum schriftelijk tot dat doel ter Griffie van het Kantongerecht in het Eerste Kanton ingediende verklaring. Appellante legt voormeld vonnis en voormelde verklaring hierbij over, met verzoek de inhoud van die bescheiden als hier  letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen.
  2. Bij verzoekschrift d.d. 12 juni 2002 heeft geintimeerde aan de Kantonrechter in het Eerste Kanton verzocht het bedrag der schade, als bedoeld in het sub 1 vermelde vonnis, vast te stellen – zo leest appellante het petitum- en op dat verzoekschrift heeft de Kantonrechter voornoemd een beschikking gegeven d.d. 19 juli 2002, waarbij is bepaald, dat voormeld verzoek zal worden behandeld ter terechtzitting van 5 november 2002. Appellante legt voormeld verzoekschrift en voormelde beschikking hierbij over, met verzoek de inhoud als hier geinsereerd te beschouwen.
  3. De sub 2 omschreven handelingen vormen een tenuitvoerlegging van het sub 1 vermelde vonnis, zij het dat in casu dan sprake is van een “execution par suite d’instance”. Echter ingevolge artikel 268 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt de tenuitvoerlegging van een beroepen vonnis, zoals in casu, geschorst door het hoger beroep, indien dat vonnis niet bij voorraad mag worden tenuitvoergelegd, zodat in elk geval de Kantonrechter voornoemd voormelde beschikking niet had mogen geven en niet tot behandeling van de vervolgens aan de orde zijnde schadestaatprocedure had mogen overgaan, hetgeen hij wel  heeft gedaan door te bepalen, dat appellante op het sub 2 vermelde verzoek van antwoord moet dienen op 4 maart 2003.
  4. Geintimeerde beroept zich er evenwel op dat het sub 1 vermelde vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard (vide het 6e “sustenu” van het sub 2 vermelde verzoekschrift), zulks echter geheel ten onrechte. Immers had voormeld vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad mogen worden verklaard, aangezien de artikelen 55 en 56 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering daartoe geen enkele ruimte bieden.
  5. Ingevolge artikel 272 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft appellante dan ook recht en belang bij uw Hof te vorderen, dat de tenuitvoerlegging van het sub 1 vermelde vonnis wordt gestaakt. Appellante heeft daarbij bovendien een spoedeisend belang, aangezien het ten zeerste te betwijfelen valt of bij een positieve uitslag van het sub 1 vermelde hoger beroep, geintimeerde in staat zal zijn tot terugbetaling van het mogelijk inmiddels aan haar toegewezen en op appellante alsdan verhaalde bedrag, gelet op de beslagen, die te haren laste zijn gelegd.

Overwegende, dat appellante op deze gronden het Hof heeft verzocht:

te bevelen de staking van de tenuitvoerlegging van het tussen partijen door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 20 november 2001  gewezen vonnis  waarvan beroep (A.R.No.98-4909), in het bijzonder van de schadestaatprocedure, ingeleid bij verzoekschrift van geintimeerde d.d. 12 juni 2002, Kosten rechtens.

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen, respectievelijk advokaat Mr.F.Kruisland en Mr.A.E.Debipersad ter terechtzitting zijn verschenen en hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd; hebbende 

de gemachtigden van partijen  de zaak bij pleidooi nader toegelicht en verdedigd; 

Overwegende, dat het Hof hierna het verhoor van partijen heeft gesloten;

Overwegende, dat de gemachtigde van geintimeerde vervolgens produktie’s heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellante tenslotte – een hier als geinsereerd aan te merken – schriftelijke conclusie tot uitlating over de overgelegde produktie’s heeft genomen;

Overwegende, dat het Hof uiteindelijk vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar blijkt uit het procesdossier, tussen verzoekster en verweerster op 20 november 2001 een vonnis is gewezen door de Kantonrechter-plaatsvervanger in het Eerste Kanton (ARNo.98/4909), waarbij verzoekster is veroordeeld aan verweerster tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een som geld, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de Wet, zijnde dit vonnis uitvoerbaar verklaard bij voorraad, en met veroordeling van verzoekster in de kosten van dit geding; dat tegen dit vonnis verzoekster op 29 november 2001 appél heeft aangetekend; dat verweerster bij verzoekschrift de dato 12 juni 2002 aan de Kantonrechter in het Eerste Kanton het verzoek heeft gedaan het bedrag van de schade, als bedoeld in voormeld vonnis, vast te stellen, hebbende de Kantonrechter een beschikking gegeven de dato 19 juli 2002, waarbij is bepaald dat het gedaan verzoek behandeld zal worden ter terechtzitting van 5 november 2002; dat de behandeling gaande is en wederom ter rolle van 6 mei 2003 zal dienen voor repliek zijdens verweerster;

Overwegende, dat verzoekster op grond van feiten, gesteld in het 3e “sustenu” en de 2e volzin van het 4e “sustenu” van het verzoekschrift welke feiten als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd worden aangemerkt, het Hof het verzoek heeft gedaan van de ten uitvoerlegging van het vonnis van de Kantonrechter-plaatsvervanger in het Eerste Kanton de dato 20 november 2001, waarvan beroep, in het bijzonder van de schadestaatprocedure, ingeleid bij verzoekschrift van verweerster de dato 12 juni 2002, de staking te bevelen;

Overwegende, dat verweerster als meest verstrekkend verweer aangevoerd heeft, dat de schadeprocedure een vervolgprocedure is die voortgezet wordt bij dezelfde rechter; dat de uitvoerbaarverklaring bij voorraad weliswaar tot consequentie heeft dat de schorsende werking van de gewone rechtsmiddelen wordt opgeheven, doch dat dit onverlet laat dat de verzoekster hoger beroep kan instellen tegen dit vonnis; dat zulks geheel in overeenstemming is met de heersende doctrine, ongeacht of het betreft de oneigenlijke executie van een einduitspraak; dat zij – verweerster – ten overvloede op wijst dat de jurisprudentie niet verbiedt dat de uitvoerbaarverklaring bij voorraad gekoppeld wordt aan de veroordeling tot betaling van schade nader op te maken bij staat en te vereffenen ingevolge de Wet; dat de vrees voor de zogenaamde restitutie risico de behandeling van de schadestaatprocedure niet in de weg kan en mag staan;

Overwegende, dat het Hof ten aanzien van voormeld verstrekkend verweer opmerkt, dat de artikelen 268 e.v.van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zowel de gerechtelijke tenuitvoerlegging, – “excecution forcée” – als de “execution par suite d’ instance” betreffen. Het voeren van een schadestaatprocedure is in laatstgenoemde zin een tenuitvoerlegging van een vonnis tot schadevergoeding;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is in verband met het zo juist overwogene dat nu ten onrechte de tenuitvoerbaarlegging bij voorraad van dit deel  van het vonnis, m.n: de “execution par suite” d’ instance”, is bevolen, dient ingevolge artikel 272 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de staking van de staatprocedure te worden bevolen;

Overwegende, dat verweerster zich tijdens de behandeling in Raadkamer de dato 3 april 2003, – zij het ten overvloede – tevens beroepen heeft op een drietal in Nederland gedane uitspraken, blijkbaar ter rechtvaardiging van het door de Kantonrechter-plaatsvervanger gegeven bevel tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis de dato 

20 november 2001, te weten:

– een arrest van de Hoge raad der Nederlanden de dato 31 januari 2003 in de zaak van Interplex B.V. contra Streekgewest Westelijke Mijnstreek;

– een vonnis van de Rechtbank van Maastricht de dato 27 juni 2002    in de zaak van Vedior Uitzendbureau B.V., appellante contra geintimeerde;

– een vonnis van de Rechtbank te Arnhem de dato 12 september 2002 inzake Houterman Lent B.V. contra van de Coolwijk VOF;

Overwegende, dat het beroep op voormelde uitspraken verweerster niet vermag te baten en mitsdien faalt, ziende verweerster immers over het hoofd, dat voormelde uitspraken, gelet op de datum van elk van die uitspraken, gedaan zijn onder vigeur van de wet van 14 december 2001 stb.623, i.w.tr. 1 januari 2002 (Tekstplaatsing art. 1 t/m 291, in het bijzonder; luidende het terzake relevante artikel 233 alsvolgt:

  1. Tenzij uit de wet of uit de aard van de zaak anders voortvloeit, kan de rechter, indien dit wordt gevorderd, verklaren dat zijn vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal zijn, niettegenstaande daartegen aan te wenden rechtsmiddelen. De rechter kan een vonnis, waarbij op de voet van artikel 195 wordt beslist omtrent een voorschot terzake van de kosten van deskundigen, ook ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
  2. De uitvoerbaarverklaring bij voorraad kan het gehele vonnis betreffen of een gedeelte daarvan.
  3. De rechter kan aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde verbinden, dat tot een door hem te bepalen bedrag zekerheid wordt gesteld; zijnde immers genoemde wet in verband met de territoriale werking daarvan slechts binnen het eigen grondgebied van de onafhankelijke Staat der Nederlanden van kracht geworden;

Overwegende, dat het Hof danook zal beslissen als na te melden, onder verwijzing van verweerster in de proceskosten;

RECHTDOENDE:                                      

Gelast, dat de ten uitvoerlegging van het vonnis van de Kantonrechter-plaatsvervanger in het Eerste Kanton de dato 20 november 2001, waarvan beroep, bij wege van voortprocederen over de schadestaat, wordt gestaakt, alles met veroordeling van verweerster in de proceskosten, begroot op sf……

Aldus gewezen door Mr.J.R.Von Niesewand, Vice-president, Mr.K.Pultoo en Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Leden en door de Vice-president uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van woensdag, 30 april 2003, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.Van Genderen-Relyveld, Substituut-Griffier.

 

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd  door haar gemachtigde, advokaat Mr.F.Kruisland en verweerster vertegenwoordigd door advokaat Mr.F.Kruisland namens haar gemachtigde, advokaat  Mr.A.E.Debipersad, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.