SRU-HvJ-2005-3

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer G.R. no. 14056
  • Uitspraakdatum 15 juli 2005
  • Publicatiedatum 10 april 2026
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Het Hof is, in overeenstemming met de heersende leer, voorlopig van oordeel dat het partijen vrijstaat om bij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd te bedingen dat de dienstbetrekking tussentijds kan worden beëindigd, zodat de stelling van geïntimeerde dat appellante de overeenkomst niet eenzijdig kon “ontbinden” als onjuist wordt verworpen.
    Ten aanzien van de tussentijdse opzegging wordt voorshands wordt aangenomen dat de wettelijke bepalingen omtrent opzegging van toepassing zijn, zodat, nu ingevolge het bepaalde in artikel 1615i, lid 1 BW, de termijn van opzegging voor appellante een maand bedroeg en het beding volgens welke appellante het dienstverband ten allen tijde kan opzeggen daarmee in strijd is, dit beding ingevolge het bepaalde in artikel 1615i, lid 2 BW, nietig is met gevolg dat voormelde wettelijke termijn heeft te gelden

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
GENERALE ROL:14056

ABB LUMMUS GLOBAL B.V., rechtspersoon, kantoorhoudende aan de Sir Winston Churchillweg 79 in het distrikt Wanica, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.Troon, advokaat,
appellant in Kort Geding,

t e g e n

[Geïntimeerde], wonende op de Phi lippijnen,
geintimeerde in Kort Geding,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien ’s Hovens interlocutoire vonnissen respectievelijk van 19 februari 1999 en 22 oktober 1999 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hovens laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat de gemachtigde van appellant een pleitnota heeft genomen onder overlegging van produkties, wordende de inhoud alsmede die van de overgelegde produkties hier als ingelast beschouwd;
Overwegende, dat ter terechtzitting van 7 april 2000 een brief gedateerd 14 januari 2000 zijdens geintimeerde is ontvangen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat de gemachtigde van appellant een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating produktie heeft overgelegd;
Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak had bepaald op 16 juni 2000, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
In de hoofdzaak:
1. Overwegende, dat het Hof hier overneemt en volhardt bij hetgeen in het tussenvonnis van 22 oktober 1999 is overwogen en beslist;
2. Overwegende, dat de Kantonrechter in zijn vonnis van 10 maart 1997, voor zoveel hier van belang, heeft overwogen dat, naar blijkt uit de daarvan opgemaakte akte, de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst aangevangen is op 25 januari 1996 voor de duur van 15 maanden en mitsdien eindigt op 25 april 1997;
3. Overwegende, dat de juistheid van voormeld feit in hoger beroep niet is bestreden, zodat ook in hoger beroep van dit feit wordt uitgegaan;
4. Overwegende, dat op grond van de stellingen van partijen en de inhoud van de overgelegde bescheiden, een en ander voor zover niet, althans niet gemotiveerd, betwist, tussen partijen voorts het volgende vaststaat:
4.1. geintimeerde is krachtens bovenbedoelde arbeidsovereenkomst als “Foreman Camp Cook” in dienst van appellante getreden en wel tegen een salaris van US$ 4,50 per uur, te betalen op de laatste werkdag van iedere maand; het aantal werkuren bedroeg per dag 9,6 uur en per week 48 uur; de arbeidsovereenkomst is onderworpen aan het Surinaams recht (artikel 20);
4.2.1 appellante was krachtens de arbeidsovereenkomst (artikel 17) bevoegd om, zo daarvoor gronden bestonden, het dienstverband ten allen tijde te beëindigen;
4.2.2 appellante diende volgens artikel 9 van de arbeidsovereenkomst de geintimeerde te voorzien van geschikte huisvesting ter plaatse van het werkkamp en van voedzame maaltijden, te weten ontbijt, lunch en middagmaal (”dinner”);
4.3 geintimeerde is op 7 oktober 1996 op staande voet ontslagen door appellante; dit ontslag is niet gemeld bij de afdeling Arbeidsinspektie (van het Ministerie van Arbeid);
4.3. appellante heeft bij brief van 20 december 1996 bij het Ministerie van Arbeid een verzoek ingediend tot het verkrijgen van een vergunning om geintimeerde te ontslaan wegens het schaden van het in hem gestelde vertrouwen als kok;
4.4 de aangevraagde ontslagvergunning is bij beschikking van de Minister van Arbeid van 17 januari 1997 aan appellante verleend;
4.5 bij brief van 17 januari 1997 heeft appellante aan geintimeerde, voor zoveel hier van belang, het volgende geschreven:
“In accordance with the decision of the Ministry of Labour, see attached letter, we hereby inform you that as from Friday January 17, 1997 you are officially dismissed and are no longer an employee of ABB Lumnus Global.
The amount in connection with your final payment and your ticket Paramaribo-Manila are available at our office.”
5.1 Appellant heeft vier grieven aangevoerd, waarvan grief no.3 als volgt luidt:
“In zijn vonnis van 10 maart 1997 heeft de Rechter overwogen dat het verleende ontslag niet met inachtneming van de bepalingen van het Decreet E 39-A heeft plaatsgevonden, hetgeen slechts waar zou zijn voor het oorspronkelijk verleende ontslag op staande voet, waarop het Decreet betrekking heeft, maar niet voor het op 17 januari 1997 verleende ontslag na verkregen vergunning van de Ontslagcommissie, welk ontslag berust op Decreet E-39;
Om tot deze onjuiste overweging te kunnen komen heeft de Kantonrechter – met terzijdestelling van de feitelijke toedracht der zaak – gesteld dat verzoeker (appellante) in haar schrijven dd. 17 januari 1997 het wil doen voorkomen dat zij gerekestreerde (lees: eiser) op die datum met onmiddellijke ingang heeft ontslagen. Daarmede stelt de Kantonrechter zowel het aanvragen als bepleiten van de ontslagvergunning ten overstaan van de Ontslagcommissie als de verwijzing van appellante (toen verzoekster) naar de beslissing van de Ontslagcommissie – met inachtneming van de opzegtermijn – en de aan de gerekesteerde toekomende vergoedingen, die ten kantore van de verzoekster beschikbaar gesteld zijn voor gerekestreerde terzijde. Deze feiten immers verzetten zich tegen de in het vonnis opgenomen bewering.
5.2.1 Overwegende, dat geintimeerde zijn op 19 december 1996 ter griffie ingediende vordering oorspronkelijk heeft gebaseerd op het op 7 oktober 1996 gegeven ontslag, welke naar hij beweerde zou zijn verleend zonder dat appellante in het bezit was van een ontslagvergunning (en op het niet voorzien in zijn voeding en huisvesting);
5.2.2 Overwegende evenwel, dat geintimeerde voormelde grondslag (afgezien van het niet voorzien in voeding en huisvesting) bij conclusie van eis dd. 23 januari 1997 en nadere conclusie dd 3 februari 1997 heeft laten varen en heeft vervangen door, kort gezegd, het op 17 januari 1997 gegeven ontslag, hetwelk, naar hij beweerde, nietig is, omdat in de door partijen gesloten overeenkomst een bepaalde termijn voor beëindiging van die overeenkomst is overeengekomen, te weten 28 (lees kennelijk: 25) april 1997 en appellante deze overeenkomst niet eenzijdig kon ontbinden, terwijl de ontslagvergunning appellante geen vrijbrief gaf om de arbeidsovereenkomst vòòr de beëindiging te ontbinden door een ontslag;
5.3 Overwegende, dat appellante in eerste aanleg, voor zoveel hier van belang en zakelijk weergegeven, heeft aangevoerd het op 7 oktober 1996 gegeven ontslag per abuis niet te hebben gemeld bij de Arbeidsinspektie en bij brief van haar gemachtigde van 20 december 1996 vergunning te hebben aangevraagd om geintimeerde te ontslaan; dat, nadat partijen door de Ontslagcommissie waren gehoord, de vergunning is verleend op 17 januari 1997 en de dienstbetrekking op genoemde datum overeenkomstig de verleende vergunning is beëindigd; dat, afgezien van het bepaalde in artikel 17 van de arbeidsovereenkomst, bij arbeidsovereenkomsten op termijn ook volgens de wet ontslag mogelijk blijft bij het bestaan van geldige redenen gedurende de termijn mits met een ontslagvergunning of op staande voet gevolgd door melding van het ontslag;
5.4.1 Overwegende, dat door de verwijzing naar de ingesloten (“attached”) beschikking van de Minister (het Ministerie) van Arbeid in de brief van 17 oktober 1996, het voor de geintimeerde duidelijk kon zijn dat hij werd ontslagen wegens het schaden van het in hem gestelde vertrouwen;
5.4.2 Overwegende evenwel, dat in die brief nergens wordt gesteld dat appellante vorenbedoelde ontslagreden als een dringende reden in de zin van artikel 1615 BW beschouwde, terwijl, ook indien moet worden aangenomen dat het schenden van het vertrouwen van de werkgever in het algemeen een dringende reden voor ontslag oplevert, het, naar het voorlopig oordeel van het Hof, van de feiten, die de schending hebben veroorzaakt, afhangt of in het specifieke geval van de betreffende werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat hij de dienstbetrekking voortzet;
5.4.3 Overwegende, dat nu omtrent die feiten daarin niets is gesteld, het Hof, mede gelet op hetgeen onder 5.2.1 tot en met 5.3 is overwogen, voorshands van oordeel is dat de Kantonrechter uit de brief van 17 oktober 1996 niet redelijkerwijs heeft kunnen afleiden dat bij die brief aan geintimeerde ontslag werd verleend wegens dringende redenen als bedoeld in artikel 1615p van het Burgerlijk Wetboek;
5.5 Overwegende, dat de hierboven vermelde grief dus slaagt en de door de Kantonrechter gewezen vonnissen dienen te worden vernietigd, waarbij wordt aangetekend dat de overige grieven, gelet op het voorgaande, geen bespreking behoeven;
6.1 Overwegende, dat, zoals uit de hierboven als vaststaand aangenomen feiten blijkt, het hier betreft een voor bepaalde tijd, te weten 25 januari 1996 tot 25 april 1997, aangegane arbeidsovereenkomst, waarbij partijen zijn overeengekomen dat de werkgever het dienstverband, zo daarvoor gronden bestaan, ten allen tijde kan beëindigen;
6.2.1 Overwegende, dat het Hof, in overeenstemming met de heersende leer, voorlopig van oordeel is dat het partijen vrijstaat om bij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd te bedingen dat de dienstbetrekking tussentijds kan worden beëindigd, zodat de stelling van geintimeerde dat appellante de overeenkomst niet eenzijdig kon “ontbinden” als onjuist wordt verworpen;
6.2.2 Overwegende evenwel, dat op tussentijdse opzegging, naar eveneens voorshands wordt aangenomen, de wettelijke bepalingen omtrent opzegging van toepassing zijn, zodat, nu ingevolge het bepaalde in artikel 1615i, lid 1 BW, de termijn van opzegging voor appellante een maand bedroeg en het beding volgens welke appellante het dienstverband ten allen tijde kan opzeggen daarmee in strijd is, dit beding ingevolge het bepaalde in artikel 1615i, lid 2 BW, nietig is met gevolg dat voormelde wettelijke termijn heeft te gelden;
6.2.3 Overwegende, dat, nu bij de opzegging bij brief van 17 januari 1997 de wettelijke opzegtermijn niet acht is genomen en niet is gesteld of gebleken dat geintimeerde daarmee heeft ingestemd, een gerede kans bestaat dat de rechter in een bodemgeschil zal beslissen dat de dienstbestrekking door die opzegging weliswaar met ingang van genoemde datum is geëindigd, maat dat die opzegging onrechtmatig is;
7.1 Overwegende, dat geintimeerde, voor zoveel hier van belang, oorspronkelijk heeft gevorderd betaling bij wege van voorschot van:
een bedrag groot US $ 4.660,= bestaande uit (1) US$ 2.160 terzake van loon vanaf 7 oktober 1996 tot 14 december 1996 ad en (II) US$ 2.500 terzake van kosten van huisvesting, voeding, etc. tot 18 december 1996;
b. het loon vanaf 15 december 1996 tot 25 april 1997 ad US$ 216 per week; 7.2.1 Overwegende, dat, naar tussen partijen rechtens vaststaat, appellante in de loop van het geding in eerste aanleg, aan de geintimeerde in totaal US$ 1.296 heeft betaald;
7.2.2 Overwegende, dat geintimeerde in verband met het voorgaande zijn vordering als volgt heeft aangepast:
a.I. loon van 7 oktober 1996 tot en met 3 februari 1997 per saldo (US$ 3.456 minus US$ 1.296=) US$ 2.160;
a.II de hierboven vermelde kosten van huisvesting, voeding, etc. tot 25 april 1997, beperkt tot US$ 2.500;
het loon vanaf 1 februari 1997 tot en met 25 april 1997 ad US$ 864 per maand;
7.2.3. Overwegende, dat geintimeerde bij conclusie dd. 26 juni 1997 zijn vordering, met betrekking tot de kosten van voeding, huisvesting, etc. heeft aangepast in die zin dat hij de post “Advokaatkosten ad US 200 “heeft laten vallen en, onder overlegging van een specifikatiestaat en notas, welke laatste volgens geintimeerde betrekking hebben op de periode 10 oktober 1996 tot en met 25 april 1997, heeft opgegeven dat de totale kosten US$ 5.287,95 bedroegen;
7.3 Overwegende, dat geintimeerde die, naar rechtens vaststaat, bereid was de bedongen arbeid te verrichten, gelet op hetgeen onder 6.2.3 is overwogen, aanspraak maakte op betaling van het loon tot 17 januari 1997 (voor de periode 7 oktober 1996 tot 17 januari 1997 bedraagt het loon: 14 weken à US$ 216 = US$ 3.024);
7.4.1 Overwegende, dat appellante gehouden was om het bepaalde in artikel 9 van de arbeidsovereenkomst (zie hierboven onder 4.2.2) tot aan het einde van de dienstbetrekking op 17 januari 1997 jegens geintimeerde na te komen;
7.4.2 Overwegende, dat nu appellante daartegen geen grief heeft aangevoerd het Hof uitgaat van de juistheid van het, hier zakelijk weergegeven, oordeel van de Kantonrechter dat geintimeerde terecht had gesteld dat appellante haar jegens hem uit artikel 9 van de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichting sinds 10 oktober 1996 niet meer is nagekomen, althans zich jegens hem, geintimeerde, aan de verplichting heeft onttrokken;
7.4.3.1 Overwegende, dat nu de dienstbetrekking op 17 januari 1997 is geëindigd, geintimeerde slechts aanspraak kan maken op vergoeding van de schade welke hij heeft geleden doordat appellante bovenvermelde verplichting niet heeft nagekomen van 10 oktober 1996 tot 17 januari 1997;
7.4.3.2.1 Overwegende, dat appellant in bovenvermelde specificatiestaat een aantal posten heeft vermeld, gegroepeerd naar een aantal perioden;
7.4.3.2.2 Overwegende, dat gelet op hetgeen onder 7.4.3.1 is overwogen, allereerst voor overweging in aanmerking komen de posten, die op de specificatiestaat zijn vermeld voor de periode 10 oktober 1996 tot en met 12 december 1996;
7.4.3.2.3 Overwegende, dat van deze posten alleen de volgende kunnen worden gerekend tot de kosten van voeding en huisvesting, te weten: Johnny’s Hotel ad US $ 720, Ambassador Hotel US$ 90, Corp Diplomatic Hotel US$ 15,75, Food Ambassador Hotel US$ 21, Food Cafe- restaurant de Keizer US$ 750, alles in totaal bedragende US$ 1.596,75;
7.4.3.2.4 Overwegende, dat verder voor overweging in aanmerking komen de kosten van 13 december 1996 tot 17 januari 1997;
7.4.3.2.5 Overwegende echter, dat geintimeerde op de specificatiestaat de kosten voor een langere periode, te weten 13 december 1997 tot en met 3 februari 1997, heeft opgenomen, zodat aan de hand van deze posten schattenderwijs zal worden nagegaan wat de kosten voor de periode van 13 december 1996 tot 17 januari 1997 kunnen hebben bedragen;
7.4.3.2.6 Overwegende, dat om de onder 7.4.3.2.2 vermelde reden alleen de volgende posten voor overweging in aanmerking komen, te weten Johnny’s Hotel ad US$ 636, Cafe- restaurant de Keizer US$ 675, alles in totaal bedragende
US$ 1.311;
7.4.3.2.6 Overwegende, dat nu de periode 13 december 1996 tot en met 13 februari 1997 53 dagen en de periode 13 december 1996 tot 17 januari 1997 35 dagen telt, het bedrag aan voeding en huisvestring voor laastgenoemde periode kan worden geschat op 35/53 X US$ 1.311 + US$ 865,26;
7.4.4 Overwegende, dat geintimeerde als vergoeding voor de kosten van voeding en huisvesting voor de periode 10 oktober 1996 tot 17 januari 1997, naar schatting, aanspraak zou maken op US$ 1.596,75 + US$ 856,26 =
US$ 2.462,01;
7.5 Overwegende, dat, nu het standpunt van de geintimeerde dat de dienstbetrekking ook na 17 januari 1997 is blijven voortduren voorshands als onjuist wordt aangemerkt, er geen plaats is voor toewijzing van loon of vergoeding van kosten van voeding en huisvesting voor de periode vallende na deze datum;
8.1 Overwegende, dat geintimeerde, gelet op hetgeen onder 7.1 tot en met 7.5 is overwogen, voor de periode 10 oktober 1996 tot 17 januari 1997, naar schatting, terzake van loon en kosten van voeding en huisvesting, aanspraak zou maken op US$ 3.024 + US$ 2.462,01 = US$ 5.486,01;
8.2.1 Overwegende, dat de Kantonrechter bij het op 10 maart 1997 in deze zaak uitgesproken tussenvonnis, onder overweging, voor zoveel hier van belang en zakelijk weergegeven, dat geintimeerde zijn loon over de periode 7 oktober 1996 tot en met 18 november 1996 uitgekeerd had gekregen, appellante heeft veroordeeld om aan geintimeerde te betalen US$ 3.456, terzake van loon over de periode 25 november 1996 tot en met maart 1997, alsmede het loon ad US$ 216 per week vanaf 17 maart 1997 tot 25 april 1997;
8.2.2 Overwegende, dat, als door appellante gesteld en door geintimeerde niet betwist, vaststaat dat eerstgenoemde aan het onder 7.3.2 genoemd vonnis heeft voldaan en het salaris via het advokatenkantoor Lim A Po in haar geheel aan de geintimeerde heeft uitbetaald;
8.3 Overwegende, dat geintimeerde derhalve heeft ontvangen US$ 1.296 + US$ 3.456 + US$ 1.512 (te weten loon vanaf 17 maart 1997 tot 25 april 1997) = US$ 6.264, terwijl hij, naar het voorlopig oordeel van het Hof, aanspraak maakt op US$ 3.024 + US$ 2.462,01 = US$ 5.486,01;
8.4 Overwegende, dat, gelet op hetgeen onder 8.3 is overwogen, de conclusie is dat geen plaats is voor toewijzing van de gevraagde voorziening;
8.5 Overwegende overigens, dat geintimeerde, in antwoord op een aan hem door de griffier toegezonden brief, bij schrijven van 14 januari 2000 vanuit de Fillipijnen heeft doen weten dat hij om persoonlijke redenen genoodzaakt is zich van de zaak afzijdig te houden en afziet van elk belang dat hij bij de onderhavige zaak heeft;
9. Overwegende, dat aangezien elk van de partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, de proceskosten van zowel het geding in eerste aanleg als het geding in hoger beroep, in dit laatste geval met begrip van de op het incident gevallen kosten, zullen worden gecompenseerd op de hierna te bepalen wijzen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:
In de hoofdzaak:
Vernietigt de vonnissen, die door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen zijn gewezen en uitgesproken in de zaak AR 964566;
Compenseert de proceskosten in hoger beroep in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt;
Bepalende het Hof het salaris van de advokaten van partijen op SRD.75.-elk;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:
Weigert de gevraagde voorziening;
Compenseert de proceskosten in eerste aanleg gevallen, in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt;

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.Ombre, Fungerend-President, Mr.A.I.Ramnewash en Mr.K.Pultoo, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 15 JULI 2005, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.