SRU-HvJ-2008-7

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer G.R. no. 14350
  • Uitspraakdatum 04 april 2008
  • Publicatiedatum 10 april 2026
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Het is niet gebleken dat appellant andermaal, en wel na ontvangst van de bedoelde dienstbrief heeft geappelleerd. Het Hof gaat ervan uit dat appellant niet conform de bij de wet voorgeschreven wijze gebruik heeft gemaakt van het middel van hoger beroep. Appellant heeft daar te vroeg gebruik van gemaakt. Appellant is dus niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL: 14350

 

[Appellant], wonende aan de [straatnaam] in het [district], ten deze domicilie kiezende aan de Prins Hendrikstraat no.43, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. F. M. S. Ishaak, advocaat,

appellant,

t e g e n

[Geïntimeerde], wonende aan [adres], ten deze domicilie kiezende aan de Kromme Elleboogstraat no. 3 ten kantore van het advocatenkantoor “METRIKO”, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. I. D. Kanhai, advocaat,

geïntimeerde,

De President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende  vonnis  uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 19 oktober 2004 tussen partijen gegeven;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 12 november 2004, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

 TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

2 (lees: 1) dat eiser de hierna volgende vordering wenst in te stellen tegen a. [Gedaagde sub A] wonende aan de [straatnaam] in het [district] hierna te noemen gedaagde sub a

b. [Appellant], wonende aan de [straatnaam] in het [district] hierna te noemen gedaagde sub b

3 (lees: 2). dat de gedaagde sub a en gedaagde sub b met elkaar hebben een arbeidsrelatie. De gedaagde sub a is in dienst van de gedaagde sub b in de funktie  van hyster (heftruck) operator;

4 (lees: 3). dat de gedaagde sub a doende is geweest op 2 september 1999 een heftruck met draaiende motor te repareren, waarna de heftruck op hol is geslagen. De gedaagde sub a heeft gepoogd om de heftruck tot staan te brengen doch kwam hij tegen een aantal buizen aan waardoor de bromfiets  van eiser compleet werd beschadigd;

5 (lees: 4). dat door de gedaagde sub b een claim is ingediend doch de verzekeringsmaatschappij niet bereid is de schade uit te betalen één en ander vanwege het feit dat de gedaagde sub a niet in het bezit is van een rijbewijs. Een kopie uittreksel van de politie wordt hierbij ingesloten met het verzoek de inhoud daarvan als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen aanmerken;

6 (lees: 5). dat de eiser door de handelwijze  van de gedaagde sub a erg veel schade  heeft geleden. De gedaagde sub a heeft naar het de eiser voorkomt niet de nodige zorgvuldigheid in acht genomen bij het repareren van de heftruck, terwijl daarenboven de remmen van de heftruck niet in orde waren, althans niet goed functioneerden, hetgeen de gedaagde sub a wist en of behoorde te weten;

7. dat de gedaagde sub b in zijn hoedanigheid als werkgever mede aansprakelijk is, althans is hij verantwoordelijk voor het verschaffen van ondeugdelijke machines;

8. dat de schade die eiser lijdt en nog zal lijden in totaal is begroot alsvolgt:

aanschaf nieuwe bromfiets Sf. 3.500.000

kosten vervanging vervoer ten behoeve van eiser Sf. 3.500.000

totaal Sf. 7.000.000

9. dat de gedaagden bij schrijven van de procesgemachtigde d.d. 23 mei 2001 zijn aangeschreven en gesommeerd de door eiser geleden schade te  voldoen. De gedaagden hebben zonder opgaaf van redenen zulks nagelaten en  blijven zij persisteren in hun wanpresterende houding.

10. dat de gedaagden door te handelen als hierboven de betamelijke  zorgvuldigheid jegens andermans goed en of recht hebben veronachtzaamd, althans inbreuk hebben gepleegd op het recht van eiser waardoor eiser schade lijdt zoals hierboven aangegeven.

11. dat het de eiser niet is gelukt het geschil hiergenoemd naar  tevredenheid in der minne af te doen;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis uitvoerbaar zal worden verklaard bij voorraad op de minuut en  op alle dagen en uren, gedaagden des de een betalende de andere zal zijn  bevrijd zal worden veroordeeld alsvolgt:

  1. gedaagden des de een betalende de andere zal zijn bevrijd om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te voldoen de somma van 

SF 7.000.000 (zeven miljoen Surinaamse guldens)

  1. gedaagden zal worden veroordeeld  in de kosten van het geding.

Overwegende, dat [gedaagde sub A] en [appellant] partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiser  niet in zijn vordering wordt ontvangen althans, dat deze hem wordt ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen: Kosten rechtens;

Overwegende, dat partijen vervolgens  bij conclusies van repliek en dupliek hun stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 19 oktober 2004 op de daarin opgenomen gronden:

Gedaagden heeft veroordeeld des de één betalende  de andere zal zijn bevrijd om tegen behoorlijke bewijs van kwijting aan eiser te betalen de som van Sf.3.500.000,– (Srd.3.500,–), althans de tegenwaarde daarvan in Srd, vermeerderd met de wettelijke rente daarover ad 6% s’ jaars vanaf 30 juli 2001 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard.

De proceskosten tussen partijen heeft gecompenseerd in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Het meer of anders gevorderde heeft afgewezen.

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal d.d. 12 november 2004 [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 19 oktober 2004;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Tjanderdewkoemar Jhagroe van 7 mei 2007 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt,  dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van appellant bij pleitnota produkties overgelegd, wordende de inhoud – alsmede die van de overgelegde – produkties hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden. 

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar blijkt uit het procesdossier, tussen  appellant als gedaagde sub B en geïntimeerde als eiser  op 19 oktober 2004 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton vonnis gewezen en uitgesproken is in de zaak, bekend in het Algemeen Register onder nummer  01/2920 waarvan het dictum luidt:

3.1. Veroordeelt gedaagden  des de een betalende de andere zal  zijn bevrijd om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen de som van Sf.3500.000,–,althans de tegenwaarde daarvan in SRD.3.500,–, zijnde vermeerderd met de wettelijke rente daarover ad 6% ’s jaars vanaf 30 juli 2001 tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

3.3. Compenseert de proceskosten tussen partijen in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.4. Wijst het meer of anders gevorderde af.

Overwegende, dat, naar wijders uit het procesdossier blijkt, gedaagde sub B bij schrijven van zijn procesgemachtigde de dato 12 november 2004, appel heeft aangetekend tegen het vonnis, gewezen en uitgesproken op 19 oktober 2004;

Overwegende, dat appellant als gedaagde sub B in eerste aanleg noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting was verschenen;

Overwegende, dat de wetgever in artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft voorgeschreven, dat de Griffier aan een  partij, die bij de uitspraak  van een eindvonnis niet in persoon of bij gemachtigde tegenwoordig is, de inhoud van dat vonnis bij aangetekende  dienstbrief moet mededelen;

dat de bedoeling van deze  wetsbepaling geen andere kan zijn dan dat ook de bij de uitspraak afwezige partijen van de inhoud van het eindvonnis op de hoogte zullen zijn, opdat zij zich over eventueel daartegen aan te wenden rechtsmiddelen kunnen beraden;

Overwegende, dat nu zijdens appellant het tegendeel niet gesteld is en hij dat ook  niet heeft doen blijken, het Hof ervan uitgaat en tussen partijen als rechtens vaststaand aanneemt, dat de dienstbrief, zich in het procesdossier bevindend en van 15 november 2005 daterend, hem – appellant – alstoen wel heeft bereikt;

Overwegende, dat nu appellant, naar eerder overwogen, op 12 november 2004 tegen eerder aangehaald eindvonnis heeft geappelleerd, en het het Hof niet gebleken is, dat appellant andermaal, en wel na ontvangst van bedoelde dienstbrief heeft geappelleerd, gaat het Hof ervan uit dat hij – appellant – niet conform de bij de wet voorgeschreven wijze gebruik gemaakt heeft van het middel van hoger beroep hebbende hij – appellant -, daar te vroeg van gebruik gemaakt;

Overwegende, dat appellant in zijn tegen het vonnis de dato 12 november 2004 aangetekend hoger beroep, dan ook niet ontvankelijk is;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

 

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Verstaat, dat appellant niet op de bij de wet voorgeschreven wijze hoger beroep heeft aangetekend tegen het vonnis de dato 19 oktober 2004;

Verklaart appellant niet ontvankelijk in het door hem ingesteld hoger beroep;

Veroordeelt appellant in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en begroot op SRD……..

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD………..

Bepalende het Hof het salaris van de appellant eveneens op SRD……..

 

Aldus gegeven door de heren: mr. J. R. Von Niesewand, President, mr. A. A. Hermelijn en mr. A. Charan, Leden-Plaatsvervanger en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 4 april 2008, in tegenwoordigheid van mr. R. R. Brijobhokun, Fungerend-Griffier.

 

w.g. R.R. Brijobhokun        w.g. J.R. von Niesewand

 

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. R. van Excel namens zijn gemachtigde, advocaat mr. F. M. S. Ishaak en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. A. Kanhai namens zijn gemachtigde, advocaat mr. I. D. Kanhai, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

Voor Afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie

namens deze,

mr. R.R. Brijobhokun, Wnd.Subst.-Griffier