SRU-HvJ-2004-17

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer G.R. no. 14120
  • Uitspraakdatum 06 augustus 2004
  • Publicatiedatum 10 april 2026
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Appellanten hebben, na op 16 juni 1998 tegen het beroepen vonnis appél te hebben aangetekend, op 13 augustus 1998, naar gebleken is zonder enig voorbehoud, het litigieuze pand ontruimd, welk pand, naar als niet zijdens appellanten weersproken, niet meer aan de geïntimeerde toebehoort, ontgaat het het Hof geheel welk belang appellanten nog hebben bij het appél. Daarom zullen appellanten dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in het door hen aangetekende hoger beroep.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL: 14120

A. [Appellant sub A], wonende aan [straatnaam 1], te [plaats]

 en

B. DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP “N.V.ROEP”, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Wanicastraat no.136, door wie tot hun beider gemachtigden is gesteld, Mr.R.S.Baldew en Mr.F.F.J.Troon, advokaten

appellanten,

t   e  g  e  n 

[Geïntimeerde], wonende aan [straatnaam 2] te [plaats], voor wie gemachtigde optreedt, Mr.J.C.P.Nannan Panday, advokaat,

geintimeerde,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Betalend   Het Hof van Justitie van Suriname;

 Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 19 maart 2004 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen bepaald, zijn verschenen, [appellant sub A], in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat  Mr.F.F.J.Troon,

die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellanten hierna een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie na gehouden comparitie van partijen hebben genomen, hebbende hij tevens produkties overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;  

Overwegende, dat de gemachtigde van geintimeerde – een eveneens hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie na gehouden comparitie van partijen  tot uitlating produktie heeft genomen;

Overwegende, dat partijen hierna vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk werd bepaald op 16 juli 2004, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 19 maart 2004 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat appellanten sub A bij de op 30 april 2004 gehouden inlichtingencomparitie in persoon verschenen het “zijdens” geintimeerde in het 9e sustenu van het antwoord – pleidooi, gedateerd 20 juni 2003 gestelde dat de ontruiming van het pand plaatsgevonden heeft op 13 april 1998 (moet zijn: 13 augustus 1998) beaamd hebben, daaraan heeft toegevoegd dat daartoe moest worden overgegaan omdat aan het vonnis, waarbij de ontruiming was gelast, moest worden voldaan; dat appellanten, aldus appellant sub A – bij dat vonnis tot ontruiming veroordeeld waren;

Overwegende, dat nu appellanten, na op 16 juni 1998 tegen het beroepen vonnis appél te hebben aangetekend, op 13 augustus 1998, naar gebleken is zonder enig voorbehoud, het litigieuze pand hebben ontruimd, welk pand, naar als niet zijdens  appellanten weersproken, niet meer aan de geintimeerde toebehoort, ontgaat het het Hof geheel welk belang appellanten nog hebben bij het appél;

Overwegende, dat appellanten dan ook niet ontvankelijk verklaard dienen te worden verklaard in hun tegen beroepen vonnis aangetekend appél, onder veroordeling van appellanten als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten op dit geding aan de zijde, van geintimeerde gevallen, komende de door appellanten aangevoerde grieven door deze beslissing niet meer aan de orde;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Verklaart appellanten niet ontvankelijk in het door hen tegen het vonnis de dato 1 juni 1998, aangetekend appél;

Veroordeelt hen in de kosten in beide instanties aan de zijde van geintimeerde gevallen en in prima begroot op SRD 11. 

en in hoger beroep begroot op SRD 250.

Met inbegrip van het door het Hof aan de advokaat van geintimeerde voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 250.

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellanten eveneens op SRD 250.

 

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.A.I.Ramnewash en Mr.K.Pultoo, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie  van Vrijdag, 6 augustus 2004, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Janghabadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door hun gemachtigde, advokaat  Mr.F.F.P.Troon en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.A.I.Soechitram namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.J.C.P.Nannan Panday, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.