- Instantie Hof van Justitie
- Zaaknummer G.R. no. 14232
- Uitspraakdatum 02 december 2005
- Publicatiedatum 10 april 2026
- Rechtsgebied Civiel recht
-
Inhoudsindicatie
De bedoeling van artikel 119 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan geen andere zijn, dan dat ook de bij de uitspraak afwezige partijen van de inhoud van het eindvonnis op de hoogte zullen zijn, opdat zij zich over eventueel daartegen aan te wenden rechtsmiddelen kunnen beraden. Deze bedoeling wordt bereikt indien de verzonden dienstbrief door de geadresseerde partij, onder andere, wordt ontvangen.
Nu de dienstbrief niet is verzonden en de appeltermijn geen aanvang heeft genomen, zal appellante niet-ontvankelijk worden verklaard.
Uitspraak
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
GENERALE ROL NO. 14232.
[Appellante], wonende aan [adres 1], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. M.G.A.Vos, advokaat,
appellante,
t e g e n
[Geïntimeerde], echtgenoot van [appellante], wonende aan [adres 2], domicilie kiezende aan de Oude Hofstraat no.1, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.J.G.O.Koulen, advokaat,
geintimeerde,
De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding waaronder:
- het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 3 november 2004 tussen partijen gewezen en uitgesproken;
- het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 5 november 2004, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;
Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;
TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:
- dat eiser blijkens hierbij overgelegde bewijs van huwelijks-voltrekking op 10 oktober 1956 te Paramaribo is gehuwd met [appellante], wonende aan [adres 1] , gedaagde:
- dat uit het huwelijk van partijen de kinderen de meerderjarige leeftijd bereids hebben bereikt;
- dat het huwelijk van partijen duurzaam ontwricht is op grond waarvan de man gerechtigd is een verzoek tot echtscheiding tegen de vrouw in te dienen;
- dat deze duurzame ontwrichting o.a. tot uiting komt:
- dat eiser langer dan 15 jaren apart woont aan [adres 2]; dat deze omstandigheid veroorzaakt is door een spanningsveld welke tussen eiser en gedaagde is ontstaan, waardoor er geen sprake meer is van een man – vrouw relatie;
- dat eisers echtgenote weigert hem te ontvangen ondanks het feit dat hij haar nog steeds van huishoudgeld voorziet, waardoor eiser ook geen behoefte meer heeft verder contact met haar te onderhouden; partijen hebben immers los van elkaar reeds een eigen leven opgebouwd, waarin geen plaats meer is voor de ander;
- dat voormelde gedragingen structureel zijn in het huwelijk van partijen, waardoor terecht kan worden gesteld dat dit huwelijk duurzaam is ontwricht en dat om die reden eiser de rechter vraagt de echtscheiding te willen uitspreken in het huwelijk van eiser en zijn voornoemde echtgenote;
Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:
- dat bij vonnis de echtscheiding zal worden uitgesproken tussen partijen d.d. 10 oktober 1956 te Paramaribo in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met alle wettelijke gevolgen van dien;
- eiser verlof zal worden verleend om hangende het geding apart verblijf te houden aan [adres 2], zonder verplicht te zijn gedaagde aldaar bij zich te ontvangen;
- met veroordeling van de gedaagde om met eiser over te gaan tot scheiding en deling van de gemeenschap waarin hij met de gedaagde is gehuwd, met benoeming van een notaris door wie of te wiens overstaan werkzaamheden dier scheiding en deling zullen plaatsvinden, zo partijen niet binnen een door de rechter te bepalen termijn omtrent de keuze van een notaris overeenstemming te hebben bereikt en voorts met benoeming van een onzijdig persoon, die gedaagde bij de scheiding en deling zal vertegenwoordigen indien zij, na daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet verschijnt, of wel verschenen zijnde, weigeren mocht aan de scheiding en deling haar medewerking te verlenen.
Overwegende, dat [appellante] als gedaagde partij in eerste aanleg voor antwoord in conventie heeft gezegd:
- Betwisting
1.1. Gedaagde ontkent en betwist al hetgeen niet woordelijk en uitdrukkelijk door haar in het hiernavolgende wordt erkend onder aanbod van bewijs van haar stellingen, indien en voor zover de bewijslast op haar komt te rusten.
1.2. Gedaagde zal in het navolgende gemotiveerd verweer voeren tegen de gevorderde echtscheiding en concluderen dat eiser niet – ontvankelijk wordt (lees: verklaard) in zijn vordering, althans hem zulks te ontzeggen alszijnde ongegrond en niet bewezen.
- Vaststaande feiten
2.1. Gedaagde kan het gestelde 1ste en 2e “dat” van het inleidend rekest erkennen.
2.2. Gedaagde kan verder erkennen dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht.
- Duurzame ontwrichting
Het huwelijk van partijen is zoals reeds aangegeven inderdaad ontwricht. Evenwel zijn de aangegeven redenen in het 4e “dat” inleidend rekest onjuist. Het huwelijk van partijen is ontwricht vanwege het feit dat eiser bijkans 15 jaar geleden een buitenechtelijke relatie is aangegaan met de nicht van gedaagde en toen de echtelijke woning heeft verlaten. Sindsdien heeft hij geen contact meer met gedaagde noch de kinderen. Zijn kinderen heeft hij niet eens verzorgd. Eiser heeft nooit getracht de relatie tussen partijen te herstellen. De ontwrichting is dus in overwegende mate aan eiser te wijten. Volgens art.263 BW zou gedaagde het bewijs hiervan dienen te leveren. Aangezien gedaagde noch haar kinderen noch familieleden en vrienden voor haar wil laten getuigen, zal zij het hierbij laten. Eiser doet voorkomen alsof hij gedaagde enorm veel huishoudgeld geeft en gedaagde dan verplicht hem ondanks alles te ontvangen. Niets is minder waar. Na een veroordeling van de Kantonrechter op 3 augustus 1998 verstrekt eiser aan gedaagde maandelijks Srg.100.000,–, thans SRD.100,- ( éénhonderd Surinaamse dollars). Dit is te lange na niet voldoende om in haar levensonderhoud te voorzien. In reconventie zal gedaagde wijziging van deze beschikking vorderen.
- Verweer: pensioen verweer
Ingeval van echtscheiding zal vooral gedaagde in de tegenwoordige omstandigheden worden getroffen in bestaande vooruitzichten op pensioengerechten en/of andere uitkeringen bij vóóroverlijden van de man. Zij vraagt daarom dat er eerst een billijke voorziening wordt getroffen, daarmee doet zij dus een beroep op art.264 BW.Zolang er geen billijke voorziening getroffen wordt, kan het verzoek tot echtscheiding niet worden toegewezen, aldus art.264 BW
en voor eis in reconventie heeft gesteld:
- dat eiseres de Kantonrechter verzoekt om al hetgeen in conventie is aangevoerd alhier als letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen;
- dat eiseres op 10 oktober 1956 te Paramaribo in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd met gedaagde;
- dat de Plaatsvervangend-Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 03 augustus 1998, A.R.No.982254, gedaagde heeft veroordeeld tot betaling van Srg.100.000,-
(éénhonderdduizend Surinaamse gulden) thans SRD.100,- per maand ter voorziening in het levensonderhoud van eiseres, en wel ingaande 01 augustus 1998;
- dat het geen betoog behoeft dat dit bedrag heden ten dage niet voldoende is om in eiseres levensonderhoud te voorzien. Eiseres zelf heeft geen andere inkomsten dan een AOV van SRD.125,- (éénhonderd vijf en twintig Surinaamse dollars) en gezien haar leeftijd kan zij in redelijkheid ook niet in voldoende mate inkomsten verwerven. Eiseres legt hierbij een kostenplaatje over, waaruit blijkt dat zij behoefte heeft aan een maandelijkse alimentatie van SRD.500,- (vijfhonderd Surinaamse dollars). Gedaagde is gezien zijn pensioen in staat om dit te voldoen.
- dat eiseres daarom recht en belang heeft dat opgemelde beschikking conform wordt gewijzigd;
- dat eiseres de Kantonrechter verzoekt de overgelegde produktie als letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen;
Overwegende, dat op deze gronden is geconcludeerd:
voor antwoord in conventie:
dat eerst een billijke voorziening wordt getroffen alvorens de echtscheiding wordt uitgesproken, althans dat eiser’s vordering zal worden afgewezen;
en voor eis in reconventie:
dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
- de beschikking van de Plaatsvervangend-Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 03 augustus 1998, A.R.No.982254, zal worden gewijzigd, in dier voege dat gedaagde zal worden veroordeeld om eiseres ter voorziening in haar levensonderhoud te alimenteren met een bedrag SRD.500,- (vijfhonderd Surinaamse dollars) per maand, in stede van Srg.100.000,- (éénhonderdduizend Surinaamse gulden, thans SRD.100,– (éénhonderd Surinaamse dollars) per maand, en wel ingaande 01 juni 2004.
- gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van het geding.
Overwegende, dat de eisende partij in conventie een als ingelast te beschouwen conclusie van repliek heeft doen nemen en als gedaagde partij in reconventie voor antwoord heeft gezegd:
dat gedaagde het gestelde vervat in het 2e dat van de Conclusie van eis in reconventie erkent evenzo het gestelde vervat in het 3e dat, evenwel met de kanttekening dat eiseres al dan niet opzettelijk het feit verzwijgt dat kort na zijn veroordeling gedaagde de alimentatie van 100 SRD heeft verhoogd naar 150 SRD (vide produktie). Voorts verzwijgt eiseres de omstandigheid dat haar E.B.S.- en telefoonrekening nog steeds door gedaagde wordt betaald (vide produktie);
gedaagde is wel bereid de alimentatie naar 250 SRD te brengen doch is niet instaat het gevraagde bedrag van 500 SRD aan alimentatie uit te keren en wel op de navolgende gronden: gedaagde toucheert een overheidspensioen van 447,37 SRD per maand, naast een Nederlandspensioen 525 euro;
gedaagde heeft aan uitgaven:
telefoon 37.50 SRD
licht 75.00 SRD
water 7.50 SRD
levensonderhoud 200.000 SRD
medicijn: depenteron: 3 keer per dag moet zulks worden ingenomen; bedoelde medicijn wordt uit Nederland gehaald; gedaagde lijdt aan Colitus ulserosa, een ongeneeslijke darmziekte; daarnevens lijdt gedaagde aan prostaat-kanker waarvoor hij verplicht is periodiek naar Nederland te reizen; het Nederlands-pensioen dat hij toucheert is voor een groot gedeelte hiervoor bestemd. Gedaagde is zich ter dege bewust van de omstandigheid, dat het leven niet alleen voor hem maar ook voor eiseres vrij duur is; gedaagde is daarom bereid ter compensatie hiervan de echtelijke woning aam [adres 1], welke een waarde vertegenwoordigd van
$ 300.000,- aan eiseres over te dragen.
Overwegende, dat gedaagde in reconventie op deze gronden voor antwoord in reconventie heeft geconcludeerd, dat eiseres niet zal worden ontvangen in haar vordering, althans haar deze zal worden ontzegd alszijnde ongegrond en onbewezen en als eiser in conventie voor repliek in conventie heeft gepersisteerd bij zijn conclusie van eis;
Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van dupliek in conventie en van repliek en dupliek in reconventie, welke geacht moeten wordende te dezer plaatse te zijn ingevoegd, haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd;
Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 3 november 2004 op de daarin opgenomen gronden;
in conventie:
De echtscheiding tussen [geïntimeerde] en [appellante] heeft uitgesproken, gehuwd op 10 oktober 1956 te Paramaribo.
De verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen zijn gehuwd heeft bevolen;
Heeft benoemd tot notaris ten overstaan van wie de scheiding en deling zullen plaatsvinden, Mr.L.D.Hira Sing, notaris residerende te Paramaribo, of diens waarnemer of opvolger, indien partijen binnen een maand na de inschrijving van dit vonnis omtrent de keuze van een notaris niet zijn overeengekomen;.
Heeft benoemd tot onzijdig persoon, voor het geval een partij weigert of nalatig blijft aan de verdeling mee te werken:
voor de vrouw, Mr.M.R.Carrilho, advokaat
voor de man, Mr.M.A.Castelen, advokaat
in reconventie:
Eiseres niet ontvankelijk in haar vordering heeft verklaard;
in conventie en in reconventie:
De proceskosten tussen partijen heeft gecompenseerd in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellante], appellante in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 3 november 2004;
Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder L.Tran Van Can – Doesburg d.d.28 januari 2005, aan geintimeerde aanzegging van het ingesteld hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;
Overwegende, dat de gemachtigden van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigden van partijen ter terechtzitting van 18 november 2005 respectievelijk bij repliek – en dupliek pleidooi gepersisteerd bij hun stellingen;
Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.
TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat appellante als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie in eerste aanleg niet in persoon bij de uitspraak in prima tegenwoordig is geweest en daarbij evenmin aanwezig was de advokaat, die volgens dat vonnis als haar gemachtigde optrad;
Overwegende, dat, naar luid van artikel 264 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de termijn voor hoger beroep dertig dagen is, gerekend van de dag der uitspraak of, indien de eiser in beroep bij die uitspraak niet tegenwoordig is geweest, van de dag waarop het eindvonnis hem volgens dit Wetboek is medegedeeld;
Overwegende voorts, dat, naar luid van artikel 119 lid 3 van gemeld Wetboek aan de partij, die niet persoonlijk of bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting tegenwoordig is, doet de Kantonrechter de inhoud van ieder vonnis bij aangetekende dienstbrief door de Griffier mededelen;
Overwegende, dat de bedoeling van deze wetsbepaling geen andere kan zijn, dan dat ook de bij de uitspraak afwezige partijen van de inhoud van het eindvonnis op de hoogte zullen zijn, opdat zij zich over eventueel daartegen aan te wenden rechtsmiddelen kunnen beraden;
Overwegende, dat deze bedoeling bereikt wordt indien de verzonden dienstbrief door de geadresseerde partij onder andere wordt ontvangen;
Overwegende, dat nu de dienstbrief, naar het het Hof gebleken is, niet is verzonden en de appeltermijn geen aanvang heeft genomen, dient appellante niet ontvankelijk verklaard te worden in haar tegen het beroepen vonnis de dato 3 november 2004, gewezen en uitgesproken in de zaak, bekend in het Algemeen Register onder nummer 03/4888, aangetekend hoger beroep;
Overwegende, dat appellante de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen zal moeten dragen;
RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Verklaart appellante niet ontvankelijk in het door haar ingestelde beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 3 november 2004 gewezen;
Veroordeelt appellante in de kosten aan de zijde van geintimeerde gevallen tot dusverre begroot op SRD 150,-;
Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van SRD 150,-;
Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van de appellante eveneens op SRD 150,-;
Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor en Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 2 december 2005, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.
Partijen, appellante vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.P.Boldewijn namens haar gemachtigde, advokaat Mr.M.G.A.Vos en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.A.I.Soechitram namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.J.G.O.Koulen, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.