SRU-HvJ-2004-13

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer G.R. no. 14086
  • Uitspraakdatum 05 november 2004
  • Publicatiedatum 10 april 2026
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    De stichting stelt – kort gezegd – de schijn te ontlenen aan de brief van [naam 2] d.d. 28 maart 1994, waarin vermeld staat dat [appellant] aangewezen is als President-Commissaris en de persoonlijke aanwezigheid van [naam 2] bij het verlijden van de litigieuze akten van geldleningen. Naar het voorlopig oordeel van het Hof zijn deze gestelde omstandigheden ontoereikend om de gestelde schijn te goeder trouw aan te nemen, nu de hier bedoelde brief door [naam 2] als persoon, en niet in een bepaalde hoedanigheid is getekend.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14086.

DE STICHTING “BIANCA”, rechtspersoon en gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.C.M.Hooplot, advokaat,
appellante in Kort Geding,

t e g e n

DU MARONI INTERNATIONAL N.V., rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt Mr.W.C.Pengel, advokaat,
geintimeerde in Kort Geding,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
Betalend Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien ‘s Hofs interlocutoir vonnis van 19 juli 2002 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslists en voorts;
Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens appellante bepaald advokaat Mr.J.Nibte namens advokaat Mr.E.C.M.Hooplot uitstel heeft gevraagd;
Overwegende, dat de gemachtigde van appellante een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, terwijl advokaat Mr.E.C.M.Hooplot vonnis heeft gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 21 februari 2003, doch na enige malen te zijn aangehouden, nader heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat in het hiernavolgende de procespartijen Du Maroni Internationaal N.V., de Stichting “Bianca”, [naam 1], Mr.R.G.Rodrigues gemakshalve (ook) respectievelijk aangeduid zullen worden als Du Maroni, Bianca, [naam 1] en de instrumenterende notaris. Ook het vonnis van de kort gedingrechter gewezen en uitgesproken op 31 oktober 1996 zal in het hiernavolgende (ook) aangeduid worden als het bestreden vonnis;
Overwegende, dat hier gepersisteerd wordt bij hetgeen bereids in voormeld tussenvonnis is overwogen en beslist. Aannemelijk is geworden dat Du Maroni bij de bodemrechter binnen 2 weken na uitspraak van het bestreden vonnis een vordering tegen Bianca en [naam 1] heeft aangelegd inzake de onderwerpelijke materie, welke aanhangig making op straffe van verval van het bestreden vonnis was bepaald. Bijgevolg heeft Bianca een rechtens te respecteren belang bij dit hoger beroep.
Overwegende, dat het hoger beroep, bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel, tijdig en op de juiste wijze ingesteld is. Bianca is danook in haar beroep ontvankelijk.
Overwegende, dat ook in hoger beroep het spoedeisend belang genoegzaam aanwezig blijkt te zijn.
Overwegende, dat in de overgelegde pleitnota d.d. 20 juli abusievelijk staat vermeld dat Du Maroni de appellante is, met als gemachtigde Mr.E.C.M.Hooplot en Bianca, de geintimeerde is, met als gemachtigde Mr.W.C.Pengel. Dit abuis wordt hersteld. Bianca is appellante met als gemachtigde Mr.E.C.M.Hooplot en Du Maroni is geintimeerde met als gemachtigde Mr.W.C.Pengel. Terzake hiervan wordt aan partijen de verzochte akte verleend.
Overwegende, dat Bianca tegen het bestreden vonnis grieven heeft ontwikkeld, zoals door haar zijn verwoord in haar pleitnota, welke hier herhaald en overgenomen gelden, e.e.a. voorzover van belang;
Overwegende, dat hier, als blijkende uit de niet bestreden produkties, ervan uitgegaan kan worden dat Bianca op 15 oktober 1996 heeft willen overgaan tot executie ingevolge artikel 1207 BW, van hypothecair verbonden goederen toebehorende aan Du Maroni, waarvan de akten van geldlening en hypotheekstelling dateren van 5 december 1994 en 12 april 1995;
Overwegende, dat Du Maroni zich tegen de voorgenomen executie met succes heeft verzet bij de Kortgeding Rechter, die Du Maroni in het gelijk stellende, de schorsing van de executie heeft bevolen om redenen zoals aangehaald in dat vonnis, waarvan thans beroep;
Overwegende, dat – thans overgaande tot bespreking van de aangevoerde grieven – grief A geen stand kan houden, vermits de Kantonrechter terecht heeft overwogen dat een partij in een geding heeft bevoegd is het mandaat van de advokaat van de wederpartij te betwisten, omdat in het algemeen de vereiste opdracht van de advokaat wordt verondersteld te zijn verstrekt, zolang niet de door die advokaat vertegenwoordigde partij zich daartegen met vrucht heeft verzet op de in artikel 191 E.V. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorgeschreven wijze;
Overwegende, dat de artikelen 191 E.V. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering onverkort van toepassing zijn op alle soorten gedingen en dat terzake voormeld incident het Kortgeding – ook niet naar de aard genomen – geen uitzondering vormt;
Overwegende, dat voormelde opvatting aldus geen ruimte laat om, buiten gemelde incident afgelegde verklaringen door deze of gene, voorlopige waarde toe te kennen in voege dat daaraan consequenties verbonden moeten worden als ware er sprake van een desaveu-incident;
Overwegende, dat ook indien anders zou worden geoordeeld, Bianca niet succesvol zou zijn in haar grief, vermits uit de notulen van de vergadering van aandeelhouders van 30 november 1995, [naam 2] tot algemeen direkteur van Du Maroni is benoemd, nadat [naam 3] met onmiddellijke ingang als direkteur was ontslagen, die op geen enkele wijze in gemeld Kortgeding kenbaar heeft gemaakt de gerechtelijke verrichtingen van de advokaat van Du Maroni te ontkennen. Mitsdien moet, naar het voorshands oordeel van het Hof, het ervoor gehouden worden dat de gemachtigde namens Du Maroni bevoegdelijk optreedt. De grief, die van een tegenovergestelde opvatting uitgaat, moet danook falen;
Overwegende, dat grief B ertoe strekt te betogen dat nu de eerste rechter ten aanzien van de instrumenterende notaris heeft geoordeeld dat deze niet onzorgvuldig heeft gehandeld, zulks tot voordeel van Bianca had moeten strekken, zodat Bianca terecht ervan mocht uitgaan dat Du Maroni behoorlijk en bevoegd vertegenwoordigd was bij de litigieuze geldleningen met hypotheekstelling. Deze grief is vruchteloos voorgesteld en wel om tweeërlei redenen. Allereerst heeft de Kantonrechter in zijn bestreden vonnis geen gewag gemaakt dat de instrumenterende notaris niet onzorgvuldig heeft gehandeld, doch slechts overwogen dat het verwijt gericht aan de instrumenterende notaris door deze gemotiveerd is weersproken, waartegen nu het Kortgeding zich niet leent voor bewijsopdrachten van – kort gezegd – ingewikkelde aard. De eerste rechter was bovendien zoals terecht in het bestreden vonnis is overwogen tot het geven van een inhoudelijk oordeel – het al dan niet onzorgvuldig handelen – jegens de instrumenterende notaris niet gehouden nu jegens deze geen concrete en specifieke vordering was ingesteld. Ten tweede dat de gemotiveerde weerspreking zijdens de instrumenterende notaris niet noodwendig tot de conclusie moet leiden dat Bianca ervan uit mocht gaan dat Du Maroni behoorlijk en bevoegdelijk vertegenwoordigd was. Immers aan een instrumenterende notaris gelden eisen, die voornamelijk uit de Wet op het Notarisambt voortvloeien, terwijl voor een partij als Bianca zulks niet geldt;
Overwegende, dat de grieven C en D zich voor gezamenlijke bespreking lenen aangezien deze – uiteindelijk – de vraag oproepen – kort en krachtig gezegd – of Bianca op goede gronden op de opgewekte schijn van Du Maroni mocht afgaan bij het aangaan van de litigieuze geldleningen met de hypotheekstelling. Voorshands moet als vaststaand worden aangenomen dat [naam 1] niet op de statutair voorgeschreven wijze, immers in strijd met art. 8 lid 12 van de statuten van Du Maroni, tot President-Commissaris is gekozen. Op deze graond heeft de eerste rechter dan ook zijn beslissing gebaseerd erop neerkomende , dat [naam 1] onbevoegd was de in de litigieuze akten gerelateerde rechtshandelingen – de geldleningen met hypotheekstelling – aan te gaan. De eerste rechter heeft echter nagelaten de vraag te bespreken zoals zoeven in deze overweging is weergegeven. In zoverre zijn de grieven C en D terecht voorgesteld. Evenwel kunnen deze grieven niet tot de beoogde vernietiging van het bestreden vonnis leiden, nu deze grieven op de navolgende gronden stranden: Bianca stelt – kort gezegd – de schijn te ontlenen aan de brief van [naam 3] d.d. 28 maart 1994, waarin vermeld staat dat [naam 1] aangewezen is als President-Commissaris en de persoonlijke aanwezigheid van [naam 3] bij het verlijden van de litigieuze akten van geldleningen. Naar het voorlopig oordeel van het Hof zijn deze gestelde omstandigheden ontoereikend om de gestelde schijn te goeder trouw aan te nemen, nu de hier bedoelde brief door [naam 3] als persoon, en niet in een bepaalde hoedanigheid is getekend. Daarnaast miste [naam 3]de bevoegdheid de brief met uitsluiting van andere meerderheids – aandeelhouder te tekenen. Voorts kan aan de aanwezigheid van [naam 3] geen doorslaggevende betekenis worden toegekend, nu deze minderheidsaandeelhouder is hetgeen Bianca wist of redelijkerwijs kon weten door op eenvoudige wijze een onderzoek naar deze omstandigheden in te stellen weshalve zij niet te goeder trouw een beroep op de opgewekte schijn van vertegenwoordigingsbevoegden doet.
Overwegende, dat nu geen der grieven slaagt komt het bestreden vonnis, onder verbetering en aanvulling van gronden, voor bevestiging in aanmerking en dient Bianca als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van dit hoger beroep te worden veroordeeld;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:
Verleent aan partijen akte zoals verzocht;
Bevestigt, onder verbetering en aanvulling van gronden, het vonnis van de Kantonrechter tussen partijen gewezen en uitgesproken in het Eerste Kanton op 31 oktober 1996, waarvan beroep;
Veroordeelt Bianca in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van Du Maroni gevallen en welke begroot worden op SRD……..
Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door haar gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD…….
Bepalende het Hof het salaris van de advokaten van partijen eveneens op SRD………

Aldus gewezen door: Mr.A.I.Ramnewash, Fungerend-President, Mr.K.Pultoo, Lid en Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 5 november 2004, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Janbahadoersingh, Fungerend-Griffier.