SRU-HvJ-2008-1

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer A-644
  • Uitspraakdatum 20 juni 2008
  • Publicatiedatum 10 april 2026
  • Rechtsgebied Ambtenarenrecht
  • Inhoudsindicatie

    De verzoeker is niet-ontvankelijk in zijn vordering.

    Wet Rechtspositie Militairen
    Personeelswet

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A – 644

[Verzoeker], wonende aan de [adres], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Kromme Elleboogstraat no.22 boven ten kantore van mr. J. G. Oscar Koulen, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. J. G. O. Koulen, advocaat,

verzoeker,

t  e  g  e  n 

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende aan de Henck Arronstraat no. 3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. F. F. P. Truideman, advocaat,

verweerder,

De President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:
1. dat verzoeker de navolgende vordering wenst in te stellen tegen: DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Defensie, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur- generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende aan de Henck Arronstraat no. 3 te Paramaribo, verweerder.
2. dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Personeelswet, uit hoofde waarvan verzoeker in dienst is van verweerder in de functie van Chauffeur  ingedeeld bij de Stafverzorging Compagnie afdeling Transport.
3. dat aan verzoeker bij beschikking van de minister van Defensie de dato 31 oktober 2007 Bureau [kenmerk] ontslag uit de militaire dienst is verleend op grond van artikel 35 lid 4 van de Wet Rechtspositie Militairen. Een fotokopie van deze beschikking wordt hierbij overlegd. (Prod 1).
4 dat de ontslagbeschikking de dato 31 oktober 2007 bureau [kenmerk] op vrijdag 28 december 2007 aan verzoeker ter hand is gesteld
5. dat in de ontslagbeschikking de dato 31 oktober 2007 bureau [kenmerk] is vastgesteld:
a) dat verzoeker op 21 januari 2007 door de Militaire Politie in verzekering werd gesteld daar hij verdacht werd zich schuldig te hebben gemaakt aan heling.
b) dat verzoeker bij de Krijgsraadzitting van 24 april 2007 wegens heling werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van voor de tijd van 04 (vier) maanden geheel onvoorwaardelijk. 

c) dat zijn verweerschrift d. d. 28 mei 2007 niet steekhoudend is, het correspondeert niet met hetgeen bij de krijgsraadzitting duidelijk is geworden, gezien het feit dat betrokkene bij het plegen van het delict gebruik heeft gemaakt van middelen die de dienst toebehoren.
6. dat verzoeker het niet eens is met het aan hem verleend ontslag en wel op grond van het feit dat verweerder bij het geven van – het althans het uitbrengen van de ontslagbeschikking de dato 31 oktober 2007 bureau [kenmerk] in strijd heeft gehandeld met een of meer beginselen van behoorlijk bestuur.
A. bij het nemen van het besluit tot ontslag van verzoeker uit de militaire dienst heeft verweerder geen aandacht besteed aan artikel 59 lid 3 Wet Rechtspositie Militairen juncto artikel 63 lid 4 van de Personeelswet waarin de wetgever expliciet aangeeft wat verweerder moet overwegen alvorens hij een tuchtrechterlijk besluit neemt. Verzoeker is ervan overtuigd althans is hij de mening toegedaan dat verweerder geen rekening heeft gehouden met de redactie van artikel 59 lid 3 Wet Rechtspositie Militairen juncto artikel 63 lid 4 van de Personeelswet. Had verweerder de nodige aandacht besteed aan het eerder vermeld artikel van de Personeelswet, dan was deze vrijwel zeker tot een ander besluit gekomen.
B. dat de ontslagbeschikking de dato 31 oktober 2007 bureau [kenmerk] in strijd is met het motiveringsbeqinsel. Verweerder heeft het besluit tot ontslag van verzoeker uit de militaire dienst niet althans niet deugdelijk gemotiveerd. Verweerder geeft verzoeker niet duidelijk aan waarom verzoeker per se ontslagen moet worden uit de militaire dienst. Ingevolge de Wet Rechtspositie Militairen leidt vero ordeling van een militaire ambtenaar niet automatisch tot zijn of haar ontslag. In artikel 35 lid 4 heeft de wetgever duidelijk opgenomen het woord “kan”. Door het woord “kan” in het artikel op te nemen verplicht de wetgever de administratie expliciet om een goede motivering te geven indien deze, de administratie, besluit om een militaire ambtenaar op grond van een veroordeling te ontslaan. Verweerder beperkt zich in haar ontslagbeschikking de dato 31 oktober 2007 bureau [kenmerk] tot het opsommen van enkele feiten. Zo vermeld verweerder in de onderhavige beschikking alleen dat verzoeker op 21 januari 2007 is aangehouden door de Militaire Politie, dat hij op 24 april 2007 is veroordeeld en dat zijn verweerschrift niet steekhoudend
is. Waarom verzoeker ontslagen moet worden vermeld verweerder niet. Het ontslag van verzoeker is zo ingrijpend voor verzoeker dat in redelijkheid van verweerder verwacht kan en mag worden dat deze, verweerder, de ontslagbeschikking duidelijk motiveert. Door onderhavige schorsingsbeschikking niet althans niet duidelijk te motiveren maakt verweerder elke beroepsinstantie heel moeilijk om de ontslagbeschikking de dato 31 oktober 2007 bureau [kenmerk] te toetsen. Het is vaste jurisprudentie dat een besluit van de administratie (goed) gemotiveerd moet zijn. Verzoeker verwijst in deze naar de volgende vonnissen: H.v.J. 15 augustus 1975 SJ (A) no. 148 Bakboord vs Suriname en H.v.J. 15 augustus 1975 SJ (A) no. 147 Spoor vs Suriname.
C. ook is de ontslagbeschikking de dato 31 oktober 2007 bureau [kenmerk] tot stand gekomen in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het gelijkheidsbeginsel verplicht verweerder om gelijke gevallen gelijk te behandelen. Verweerder ontslaat verzoeker omdat hij, verzoeker, door de Krijgsraad veroordeeld is geworden wegens heling en dat verzoeker bij het plegen van het strafbaar feit gebruik heeft gemaakt van middelen die de dienst toebehoren. Maar het is dezelfde verweerder die een andere militair, de sergeant [naam 1], die overigens hoger in rang is dan verzoeker, niet ontslaat terwijl deze militair door dezelfde krijgsraad veroordeeld is geworden wegens diefstal. Verweerder handelt door haar handelswijze duidelijk in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
D. de ontslagbeschikking de dato 31 oktober 2007 bureau [kenmerk] is verder ook in strijd met het materiële zorgvuldigheidsbeqinsel en het beginsel van onderzoek en beslissing in het individueel geval. Verweerder heeft bij het nemen van het besluit tot ontslag er niet voor gewaakt dat de getroffen maatregel zo weinig mogelijk schade veroorzaakt. De gevolgen van ontslag treffen in casu niet alleen verzoeker, maar ook het gezin van verzoeker aangezien hij enige kostwinner is binnen het gezin bestaande uit minderjarige kinderen.
E. de ontslagbeschikking de dato 31 oktober 2007 bureau [kenmerk] is ook tot stand gekomen in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Verweerder moet bij het nemen van een besluit c.q. het geven van een beschikking rekening houden dat de lasten van het besluit c.q. de beschikking niet onevenredig zwaar zijn gezien de doelen die het besluit wil dienen. Verzoeker is ruim 10 jaar in de militaire dienst en heeft zich gedurende zijn diensttijd altijd conform de regelingen gedragen. Verzoeker heeft nooit geaarzeld om met detachering gestuurd te worden. Ten tijde van de binnenlandse oorlog was verzoeker ook actief in het Nationaal Leger een heeft toen op eigen verzoek ontslag gekregen.
F. de ontslagbeschikking de dato 31 oktober 2007 bureau [kenmerk] is strijd met het proportionaliteitsbeginsel. lngevolge de Wet Rechtspositie Militairen kon verweerder bij het nemen van het besluit kiezen uit andere minder zware tuchtrechterlijke straffen. Volgens vaste jurisprudentie moet de tuchtrechterlijke sanctie in overeenstemming zijn de ernst van het plichtsverzuim. Verzoeker verwijst hierbij naar de volgende vonnissen van het vonnis van het Hof van Justitie van 10 mei 1974 A 21 Summerville vs Suriname, Hof van Justitie 20 juni 1975 Bhagwandien vs Suriname A 31, Hof van Justitie 20 juni 1975 Karia vs Suriname A 32, Hof van Justitie 20 juni 1975 Mishre vs Suriname A 33. In casu is de straf van verzoeker niet in overeenstemming met de ernst van het plichtsverzuim.
7. Op grond van het bovenstaande komt verzoeker tot de conclusie dat het gegeven van ontslag ongeldig is en voor algehele nietigverklaring in aanmerking komt.
8. Met het verzoek de overlegde productie als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen.

Overwegende, dat verzoeker op de daarin opgenomen gronden:
dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. De schorsingsbeschikking van de minister van Defensie de dato 31 oktober 2007 bureau [kenmerk] op elk der voorgeschreven gronden alsmede deze in onderling verband en samenhang beschouwd zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard;
II. Verweerder zal worden veroordeeld verzoeker weder te werk te stellen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1000, – per dag althans een door uw Hof in goede justitie te bepalen bedrag voor iedere dag dat verweerder weigert aan de uitvoering van het vonnis te voldoen;
III. De verweerder zal worden veroordeeld in de kosten van het geding. 

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende wordt aangevoerd:   

  1. De verweerder brengt met betrekking tot het ingediende verzoekschrift van de verzoeker d.d. 25 januari 2008 het volgende naar voren.
    2. Met betrekking tot het gestelde van de verzoeker in de punten 2 en 3 van zijn inleidend rekest, merkt de verweerder op dat zulks wordt erkend en geen nadere bespreking behoeft;
    3. Met betrekking tot het gestelde van de verzoeker in punt 4 van zijn
    inleidend rekest, merkt de verweerder opdat zulks eveneens wordt erkend en geen nadere bespreking behoeft;
    4. Met betrekking tot het gestelde van de verzoeker in punt 5 van zijn
    inleidend rekest, merkt de verweerder op dat het juist is wat de verzoeker in dit punt heeft gesteld, daar zulks een letterlijke weergave is van hetgeen in de ontslagbeschikking is gesteld;
    5. Met betrekking tot het gestelde van de verzoeker in punt 6 van zijn
    inleidend rekest, merkt de verweerder op dat hij bij de ontslagbeschikking ten name van de verweerder op geen enkele wijze in strijd heeft gehandeld met de Algemene Beginselen van Behoorlijk bestuur. 

Het aanhalen van artikel 59 lid 3 van de Wet Rechtspositie Militairen is voor de verweerder niet recht duidelijk, daar dit lid als volgt luidt:
Behoudens de voorgaande leden van dit artikel vinden bestaande algemene of bijzondere voorschriften betrekking hebbende op de rechtspositie van landsdienaren geen toepassing, indien en voor zover zij afwijken van deze wet.
Laat de verzoeker aangeven welke algemene of bijzondere voorschriften de verweerder heeft gebruikt die afwijken van de Wet Rechtspositie Militairen.
Artikel 63 lid 4 Personeelswet is een voorschrift waarmede de verweerder altijd rekening moet houden bij een ontslag, vandaar dat de verweerder in de consideranse van de beschikking uitdrukkelijk heeft gesteld: gelet op de Personeelswet, want artikel 35 lid 4 van Wet Rechtspositie Militairen
waarop dit ontslag is gegrond verwijst naar de leden 4 en 5 van artikel 64 van de Personeelswet.
Moet evenwel zijn artikel 63 Personeelswet, want artikel 64 heeft geen lid 5. Een militair die terzake heling is veroordeeld, behoort niet in een
gedisciplineerd Korps thuis.
Bovendien heeft de verzoeker tegen het vonnis van de Krijgsraad geen hoger beroep aangetekend, zodat dit vonnis onherroepelijk is.
De grond van het ontslag van de verweerder is artikel 35 lid 4 van de Wet Rechtspositie Militairen.
Thans haalt de verzoeker een aantal algemene beginselen aan om het ontslag te bestrijden.


De kwestie van het motiveringsbeginsel.
De verweerder heeft op geen enkele wijze in strijd gehandeld met het
motiveringsbeginsel. Immers de verzoeker heeft een onherroepelijk
strafvonnis en in artikel 35 lid 4 van de Wet Rechtspositie Militairen is uitdrukkelijk bepaald, dat aan een militair ontslag kan worden verleend als hem bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak een vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd.
De verweerder hoeft bij dit ontslag geen ellenlange motivering te geven en kan volstaan met het rechterlijk vonnis aan te halen, waarvan de grond van het ontslag is aangegeven. 

Niet de verzoeker bepaalt wanneer de verweerder gebruik moet maken van zijn ontslagbevoegdheid, maar de verweerder zelf en heeft deze een goede motivering gegeven voor het ontslag van de verzoeker.
De verzoeker zegt zelf dat de verweerder in de ontslagbeschikking de
vrijheidsbenemende maatregel heeft aangehaald in het veroordelend vonnis en dat is meer dan voldoende.
De verzoeker is ontslagen, omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstig strafbaar feit en dat is voldoende tot uitdrukking gekomen in de
ontslagbeschikking. Het ontslag van de verzoeker is ingrijpend, omdat hij ernstig inbreuk heeft gemaakt op de rechtsorde en de militaire discipline.
De verweerder maakt niets moeilijk. Het Hof van Justitie als
ambtenarenrechter zal uitmaken of het ontslag goed gemotiveerd is of niet. De vonnissen van Bakboord en Spoor spelen hierbij geen rol.

 

Gelijkheidsbeginsel
Het is de verweerder die het gelijkheidsbeginsel beoordeelt en ontkent de verweerder dat hij in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel.
Bovendien heeft de Personeelswet in artikel 79 lid 4 van de Personeelswet bepaalt dat zaken die de beleidsvrijheid van de verweerder raken aan het oordeel van het Hof van Justitie is onttrokken, welk artikel 79 lid 4 van de Personeelswet als volgt luidt:
4.Het Hof treedt niet in de beoordeling van hetgeen in het belang van de dienst wordt gevorderd, voor zover daaruit redelijk verschil van inzicht
mogelijk is. Bovendien moet de verzoeker bijzonder voorzichtig zijn met het aanhalen van het gelijkheidsbeginsel, daar elk geval afzonderlijk wordt behandeld en beoordeeld.
Terzake het gelijkheidsbeginsel wordt verwezen naar bladzijde 181 e.v. van het Rapport van de Commissie inzake Algemene Bepalingen van
Administratief recht, vierde druk 1973 van G.A. Poelje.

 

Zorgvuldigheidsbeginsel
Niet de verweerder moet er voor waken dat de gegeven maatregel zo weinig mogelijk schade veroorzaakt aan de verzoeker, maar de verweerder zelf, daar hij in dienst is genomen om te werken en niet om strafbare feiten te plegen. 

Als de gevolgen van het ontslag niet alleen de verzoeker treffen, maar ook zijn gezin, moet de verzoeker zich dat ten volle bewust zijn.
De verzoeker is werkzaam bij een gedisciplineerd Korps en de discipline moet streng worden gehandhaafd.

 

Evenredigheidsbeginsel
Dit beginsel is op geen enkele wijze geschonden, daar de verzoeker niet heeft ontkend dat hij zich aan een ernstig strafbaar feit heeft schuldig
gemaakt en ook niet ontkent dat hij terzake van zijn vrijheid is beroofd door het bevoegde gezag.
Met deze veroordeling van de verzoeker door de Krijgsraad heeft hij de discipline binnen de Militaire dienst ernstig geschonden.

 

Proportionaliteitsbeginsel
De verzoeker haalt allerlei beginselen uit het Leerstuk van de Algemene Beginselen van behoorlijk bestuur aan.
Als de verzoeker van oordeel is dat de verweerder in strijd heeft gehandeld met een van de door hem aangehaalde beginselen, waarom heeft de
verzoeker tegen het vonnis geen appél aangetekend.
Het kiezen uit zwaardere en minder zware tuchtstraffen is een
aangelegenheid van de verweerder.
De verzoeker zegt zelf dat volgens vaste jurisprudentie moet de
tuchtrechtelijke sanctie in overeenstemniing zijn met de ernst van het
plichtsverzuim.
Wel nu, dit plichtsverzuim is zo ernstig n.l. heling, met gebruikmaking van middelen van de staat, dat hiertoe behoort de straf van ontslag en deze is volledig in overeenstemming met de gevolgen en de ernst van het
plichtsverzuim.
De vonnissen die door de verzoeker zijn aangehaald geven op geen enkele wijze rechtvaardiging aan het gepleegde strafbaar feit en ter ondersteuning van zijn onrechtmatig gedrag.
7. Met betrekking tot het gestelde van de verzoeker in punt 7 van zijn
inleidend rekest, merkt de verweerder op dat de verzoeker praat van ontslag, maar vraagt in zijn petitum vernietiging van de schorsingsbeschikking. 

 

Wat het petitum betreft
Dit is zondermeer een obscuur libel.
In punt 1 praat de verzoeker van een schorsingsbeschikking die de
verweerder volledig onbekend is. Door de verzoeker wordt zeker bedoeld de ontslagbeschikking no. CM/ 3478/07, maar hiervan is geen vernietiging gevorderd.

 

In punt II van het petitum.
Hetgeen gevraagd wordt behoort niet tot de bevoegdheid van het Hof.
Artikel 58 Wet Rechtspositie Militairen verwijst naar de artikelen 79 tot en met 83 van de Personeelswet. En volgens artikel 82 lid 3 van de
Personeelswet bestaat de mogelijkheid, indien het Hof een besluit nietig verklaart, dat de verweerder een nieuw besluit moet nemen overeenkomstig de beslissing van het Hof.
Maar dit wordt niet door de verzoeker gevraagd, althans blijkt zulks niet uit het petitum. 

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd: dat verzoeker zijn vordering zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen, althans hem in deze niet ontvankelijk zal worden verklaard;

Overwegende, dat ingevolge s’ Hoven beschikking van 21 februari 2008 verhoor van partijen bepaald, in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon, bijgestaan door advocaat mr. B. H. Hok A Hin namens zijn gemachtigde, advocaat mr. J. G. O. Koulen, advocaat mr. F. F. P. Truideman, gemachtigde van verweerder en de heer [naam 2], beleidsadviseur van het Ministerie van Defensie, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal  staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker een akte houdende wijziging van het verzoekschrift heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van verweerder een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating productie heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 6 juni 2008 de gemachtigden van partijen geen producties hebben overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.                                  

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat, naar uit  het procesdossier blijkt, verzoeker bij besluit, genomen bij beschikking van  de Minister van Defensie  de dato 31 oktober 2007 Bureau [kenmerk], uit Staats (Militaire) dienst is ontslagen, welk ontslag ingaat op de dag nadat gemeld besluit overeenkomstig artikel 3 van  de “Wet Rechtspositie Militairen” ter kennis van verzoeker zou zijn gebracht;

Overwegende, dat, naar verzoeker in het 4e “dat” van het verzoekschrift, ingekomen ter Griffie van het Hof van Justitie op 28 januari 2008, heeft gesteld, voormelde ontslagbeschikking hem op 28 december 2007 ter hand is gesteld;

Overwegende, dat, naar luid van artikel 5 lid 2 van de Personeelswet, een besluit geacht wordt ter kennis van de belanghebbende te zijn gebracht op de dag waarop het desbetreffende stuk:

a. hetzij door of vanwege het bevoegde gezag aan hem is overhandigd;

Overwegende, dat gemelde ontslagbeschikking conform gemelde wettelijke bepaling aan verzoeker is overhandigd;

Overwegende, dat voormelde ontslagbeschikking, naar het Hof gebleken is, onder letter e van de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 2 van de Personeelswet valt;

Overwegende, dat ingevolge artikel 80 lid 1 sub b van de Personeelswet vorderingen als bedoeld in artikel 79, eerste lid, aanhef en onder a, niet ontvankelijk zijn, indien zij zijn ingesteld:

a. meer dan een maand nadat het besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht;

Overwegende, dat onder maand in de zin van artikel 1 lid 1 van de Personeelswet wordt verstaan: tijdvak van dertig dagen;

Overwegende, dat nu aan verzoeker de ontslagbeschikking  de dato 31 oktober 2007 op 28 december 2007 ter hand is gesteld en het verzoekschrift blijkens aantekening van de griffier op 28 januari 2008 ter Griffie van het Hof van Justitie is ingekomen, dus op de 32ste dag na de terhandstelling aan hem – verzoeker – terwijl de wet, artikel 80 lid 1 sub b van de Personeelswet,  een maand nadat het besluit ter kennis van de belanghebbende, verzoeker, is gebracht, toestaat, zal verzoeker niet worden ontvangen in zijn in onderdeel 1 van het petitum gevorderde, makende verzoeker, naar het Hof overigens gebleken is, in casu geheel ten onrechte gewag van: “De schorsingsbeschikking”;

Overwegende, dat het in onderdeel 2 van het petitum gevorderde als sequeel van het gevorderde in onderdeel I daarvan hetzelfde lot zal ondergaan;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zowel het in onderdeel I als het in onderdeel II van het petitum gevorderde;

 

Aldus gewezen door de heren: mr. J. R. Von Nieswand, President, D. D. Sewratan, lid en mr. A. A. Hermelijn, Leden en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 20 juni 2008, in tegenwoordigheid van mr. R. R. Brijobhokun,  Fungerend-Griffier.

 

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij vertegenwoordiger verschenen.