- Instantie Hof van Justitie
- Zaaknummer G.R. no. 14104
- Uitspraakdatum 21 oktober 2005
- Publicatiedatum 10 april 2026
- Rechtsgebied Civiel recht
-
Inhoudsindicatie
Op grond van artikel 270 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vangt het hoger beroep aan met een verklaring dat men van dat middel gebruik wil maken, door den eischer in beroep of diens daartoe gemachtigde ter Griffie van het Kantongerecht afgelegd of aldaar schriftelijk ingediend.
Uitspraak
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
GENERALE ROL NO.14104
[Appellant], wonende aan [adres] in het [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.CH. de Noten, advokaat
appellant,
t e g e n
[Geïntimeerde], wonende aan [adres] in het [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.I.Asarfi-Lalji, advokaat,
geintimeerde,
De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding waaronder:
- de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, respectievelijk van 26 maart 1991, 26 oktober 1993 en 27 juni 1995 tussen partijen gewezen;
- het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 7 juli 1995 waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;
Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;
TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:
- dat eiser van de Overheid van Suriname in huur heeft een perceelland groot 4 ha. gelegen te [aanduiding perceel];
- dat eiser in de maand mei 1989, althans in de eerste helft van het jaar 1989, op verzoek van de gedaagde aan hem, gedaagde, een stuk perceel groot ongeveer 20 bij 20 meters, deel uitmakende van het in alinea 1 vermeld perceelland, kosteloos had toegestaan, om met eigen middelen een woonhuis daarop op te zetten en zulks te bewonen;
- dat partijen waren overeengekomen, dat gedaagde in de eerste week van juni 1989 zou aanvangen om op voormeld gedeelte van het perceel met eigen middelen een woonhuis op te zetten en na zulks te hebben opgezet binnen twee jaar na mei 1989 weder het door hem gebouwde woonhuis op voormeld gedeelte van het perceel zou verwijderen of doen verwijderen;
- dat partijen waren overeengekomen, dat gedurende de tijd dat gedaagde bezig zou zijn het woonhuis op voormeld gedeelte van het perceel te bouwen of te doen bouwen, gedaagde bij eiser met zijn vrouw en 2 kinderen zou inwonen t.w. [straatnaam] in het [district] en nadat gedaagde zijn eigen woonhuis op meerbedoelde perceel zou hebben gebouwd, het woonhuis van eiser zou verlaten en/of ontruimen;
- dat gedaagde de eiser te kennen had gegeven dat hij het woonhuis in kwestie uiterlijk eind juni 1989 zou hebben afgebouwd;
- dat gedaagde slechts een deel van het woonhuis heeft gebouwd en zulks nog niet geschikt is om daarin te wonen en verder heeft gestopt met de verdere bouw;
- dat de echtgenote van gedaagde met haar 2 kinderen het woonhuis van eiser bereids hebben verlaten, echter weigert de gedaagde het woonhuis van eiser, gelegen te [aanduiding perceel] (thans [straatnaam]) in het [district] te verlaten, trots dat eiser de gedaagde herhaaldelijk heeft gevraagd dit woonhuis te ontruimen;
- dat wanneer eiser de gedaagde vraagt om eiser’s woonhuis te ontruimen, gedaagde de eiser en zijn echtgenote bedreigt te zullen mishandelen en het recentelijk nog is voorgekomen, dat de gedaagde eiser en zijn echtgenote heeft mishandeld en heeft eiser in verband hiermede een strafklacht bij de Politie te [plaats] ingediend;
- dat eiser op grond van het voorgaande gerechtigd is van de gedaagde te vorderen, dat gedaagde het woonhuis van de eiser ontruimt en het door hem op voormeld gedeelte van het perceel bedoeld in punt 2 hierboven gebouwde gedeelte van het woonhuis af te breken en te verwijderen;
Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd;
dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of hoger beroep, zonder borgtocht, met uitzondering van de veroordeling omtrent de kosten:
- gedaagde zal worden veroordeeld om binnen een door de Kantonrechter bij vonnis te bepalen termijn het gebouw gelegen aan de [straatnaam] in het [district], met alle daarin van zijnentwege zich bevindende personen en goederen te ontruimen, te verlaten en ter vrije en algehele beschikking van de eiser te stellen, met machtiging op de eiser, dat indien gedaagde binnen de gestelde termijn ingebreke mocht blijven met de ontruiming, deze zelf te doen uitvoeren desnoods met behulp van de Sterke Macht;
- gedaagde zal worden veroordeeld om onmiddellijk na de uitspraak, althans binnen een door de Kantonrechter bij vonnis te bepalen termijn het door gedaagde gebouwde gedeelte van het woonhuis op een gedeelte van het perceelland, gelegen te [aanduiding perceel] (thans [straatnaam]) in het [district] af te breken of te doen afbreken, en het perceel in kwestie te verlaten en ter vrije en algehele beschikking van de eiser te stellen, met machtiging op de eiser om, indien gedaagde binnen de gestelde termijn ingebreke mocht blijven het gedeelte van het gebouwde woonhuis in kwestie te breken of te doen afbreken, deze zelf te doen uitvoeren desnoods met behulp van de Sterke Macht;
Met verzoek deze zaak op verkorte termijn te willen doen behandelen;
Alles met veroordeling van de gedaagde in de kosten van het geding.
Overwegende, dat [geïntimeerde] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:
dat eiser in zijn vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard, althans die hem zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen;
Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 26 maart 1991 op de daarin opgenomen gronden alvorens verder te beslissen een comparitie van partijen heeft gelast en iedere verdere beslissing heeft aangehouden;
Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen, partijen in persoon tevens bijgestaan door hun gemachtigden zijn verschenen, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat ten dage voor beëdiging deskundige bepaald, de heer J.S.Kolhoe, de vereiste eed op de wettelijke voorgeschreven wijze heeft afgelegd;
Overwegende, dat ten dage voor overlegging rapport bepaald, de deskundige het verlangde rapport ten processe heeft overgelegd, wordende de inhoud hier als ingelast beschouwd;
Overwegende, dat de gemachtigden van partijen een schriftelijke conclusie tot uitlating deskundig rapport hebben genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast moet worden beschouwd;
Overwegende, dat de Kantonrechter vervolgens bij vonnis van 26 oktober 1993 op de daarin opgenomen gronden alvorens verder te beslissen een comparitie van partijen heeft gelast tot het beproeven van een schikking en iedere verdere beslissing heeft aangehouden;
Overwegende, dat de door de Kantonrechter bevolen nadere comparitie van partijen niet is gehouden, waarna hij deze ambtshalve voor gesloten heeft verklaard;
Overwegende, dat ten dage voor conclusie na niet gehouden comparitie van partijen zijdens partijen diens gemachtigden een schriftelijke conclusie hebben genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast moet worden beschouwd;
Overwegende, dat de Kantonrechter vervolgens bij vonnis van 27 juni 1995 op de daarin opgenomen gronden:
eiser niet ontvankelijk in zijn vordering heeft verklaard;
eiser heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.Nihil;
Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 27 juni 1995;
Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R.Kappel van 20 juli 1998 aan geintimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;
Overwegende, dat de advokaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van geintimeerde bij antwoordpleidooi produkties overgelegd, waarvan de inhoud alsmede die van de overgelegde produkties hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat ter terechtzitting van 5 augustus 2005 advokaat Mr.G.Ramai-Badal namens advokaat Mr.I.Asarfi-Lalji heeft gepersisteerd bij haar stellingen, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.
TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat naar luid van artikel 270 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het hoger beroep aanvangt met eene verklaring dat men van dat middel gebruik wil maken, door den eischer in beroep of diens daartoe gemachtigde ter Griffie van het Kantongerecht afgelegd of aldaar schriftelijk ingediend;
Overwegende, dat het Hof één zo’n verklaring niet in het procesdossier heeft aangetroffen;
Overwegende, dat ofschoon van voormelde verklaring melding wordt gemaakt in de tot de zaak betrekkelijke stukken als bedoeld in artikel 276 van gemeld Wetboek, zij zich toch niet onder die stukken bevindt;
Overwegende, dat het Hof appellant als meestgerede partij de gelegenheid zal bieden alsnog in het onderhavige geding te doen brengen de in artikel 270 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde verklaring en wel op een in het dictum van dit vonnis te bepalen rechtsdag, achtende het Hof zulks noodzakelijk als bewijs van het feit dat appel tegen het vonnis de dato 27 juni 1995 is aangetekend;
Gezien de betrekkelijke Wetsartikelen;
RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Biedt appellant de gelegenheid alsnog in het onderhavige geding te doen brengen de in artikel 270 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verklaring;
Bepaalt, dat deze zaak daartoe zal worden afgeroepen ter terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 4 november 2005 des voormiddags te Half Negen uur;
Houdt elke verdere uitspraak aan;
Aldus gewezen door: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Waarnemend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr. K.PULTOO, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 21 OKTOBER 2005, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.Van Genderen-Relyveld, Substituut-Griffier.
Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.Veldkamp, namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.E.Ch.de Noten en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.F.M.S.Ishaak namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.I.Asarfi-Lalji, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.