- Instantie Hof van Justitie
- Zaaknummer G.R. no. 14236
- Uitspraakdatum 03 februari 2006
- Publicatiedatum 10 april 2026
- Rechtsgebied Civiel recht
-
Inhoudsindicatie
Een aparte procedure kan, naast artikel 12 van de Wet van 17 mei 1935 houdende vaststelling van een reglement op de inrichting en samenstelling van de Surinaamse Rechterlijke Macht (GB 1935, no.79), laatstelijk gewijzigd bij SB 1994 no. 17, naast de algemene mogelijkheid om de Staat Suriname in rechte aan te spreken tot vergoeding van schade, naar de mening van het Hof, bewust gemist worden; immers het rechterlijke werk bestaat al lang niet meer uit het louter toepassen van voorschriften of bepaalde rechtsregels op de door de partijen aangedragen feiten (da mihi facta dabo tibi ius). Het Hof merkt op dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met het belang van de rechtszekerheid in de regel meebrengen dat in deze gevallen een zodanige vordering thans niet meer geldend kan worden gemaakt.
Uitspraak
Het Hof van Justitie in Suriname
Gezien de stukken, waaronder meer bepaald.
1. het verzoekschrift van [verzoeker] met bijlagen, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op 23 februari 2005;
2. de beschikking van het Hof van Justitie gegeven op 11 april 2005;
3. het antwoord op het verzoek van [verzoeker] terzake van rechtsweigering afkomstig van Mr.E.S.Ombre ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op 10 mei 2005;
Overwegende:
dat verzoeker op 23 februari 2005 bij het Hof van Justitie een verzoekschrift heeft ingediend op de voet van artikel 729 in verbinding met artikel 726 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering uit hoofde van Rechtsweigering door verweerder en, onder overlegging van een vijftal produkties, waarin verzoeker, verzocht heeft hem te vergoeden voor door hem geleden materiële en immateriële schade, groot USD.313.450,–. Hiertoe heeft verzoeker – voorzover ten deze van belang het volgende – aangevoerd:
1. Het Hof heeft sedert 6 juni 1997 vonnis bepaald in de zaak van verzoeker bekend onder GR no.13805. Op 1 augustus 1997 heeft het Hof een interlocutoir vonnis in de zaak gewezen, in welk vonnis het Hof niets heeft overwogen en evenmin een beslissing heeft gegeven. Hierdoor handelt het Hof in strijd met het bepaalde in artikel 136 van de Grondwet en daarom acht verzoeker het vonnis nietig;
2. Op 19 november 1999 wijst het Hof wederom een interlocutoir vonnis in deze zaak, waarin het het volgende heeft overwogen: “dat het Hof hier overneemt hetgeen in eerder aangehaald vonnis d.d. 1 augustus 1997 is overwogen en beslist, staande het Hof geheel achter de inhoud van zijn vonnis en de beslissing”. Dit vonnis is gewezen door een andere door het Hof samengestelde kamer, onder voorzitterschap van een andere rechter dan verweerder;
3. Het Hof heeft ter continuering van de behandeling van deze zaak een andere kamer samengesteld onder voorzitterschap van verweerder. Verweerder heeft op 5 maart 2004 een interlocutoir vonnis gewezen, waarin hij aangeeft dat hij de door het Hof in de twee voorgaande interlocutoire vonnissen genomen beslissing van respectievelijk 1 augustus 1997 en 19 november 1999, als juist aanvaardt;
4. In het tussenvonnis heeft verweerder het volgende gesteld: “Thans dient de vraag te worden beantwoord of appellant zijn stellingen, te weten: a. Dat hij op 15 januari 1971 ten name van geintimeerde heeft gekocht het erfpachtsrecht op het erf groot 1.400 m², gelegen in het [distrikt] aan de [straatnaam], bekend als [perceelnummer]”;
5. Verzoeker heeft in bedoelde zaak een schriftelijke bekentenis overgelegd, inhoudende erkenning van de eigendom door de tegenpartij. Het Hof heeft bij de door hem genomen beslissing deze bekentenis onterecht terzijde gelegd. Deze bekentenis levert verplicht volledig bewijs op;
6. Ingevolge artikel 10 van de Grondwet rustte op verweerder de plicht de juistheid van de eerder bij interlocutoir vonnis genomen beslissing te toetsen;
7. Verweerder had ten tijde van het wijzen vonnis niet voldoende juridische bagage, omdat hij geen kennis droeg van:
a.het arrest van de HR van 2 oktober 1993, NJ 1994, met nt HJS, in welk arrest Hoge Raad de “voortbouw eis” heeft losgelaten. In dit arrest overwoog de Hoge Raad het volgende: “……Zulks strookt met het karakter van de in een instantie gewezen vonnissen, die – voorzover geen deel -vonnissen – niet op zich zelf staand mogen worden beschouwd doch tezamen met het eventuele eindvonnis een geheel vormen, terwijl de spreiding van de beslissingen over die vonnissen min of meer een toevallige is, veelal afhankelijk van diens proces-beleid”.
b. de bijdrage van Steeman gepubliceerd in RMTH jrg. 1945/46, uit welke bijdrage eiser onder andere de volgende passage citeert: “Een partij die de rechter zou vragen, zijn fout te herstellen, en alsnog een openbare uitspraak te doen, zou onmogelijk worden afgewezen. De rechter zou, zijn abuis inziende ook spontaan daartoe kunnen overgaan. Waarom dan niet op aandrang van de belanghebbende?
c. HR 8 april 1929, NJ 1929, met nt. P.Scholten, p.74 e.v. waarin als volgt werd overwogen: “dat de wet niet onderscheidt, of een weigering het gevolg van plichtsverzuim danwel van de meening, dat de rechter tot het geven ener beschikking niet naar de wet gehouden is, en het dan ook, hoe men overigens die weigering in verband met de reden daarvan moge beoordelen voor de betrokken partijen onverschillig is om welke reden haar onthouden wordt datgene, waarop de wet haar recht geeft ”;
8. Verweerder heeft zich uit onderhavige zaak onttrokken en heeft op de valreep van zijn vertrek het vonnis met drie maanden uitgesteld. Tot heden heeft verweerder geen eindbeslissing gegeven;
9. Verzoeker heeft verweerder ter zake tot tweemaal toe aangemaand, en wel bij deurwaardersexploiten van deurwaarder Chander Balgobind op respectievelijk 3 februari 2005 en 15 februari 2005; op deze aanmaningen heeft verweerder niet gereageerd;
dat verweerder blijkens de aan zijn verweer ten grondslag gelegde stellingen die als in het vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd worden aangemerkt, de vordering van verzoeker gemotiveerd heeft weersproken;
dat het Hof in verband met het vorenoverwogene opmerkt, dat:
– de negende afdeling van de zesde titel van het derde boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevattende de artikelen 726 tot en met 734, obsoleet is, i.e. in onbruik geraakt;
– deze afdeling als opschrift heeft: “Van Rechtsweigering”; de artikelen 726 en volgende zijn, naar het Hof gebleken is, in het verleden nooit toegepast; dat dit ongetwijfeld aan de ingewikkeldheid van bedoelde bepalingen ligt; naar de mening van het Hof kan deze volkomen verouderde en naar is gebleken onnodige regeling vervallen;
– hieraan doet de omstandigheid dat thans een geval van Rechtsweigering aan de orde is niet af;
– één zwaluw immers nog geen zomer maakt; een aparte procedure kan, naast artikel 12 van de Wet van 17 mei 1935 houdende vaststelling van een reglement op de inrichting en samenstelling van de Surinaamse Rechterlijke Macht (GB 1935, no.79), laatstelijk gewijzigd bij SB 1994 no. 17, en naast de algemene mogelijkheid om de Staat Suriname in rechte aan te spreken tot vergoeding van schade, naar de mening van het Hof, bewust gemist worden; immers het rechterlijke werk bestaat al lang niet meer uit het louter toepassen van voorschriften of bepaalde rechtsregels op de door de partijen aangedragen feiten (da mihi facta dabo tibi ius);
– het Hof in dit verband dan ook opmerkt, dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met het belang van de rechtszekerheid in de regel meebrengen dat in deze gevallen een zodanige vordering thans niet meer geldend gemaakt kan worden;
dat het Hof, bespreking van voormelde stellingen van partijen als niet relevant geheel in het midden latend, beslissen zal als in het dictum te melden;
dat verzoeker als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van dit proces zal dragen;
Beslissende:
Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn tegen verweerder ingestelde vordering;
Veroordeelt verzoeker in de proceskosten, aan de zijde van verweerder gevallen en begroot op SRD nihil;
Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor en Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 3 februari 2006, in tegenwoordigheid van Mr.E.M.Ranchor, Griffier.