- Instantie Hof van Justitie
- Zaaknummer G.R. no. 14105
- Uitspraakdatum 19 maart 2004
- Publicatiedatum 10 april 2026
- Rechtsgebied Civiel recht
-
Inhoudsindicatie
De oorspronkelijke gedaagde is ingevolge het bepaalde in artikel 278 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevoegd om in hoger beroep nieuwe weren van rechten in te brengen, mits deze een verdediging op de hoofdzaak opleveren en niet in het geding ter eerste instantie zijn gedekt.
Uitspraak
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
GENERALE ROL NO. 14105
[appellant], wonende [plaats] aan [straatnaam 1], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.M.F.Oemar, advokaat,
appellant,
t e g e n
[Geïntimeerde], wonende [plaats] aan [straatnaam 2], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.S.Dulam, advokaat,
geintimeerde,
De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding waaronder:
- het in afschrift overgelegde vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 8 april 1997 tussen partijen gewezen;
- het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 21 april 1997, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;
Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;
TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt dat [GEÏNTIMEERDE] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:
- dat de eiser en gedaagde vanaf de maand maart 1995, verschillende geldzaken hebben gedaan o.a. heeft de eiser aan de gedaagde in de maand maart 1995, een geldsbedrag van F.18.000.000.—(Achttien miljoen gulden), voorgeschoten, teneinde onroerende goederen op te kopen en die tegen winsten door te verkopen;
- dat de gedaagde per 10 juli 1995, aan de eiser per saldo had te voldoen, een bedrag van f.10.262.500.–;
- dat door de gedaagde vanaf 10 juli 1995 tot en met 29 april 1996, aan de eiser geen enkele rekening en verantwoording heeft gegeven omtrent de geboekte winsten;
- dat naar de maatstaven van eerder aan de eiser door gedaagde uitgekeerde winsten, de gedaagde in de periode van 10 juli 1995 tot en (lees erbij: met) 29 april 1996, een totale winst heeft gemaakt van F.4,525.000.—waarvan de helft of te wel een bedrag van F.2.262.500.—aan de eiser toekomt;
- dat de eiser per 29 april 1996 aldus van de gedaagde opeisbaar had te vorderen de bedragen van t.w.: als saldo hoofdsom een bedrag van F.10.262.500.—plus de gemaakte winst ad F.2.262.500.–;
- dat de eiser de gedaagde omtrent een generale afrekening herhaaldelijk heeft aangesproken, echter heeft de gedaagde altijd geweigert tot een algehele afrekening en betaling aan de eiser te doen;
- dat de eiser daarom de gedaagde blijkens bijgaande schrijven van de Deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, B.S.Ramkhelawan, dd.29 april 1996, welk schrijven bij exploit van dezelfde deurwaarder dd. 29 april 1996 aan de gedaagde werd betekend heeft doen sommeren om voormeld aan de eiser toekomende bedragen van in totaal F.12.525.000.—binnen 2 dagen nadien te voldoen, echter is door de gedaagde na de sommatie slechts een bedrag en F.354.700.—als in mindering betaald latende een saldo bedrag van F.12.170.300.–;
- dat de eiser gerechtigd is het saldo opeisbaar bedrag in rechte van de gedaagde te vorderen, nu als gesommeerd geen betaling van het volledig bedrag is kunnen bekomen;
- dat eiser ter verzekering zijner voormelde vordering na daartoe verkregen verlof van de Edelachtbare Heer Kantonrechter in het Eerste Kanton, bij proces-verbaal van de deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, B.S.Ramkhelawan, dd. 6 mei 1996, conservatoir beslag heeft doen leggen op het ½ aandeel en de blote eigendom van de gedaagde op de in dit proces-verbaal omschreven roerende goederen van de gedaagde;
- dat dit beslag bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, B.S.Ramkhelawan, dd. 6 mei 1996 aan de gedaagde werd betekend;
- dat dit beslag behoort te worden vanwaarde verklaard;
Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of hoger beroep, zonder borgtocht, met uitzondering van de veroordeling omtrent de kosten van het geding, gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:
a.als saldo hoofdsom een bedrag van F.9.907.800.–, terzake als ten rekeste is omschreven, vermeerderd met de wettelijke rente hier over ad 6% ‘s jaars vanaf de dag der indiening van dit verzoekschrift tot aan die der algehele voldoening;
b.de som van F.2.262.500.—terzake als ten rekeste omschreven.
Voorts dat vanwaarde zal worden verklaard het gelegd conservatoir beslag; Alles met veroordeling van de gedaagde in de kosten van het geding, daaronder begrepen die van het gelegd beslag en de betekening daarvan.
Overwegende, dat te dienende dage partijen, vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advokaten Mr.J.Lachmon en Mr.T.Gangaram Panday ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eiser voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;
Overwegende, dat ter terechtzitting van 8 oktober 1996 de gemachtigde van gedaagde heeft verklaard dat partijen zich in termen van schikking bevinden;
Overwegende, ten dage voor antwoord bepaald met peremptoirstelling casu quo uitlating schikking er geen conclusie is genomen;
Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 8 april 1997 op de daarin opgenomen gronden:
- Gedaagde heeft veroordeeld om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van f.9.907.800.—(NEGENMILJOEN NEGENHONDERD ZEVENDUIZEND EN ACHTHONDERD GULDEN), vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% ’s jaars vanaf 15 mei 1996 tot aan de algehele voldoening.
- Gedaagde heeft veroordeeld om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van f.2.262.500.—(TWEEMILJOEN TWEEHONDERD TWEE EN ZESTIG DUIZEND EN VIJFHONDERD GULDEN), vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% ’s jaars vanaf 15 mei 1996 tot aan de algehele voldoening.
Dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard.
Van waarde heeft verklaard het door B.S.Ramkhelawan deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname d.d. 6 mei 1996 onder no. 63 gelegd conservatoir beslag.
Gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten daaronder begrepen de beslagkosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.11353,50 (ELFDUIZEND DRIEHONDERD EN DRIE EN VIJFTIG 50/100 GULDEN);
Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [APPELLANT]in hoger beroep is gekomen van voormeld vonnis van 8 april 1997;
Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Tj.Jhagroe van 28 juni 2000 aan geintimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;
Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden.
TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat de oorspronkelijke gedaagde, op de tegen hem ingestelde vordering in eerste aanleg zich niet verweerd hebbende, ingevolge het bepaalde in artikel 278 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevoegd is om in hoger beroep nieuwe weren van rechten in te brengen, mits deze een verdediging op de hoofdzaak opleveren en niet in het geding ter eerste instantie zijn gedekt;
Overwegende, dat de appellant, waar hij als gedaagde in het geheel geen verweer op de tegen hem door de geintimeerde als eiser ingestelde vordering in eerste aanleg heeft gevoerd, op grond van de aangehaalde wetsbepaling in hoger beroep daartoe wel bevoegd is;
Overwegende, echter, dat deze bevoegdheid in hoger beroep door de appellant slechts kan worden uitgeoefend in een der memoriën, als bedoeld in artikel 271 van vermeld wetboek;
Overwegende, dat het Hof naar aanleiding van het zojuist overwogene opmerkt, dat zich onder de gedingstukken in het procesdossier bevindt een van 6 mei 1997 daterende door de procesgemachtigde van appellant ondertekende Memorie van Grieven in drievoud;
Overwegende evenwel, dat niet blijkt dat voormelde Memorie van Grieven is overgelegd of ingediend aan de Griffier van het Kantongerecht, die van de ontvangst in voege als voren aantekening houdt, zoals artikel 271 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering uitdrukkelijk voorschrijft;
Overwegende, dat de consequentie van het zojuist overwogene is dat het Hof geen acht zal slaan op voormelde Memorie van Grieven en haar buiten geding houden als zijnde niet overgelegd of ingediend;
Overwegende, dat nu appellant van de bevoegdheid tot het voeren van verweer op de tegen hem door de geintimeerde als eiser ingestelde vordering in eerste aanleg bij het houden der pleidooien evenwel geen gebruik kan maken, vermits een pleidooi in het algemeen een toelichting is op de reeds gestelde feiten en daaraan verbonden rechtsgevolgen en dat het doen bepleiten van een zaak ingevolge het bepaalde in artikel 281 van voormelde wet niet kan omvatten het inbrengen van nieuwe weren van rechten als bedoeld in artikel 278 lid 2 van voormeld wetboek en een pleitnota als inhoudende hetgeen de advokaat ten behoeve van en voor zijn client mondeling ter toelichting van diens zaak ter terechtzitting heeft aangevoerd, geen memorie in de zin van artikel 271 of van artikel 274 dan wel een stuk als bedoeld in artikel 280 van voormeld wetboek is;
Overwegende, dat nu appellant voor het eerst bij pleidooi in hoger beroep zijn verweer ten principale tegen de hem als gedaagde door de geintimeerde als eiser ingestelde vordering heeft gevoerd, op grond van de voorgaande overwegingen op dit verweer geen acht kan worden geslagen en de appellant ook in hoger beroep niet geacht kan worden op de voormelde vordering te hebben geantwoord;
Overwegende, dat derhalve evenals in eerste aanleg ook in hoger beroep de vordering van de eiser/geintimeerde als door gedaagde/appellant niet weersproken moet worden aangemerkt en dat mitsdien het vonnis, waarvan beroep, alszijnde juist en conform de wettelijke regeling gewezen in hoger beroep behoort te worden bevestigd met veroordeling van de appellant in de kosten van het geding in hoger beroep;
Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;
RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Bevestigt het vonnis, gewezen en uitgesproken ter Openbare terechtzitting van het Kantongerecht in het Eerste Kanton van 8 april 1997 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen de geintimeerde als eiser en de appellant als gedaagde (algemeen Register No.1442/96);
Veroordeelt de appellant in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot op SRD 50 ;
Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door haar gehouden pleidooi toegekende salaris ad SRD 50 ;
Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant voor het door hem gehouden pleidooi eveneens op SRD 50 ;
Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.A.I.Ramnewash en Mr.K.Pultoo, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 19 maart 2004, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.Van Genderen-Relyveld, Substituut-Griffier.
Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advokaat Mr.A.R.Baarh namens de gemachtigde van geintimeerde, advokaat Mr.S.Dulam, terwijl appellant noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.