- Instantie Hof van Justitie
- Zaaknummer A-491
- Uitspraakdatum 18 november 2005
- Publicatiedatum 10 april 2026
- Rechtsgebied Ambtenarenrecht
-
Inhoudsindicatie
Het Hof merkt op dat in het algemeen tegen elk bewijs tegenbewijs is toegelaten. Op grond van artikel 142 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is alleen na een getuigenverhoor een tegenverhoor van rechtswege opengesteld. Het Hof is van oordeel dat verzoeker in casu uitdrukkelijk tegenbewijs had moeten aanbieden tegen het door verweerder aangedragen schriftelijk bewijs.
Uitspraak
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
A-491
[Verzoeker], wonende [plaats] aan [adres], ten deze domicilie kiezende aan de Koninginnestraat no.10, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.Baarh, advokaat
verzoeker,
t e g e n
DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Financien, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te zijnen Parkette te Paramaribo aan de Gravenstraat no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.J.Kraag, advokaat,
verweerder,
De Waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend)
Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 3 december 2004 tussen partijen gewezen en uitgesproken;
TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat de door het Hof bevolen enquête niet is gehouden;
Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie na niet gehouden enquête zijdens verweerder onder overlegging van produkties heeft genomen, waarvan de inhoud – alsmede die van de overgelegde produkties – hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker vervolgens een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, waarna partijen vonnis hebben gevraagd;
Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 4 november 2005, doch nader op heden.
TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 3 december 2004 en hetgeen dienaangaande is overwogen;
Overwegende, dat verweerder, ten einde het van hem verlangde bewijs te leveren bij daartoe strekkende conclusie de dato 15 juli 2005 ter terechtzitting van genoemde datum heeft doen overleggen een drietal processen-verbaal in fotokopie, houdende verklaringen afkomstig van [naam 1], [verzoeker] en [naam 1], daterend van respectievelijk 5 maart 2001, 6 maart 2001 en 11 maart 2001, allen opgemaakt, gesloten en getekend door [naam 2], onder inspecteur van politie;
Overwegende, dat het Hof de inhoud van voormelde processen-verbaal in fotokopie als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd beschouwt;
Overwegende, dat verzoeker, zich over voormelde processen-verbaal in fotokopie uitlatend bij daartoe strekkende conclusie de dato 7 oktober 2005, heeft aangevoerd, dat, hoewel verweerder in zijn conclusie tot uitlating en overlegging van produkties melding maakt van processen-verbaal, hij – verzoeker – de beschikking over die processen-verbaal niet heeft gekregen; dat hij, verzoeker, zich benadeelt voelt in zijn verweer aangezien het een eis van “fair play” in het procesrecht is dat degene die bescheiden overlegt, die bescheiden ook aan de
wederpartij ter hand stelt;
Overwegende, dat het Hof te dien aanzien opmerkt, dat verzoeker over het hoofd ziet, dat verweerder voormelde processen-verbaal in fotokopie ter eerder gemelde terechtzitting in het onderhavige geding heeft gebracht teneinde te voldoen aan zijn bewijsopdracht en het van hem verlangde bewijs te leveren in verband waarmede verwezen wordt naar hetgeen zijdens verweerder gesteld is in de alinea’s 3 tot en met 8 van de conclusie tot uitlating en overlegging produkties van 15 juli 2005;
Overwegende, dat verzoeker het in zijn betoog als hiervoren vermeld blijkbaar heeft over de schriftelijke bewijslevering die als onderdeel van de conclusiewisseling plaatsvindt alsgevolg waarvan de procedure geen vertraging ondervindt;
Overwegende, dat verzoeker evenwel over het hoofd ziet, dat het in casu betreft een door een tussenvonnis ingeleide bewijslevering;
Overwegende, dat het Hof opmerkt, dat in het algemeen tegen elk bewijs tegenbewijs toegelaten is;
Overwegende, dat het Hof wijders opmerkt, dat alleen na een getuigenverhoor een tegenverhoor van rechtswege door artikel 142 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering opengesteld is;
Overwegende, dat het Hof naar aanleiding van het zojuist overwogene van oordeel is, dat verzoeker in casu uitdrukkelijk tegenbewijs had moeten aanbieden tegen het door verweerder aangedragen schriftelijk bewijs, bestaande uit een drietal processen-verbaal, die van 5 maart 2001, 6 maart 2001 en van 11 maart 2001 dateren en opgemaakt, gesloten en getekend zijn door de onder inspecteur van politie [naam 2];
Overwegende, dat verzoeker dat tegenbewijs evenwel niet heeft aangeboden;
Overwegende, dat het Hof op grond van voormelde processen-verbaal in onderling verband en samenhang beschouwd bewezen acht en als tussen partijen rechtens vaststaand aanneemt, dat verzoeker:
– omstreeks 8 – en 21 februari 2001 in strijd gehandeld heeft met de voorschriften die betrekking hebben op de afhandeling van geschenkzendingen, welk handelen ontduiking van rechten bij invoer tot gevolg heeft gehad met name:
– dat hij van de 11 (elf) aangeboden pakketten door de heer [naam 1], slechts 2 pakketten heeft gevisiteerd;
– dat hij van deze 11 (elf) pakketten slechts 2 (twee) pakketten met invoerrechten heeft belast;
– dat hij van de heer [naam 1] Sf.1.000.000,– als gift heeft ontvangen voor de bewezen diensten;
Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat verweerder verzoeker zeer terecht plichtsverzuim verweten heeft dat het opleggen van de tuchtstraf van ontslag rechtvaardigt;
Overwegende, dat het Hof beslissen zal als in het dictum te melden;
Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;
RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:
Ontzegt verzoeker zijn vordering;
Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor en Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 18 november 2005, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.Van Genderen-Relyveld, Substituut-Griffier.
Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.A.R.Baarh en verweerder vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.P.Boldewijn namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.J.Kraag zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.