SRU-HvJ-2008-10

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer G.R. no. 14297
  • Uitspraakdatum 02 mei 2008
  • Publicatiedatum 10 april 2026
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    In punt 5 van de Memorie van Toelichting van het herziene Huwelijksrecht 1973 is verwoord, dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk de wettelijke grondslag vormt voor de vordering tot echtscheiding; dat de voornaamste vraag in dat geval niet is of een der echtgenoten zich aan bepaalde gedragingen heeft schuldig gemaakt, maar of het huwelijk als ontwricht beschouwd moet worden en herstel van dragelijke verhoudingen redelijkerwijs niet te verwachten is. De schuldvraag is daarbij juridisch niet relevant, behalve in geval dat datgene die de echtscheiding vordert de duurzame ontwrichting heeft veroorzaakt en dus die ontwrichting in overwegende mate aan diens schuld te wijten is.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14297

 

[Appellant], wonende aan [adres], ten deze domicilie kiezende aan de Kromme Elleboogstraat no.22 beneden, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. De Noten, advocaat, 

appellant,

t   e  g  e  n 

[Geintimeerde], echtgenote [appellant], wonende aan [adres], ten deze domicilie kiezende aan de Wagenwegstraat 21 beneden, ten kantore van Mr. F. J. Leeflang, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. F. J. Leeflang, advocaat,

geïntimeerde,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 19 oktober 2005 tussen partijen gewezen en uitgesproken;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 17 november 2005, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

  1. dat eiseres de navolgende vordering wenst in te stellen tegen: [appellant], wonende aan [adres], gedaagde;
  2. dat eiseres blijkens de hierbij overgelegde kopie van het Bewijs van Huwelijksvoltrekking op 25 mei 2001, in het [district], buiten gemeenschap van goederen bij notariële akte van notaris Mr.Rodrigues, is gehuwd met gedaagde;
  3. dat uit voormeld huwelijk geen kinderen zijn geboren;
  4. dat gedaagde woonplaats heeft binnen het Eerste  Kanton, bijgevolg het Eerste Kanton te [plaats] rechtsmacht heeft en bevoegd is tot kennisneming van de onderhavige vordering;
  5. dat het huwelijk van partijen duurzaam ontwricht is;
  6. dat de duurzame ontwrichting te wijten is aan de gedaagde om de navolgende redenen:

– eiseres is toegewijd lid van de religieuze genootschap der Jehova’s Getuigen, welks geloof ook door gedaagde eertijds werd beleden en voor eiseres doorslaggevend is geweest tot het aangaan  van het tussen partijen gesloten huwelijk. Echter  heeft gedaagde het  geloof der Jehova’s getuigen reeds geruime tijd verlaten en pleegt  herhaaldelijk handelingen die in strijd zijn met het geloof.

Ondermeer zij vermeld:

reeds geruime tijd worden fundamentele regels der Jehova’s Getuigen  door gedaagde op flagrante  wijze geschonden, hetgeen voor eiseres volstrekt onaanvaardbaar is;

– zo is gedaagde vervallen tot het ontplooien van politieke activiteiten, nota bene, binnen de echtelijke woning, wetend dat zulks ten ene male in  strijd is met de regels van het geloof.

Door deze handelwijze van gedaagde ontstaan er talrijke spanningen die  het leven van eiseres tot een ware hel maken.

– Reeds geruime tijd heeft gedaagde het gezinsleven volkomen  ontwricht door zich te ontrekken aan iedere vorm van normale  communicatie. Eiseres moet daarbij met lede ogen toezien dat  gedaagde de door haar bereide maaltijden weigert, in stede daarvan brengt zijn voormalige echtgenote iedere dag voedsel voor hem die dan demonstratief door hem in bijzijn van eiseres wordt genuttigd.

– Eiseres wordt door gedaagde regelmatig getreiterd en beledigd en  geestelijk gemarteld, waarbij gedaagde niet schroomt om eiseres bijnamen te benoemen en eiseres te vergelijken met lelijke dieren;

– Gedaagde  is een habituele gokker en vergokt daardoor de schaarse  middelen van het gezin;

  1. dat eiseres gerechtigd is op bovengenoemde grond tegen gedaagde  een vordering in te stellen tot echtscheiding.
  2. dat de echtelijke woning met inboedel in eigendom aan eiseres toebehoort en dientengevolge eiseres haar eigendomsrechten met  uitsluiting van gedaagde zal mogen uitoefenen met dien verstande dat zij niet verplicht zal zijn om gedaagde toe te laten tot de echtelijke woning  gedurende de loop van het geding.

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

1a. tussen partijen op 25 mei 2001 in het ressort [plaats] met elkander gehuwd, de echtscheiding zal worden uitgesproken.

1b. te beschikken dat gedaagde binnen 1 maand na heden de echtelijke woning zal verlaten en eiseres niet verplicht zal zijn hem wederom de vrije toegang te verlenen.

Overwegende, dat [appellant] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

  1. dat indien er sprake  is van ontwrichting van het gezin, hieraan met counseling zou kunnen worden gewerkt; indien er evenwel rechtens komt vast te staan, dat er sprake is van duurzame ontwrichting, dan is zulks te wijten aan eiseres zelf. In dat geval beroept gedaagde zich op artikel 263 Burgerlijk Wetboek, waarin wordt bepaald dat “de vordering tot echtscheiding wordt afgewezen, indien de duurzame ontwrichting in overwegende mate te wijten is aan de echtgenoot die de vordering heeft ingesteld, en de andere echtgenoot deswege tegen die vordering verweer voert”.
  2. dat toewijzing van de onder 1a van eiseres’s inleidend verzoekschrift gevorderde ontbinding van een huwelijk dat in het ressort Paramaribo zou zijn gesloten, terwijl genoemd ressort niet bestaat, naar gedaagde’s bescheiden mening, niet mogelijk is. 
  3. dat eiseres in het gevorderde onder 1.b. van haar   verzoekschrift, niet ontvankelijk dient te worden verklaart, aangezien zij niet over een executoriale titel beschikt (zie  Kort Geding DE MEES ca.  HIRALAL).

Gedaagde verzoekt de Kantonrechter, derhalve, voorbij te gaan, c.q. af te wijzen, al hetgeen door eiseres is gevorderd, aangezien:

A. toewijzing van de onder 1.a. van het verzoekschrift van eiseres gevorderde ontbinding van een huwelijk dat zou zijn voltrokken in een ressort dat niet bestaat (ressort [plaats]), niet mogelijk is;

B. op grond van het bepaalde in artikel 263 BW, de door eiseres gevorderde ontbinding niet kan worden toegewezen;

C. eiseres niet over een executoriale titel beschikt.

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter  bij vonnis van 19 oktober 2005 op de daarin opgenomen gronden:

De echtscheiding tussen [appellant] en [geïntimeerde], gehuwd op 25 mei 2001 te Paramaribo heeft uitgesproken;

De proceskosten heeft gecompenseerd tussen partijen in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal d.d. 17 november 2005 [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 19 oktober 2005;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Hariette Beatrix Verwey van 19  april 2006 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de gemachtigde  van appellant een memorie van grieven heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van geïntimeerde bij antwoord pleidooi producties heeft overgelegd, wordende de inhoud – alsmede die van de overgelegde produkties – hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, tussen appellant (toen gedaagde) en  geïntimeerde toen eiseres op 19 oktober 2005 in de zaak bekend onder Algemeen Register nummer 044267 eindvonnis is gewezen en uitgesproken, waarvan het dictum luidt:

– Spreekt uit de echtscheiding tussen [appellant] en [geïntimeerde], gehuwd op 25 mei 2001 te [plaats].

– Compenseert de proceskosten tussen partijen in dier voege dat iedere partij de eigen  kosten draagt.

Overwegende, dat, appellant tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld en wel  op 17 november 2005;

Overwegende, dat, appellant tegen het beroepen vonnis de navolgende grieven heeft  ontwikkeld  en voorgesteld, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Grief 1: de Kantonrechter heeft in het petitum in plaats van “het ressort [plaats]” gelezen  “het district [plaats]” hetgeen een inhoudelijke wijziging is van het in leidende  verzoekschrift en derhalve in strijd is met de wet.

Grief 2: De Kantonrechter heeft met een veronachtzaming van het verweer van appellant in eerste  aanleg gevoerd en hierop neerkomende dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk te  wijten was aan de verzoekster in eerste aanleg, in het midden gelaten aan wiens handeling de  duurzame ontwrichting te wijten was, en appellant toen gedaagde, getypeerd en  gekwalificeerd als de schuldige, hetgeen niet juist beoordeeld is.

Overwegende, dat geïntimeerde tegen de eerste grief ondermeer heeft aangevoerd dat deze  grief ongegrond is omdat het verbeterd lezen van het petitum, geen inhoudelijke beslissing is  van de Kantonrechter;

Overwegende aangaande voormelde grief 1, dat het Hof van oordeel is dat, nu in het, overigens niet door appellant betwiste, bewijs van de huwelijksvoltrekking afgegeven door de  Burgerlijke stand van Suriname, staat dat het huwelijk is voltrokken te [plaats], er in het petitum van het inleidende verzoekschrift sprake is van een kennelijke verschrijving; dat de Kantonrechter daarom terecht deze kennelijke verschrijving verbeterd heeft gelezen; dat van een inhoudelijke wijziging van het verzoekschrift geenszins sprake is en dat het Hof deze  grief dan ook verwerpt;

Overwegende, dat geïntimeerde tegen de tweede grief ondermeer heeft aangevoerd dat  het onbetwist is dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en dat die duurzame ontwrichting  in overwegende mate aan appellant te wijten was nu het gemeenschappelijk belijden van  het geloof der Jehova’s  Getuigen de grondslag vormde van het huwelijk van partijen en  appellant een afvallige van het geloof is geworden zodat dit  de belangrijkste  reden was  waarom zij de vordering tot echtscheiding heeft ingediend;

Overwegende aangaande voormelde grief 2, dat uit de door partijen aangedragen feiten en  omstandigheden vaststaat, dat het huwelijk der partijen duurzaam is ontwricht en dat die  duurzame ontwrichting naar Hofs oordeel aan ieder der partijen in belangrijke mate te wijten is;

Overwegende voorts, dat in punt 5 van de Memorie van Toelichting van het herziene  Huwelijksrecht 1973 is verwoord, dat de duurzame ontwrichting  van het huwelijk de wettelijke  grondslag vormt voor de vordering tot echtscheiding; dat de voornaamste vraag in dat geval  niet is of een der echtgenoten zich aan bepaalde gedragingen heeft schuldig gemaakt, maar  of het huwelijk als ontwricht beschouwd moet worden en herstel van dragelijke verhoudingen redelijkerwijs niet te verwachten is; dat de schuldvraag daarbij juridisch niet relevant is, behalve in geval dat datgene die de echtscheiding vordert de duurzame  ontwrichting heeft veroorzaakt en dus die ontwrichting in overwegende mate aan diens schuld te wijten is; dat in dat geval de vordering wordt afgewezen; dat laatstvermelde uitzonderinge situatie  in casu niet aan de orde is daar reeds is komen vast te staan dat de schuld van de  duurzame ontwrichting aan zowel appellant als geïntimeerde, ieder in belangrijke mate, te  wijten is;

Overwegende gelet op het voorgaande, dat het Hof van oordeel is dat de door appellant ontwikkelde grief 2 eveneens geen doel treft en dat de Kantonrechter terecht de vordering tot  echtscheiding  heeft toegewezen op grond van duurzame ontwrichting van het huwelijk, evenwel is die grond naar de mening van het Hof onvoldoende met redenen omkleed omdat daarin de beantwoording van de schuldvraag niet blijkt terwijl de Kantonrechter daar wel op  had moeten ingaan;

Overwegende, dat derhalve het vonnis  van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 19 oktober 2005 (A.R.No.044267) waarvan beroep onder aanvulling van gronden zal worden bevestigd;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt onder aanvulling  van de gronden, het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen tussen partijen  en uitgesproken op 19 oktober 2005, waarvan beroep;

Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen tot dusver begroot op SRD……….. 

Met inbegrip van de door het Hof aan diens  advocaat voor de door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD………………

Bepalende het Hof het salaris van de advocaat van appellant eveneens op SRD…………..

 

Aldus gewezen door de heren: Mr. D. D. Sewratan, Fungerend-

President, Mr. H. E. Struiken, Lid en Mr. A. Charan, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 2 mei 2008, in tegenwoordigheid van Mr. R. R. Brijobhokun, Fungerend-Griffier.

w.g. R. R. Brijobhokun    w.g. D. D. Sewratan

 

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat Mr. H. Matawli namens advocaat Mr. E. De Noten, gemachtigde van appellant, terwijl geïntimeerde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.