SRU-HvJ-2005-14

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer G.R. no. 14243
  • Uitspraakdatum 02 december 2005
  • Publicatiedatum 10 april 2026
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Op grond van artikel 264 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de termijn voor hoger beroep dertig dagen, gerekend van de dag der uitspraak of, indien de eiser in beroep bij die uitspraak niet tegenwoordig is geweest, van den dag waarop het eindvonnis hem volgens dit Wetboek is medegedeeld.
    Appellante heeft de voornoemde termijn niet in acht genomen en is derhalve niet-ontvankelijk in het ingestelde beroep.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL 14243

 

H.J.DE VRIES BEHEERSMAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo , ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Watermolenstraat no.36 beneden, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.C.M.Hooplot, advokaat, 

appellante in Kort Geding,

 t   e  g  e  n 

[Geïntimeerde], wonende in Nederland aan de [straatnaam] te Amsterdam, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.D.S.Kraag, advokaat,

geintimeerde in Kort Geding, 

 

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegd vonnis  van de Kantonrechter in het Eerste Kanton,  van 11 december 2003 tussen partijen gewezen;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 16 januari 2004, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat H.J. De Vries Beheersmaatschappij N.V. als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Eiseres wenst de volgende vordering in Kort Geding in te stellen tegen [geïntimeerde], wonende in Nederland aan de [straatnaam] te Amsterdam, gedaagde, ten deze domicilie gekozen hebbende te Paramaribo aan de Weidestraat ten kantore van Mr.D.S.Kraag, advokaat;
  2. Gedaagde heeft blijkens exploit van deurwaarder J.E.Kolff d.d. 25 september 2003 no.729 CONSERVATOIR DERDEN BESLAG doen leggen onder:

a. N.V.Surinaamsche Bank;
b. N.V. R.B.T.T. Bank (Suriname);
c. N.V.Landbouwbank;
d. De Surinaamse Postspaarbank;
e. N.V.Hakrinbank;
f. N.V.Finabank N.V.;
g. Stichting Surinaamse Volkscredietbank;

op alle gelden, geldswaarden en/of goederen die de derde gearresteerden verschuldigd mochten zijn of worden of onder hun berusting mochten hebben of verkrijgen van EISERES om betaling te verkrijgen van de som van US$ 35.861,16 ( VIJF EN DERTIG DUIZEND ACHTHONDERD EEN EN ZESTIG DOLLAR EN ZESTIEN CENTEN) en SF650.000,- (ZESHONDERD VIJFTIGDUIZEND GULDENS) en E 21.678 (EEN EN TWINTIG DUIZEND ZESHONDERD ACHT EN ZEVENTIG EURO’S) exclusief rente en kosten.

  1. Voormeld beslag is bij exploit van deurwaarder J.E.kolf d.d. 27 september 2003 no.730 aan eiseres betekend.
  2. gedaagde heeft voormeld beslag gelegd uit kracht van artikel 599 W.v.BRv. en daarbij zijn vordering doen steunen op de volgende onderhandse bescheiden:
  3. een fotocopie van een schuldbekentenis d.d. 06 januari 2002;
  4. fotocopie van een schrijven d.d. 24 januari 2003 van de raadsman van gedaagde welke betekend is aan eiseres bij exploit no.44 d.d. 11 februari 2003 van deurwaarder H.B.Blijd-Verwey;
  5. een schrijven d.d. 15 januari 2003 van de raadsman van gedaagde aan eiseres.
  6. Eiseres ontkent en betwist dat zij enig bedrag laatstaan de door gedaagde in het beslagexploit, zoals vermeld in het tweede sustenu van dit verzoekschrift, aan gedaagde verschuldig is  omdat noch eiseres nog één van haar dochtermaatschappijen enig voorschot in welke valuta dan ook heeft ontvangen van gedaagde ter bekostiging van de uitvoering van ontbossings- en egalisatiewerkzaamheden of dat gedaagde welke arbeid of dienst dan ook heeft verricht op Plantage Suzanne’s Dal.
  7. Evenmin blijkt uit de administratie  van eiseres dat zij of één van haar dochterondernemingen de som van US$ (VIJF EN DERTIG DUIZEND ACHTHONDERD DRIE EN ZESTIG DOLLAR EN ZESTIEN CENTEN ) respectievelijk SF 650.000,- (ZESHONDERD VIJFTIG DUIZEND SURINAAMSE GULDENS) of de tegenwaarde daarvan in een andere valuta hebben aangewend voor enig werk of anderszins omschreven in de door gedaagde gebruikte schuldbekentenis.
  8. Op grond van hetgeen in de twee vorige sustenu’s is gesteld wordt de schuldbekentenis, uit kracht waarvan gedaagde het onderhavige beslag heeft doen leggen, betwist en van intellectuele valsheid beticht omdat de inhoud van voormelde schuldbekentenis in strijd is met de waarheid.
  9. Het goedschrift is niet ondertekend door de vermeende vertegenwoordiger van eiseres, waardoor uit dien hoofde aan de schuldbekentenis slechts begin van schriftelijk bewijs zou kunnen worden toegekend. Bovendien was de direkteur, de heer drs. [naam] statutair niet bevoegd een schuld van de omvang zoals in de schuldbekentenis omschreven aan te gaan zonder de uitdrukkelijke schriftelijke goedkeuring van de Raad van Commissarisen van eiseres. Gedaagde kan zich niet te goeder trouw op beroepen dat hij niet wist of begreep dat de voormelde goedkeuring van de Raad van Commissarissen verplicht is voor het rechtsgeldig binden van eiseres aangezien gedaagde één van de grootaandeelhouders was van eiseres ten tijde van het totstandkomen van de eenzijdige schuldbekentenis en wegens zijn veelvuldige bemoeienis met zaken eiseres rakende wist of moest gedaagde  hebben begrepen dat de voormelde goedkeuring nodig was althans is. Overigens is deze schuldbekentenis niet bekend of geadministreerd in de administratie van eiseres  hetgeen voor eiseres reden is de datum van totstandkoming en in feite de gehele totstandkoming van de onderhavige schuldbekentenis te ontkennen en te betwisten. Bij eiseres bestaat de indruk dat de onderhavige schuldbekentenis na het ontslag van de voormalige direkteur, de heer drs. [naam], door laatstgenoemde in conspiratie met gedaagde is opgemaakt en ondertekend vandaar dat deze schuldbekentenis niet voorkomt in de administratie en evenmin enige financiele boeking hieromtrent voorkomt in de administratie van eiseres. Overigens is niemand in dienst van eiseres bekend met deze schuldbekentenis.
  10. Eiseres heeft steeds conform de statuten van de vennootschap en het besluit daaromtrent van de algemene vergadering van aandeelhouders het vastgelegde dividend aan elke aandeelhouder uitbetaald. Indien gedaagde meent aanspraak te maken op uitkering van dividend over het boekjaar 2000 dan dient bij conform de gebruikelijke procedure de daarvoor bestemde dividendbewijzen te bestemder plekke te overleggen, waarna uitbetaling van het dividend kan plaatsvinden. Gedaagde heeft tot nog toe nagelaten zulks te doen dan wel enig ander bescheid over te leggen waaruit zijn aanspraak op dividend wordt bevestigd.

Het dividend van de vennootschap in casu eiseres wordt, voor zover daarvan sprake is, ingevolge de statuten van de vennootschap steeds in Surinaams courant vastgesteld en dienovereenkomstig aan de belanghebbenden uitbetaald. Vandaar dat eiseres ontkent en betwist een in Euro vastgestelde dividend uitkering aan gedaagde verschuldigd te zijn. De jaarrekening over het boekjaar 2001 is helaas nog niet goedgekeurd door de AVA. Het staat daarom niet vast of er al of niet dividend zal worden uitgekeerd over gemeld boekjaar, laatstaan de verschuldigdheid van de som van E 6.742,37 (ZESDUIZEND ZEVENHONDERD TWEE EN VEERTIG EURO’S EN ZEVEN EN DERTIG CENTEN) blijkens het schrijven van de raadsman van gedaagde Mr.D.S.Kraag, d.d. 24 januari 2003 doss.no.4752.

  1. Eiseres ondervindt ernstige schade en hinder van de onderhavige beslagen omdat alle bankaire transakties die zij met lokale en internationale relaties en schuldeisers, leveranciers e.d. moet verrichten door voormeld beslag niet meer mogelijk zijn hetgeen de solvabiliteit en geloofwaardigheid en kredietwaardigheid van eiseres aantast. Maar ook de reguliere betalingen van lonen en salarissen aan het personeel van eiseres zijn door het beslag in de knoop geraakt. Eiseres heeft mitsdien een spoedeisend belang bij een onverwijlde voorziening bij voorraad.

11.Alle door eiseres aangehaalde en overgelegde bescheiden worden hier als letterlijk herhaald en geinsereerd beschouwd.

Overwegende, dat de eisende partij  op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis in Kort Geding, uitvoerbaar bij voorraad, de opheffing zal worden gelast van de conservatoire derden beslagen gelegd bij exploit van deurwaarder J.E.Kolf d.d. 25 september 2003 no.729 ten verzoeke van  gedaagde en ten laste van eiseres onder De Surinaamsche Bank N.V..; de R.B.T.T. Bank (Suriname) N.V.; de Landbouwbank N.V.; de Surinaamse Postspaarbank; de Hankrinbank N.V.; de Finabank N.V.; de Stichting Surinaamse Volkscredietbank.

Kostens rechtens.

Overwegende, dat [geïntimeerde] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd;

dat eiseres niet zal worden ontvangen in haar vordering althans haar deze zal worden ontzegd als te zijn ongegrond danwel niet bewezen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 11 december 2003 op de daarin opgenomen gronden;

de  gevraagde voorziening heeft geweigerd;

eiseres heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagde en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal H.J. De Vries Beheersmaatscahppij N.V. in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis (in Kort geding) van 11 december 2003;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder L.Tran van Can-Doesburg van 3 mei 2005 aan geintimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie van partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden. 

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, appellante, als eiseres in eerste aanleg niet persoonlijk bij de uitspraak in prima tegenwoordig is geweest en daarbij evenmin aanwezig was haar advokaat, die volgens dat vonnis als haar gemachtigde optrad;

Overwegende, dat, naar luid van artikel 264 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de termijn voor hoger beroep dertig dagen is, gerekend van de dag der uitspraak of, indien de eischer in beroep bij die uitspraak niet tegenwoordig is geweest, van den dag waarop het eindvonnis hem volgens dit Wetboek is medegedeeld;

Overwegende, voorts, dat naar luid van artikel 119 lid 3 van genoemd Wetboek, aan de partij, die niet persoonlijk of bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting tegenwoordig is, dat de Kantonrechter den inhoud van ieder vonnis bij aangetekende dienstbrief door de griffier mededelen;

Overwegende, dat, naar het Hof gebleken is, aan appellante niet is medegedeeld de inhoud van een dienstbrief als bedoeld in artikel 119 lid 3 van meergenoemd Wetboek;

Overwegende, dat dan ook niet gezegd kan worden dat de termijn van appel een aanvang heeft genomen;

Overwegende, dat appellante door desondanks appel aan te tekenen bij brief van 16 januari 2004 tegen het vonnis gewezen en uitgesproken in de  zaak tussen  partijen op 11 december 2003 kan worden verweten voorbarig te zijn geweest;

Overwegende, dat appellante derhalve niet ontvankelijk is in het ingestelde beroep en de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen zal moeten dragen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:

Verklaart appellante niet ontvankelijk in het door haar ingestelde beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter in Kort Geding op 11 december 2003 gewezen;

Veroordeelt appellante  in de kosten aan de zijde van geintimeerde op de procedure in hoger beroep gevallen tot dusver begroot op SRD 150,-;

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 150,-;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van de appellante eveneens op SRD 150,-;

 

Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks en Mr.D.D. Sewratan, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 2 december 2005, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.J.M.Nibte, namens haar gemachtigde, advokaat Mr.E.C.M.Hooplot en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.P. Boldewijn, namens zijn gemachtigde, Mr.D.S.Kraag, advokaat, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.