- Instantie Hof van Justitie
- Zaaknummer A-490
- Uitspraakdatum 21 januari 2005
- Publicatiedatum 10 april 2026
- Rechtsgebied Ambtenarenrecht
-
Inhoudsindicatie
Ook indien met verzoeker ervan uit wordt gegaan dat hij tijdig het verzoekschrift ter griffie van het Hof van Justitie heeft ingediend – waarvoor er inderdaad veel te zeggen is – dan nog kan hem deze vordering niet baten, vermits hij opkomt tegen een ontheffing, uitgevaardigd tegen hem bij resolutie, waar de Personeelswet in artikel 79 en de door het Hof ontwikkelde vaste rechtspraak op dit stuk, geen ruimte laat aan het Hof die ontheffing zondermeer te toetsen, behoudens in zeer uitzonderlijke gevallen, die hier niet zijn gesteld noch gebleken. Verzoeker is dus niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Uitspraak
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME.
A-490
[Verzoeker], wonende aan [adres], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Mr.F.H.R.Lim A Postraat no.1, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.Kruisland, advokaat,
verzoeker,
t e g e n
DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name Het Ministerie van Financien, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, domicilie hebbende te diens Parkette aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.Baarh, advokaat,
verweerder,
De Fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;
TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:
- Verzoeker wenst bij deze de navolgende vordering in te stellen tegen de STAAT SURINAME, rechtspersoon, ten deze op de voet van artikel 146 lid 2 van de Grondwet vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, domicilie hebbende te diens Parkette aan de Gravenstraat (lees thans: Henck Arronstraat) no.3, te Paramaribo, verweerder.
- Verzoeker is, nadat hij krachtens beschikking van de Minister van Financien van juni 1962 was aangesteld in dienst van verweerder als ambtenaar bij de Dienst der Invoerrechten en Accijnzen bij Resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 8 mei 2000 no.3030, op de voet van de Organisatiebeschikking Belastingdienst (G.B.1970 no.41) en de Resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 22 mei 1987 (S.B.1987 no.38) benoemd tot Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen, tevens Hoofd van de Dienst der Invoerrechten en Accijnzen. Verzoeker is mitsdien ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Personeelswet en de bepalingen van de Personeelswet inzake de rechtspositie van landsdienaren zijn dan ook op verzoeker van toepassing.
- Bij Resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 12 oktober 2001 [kenmerk] is verzoeker uit de sub 2 vermelde funktie van Hoofd van de Dienst der Invoerrechten en Accijnzen ontheven, welke ontheffing volgens de bepalingen daarvan van kracht werd met ingang van de dag volgende op die waarop voormelde resolutie te zijner kennis werd gebracht. Verzoeker legt voormelde resolutie hierbij over.
- De sub 3 vermelde resolutie is vanwege het terzake bevoegde gezag van de President van de Republiek Suriname op 15 oktober 2001, overeenkomstig artikel 5 lid 2 sub a van de Personeelswet, aan verzoeker overhandigd en mitsdien is verzoeker met ingang van 16 oktober 2001 uit de sub 2 vermelde funktie ontheven.
- Ingevolge artikel 23 lid 5 van de Personeelswet en er is geen enkele andere bepaling in enige wettelijke regeling die over de ontheffing van een ambtenaar uit zijn funktie handelt kan een ambtenaar door het te zijnen aanzien bevoegde gezag uit de door hem beklede funktie worden ontheven. Ten aanzien van verzoeker is de President van de Republiek Suriname het bevoegde gezag, zulks ingevolge artikel 3 lid 2 van de Personeelswet, aangezien aan verzoekers rang van Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen een minimum bezoldiging is verbonden, welke meer bedraagt dan die van een direkteur van een departement, zoals blijkt uit de sub 2 vermelde resolutie. De President is terzake dan ook exclusief bevoegd en dat brengt met zich mede, dat hij alleen uit eigen hoofde kan handelen en zijn beslissing niet gegrond kan zijn op het besluit van een ander staatsorgaan. Echter in de sub 3 vermelde resolutie is gesteld, dat verzoeker ingevolge de beslissing van de Raad van Ministers van 12 september 2001 wordt ontheven. De besluitvorming terzake van verzoekers ontheffing is dan ook reeds om die reden strijdig met de wet, ondeugdelijk en mitsdien rechtens van onwaarde.
- Ingevolge artikel 23 lid 5 van de Personeelswet kan een ambtenaar, zoals verzoeker is, slechts uit de door hem beklede funktie worden ontheven, indien het belang van de staatsdienst zulks vordert. Zulks betekent, dat in het betreffende ontheffingsbesluit duidelijk moet worden gesteld, dat het belang van de staatsdienst de ontheffing noodzakelijk doet zijn, want dan alleen kan het de ontheffing vorderen. Echter in de sub 3 vermelde resolutie komt nergens naar voren dat het belang van de staatsdienst de ontheffing zou vorderen. Bovendien het begrip “belang van de dienst” is uitermate vaag, aangezien het tal van aspecten van de overheidsdienst betreft, maar ook in tal van opzichten van uitoefening van overheidsgezag door de betrokken funktionaris raakt. Het beginsel van rechtszekerheid voor de ambtenaar als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur brengt dan met zich, dat hij exact behoort te weten, welke feiten en omstandigheden de ten aanzien van hem genomen beslissing hebben teweeggebracht en dat het terzake bevoegde gezag hem daaromtrent informeert uit hoofde van de aan voormeld beginsel inherente motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Zulks behoort uit het besluit dan zelf te blijken en wel om de volgende redenen:
- een burger in het algemeen, maar een ambtenaar in het bijzonder moet bij aantasting van zijn rechten of belangen zich kunnen beklagen daaromtrent bij de rechter, zoals duidelijk vastgelegd in artikel 10 van de Grondwet en artikel 8 van de American Convention on Human Rights, maar dan behoort de gelaedeerde ook te weten, welke de gronden zijn waarop die aantasting heeft plaatstgehad en behoort niet achteraf de overheid de mogelijkheid te hebben allerlei redenen te gaan bedenken, die mogelijk bij de besluitvorming geen enkele rol hebben gespeeld:
- de Staat dient zijn burgers in het algemeen, doch zijn ambtenaren, die tevens zijn werknemers zijn, open en eerlijk tegemoet te treden op grond dat zijn besluiten democratisch gelegitimeerd moeten zijn, met andere woorden zij behoort zoveel mogelijk openlijk verantwoording af te leggen voor haar besluiten.
Voorts is verzoeker voorafgaande aan het nemen van voormelde ontheffingsbeslissing niet gehoord of anderszins in de gelegenheid gesteld zijn belangen terzake te verdedigen, zodat verweerder niet op zorgvuldige wijze voormeld besluit heeft voorbereid.
Verweerder heeft dan ook terzake de navolgende algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden, t.w.:
a. het beginsel van rechtszekerheid voor de ambtenaar;
b. het beginsel van de motiveringsplicht;
c. het beginsel van verplichting tot hoor en wederhoor;
d. het beginsel van zorgvuldigheid in de voorbereiding van besluiten.
7. Een ambtenaar heeft in beginsel recht en aanspraak op handhaving in zijn funktie, omdat zijn maatschappelijke positie daardoor (mede) bepaald wordt en dus het in deze gaat om een rechtens te beschermen belang, hetgeen onder meer tot uiting komt in artikel 26 lid 1 jo.artikel 27 lid 1 sub b van de Grondwet. Verzoekers carriére is door de sub 3 vermelde ontheffing ernstig gestagneerd, hetgeen op ernstige wijze tekort doet aan verzoekers mogelijkheden zich op het vakgebied van de douane verder te ontplooien.
8. Op grond van het sub 5, 6 en 7 gestelde heeft verzoeker dan ook recht en belang te vorderen, dat de sub 3 vermelde resolutie van de President van de Republiek Suriname zal worden nietig verklaard.
Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd;
dat bij vonnis de Resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d.12 oktober 2001 [kenmerk], waarbij verzoeker uit zijn funktie van Inspecteur, Hoofd van de Dienst der Invoerrechten en Accijnzen werd ontheven, zal worden nietig verklaard, althans vernietigd, Kosten rechtens;
Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer is aangevoerd;
- Verweerder ontkent en betwist al hetgeen niet woordelijk door hem wordt erkend onder aanbod van bewijs conform recht en wet.
- Verweerder vraagt zich af of verzoeker in het 5e sustenu van zijn inleidend rekest bedoelt dat de President van de Republiek Suriname ingevolge artikel 3 lid 2 P.W. tot een Presidentieel besluit tot ontheffing gehouden is, aangezien niet duidelijk uit de verf komt wat verzoeker bedoelt en waarheen hij met voormelde stelling wil. De beslissing van de Raad van Ministers heeft slechts interne werking en het staat de President van de Republiek Suriname als hoogste executieve macht vrij deze beslissing tot grondslag te maken van zijn administratiefrechtelijke rechtshandeling – zijnde een resolutie volgens artikel 3 lid 2 P.W.. Vandaar dat niets mankeert aan de besluitvorming terzake verzoekers ontheffing.
- Verzoeker is in enkele sessies die de Direkteur der Belastingen namens het bevoegde gezag met hem had geinformeerd omtrent de ontheffing en het belang van de dienst dat zulks vordert. Een twistpunt tussen partijen kan zijn of het belang van de dienst dat aan verzoeker is medegedeeld ook tot uitdrukking had moeten komen in voormelde resolutie. Deze rechtsvraag ligt dan ter beoordeling van het Hof.
- Het zal verzoeker niet zijn ontgaan in de aan hem gedane mededelingen c.q. hoor sessies dat verweerder een afweging van belangen heeft toegepast waarbij aan het belang van verzoeker voldoende gewicht is toegekend. Overigens heeft deze ontheffing conform de terzake geldende bepalingen van de P.W. plaatsgevonden.
- Overigens zal vernietiging van de resolutie – quod non – niet ten detrimente mogen zijn van het algemeen belang in casu belangen van derden.
Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:
dat verzoeker in zijn vordering niet zal worden ontvangen althans hem deze zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen.
Overwegende, dat ingevolge ‘s Hofs beschikking van 2 juni 2003 ten dage voor verhoor van partijen bepaald in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.Kruisland en de gemachtigde van verweerder, advokaat Mr.A.R.Baarh, die hebben verklaard gelijk in het daarvan, opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat de gemachtigde van partijen de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van verzoeker bij pleitnota produkties overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op 22 oktober 2004, doch nader op heden.
TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat verzoeker sedert juni 1962 in dienst is van verweerder, laatstelijk in de funktie van inspecteur der invoerrechten en accijnzen tevens hoofd van deze dienst, weshalve hij ambtenaar is in de zin van de Personeelswet;
Overwegende, dat ook indien met verzoeker ervan uit wordt gegaan dat hij tijdig het verzoekschrift ter griffie van het Hof van Justitie heeft ingediend – waarvoor er inderdaad veel te zeggen is – dan nog kan hem deze vordering niet baten, vermits hij opkomt tegen een ontheffing, uitgevaardigd tegen hem bij resolutie d.d.12 oktober 2001 [kenmerk], waar de Personeelswet in artikel 79 en de door het Hof ontwikkelde vaste rechtspraak op dit stuk, geen ruimte laat aan het Hof die ontheffing zondermeer te toetsen, behoudens in zeer uitzonderlijke gevallen, die hier niet zijn gesteld noch gebleken;
Overwegende, dat verzoeker dan ook niet ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering;
Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;
RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:
Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn vordering;
Aldus gewezen door: Mr.K.Pultoo, Fungerend-President, Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor en Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 21 januari 2005, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.
Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.R.C.A.Bleau namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.Kruisland en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.A.R.Baarh, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.