SRU-HvJ-2013-1

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer 15/2013
  • Uitspraakdatum 11 juni 2013
  • Publicatiedatum 04 april 2019
  • Rechtsgebied Strafrecht
  • Inhoudsindicatie

    Indien de dagvaarding van een minderjarige verdachte van een strafbaar feit ex artikel 428 Sv, niet is betekend aan de ouders van de minderjarige, leidt dit niet tot nietigheid van de dagvaarding. De dagvaarding van de ouders moet gezien worden als een uitnodiging naar hen toe teneinde de zitting, die in beginsel achter gesloten deuren plaatsvindt, te mogen bijwonen en eventueel om benodigde inlichtingen te verschaffen aan de rechter c.q. het woord ter verdediging te voeren. De verdachte, die van begin af door een advocaat is bijgestaan, is door deze omissie van het Openbaar Ministerie, NIET in zijn belangen geschaad.
    SJB

Uitspraak

VONNIS

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK

Vonnisnummer: 15/2013

Parketnummer: 01-01- 8614

Uitspraak: 11 juni 2013

TEGENSPRAAK

APPELSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder de processen-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 30 juni 2011, 11 oktober 2011, 14 december 2011, 28 februari 2012, 09 mei 2012, 18 juli 2012, 28 november 2012 en 18 februari 2013, alsmede de producties welke zijdens de verdediging en de vervolging zijn overgelegd en toegelicht en het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen op 31 augustus 2007 en uitgesproken tegen de verdachte:

[verdachte], geboren op [geboortedag] in het [district], arbeider van beroep, wonende aan de [adres] in het [district], thans sedert 31 augustus 2010 in vrijheid gesteld, verdachte,

is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman Mr. I.D. Kanhai, advocaat bij het Hof van Justitie.

Ontvankelijkheid appel

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het Hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de verdachte op 03 september 2007 op de voorgeschreven wijze appel heeft aangetekend tegen het voormeld vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton.

Tevens is gebleken dat de vervolgingsambtenaar op 05 september 2007 eveneens appel heeft aangetekend tegen het voormeld vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton.

Gelet op het vorenstaande hebben partijen tijdig appel aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij daarin ontvankelijk zijn.

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 31 augustus 2007 is de verdachte – verkort weergegeven – terzake van het onder D ten laste gelegde (diefstal vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met de bepaling dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak van 28 oktober 2006 af, voorlopig in verzekerde bewaring doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht met bevel tot gevangenhouding van de verdachte en de bepaling dat de veroordeelde zich tijdens de detentie zal laten begeleiden door een psycholoog en een psychiater.

De tenlastelegging

Aan dit vonnis is als bijlage I gehecht een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de inleidende dagvaarding in het Tweede Kanton, van waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De geldigheid van de dagvaarding in eerste aanleg

Van de zijde van de verdediging is in hoger beroep primair aangevoerd dat de dagvaarding in eerste aanleg nietig behoort te worden verklaard en subsidiair de vervolgingsambtenaar niet-ontvankelijk dient te worden verklaard op hierna te melden gronden:

– de verdachte is op basis van een nietige dagvaarding veroordeeld en de onderhavige dagvaarding en de verschijning van de verdachte ter terechtzitting dekt de nietigheid van de dagvaarding in eerste aanleg niet; de verdachte is minderjarig;

– in het geding zijn de artikelen 428, 429 en 496 van het WvSv; de dagvaarding in eerste aanleg is wel uitgereikt doch aan de verdachte zelf en niet mede aan zijn ouders of zijn advocaat;

– gelet dient te worden op het psychologisch rapport dat onder meer aangeeft dat verdachte op het niveau van een imbeciel functioneert;

– de Kantonrechter heeft een cruciale fout gemaakt en is het van belang hoe hiermede om te gaan;

– ingevolge het Kinderrechten Verdrag is er een bepaalde mogelijkheid gecreëerd, namelijk wordt daarin een bepaalde procedure aangegeven; ingevolge artikel 428 WvSv dient bij het dagvaarden van een jeugdige verdachte de ouders van die verdachte mede te worden opgeroepen, zulks op straffe van nietigheid;

– de ouders van deze jeugdige verdachte zijn in casu niet opgeroepen voor de behandeling van de zaak in eerste aanleg;

– de Kantonrechter droeg voor de beraadslaging reeds kennis van dit rapport;

Dat op grond hiervan het hof wordt verzocht de dagvaarding nietig te verklaren casu quo de vervolgingsambtenaar niet-ontvankelijk te verklaren; Dat naast de dwingende bepalingen en de daaraan gekoppelde consequenties die reeds in beide verweren eerder zijn aangegeven ook wordt verwezen naar de literatuur te weten C.P.M. Cleiren vijfde druk pag. 1125, waarin het navolgende is aangegeven te weten ”als niet kan worden vastgesteld dat de niet aanwezige ouders zijn opgeroepen, is ook lid 1 geschonden. Voor de inwerking treding op 2 november 1996 van de wet van 14 September 1995 (Stb 441) kon de rechter in dat geval weinig anders doen dan de nietigheid van de dagvaarding uitspreken. Ook nu behoort dat tot de mogelijkheden”.

Voorts verwijst de verdediging nadrukkelijk naar de artikelen 1 en 3 lid 1 van het Kinderrechten Verdrag.

Van de zijde van de vervolging is hierop – zakelijk weergegeven – als volgt gereageerd:

– de verdachte is conform artikel 58 WvSr berecht en het Openbaar Ministerie heeft ervoor gekozen om een gevangenisstraf te eisen in plaats van een maatregel;

– verzuim van de betekening ex artikel 428 WvSv leidt niet tot nietigheid en heeft de verdachte vanaf zijn inverzekeringstelling rechtsbijstand van zijn raadsman genoten;

– de psychiater heeft vastgesteld dat de ten laste gelegde feiten de verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend en gelet op vermelde conclusie van de psychiater is de vervolging de mening toegedaan dat niet is gebleken dat bij de verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing der geestvermogens bestond en dat hij, verdachte ten gevolge daarvan niet in staat is geweest om zijn belangen behoorlijk te behartigen.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Anders dan de raadsman is het Hof van oordeel dat indien er niet is voldaan aan de betekening, ex artikel 428 WvSv dat niet leidt tot nietigheid van de dagvaarding. Immers is voormelde consequentie niet in de wet opgenomen. De ratio van voormelde bepaling is gelegen in de omstandigheid dat de ouders zouden zien dat hun kind niet zomaar ’aan de wrekende hand der justitie’ was overgeleverd, maar dat het allereerst ging om diens zedelijke verbetering. Het kind zou ondervinden dat het ondanks het begaan van een strafbaar feit niet de steun van zijn ouders hoefde te missen. In dit kader moet de dagvaarding van de ouders worden gezien als een uitnodiging naar hen toe teneinde de zitting, die in beginsel achter gesloten deuren plaatsvindt, te mogen bijwonen en eventueel om benodigde inlichtingen te verschaffen aan de rechter casu quo het woord ter verdediging te voeren. Niet is gebleken dat verdachte – die van het begin af aan door een advocaat werd bijgestaan – door deze omissie van het Openbaar Ministerie in zijn belangen is geschaad en is het oordeel van de kantonrechter dienaangaande niet onbegrijpelijk en evenmin in strijd met het recht. Dat het gestelde als zou de verdachte op het niveau van een imbeciel danwel op een debiel niveau functioneren zulks vooralsnog naar aanleiding van de conclusie van de psychiater dat de aan hem, verdachte, ten laste gelegde feiten hem in verminderde mate kunnen worden toegerekend, bij de inhoudelijke behandeling van de zaak aan de orde zal komen. Naar het oordeel van het hof haalt het door de verdediging gedaan beroep op het bepaalde in het verdrag inzake de Rechten van het Kind, aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 20 november 1989, het evenmin. Immers is de verdachte ingevolge het bepaalde in artikel 58 WvSr berecht en is naar het oordeel van het hof niet gebleken dat er daarbij in strijd zou zijn gehandeld met het bepaalde in artikel 40 van voormeld verdrag casu quo de daarin vervatte minimumgaranties zouden zijn veronachtzaamd. Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen, in onderling verband en samenhang gezien en gelezen, is het Hof van oordeel dat als na te melden dient te worden beslist.

BESLISSING

Verwerpt de preliminaire verweren zoals die door de raadsman naar voren zijn gebracht.

Beveelt dat het onderzoek van de zaak in hoger beroep zal worden voortgezet op dinsdag 09 juli 2013 des namiddags te 13.00 uur.

Houdt iedere verdere uitspraak aan.

Aldus qewezen door;

mr. A.Charan, Fungerend-President, mr. M.C. Mettendaf en mr . D.G.W. Karamat Ali, Leden-Plaatsvervanger en bijgestaan door mr. I. Madarsa, Fungerend-Griffier en uitgesproken te Paramaribo op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van dinsdag 11 juni 2013.

w.g. I. Madarsa w.g. A. Charan

w.g. M.C. Mettendaf w.g. D.G.W. Karamat Ali