SRU-HvJ-2005-7

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer A-577
  • Uitspraakdatum 05 augustus 2005
  • Publicatiedatum 10 april 2026
  • Rechtsgebied Ambtenarenrecht
  • Inhoudsindicatie

    Verzoekster heeft haar vordering op 2 september 2003 ingesteld en heeft de termijn van een maand zoals is vastgesteld in artikel 80 lid 1 sub b van de Personeelswet overschreden. Dit betekent dat zij niet-ontvankelijk is in haar vordering.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME.

A – 557.

[Verzoekster], wonende aan [adres] [plaats] ten deze domicilie kiezende aan de Kromme Elleboogstraat 1, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.I.D.Kanhai, advokaat, 

verzoekster,

t   e  g  e  n 

DE STAAT SURINAME, meer precies het Ministerie van Justitie en Politie, rechtspersoon ten rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat no.1), voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.Baarh, advokaat,

verweerder,

 

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Betalend Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoekster] zich bij verzoekschrift tot het Hof  heeft gewend, daarbij stellende:

  1. dat verzoekster de hierna volgende vordering wenst in te stellen tegen:

DE STAAT SURINAME, meer precies het Ministerie van Justitie en Politie, rechtspersoon ten rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) no.1, hierna te noemen verweerder;

  1. dat verzoekster ambtenaar is in de zin van de Personeelswet uit hoofde waarvan zij verzoekster in dienst is van de verweerder. De hiergenoemde arbeidsrelatie is aangevangen in en of rondom december 1985. De verzoekster is bij Resolutie d.d. 11 december 1995 bevorderd tot Brigadier van politie;
  2. dat verzoekster zich gedurende haar dienst periode heeft doen kennen als een plichtsgetrouwe ambtenaar blijkende zulks uit de bevordering hiergenoemd;
  3. dat verzoekster  op of omstreeks maart 2003 betrokken is geweest bij een echtelijke ruzie waarbij zij de buiten vrouw van haar echtgenoot zou hebben bedreigd in verband waarmede  zij dan ook in verzekering was gesteld en weer in vrijheid was gesteld; 

De verzoekster is terzake ook buiten funktie gesteld;

  1. dat de verzoekster  bij schrijven d.d. 24 juni 2002 in gebreke is gesteld en zich heeft verweerd d.d. 12 juli 2002;
  2. dat de verzoekster bij beschikking d.d. 27 maart 2003 [kenmerk nummer 1] Justitie [nummer 3] is ontslagen. Een kopie van die beschikking genummerd produktie 1 wordt hierbij ingesloten met het verzoek de inhoud van die beschikking als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te willen aanmerken. De hiergenoemde beschikking is aan de verzoekster in een gesloten enveloppe verstrekt op 15 juli 2003, waarna verzoekster in beroep is gegaan;
  3. dat de beschikking hierboven genoemd met name de ontslagbeschikking berust op onware feiten en of feiten die zich niet hebben voorgedaan en daarom reeds de beschikking  in aanmerking komt om vernietigd te worden, daarenboven is de beschikking niet deugdelijk gemotiveerd;
  4. dat voorts de straf en of tuchtmaatregel van ontslag zoals verwoord in de hiergenoemde beschikking niet in overeenstemming is met de door de verzoekster gepleegde handeling;

ter adstructie van het hier gestelde het volgende:

a. dat in de eerste overweging er slechts sprake is van een verdenking  van strafbare feiten,

De verzoekster is nimmer veroordeeld wegens die verdenkingen genoemd in de eerste overweging op grond waarvan er geen sprake kan zijn van ernstig plichtsverzuim;

b. aan de verzoekster is nimmer de mededeling is gedaan dat zij is geschorst omdat er termen aanwezig zijn om haar voor te dragen voor ontslag (ex art 66 Personeelswet)

c. dat de tuchtstraf van ontslag in geen enkele overeenstemming is met de feiten, immers is de verzoekster nimmer in verzekering gesteld  vanwege de verdenkingen;

d. dat de tweede overweging geheel in strijd is met de waarheid, immers de verzoekster is slechts verhoord op basis van een aangifte

9. dat de beschikking hier eerder genoemd tevens in strijd is met het beginsel van een deugdelijke motivering ter adstructie waarvan het volgende:

a. op geen enkele wijze is gemotiveerd aangegeven welke rechtvaardigings grond aanwezig is geweest  om de verzoekster na een jaar te ontslaan. Zulks is in elk geval niet belichaamd in de beschikking, immers de verzoekster mocht na de eerste verdenking zoals gesteld    in de eerste overweging haar diensten hervatten;

10. dat de gewraakte beschikking d.d. 27 maart 2003 voorts in strijd is met de wet. Ter adstructie waarvan het volgende:

a. dat nimmer aan de verzoekster de mededeling is gedaan dat zij is geschorst omdat er termen aanwezig zijn om haar voor te dragen voor ontslag (ex art.66 Personeelswet)

b.dat het ontslag in geen enkele evenredigheid staat met het verwijt en de diensttijd van de verzoekster;

11. dat de gewraakte Beschikking [nummer 4] voor vernietiging in aanmerking komt nu op ergerlijke wijze sprake is van schending van het in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur, hebbende de genoemde Beschikking geen enkele feitelijke grondslag;

Overwegende, dat verzoekster op deze gronden heeft gevorderd: 

dat het Hof in ambtenaren zaken verweerder zal veroordelen alsvolgt:

a. dat zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard de Beschikking d.d. 27 maart 2003 Justitie [nummer 3]

b. dat verweerder zal worden gelast  verzoekster te rehabiliteren in de rang waarin zij diende en met toekenning van de schadeloosstelling zoals bedoeld in art 49 van Het Politie handvest

c. dat verzoekster in de gelegenheid zal worden gesteld de bedongen arbeid op de normale wijze en in de funktie die zij heeft bekleed voor de gewraakte Beschikking  hierboven genoemd te kunnen vervullen zonder enige hinder zijde de verweerder

d. dat verweerder zal worden gelast het salaris van verzoekster zoals door haar verdiend voor de Beschikking van 25 oktober 2002 uit te betalen en daarmede voort te gaan

en voorts dat verweerder zal worden veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van Sf.10.000.000,- voor iedere keer of dag dat hij in strijd met het hierboven gevorderde mocht handelen

f.verweerder zal worden veroordeeld in de kosten van het geding;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd:

  1. Verweerder ontkent en betwist al hetgeen niet uitdrukkelijk door hem wordt erkend met een beroep op de onsplitsbaarheid van zijn aveu, onder aanbod van bewijs conform recht en wet.

2.Tardieve vordering; niet ontvankelijkheid.

2.1. Verzoekster is niet ontvankelijk in haar vordering omdat de ontslagbeschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 27 maart 2003 [kenmerk nummer 1] Justitie [nummer 3] op 05 mei 2003 aan verzoekster persoonlijk is overhandigd.

I. Verzoekster heeft voor ontvangst getekend. Het e.e.a. blijkt uit de akte van uitreiking d.d. 05 mei 2003 prod I. Verzoekster heeft de wettelijke termijn om de rechter te adiëren laten  expireren en blijkens het inleidend verzoekschrift heeft zij  het Hof van Justitie pas op 02 september 2003 het verzoek gedaan, dus ruim 4 (vier) maanden nadat het besluit  ingevolge de personeelswet te harer kennis was gebracht. Met het vorenstaande is hetgeen in het 6e sustenu van het verzoekschrift staat m.b.t de datum van uitreiking gelogenstraft. Maar ook indien de beschikking op 15 juli 2003 aan verzoekster was uitgereikt quod non, dan nog is haar verzoek tardief.

  1. Verzoekster is niet op basis van verdenkingen ontslagen, maar op grond van feiten zoals in de overwegingen van de ontslagbeschikking omschreven met name de overwegingen vermeld onder de 2e, 3e, 4e, 5e, 6e en 7e alinea’s. Hiermede is ontzenuwd het gestelde in het verzoekschrift in punt 8 onder a. Verzoekster is wel inverzekering gesteld zoals blijkt uit de overweging in de beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 24 januari 2003 [nummer 5] prod 2. Dus het gestelde in punt 8 onder c is in strijd met de waarheid.
  2. Verzoekster heeft zich op 12 juli 2002 verweerd. Het ontslag is haar op 27 maart 2003 verleend  nadat het Overleg Orgaan  in Politie-ambtenarenzaken op 18 december 2002 was gehoord. De termijn is niet onredelijk.
  3. Artikel 66 Personeelswet bevat geen mededelingsverplichting zoals verzoekster stelt in punt 10 sub a. De evenredigheid waarnaar verzoekster verwijst in punt 10 sub b is niet concreet aangegeven waardoor  verweerder wordt bemoeilijkt in zijn verweer daartoe.

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoekster in haar vordering niet zal worden ontvangen althans haar deze zal worden ontzegd als ongegrond althans onbewezen;

Overwegende, dat ingevolge ‘s Hofs beschikking van 2 mei 2005 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, in Raadkamer zijn verschenen,  verzoeker in persoon bijgestaan door advokaat Mr.I.S.Asarfie-Lalji namens haar gemachtigde, advokaat Mr.I.Kanhai, advokaat Mr.A.R.Baarh, gemachtigde van de Staat Suriname, Hoofd-Inspecteur van politie, mevr.K.Mathoera namens het Korps Politie Suriname, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoekster advokaat  Mr.C.J.Halfhuid namens advokaat Mr.I.D.Kanhai een pleitnota heeft overgelegd, waarna partijen hebben gepersisteerd bij hun stellingen;

Overwegende, dat partijen vervolgens vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden.

 TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het verzoekschrift dat strekt tot:

vernietiging althans nietigverklaring van de beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 27 maart 2003 [nummer 3];

het gelasten van verweerder verzoekster te rehabiliteren in de rang waarin zij diende met toekenning van de schadeloosstelling als bedoeld in artikel 49 van het Politiehandvest;

het stellen van verzoekster in de gelegenheid de bedongen arbeid op de normale wijze en in de funktie die zij heeft bekleed vóór de gewraakte beschikking  hierboven genoemd te kunnen vervullen zonder enige hinder zijdens verweerder;

het gelasten van verweerder het salaris aan verzoekster zoals door haar verdiend voor de beschikking van 25 oktober 2002 uit te betalen  en daarmede voort te gaan;

veroordeling van verweerder tot het betalen van een dwangsom van Sf.10.000.000,– per keer of per dag voor iedere keer of iedere dag dat verweerder in strijd met het hiervoren gevorderde mocht handelen, 

ter griffie van het Hof van Justitie op 2 september 2003 is ingekomen;

Overwegende, dat verzoekster ter gelegenheid van het op 20 mei 2005 gehouden verhoor van partijen in Raadkamer van het Hof van Justitie als Gerecht in Ambtenarenzaken, alstoen in persoon verschenen, desgevraagd alstoen onder meer heeft verklaard, dat zij op 5 mei 2003 de ontslagbeschikking heeft ontvangen;

Overwegende, dat nu verzoekster, naar uit de aantekening van de Griffier van het Hof van Justitie blijkt, haar vordering op 2 september 2003 heeft ingesteld en zij de termijn van een maand als vastgesteld in artikel 80 lid 1 sub b van de Personeelswet heeft overschreden, het Hof verzoekster niet ontvankelijk verklaren zal in haar vordering;

Overwegende, dat aan het zojuist overwogene niet afdoet, dat verzoekster, toen zij in verzekering was gesteld, de ontslagbeschikking uitgereikt gekregen heeft en geen bijstand van een advokaat had omdat voormelde omstandigheden haar – naar het oordeel van het Hof – geenszins beletten met behulp van de Justitiële autoriteiten de bijstand van een advokaat (al dan niet van staatswege ) in te roepen om voor haar op te komen tegen de beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 27 maart 2003 [nummer3];

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoekster niet ontvankelijk in haar vordering;

Aldus gewezen  door: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.K.Pultoo en Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 5 augustus 2005, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advokaat Mr.C.J.Halfhuid namens haar gemachtigde, advokaat Mr.I.D.Kanhai en verweerder vertegenwoordigd door advokaat Mr.K.J.Brandon namens zijn gemachtigde, advokaat  Mr.A.R.Baarh, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.