SRU-HvJ-2004-19

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer G.R. no. 14154
  • Uitspraakdatum 02 april 2004
  • Publicatiedatum 18 mei 2026
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Het Hof heeft in het onderhavige geval opgemerkt dat de vraag of hoger beroep van een rechterlijke beslissing openstaat, bij uitsluiting aan de wetgever is voorbehouden. Nu in de onderhavige rechtsgang de mogelijkheid niet opengelaten is om tegen de beschikking van de Kantonrechter-Plaatsvervanger in het Eerste Kanton de dato 14 mei 1999 volgens de regelen van de wet beroep in te stellen bij het Hof van Justitie, dient appellant in het ingestelde hoger beroep niet ontvankelijk te worden verklaard.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14154

[Appellant], wonende te [plaats] aan [straatnaam], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.Baarh, advokaat,
appellant,

t e g e n

DE SURINAME ALUMINIUM COMPANY (SURALCO), rechtspersoon, naar het recht van de Staat Delaware, U.S.A., gevestigd en kantoorhoudende te Wilmington in de Verenigde Staten van Amerika, mede kantoorhoudende te Paramaribo, aan de van ’t Hogerhuysstraat no.13, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.Truideman, advokaat,
geintimeerde,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding waaronder:
1. de in afschrift overgelegde beschikking van de Kantonrechter-Plaatsvervanger in het Eerste Kanton van 14 mei 1999 tussen partijen gegeven;
2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 21 mei 1999, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;
Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;
TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt dat DE SURINAME ALUMINIUM COMPANY (SURALCO) als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:
1. dat de verzoekster de navolgende rechtsvordering wenst in te stellen tegen:[appellant], wonende [plaats] aan [adres], verweerder;
2. dat de verzoekster bij schrijven d.d. 20 november 1997 bij de Minister van Arbeid vergunning tot ontslag heeft gevraagd voor de gedaagde, terzake diefstal c.q verduistering van veiligheidsschoenen en laarzen toebehorende aan de verzoekster;
3. dat de Minister van Arbeid bij zijn beschikking d.d. 18 december 1997 no.099/97 om voor de verzoekster onbegrijpelijke reden de vergunning tot ontslag heeft geweigerd, met het verzoek de inhoud van deze beschikking als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;
4. dat de verzoekster daarna bij schrijven d.d. 5 januari 1998 de werknemer [APPELLANT] heeft ontslagen wegens dringende reden en wel onwettig verzuim, welk ontslag de verzoekster overeenkomstig het Ontslagdecreet heeft aangemeld bij het Hoofd van de Arbeidsinspektie;
5. dat de Minister van Arbeid bij zijn beschikking d.d. 16 januari 1998 A.I. no.019 bezwaar heeft aangetekend tegen het ontslag wegens dringende reden, met het verzoek de inhoud van deze beschikking als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;
6.dat van de verzoekster niet kan worden gevergd de dienstbetrekking met de werknemer [APPELLANT] langer te laten voortduren daar de verzoekster in beide zaken de ontoelaatbare handelingen van de heer [APPELLANT] heeft aangetoond;
7. dat uit de aangehaalde feiten duidelijk is komen vast te staan dat de gedaagde zich aan een ernstig strafbaar feit heeft schuldig gemaakt n.l. diefstal c.q. verduistering van veiligheidsschoenen en laarzen, zoals moge blijken uit de overgelegde stukken voorzien van de cijfers 1 t/m 4 en de valse bonnen, terwijl de verzoekster terzake de diefstal ook aangifte heeft gedaan bij de politie en de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, met het verzoek de inhoud van deze stukken als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;
8. dat de verzoekster op geen enkele wijze toestemming had gegeven aan de gedaagde om zich deze veiligheidsschoenen en laarzen toe te eigenen, terwijl de verzoekster door deze handeling van de gedaagde ernstige schade lijdt, daar diefstal c.q. verduistering op heterdaad een gewichtige reden vormt voor ontslag;
9. dat de verzoekster ook het onwettig verzuim van de gedaagde heeft aangetoond, daar deze zonder enig bericht van het werk is weggebleven en nalatig is gebleven de bedongen arbeid te verrichten, niettegenstaande het feit dat de verzoekster hem bij schrijven d.d. 22 december 1997 heeft bericht om zich aan te melden bij de afdeling personeelszaken voor nadere informatie en dat bij gebreke hiervan zal worden overgegaan tot beeindiging van het dienstverband en heeft de heer [APPELLANT] geen gevolg gegeven aan dit schrijven, zodat het onwettig verzuim nog steeds voortduurt en het een reden is voor gewichtige reden voor ontslag, met het verzoek de inhoud van dit schrijven als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;
10. dat de door de gedaagde gepleegde handelingen als vervat in de punten 7, 8 en 9 gewichtige reden voor ontslag opleveren en wel conform artikel 1615 x BW, daar van de verzoekster niet kan worden gevergd de dienstbetrekking met een dergelijke onbetrouwbare werknemer langer te laten voortduren;
11. dat het de verzoekster niet is gelukt de zaak minnelijk met de gedaagde op te lossen;
Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de dienstbetrekking met de gedaagde conform artikel 1615 x BW wegens gewichtige reden zal worden beëindigd en wel met ingang van 1 maart 1998 of op een ander door de Kantonrechter aangegeven tijdstip. Kosten rechtens.
Overwegende, dat ten dage voor het verhoor in Raadkamer bepaald, verzoekster vertegenwoordigd door haar gemachtigde, advocaat Mr.F.F.P.Truideman ter Raadkamer is verschenen en voor eis overeenkomstig het vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd, terwijl Mr.A.R.Baarh zich heeft gesteld als gemachtigde van verweerder;
Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder een verweerschrift heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat ten dage voor het verhoor van partijen in Raadkamer en het houden van pleidooi, partijen in persoon zijn verschenen, tevens bijgestaan door hun gemachtigden, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte proces-verbaal staat gerelateerd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat partijen over en weer produkties hebben overgelegd en schriftelijke conclusies hebben genomen, waarvan de inhoud hier eveneens als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat de Kantonrechter-Plaatsvervanger hierna bij beschikking van 14 mei 1999 op de daarin opgenomen gronden:
De arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden heeft verklaard, zulks met ingang van 1 juli 1999;
De kosten van het geding tussen partijen heeft gecompenseerd in dier voege dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Het meer of anders gevorderde heeft afgewezen;
Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormelde eindbeschikking van 14 mei 1999;
Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Lilapersad Gangaram Panday van 30 oktober 2002 aan geintimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;
Overwegende, dat ten dage voor het nemen van een pleitnota peremptoir bepaald de gemachtigde van appellant, advokaat Mr.A.R.Baarh, heeft gepersisteerd bij zijn stellingen en recht op stukken heeft gevraagd, waarna het Hof beschikking in de zaak aanvankelijk had bepaald op 5 maart 2004;
Overwegende, dat het Hof hierna beschikking heeft gegeven op heden;
TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat het Hof in het onderhavige geval opmerkt, dat de vraag of hoger beroep van een rechterlijke beslissing openstaat, bij uitsluiting aan de wetgever is voorbehouden;
Overwegende, dat nu in de onderhavige rechtsgang de mogelijkheid niet opengelaten is om tegen de beschikking van de Kantonrechter-Plaatsvervanger in het Eerste Kanton de dato 14 mei 1999 volgens de regelen van de wet beroep in te stellen bij het Hof van Justitie, dient appellant in het ingestelde hoger beroep niet ontvankelijk te worden verklaard;
Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;
BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP:
Verklaart appellant niet ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep;

 

Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, Warnemend-President, Mr.K.Pultoo, Lid, en Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks, Lid-Paatsvervanger en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 2 april 2004, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.Van Genderen-Relyveld, Substituut-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.A.R.Baarh en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.T.Gangaram Panday namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.Truideman, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.