- Instantie Hof van Justitie
- Zaaknummer G.R. no. 14174
- Uitspraakdatum 03 december 2004
- Publicatiedatum 18 mei 2026
- Rechtsgebied Civiel recht
-
Inhoudsindicatie
Appellante is niet-ontvankelijk in het ingestelde beroep en de kosten van het geding in hoger beroep.
Uitspraak
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
GENERALE ROL NO 14174
[Appellante], wonende aan [straatnaam 1] Leiden in Nederland, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.R.Kambel, advokaat,
appellante in Kort Geding,
t e g e n
- [Geintimeerde sub A], wonende aan [straatnaam 2] in het distrikt Wanica
- [Geintimeerde sub B], wonende aan [straatnaam 3] te Rotterdam, Nederland,
- [Geintimeerde sub C ], wonende aan [straatnaam 4] te Delft in Nederland, door wie tot hun aller gemachtigde optreedt, Mr.S.Mangroelal, advokaat,
geintimeerden in Kort Geding,
De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding waaronder:
- het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, van 09 januari 2003 tussen partijen gewezen;
- het proces-verbaal van de G riffier van het Eerste Kanton van 14 juli 2003, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;
Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;
TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geintimeerde sub A] en anderen als eisende partijen in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton hebben gewend, daarbij stellende:
- Eiseressen wensen de navolgende vordering in te stellen tegen: [appellante], wonende aan [straatnaam 1] te Leiden in Nederland, voor wie krachtens onderhandse akte van lastgeving de dato 22 april 1996 als gemachtigde optreedt, Mr. Emro Rene Kambel, advocaat, wonende aan de Anton Dragtenweg 228 te Paramaribo, gedaagde;
- Eiseressen zijn allen erfgenaam van wijlen [erflater], overleden op 17 december 1976, terwijl gedaagde met voornoemde erflater gehuwd geweest is, welk huwelijk bij vonnis van de Kantonrechter d.d. 4 januari 1966 middels echtscheiding werd ontbonden verklaard. De inschrijving had plaats op 26 mei 1966. Hierbij wordt ten bewijs overgelegd de verklaring van erfrecht de dato 12 januari 1977 alsmede het inschrijvingsbewijs van het echtscheidingsvonnis, met verzoek aan de rechter de inhoud daarvan alsook die der nader over te leggen produkties als hierbij letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen (zie prod.no.1 en 2);
- Partijen zijn allen medegerechtigd in het na te noemen onroerend goed: Het resterend deel, groot ongeveer 63 aren van het perceelland, op de kaart van de landmeter J.C. de La Parra de dato 15 januari 1964 aangeduid met de letters ABCD en met [perceelnummer], deel uitmakende van de plantage Boxel in het [distrikt 2], thans [distrikt 1], welk resterend deel gelegen is tussen Surinamerivier en de weg van Paramaribo naar Domburg (zie prod.no.3);
- Gedaagde heeft blijkens het hier voren overgelegd hypothecair uittreksel CONSERVATOIR MARITAAL BESLAG doen leggen op het litigieus onroerend goed, bij exploit van deurwaarder Idrismohamed Joemmanbaks, welk beslag is ingeschreven in de registers van het hypotheekkantoor op 18 april 1968 in register D 22 onder nummer 2166;
- Gemeld beslag is door gedaagde gelegd conform de aan de echtgenoot bij wet gegeven mogelijkheden en rust na bijkans (VIERENDERTIG) jaren nog steeds op het onderwerpelijk perceelland. Door het overlijden van de genoemde erflater heeft bedoeld beslag geen enkele zin. Immers biedt zij hierdoor geen bescherming aan de ene echtgenoot voor handelingen van de ander, die de wetgever heeft beoogd.
- Gedaagde is niet voornemens uit eigen hoofde het gelegd beslag op te heffen, terwijl eiseressen eveneens door gedaagde worden tegengewerkt in hun streven om tot scheiding te geraken om zodoende de kwestie volledig af te wikkelen. Getuige hiervan het feit dat reeds de erflater vanaf de echtscheding heeft getracht te scheiden en te delen en na diens overlijden tot op heden is het eiseressen niet gelukt gedaagde te bewegen tot afwikkeling van de boedel. Ten bewijs van pogingen moge mede dienen de zwarighedenprocedure door eiseressen aangespannen en bekend onder A.R.no.97-5295 waarin tot op heden geen uitspraak kan worden bekomen, mede vanwege de door gedaagde opgeworpen obstakels, zoals verhoor op niet relevante vraagpunten. Thans is het dossier op de griffie in ongerede geraakt en moeten eiseressen een schaduwdossier aanleggen.
- Om voorschreven redenen hebben eiseressen tot op heden niet in rechte de opheffing van het gelegd beslag gevorderd, doch ziet het er niet uit dat op korte termijn de zaak zal zijn opgelost. Bovendien is het op het perceel gebouwd woonhuis op 2 maart 1996 door brand verwoest en zijn zij, eiseressen bezig met de wederopbouw hiervan. Hoewel de woning thans in vergevorderd stadium van afbouw bevindt, zijn er financien nodig voor de volledige afbouw en kan geen financiering, ook niet op het aandeel van eiseressen, worden genomen vanwege het ten rekeste omschreven beslag. Artikel 703 tweede lid Rv. stelt als essentiële vereiste voor het leggen van conservatoir maritaal beslag de gegronde vrees voor verduistering. Gedaagde is mede-gerechtigd en kunnen eiseressen niet tot vervreemding overgaan buiten medeweten van gedaagde. Met andere woorden ontbreekt de belangrijkste voorwaarde voor het onderhavig beslag, weshalve dient zij opgeheven te worden. Eiseressen hebben thans ook recht en belang om voren omschreven redenen, om in Kort Geding de opheffing van het gelegd beslag te vorderen.
De rechter wordt eerbiedig verzocht de behandeling van de onderhavige zaak in Kort Geding te rechtvaardigen.
Overwegende, dat de eisende partijen op deze gronden hebben gevorderd;
dat bij vonnis in Kort Geding uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren de opheffing zal worden gelast van het ten verzoeke van gedaagde gelegd CONSERVATOIR MARITAAL BESLAG bij exploit van deurwaarder Idrismohamed Joemmanbaks, welk beslag is ingeschreven ten hypotheekkantore alhier op 18 april 1968 in register D 22 onder nummer 2166, Kostens rechtens.
Overwegende, dat [appellante] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord onder – overlegging van produkties welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:
dat gedaagde het verzoek van eiseressen bij Kort Geding tot opheffing van het gelegd conservatoir maritaal beslag dd. 18 april 1968 niet zal worden ontvangen althans zal worden afgewezen als zijnde ongegrond en onbewezen.
Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 9 januari 2003 op de daarin opgenomen gronden:
De opheffing heeft gelast van het ten verzoeke van gedaagde gelegd CONSERVATOIR MARITAAL BESLAG bij exploit van deurwaarder Idrismohamed Joemmanbaks op “het resterend deel, groot ongeveer drie en zestig aren van het perceelland, op de kaart van de landmeter J.L. de la Parra de dato vijftien januari 1900 vier en zestig aangeduid met de letters ABCD en met [perceelnummer], deel uitmakende van de plantage Boxel in het [distrikt 2], thans [distrikt 1], welk resterend deel gelegen is tussen Surinamerivier en de weg van Paramaribo naar Domburg”, welk beslag overgeschreven is op 18 april 1968 in register D 22 onder nummer 2166 ten Hypoyheekkantore;
Dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;
Gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiseressen gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f. 57041,50 (zeven en vijftig duizend een en veertig 50/100 gulden);
Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellante] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 9 januari 2003;
Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R.Kappel van 08 april 2004 aan geintimeerden aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;
Overwegende, dat de advokaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van appellante bij pleitnota en repliek pleidooi produkties overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden;
TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat appellante blijkens het desbetreffende proces-verbaal van de Griffier van het Kantongerecht in het Eerste Kanton op 14 juli 2003 in hoger
beroep is gekomen van het op 9 januari 2003 gewezen vonnis bij welke uitspraak zij blijkens verklaring van de Griffier vertegenwoordigd was, zodat zij gerekend vanaf de dag der uitspraak 203 dagen nadien in beroep is gekomen, terwijl de wet slechts een termijn van dertig dagen toestaat;
Overwegende, dat appellante derhalve niet ontvankelijk is in het gestelde beroep en de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geintimeerden gevallen zal moeten dragen;
RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:
Verklaart appellante niet ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 9 januari 2003 gewezen;
Veroordeelt haar in de kosten aan de zijde van geintimeerden op de procedure in hoger beroep gevallen tot dusver begroot op SRD 150.
Met inbegrip van het door het Hof aan hun advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 150.
Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellante eveneens op SRD 150.
Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.A.I.Ramnewash en Mr.K.Pultoo, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 3 december 2004, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.
Partijen, vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advokaten Mr.E.R.Kambel en Mr.S.Mangroelal, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.