- Instantie Hof van Justitie
- Zaaknummer 18/2008
- Uitspraakdatum 31 december 2008
- Publicatiedatum 11 september 2026
- Rechtsgebied Strafrecht
-
Inhoudsindicatie
Het Hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter tot veroordeling van de verdachte tot 10 jaar gevangenisstraf en een geldboete wegens medeplichtigheid aan de invoer van cocaïne uit Colombia. Het Hof acht bewezen dat bij de aanhouding sprake was van excessief geweld tegen de verdachte. Het openbaar ministerie is niettemin ontvankelijk, omdat niet is gebleken dat het geweld de verdachte zodanig heeft beïnvloed dat hij zijn verklaringen niet meer in vrijheid heeft afgelegd. Het heeft meer dan vier jaar geduurd voordat de behandeling in hoger beroep begon, zodat het recht van de verdachte op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn is geschonden. Daarom verlaagt het Hof de opgelegde gevangenisstraf tot zes jaar zonder aanvullende geldboete, wat overeenkomt met de tijd dat de verdachte in voorarrest heeft gezeten.
Uitspraak
VONNIS
IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!
Vonnisnummer: 18/2008
Uitspraak: 31 december 2008
TEGENSPRAAK
APPELSTRAFKAMER
Het Hof van Justitie van Suriname
Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis, van de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen op 19 maart 2002 en uitgesproken tegen de verdachte:
[Verdachte], geboren op [geboortedatum] te [Plaats], ten tijde van de aanhouding chauffeur van beroep en wonende aan de [Adres 1], thans in vrijheid gesteld;
verschenen in persoon en bijgestaan door zijn raadsman mr. H.R. Schuurman, advocaat bij het Hof van Justitie.
Ontvankelijkheid appel
Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de verdachte op 27 maart 2002 op de voorgeschreven wijze appel heeft aangetekend tegen het voormelde vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton.
Gelet op het vorenstaande heeft de verdachte tijdig appel aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve hij daarin ontvankelijk is.
Tevens is gebleken dat de vervolgingsambtenaar op 04 april 2002 eveneens appel heeft aangetekend tegen het voormelde vonnis.
Ingevolge artikel 372 van het Wetboek van Strafvordering moet het hoger beroep door zowel de verdachte, alsook het openbaar ministerie binnen veertien dagen na de uitspraak worden ingesteld. Nu het hoger beroep door de vervolgingsambtenaar eerst na het verstrijken van die termijn is ingesteld, dient het openbaar ministerie daarin niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Het hof zal derhalve dienovereenkomstig beslissen.
Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 334 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht.
De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het hof het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton, waarbij de verdachte ten aanzien van het onder A. ten laste gelegde (medeplegen van overtreding van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, sub a en onder A van de wet verdovende middelen) werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien (10) jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht, met oplegging daarnaast van een geldboete van Sfl. 5.000.000,- (subsidiair 3 maanden hechtenis), met verbeurdverklaring van de in beslag genomen goederen, te weten een truck van het merk DAF, zal bevestigen.
De verdediging heeft bepleit dat de vervolgingsambtenaar niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Het vonnis waarvan beroep
Bij vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 19 maart 2002 is de verdachte – verkort weergegeven – ter zake van het onder A. (medeplegen van overtreding van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, sub a en onder A van de wet verdovende middelen) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien (10) jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht, met oplegging daarnaast van een geldboete van Sfl. 5.000.000,- (subsidiair 3 maanden hechtenis), met verbeurdverklaring van de in beslag goederen, te weten een truck van het merk DAF met kenteken [nummer] en met bevel tot gevangenhouding.
Het hof is gebleken dat in het beroepen vonnis de bewezenverklaring niet is opgenomen, doch dat de kantonrechter heeft volstaan met het vermelden van de kwalificatie. Reeds daarom kan het hof zich niet verenigen met het vonnis a quo en zal het hof het beroepen vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.
De tenlastelegging:
Aan dit vonnis is als bijlage I gehecht een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de inleidende dagvaarding in het Derde Kanton, van waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.
Indien in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De ontvankeliikheid van de vervolgingsambtenaar
Van de zijde van de verdediging is in hoger beroep aangevoerd dat de vervolgingsambtenaar in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien er een ernstige schending van de beginselen van een goede procesorde heeft plaatsgevonden, waardoor doelbewust of op zijn minst met grove veronachtzaming van verdachtes belangen tekort is gedaan aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak. Hiertoe heeft de raadsman zakelijk weergegeven – een aantal afzonderlijke gronden aangevoerd, die hetzij op zichzelf, dan wel in onderling verband en onderlinge samenhang bezien dienen te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Het hof zal de door de verdediging aangevoerde gronden voor niet-ontvankelijkheid afzonderlijk bespreken.
Excessieve geweldstoepassing bij de aanhouding:
Van de zijde van de verdediging is betoogd dat tegen de verdachte, zonder dat daartoe enige aanleiding of noodzaak bestond, excessief geweld is toegepast bij zijn aanhouding door de dienstdoende ambtenaren van politie.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt:
Het hof stelt bij de bespreking van dit verweer als uitgangspunt voorop dat er vanuit dient te worden gegaan, dat door politie en justitie conform de geldende wetgeving en richtlijnen wordt opgetreden. Slechts indien door feiten dan wel omstandigheden gerede twijfel aan de rechtmatigheid van dat optreden naar voren komt, dient een nader onderzoek te volgen. Met de raadsman is het hof van oordeel dat in het onderhavige geval voldoende aannemelijk is geworden dat jegens verdachte tijdens zijn aanhouding excessief geweld is toegepast door leden van het A-team. Het hof is tot dit oordeel gekomen op basis van de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaringen van de getuigen Breinburg en Berggraaf, beiden penitentiaire ambtenaren in onderlinge verband en samenhang beschouwd met de door de verdachte ter zake afgelegde verklaringen. Verdachte zat onder de blauwe plekken, hetgeen zichtbaar werd nadat hij zich ontkleed had.
De verdachte heeft desgevraagd mede gedeeld dat dit letsel het directe gevolg was van mishandelingen door de dienstdoende ambtenaren van politie. Verdachte heeft als gevolg van de mishandelingen tevens pijn geleden. Overigens heeft de verdachte verklaard dat hij tijdens zijn verhoren niet is mishandeld.
Nu naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat jegens de verdachte ten tijde van zijn aanhouding, dan wel kort daarna excessief geweld is toegepast, rijst de vraag welke juridische consequentie hieraan dient te worden verbonden. Anders dan de raadsman, is het hof van oordeel dat de onderhavige gang van zaken niet dient te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
Dit zou anders zijn, indien zou zijn gebleken dat als direct gevolg van het toepassen van excessief geweld jegens de verdachte, zijn nadien afgelegde verklaringen zodanig zouden zijn beinvloed, dat in alle redelijkheid niet kan worden volgehouden dat de verdachte zijn verklaringen in vrijheid heeft afgelegd.
Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is het hof niet gebleken, dat zulks het geval is geweest, temeer nu de verhoren van de verdachte na zijn aanhouding zijn afgenomen door verbalisanten van de afdeling Narcotica Brigade en niet door de ambtenaren van politie, die direct betrokken waren bij de aanhouding van de verdachte. Nu aldus niet is gebleken dat de door de verdachte gegeven verklaringen in strijd met het pressieverbod als bedoeld in artikel 21 van het Wetboek van Strafvordering tot stand zijn gekomen, is voor de nietontvankelijkheid van het openbaar ministerie geen plaats. Evenmin ziet het hof aanleiding om over te gaan tot bewijsuitsluiting van vorenbedoelde verklaringen. Wel zal het hof overgaan tot strafvermindering ter sanctionering van het ongeoorloofde gedrag van de dienstdoende ambtenaren van politie, waarmee op flagrante wijze inbreuk is gemaakt op de rechten van de verdachte.
Het verweer wordt mitsdien (deels) gehonoreerd.
De overschrijding van de redelijke termijn:
Van de zijde van de verdediging is voorts aangevoerd dat de vervolgingsambtenaar in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het recht van verdachte op een openbare behandeling van de strafzaak in hoger beroep binnen een redelijke termijn zou zijn geschonden. Hiertoe heeft de raadsman zakelijk weergegeven – betoogd dat, nu de termijn gerekend vanaf de datum waarop de Kantonrechter in het Derde Kanton uitspraak heeft gedaan (te weten: 19 maart 2002) en de onderhavige strafzaak in hoger beroep is aangevangen, (te weten: 17 december 2007) bijna zes jaren bedraagt, mede gelet op de ingewikkeldheid van de zaak, de houding van de justitiabelen en de houding van de verdachte, sprake is van een dusdanig forse overschrijding van de redelijke termijn voor behandeling van de strafzaak in hoger beroep, dat een niet-ontvankelijkheid van de vervolgingsambtenaar dient te worden uitgesproken, dan wel subsidiair een forse strafvermindering dient te worden toegepast.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt:
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Naar het oordeel van het hof is het recht op een openbare behandeling in hoger beroep binnen een redelijke termijn hier geschonden. De inzendtermijn als bedoeld in artikel 373, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering vangt aan op het moment dat de verdachte appel heeft aangetekend tegen het vonnis van de kantonrechter, te weten op 27 maart 2002.
Blijkens de zich in het dossier bevindende stukken zijn de stukken van het geding op 15 augustus 2006 aangeboden ter griffie van het hof en is de behandeling van de zaak pas aangevangen op 17 december 2007. Het hof stelt vast dat nu deze termijn meer dan vier jaren heeft geduurd, als rechtstreeks gevolg daarvan het recht van verdachte op een openbare behandeling in hoger beroep binnen een redelijke termijn is overschreden. Met de raadsman acht het hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig die deze overschrijding kunnen rechtvaardigen.
Bij afweging van de betrokken belangen, te weten het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding van de redelijke termijn behoudt bij normhandhaving door berechting enerzijds en anderzijds het belang van de verdachte bij het verval van het recht tot strafvervolging, nadat die termijn is overschreden, zou een nietontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie naar het oordeel van het hof evenwel geen passende reactie vormen.
Het hof vindt in de voormelde termijnoverschrijding echter wel aanleiding een lagere straf op te leggen dan het hof zonder deze overschrijding zou hebben opgelegd.
Het verweer van de zijde van de verdediging wordt derhalve gehonoreerd, in dier voege dat bij de op te leggen straf rekening zal worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn als hiervoor vermeld.
Nu naar het oordeel van het hof niet is gebleken, dat sprake is geweest van een ernstige schending van beginselen van een goede procesorde, waarbij doelbewust dan wel met grove veronachtzaming van verdachtes belangen is tekort gedaan aan diens recht op een behoorlijke behandeling van de zaak, dient het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie op de hiervoor besproken gronden te worden verworpen.
Aangezien voor het overige door de verdediging geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn gemaakt, die zouden moeten leiden tot een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie naar het oordeel van het hof ontvankelijk in de vervolging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder A. van de inleidende dagvaarding ten laste is gelegd, zoals aangegeven in bijlage I, met dien verstande, dat hij:
op 16 maart 2001 in het district [District], tezamen en in vereniging (in nauwe en bewuste samenwerking) met [Naam 1] en [Naam 2], en [Naam 3] en [Naam 4], en een of meer tot nog toe onbekend gebleven personen opzettelijk vanuit Columbia in Suriname heeft ingevoerd 1139,5 kilogram cocaïne als bedoeld in artikel 3 lid 1 onder punt a van de Wet verdovende middelen, hebbende hij, verdachte toen aldaar tezamen en in vereniging opzettelijk voormelde cocaïne per vliegtuig, waarin voormelde cocaïne aanwezig was vanuit Columbia in Suriname ingevoerd door nadat voormelde vliegtuig op een daartoe geschikt gemaakte weg in voormeld district was geland, voormelde cocaïne uit voormelde vliegtuig te halen en in de laadbak van een autotruck te laden en vervolgens voormelde cocaïne te vervoeren naar een bergplaats elders in voormeld district, hebbende hij, verdachte, aldus tezamen en in vereniging de cocaïne opzettelijk ingevoerd.
Door het hof qebruikte bewiismiddelen
De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.
De strafbaarheid van de feiten
Het onder A bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid sub a. en onder A en strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Wet verdovende middelen (SB 1998, no. 14) in samenhang bezien met artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.
De strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
De op te leggen straf of maatregel
De Kantonrechter in het Derde Kanton heeft de verdachte – verkort weergegeven ter zake van het onder A. (medeplegen van overtreding van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, sub a en onder A van de wet verdovende middelen) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien (10) jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht, met oplegging daarnaast van een geldboete van Sfl. 5.000.000,- (subsidiair 3 maanden hechtenis), met verbeurdverklaring van de in beslag goederen, te weten een truck van het merk DAF met kenteken [nummer] en met bevel tot gevangenhouding.
De vervolgingsambtenaar heeft zich achter de door de kantonrechter opgelegde straf geschaard.
De verdediging heeft, onder verwijzing naar de toepassing van geweld jegens de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn een lagere straf bepleit dan door de Kantonrechter in het Derde Kanton is opgelegd.
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is in het bijzonder rekening gehouden met:
– de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
– de omstandigheid dat het bij het bewezen verklaarde feit gaat om grote hoeveelheden verdovende middelen;
– de omstandigheid dat hard drugs als de onderhavige, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren, waarbij de grootschalige invoer en doorvoer van dergelijk grote hoeveelheden verdovende middelen tevens de Republiek Suriname internationaal gezien schade berokkent als doorvoerland.
Het hof overweegt hierbij in het bijzonder het navolgende:
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk tezamen en in vereniging invoeren van een relatief grote hoeveelheid cocaïne in Suriname. Hij heeft de verdovende middelen, nadat deze het land waren binnengekomen, verder vervoerd in zijn truck.
Om te voorkomen dat de verdachte in de toekomst weer voor dezelfde verleidingen zal bezwijken is een straf die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat naar het oordeel van het hof op zijn plaats.
Onder verwijzing naar hetgeen het hof met betrekking tot het verweer van de zijde van de verdediging ter zake de overschrijding van de redelijke termijn reeds heeft overwogen merkt het hof nog op dat nu de redelijke termijn voor behandeling en berechting in hoger beroep in deze strafzaak is overschreden, deze omstandigheid ten voordele van de verdachte in de strafmaat zal moeten worden verdisconteerd.
Voorts zal het hof in strafmitigerende zin acht slaan op de omstandigheid dat jegens verdachte bij de aanhouding excessief geweld is toegepast.
Hoewel voor het bewezen verklaarde naar het oordeel van het hof in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de door de kantonrechter opgelegde gevangenisstraffen voor de totale duur van tien jaren passend zou zijn geweest, zal het hof, gelet op de vorenbedoelde overschrijding van de redelijke termijn en de toepassing van geweld, in het onderhavige geval, overgaan tot oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur. Voorts zal het hof, mede gelet op de financiële draagkracht van de verdachte, zoals ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, niet overgaan tot oplegging daarnaast van een geldboete.
Het hof komt op grond van de hiervoor weergegeven overwegingen aldus tot een strafoplegging die afwijkt van hetgeen, wat door de vervolgingsambtenaar is gevorderd. Het hof acht de gemaakte keuzes met betrekking tot strafsoort en strafmaat het meest passend bij de persoon van de verdachte en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is gepleegd.
Alles overziende acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van in totaal zes jaren passend en geboden.
Beslag
Het na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp (te weten het voertuig van het merk DAF met kenteken [nummer]), is vatbaar voor verbeurdverklaring.
De toepasseliike wettelijke bepalingen
Gezien de voormelde wetsartikelen, alsmede de artikelen 9, 11, 38, 40, 44 en 50a van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van de bewezen verklaarde feiten.
Beslissing:
Het Hof van Justitie:
Rechtdoende in hoger beroep:
Verklaart het openbaar ministerie niet ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep.
Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton op 19 maart 2002 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep;
en opnieuw rechtdoende:
Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen, dat verdachte het bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton onder A ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte in het Derde Kanton onder A meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:
A: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, eerste lid, sub a. en onder A van de Wet Verdovende Middelen gegeven verbod.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld.
Verklaart verdachte deswege strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (ZES) jaren;
Bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak, te weten vanaf 16 maart 2001 tot en met 20 februari 2007 voorlopig in verzekerde bewaring doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen voorwerpen, te weten:
1 x truck van het merk DAF met
Aldus gewezen door:
mr. J.R. Von Niesewand, Vice-President, mr. A.A. Hermelijn en mr. A. Charan, leden-plaatsvervanger, bijgestaan door mr. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh als fungerend-griffier, en uitgesproken te Paramaribo op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van 31 december 2008.
mr. J.R. Von Niesewand en mr. A.A. Hermelijn zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
w.g. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh w.g. A. Charan
Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld