- Instantie Hof van Justitie
- Zaaknummer GR 14430
- Uitspraakdatum 21 november 2014
- Publicatiedatum 12 juli 2023
- Rechtsgebied Civiel recht
-
Inhoudsindicatie
Het Hof heeft overwogen dat met name artikelen 4 en 6 van de veilingsvoorwaarden voor verschillende interpretaties vatbaar zijn, zodat niet enkel kan worden gekeken naar een taalkundige uitleg. Voor de beantwoording van de hamvraag of de Stichting het perceel aan geïntimeerde heeft toegewezen en wanneer het zou zijn toegewezen, moet worden gekeken naar hetgeen partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars gedragingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Gelet op de onderlinge samenhang van de feiten en omstandigheden komt de kantonrechter tot de slotsom dat appellant sub B en de Stichting bij geïntimeerde het gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt dat het
perceel gelijk na de veiling aan hem zou zijn toegewezen en dat geïntimeerde erop mocht vertrouwen dat zulks het geval is geweest.
Uitspraak
G.R.No.14430
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van
STICHTING JETJONA,
gevestigd te Paramaribo,
gemachtigde: mr. J. Kraag advocaat,
appellant, hierna aangeduid als “de Stichting”,
[Appellant sub B],
wonende te [plaats],
appellant, hierna aangeduid als ”[appellant sub B]”,
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat,
tegen
[Geïntimeerde],
wonende te [plaats],
geïntimeerde, hierna aangeduid als ”[geïntimeerde]”,
gemachtigde: mr. J.C.P. Nannan Panday, advocaat,
inzake het hoger beroep van de door de Kantonrechter in het Eerst€Kanton uitgesproken vonnis van 2 april 2007 (A.R.No. 963169) tussen appellanten als gedaagden en
geïntimeerde als eiser, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.
Dit vonnis bouwt voort op het op 17 december 2010 tussen partijen in hoger beroep gewezen tussenvonnis.
Het verdere procesverloop
Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
– de conclusie tot uitlating en overlegging productie aan de zijde van [appellant sub B] d.d. 18 februari 2011;
– de conclusie tot uitlating omtrent door [appellant sub B] overgelegde productie tevens conclusie tot overlegging van productie d.d. 01 april 2011;
– de conclusie tot uitlating productie aan de zijde van [appellant sub B] d.d. 03 juni 2011.
Het vonnis in onderhavige zaak is nader bepaald op heden.
De verdere beoordeling
1.1 Ter uitvoering van het op 17 december 2010 tussen partijen in hoger beroep gewezen tussenvonnis, heeft mr. S. Mangroelal een conclusie genomen voor het verschaffen van duidelijkheid terzake hetgeen onder 2.7 in dat vonnis is overwogen, namelijk dat hij namens zowel de Stichting als [appellant sub B] hoger beroep heeft ingesteld, doch dat de door hem genomen conclusies slechts op naam van [appellant sub B] zijn gesteld en hij aldus alleen als gemachtigde van [appellant sub B] heeft opgetreden.
In zijn conclusie terzake heeft mr. Mangroelal kenbaar gemaakt dat hij zich reeds op de eerste dag van behandeling, dan wel bij de dagbepaling van het pleidooi heeft onttrokken als procesgemachtigde van de Stichting en mr. J. Kraag zich op die datum als advocaat van de Stichting heeft gesteld. Voorts dat mr. J. Kraag op 04 december 2009 ”recht op stukken” heeft gevraagd.
Voor het Hof is nu duidelijk dat mr. S. Mangroelal slechts de procesgemachtigde van [appellant sub B] is, mr. J. Kraag de procesgemachtigde van de Stichting, en laatstgenoemde recht op stukken had gevraagd, zodat thans kan worden overgegaan tot de inhoudelijke beoordeling van de onderhavige zaak.
1.2 Mr. Mangroelal heeft in zijn conclusie het Hof verzocht om in het op 17 december 2010 tussen partijen in hoger beroep gewezen tussenvonnis instede van “30 september 2003” te lezen, “30 september 1993”. Dit omdat ”30 september 2003” niet de correcte datum van de veilingvoorwaarden is, doch 30 september 1993. Daar dit een schrijffout van het Hof ís, zal het Hof de datum zoals vermeld onder de overwegingen 2.11 en 2.12 in het tussenvonnis verbeterd inlezen. Met name wordt onder de overwegingen 2.11 en 2.12 instede van ”30 september 2003” gelezen: ”30 september 1993”.
- Het Hof constateert dat onder de overweging 1.7 in het op 17 december 2010 tussen partijen in hoger beroep gewezen tussenvonnis er nog een andere schrijffout is gemaakt, welke schrijffout thans gecorrigeerd zal worden. Het betreft namelijk de datum van de akte van oprichting van de Stichting Kenmar waar abusievelijk 11 oktober 2003 staat vermeld, instede van 11 oktober 1993. Derhalve zal het Hof in overweging 1.7 de datum van de oprichting van de Stichting Kenmar verbeterd inlezen. Dus instede van ”11 oktober 2003” zal worden gelezen ”11 oktober 1993”.
- Zoals reeds onder 2.8 in het op 17 december 2010 tussen partijen in hoger beroep gewezen tussenvonnis is overwogen, heeft [appellant sub B] zes grieven aangevoerd tegen het gewraakte tussenvonnis van 06 juli 1999. De zes grieven zijn weergeven onder 2.9.1 tot en met 2.9.6 in het tussenvonnis en hebben de strekking om het geschilpunt, zijnde de beantwoording van de vraag of het perceel op de dag van de veiling al dan niet aan [geïntimeerde] zou zijn toegewezen, aan een nieuwe beoordeling van het Hof te onderwerpen. Daar [appellant sub B] met de zes grieven alle overwegingen in de tussenvonnissen en het eindvonnis – waarvan hoger beroep – beoogt te bestrijden, zal het Hof deze zes grieven, voor zover relevant, hieronder gezamenlijk bespreken.
3.1 Volgens het betoog van [appellant sub B] in zijn eerste grief heeft de Kantonrechter ten onrechte in het tussenvonnis en eindvonnis overwogen dat de toepasselijke veilingcondities bepalen dat over de toewijzing van het perceelland op de dag van de openbare verkoop zelf dient te worden beslist. Terzake beroept [appellant sub B] zich op de artikelen 4 en 6 van de veilingcondities, uit welke artikelen volgens zijn betoog geenszins blijkt dat van een dergelijke verplichting sprake is.
3.2 [Geïntimeerde] blijft in reactie op deze grief ín zijn stellingen volharden dat hij op de dag van de veiling de hoogste bieder was en de toewijzing onmiddellijk na de executie aan de hoogste bieder zou dienen te geschieden. Dat de toewijzing onmiddellijk na de veiling zou dienen plaats te vinden en is geschied blijkt, aldus het standpunt van [geïntimeerde], uit de inhoud van de veilingvoorwaarden zelf en de handelingen van [appellant sub B] kort na de veiling. Met name zou de Stichting volgens vast gebruik [geïntimeerde] als hoogste bieder op de veiling hebben meegenomen naar de werkkamer van de notaris, zijnde [appellant sub B], alwaar [geïntimeerde] zijn identiteitsgegevens werden opgenomen en tevens een berekening werd verstrekt tot het te betalen bedrag.
3.3 Naar het oordeel van het Hof is niet in het geding of de toewijzing van het perceel onmiddellijk na de veiling zou dienen te geschieden, doch zoals reeds onder 3 in dit vonnis is overwogen de beantwoording van de vraag of de Stichting het perceel aan [geïntimeerde] heeft toegewezen en wanneer het zou zijn toegewezen.
In artikel 4 van de veilingsvoorwaarden , zijnde het artikel waarop [appellant sub B] zich beroept, is onder meer het volgende neergelegd: ”Voormeld onroerend goed wordt verkocht zodanig en in de staat, waarin het zich op het ogenblik der toewijzing bevindt met alle rechten van lasten, heersende en lijdende erfdienstbaarheden, die daaraan verbonden zijn, zonder dat de verkopers tot enige vrijwaring gehouden zijn, wordende de koper geacht ten eigen bate en schade te hebben gekocht.”, en artikel 6: ”De koper aanvaardt het gekochte dadelijk bij de toewijzing en moet op eigen kosten zich feitelijk in het bezit stellen van het gekochte. Het gekochte is vanaf het ogenblik der toewijzing voor rekening en risico van de koper, zonder enige aansprakelijkheid hoe ook genaamd, aan de zijde van de requirantenverkopers.”
Uit de inhoud van de hiervoor vermelde artikelen valt niet af te leiden wanneer de toewijzing dient plaats te vinden en zijn deze artikelen voor verschillende interpretaties vatbaar. Om die reden kan naar het oordeel van het Hof de vraag wanneer het perceel aan [geïntimeerde] is toegewezen niet worden beantwoord op grond van uitsluitend een zuiver taalkundige uitleg van de artikelen in de veilingvoorwaarden, doch op hetgeen partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars gedragingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
3.4 Zoals het Hof uit deze stelling van [geïntimeerde] begrijpt, heeft [appellant sub B] bij hem het vertrouwen gewekt dat het perceelland gelijk na afloop van de veiling aan hem zou
zijn toegewezen en staat naar het oordeel van het Hof het volgende vast:
– de Stichting heeft [geïntimeerde] als hoogste bieder op de veiling meegenomen naar de werkkamer van de notaris, zijnde [appellant sub B], alwaar [geïntimeerde] zijn identiteitsgegevens werden opgenomen;
– [Appellant sub B] heeft na afloop van de veiling op 30 september 1993 aan [geïntimeerde] een rekeningafschrift verstrekt met aan het hoofd vermeld ”AFREKENING VEILING
[NAAM]” en met een optelling van de bedragen van de koopsom, notariskosten, plokpenning overdrachtskosten en kale grondwaarde, in totaal belopende een bedrag van f 1.723.751,–;
– op 01 oktober 1993 heeft Calor uit handen van de procesgemachtigde van [geïntimeerde] f 100.000,- ontvangen, en heeft [appellant sub B] terzake een kwitantie aan [geïntimeerde] verstrekt met de vermelding ”voorschot veiling [naam] d.d. 30/9/93”;
– [Geïntimeerde] heeft het bedrag ad f 1.623.751,- op de bankrekening van [appellant sub B] gestort;
– [Geïntimeerde] heeft vervolgens per brief d.d. 12 oktober 1993 [appellant sub B] en [naam 2] (wijlen) verzocht om over te gaan tot het opmaken van het proces-verbaal van
openbare veiling en toewijzing en om het proces-verbaal te doen viseren ten hypotheekkantore.
Geenszins is gebleken dat [appellant sub B] of de Stichting aan [geïntimeerde] de uitdrukkelijke mededeling hebben gedaan dat het perceel niet aan hem zou zijn toegewezen, en heeft de Stichting die mededeling pas bij schrijven van 13 oktober 1993 aan [geïntimeerde] gedaan, dan wel nadat [geïntimeerde] de hiervoor vermelde brief d.d. 12 oktober 1993 aan [appellant sub B] en [naam 2](wijlen) heeft gericht.
3.5 De hiervoor onder 3.4 omschreven feiten en omstandigheden in onderling samenhang beschouwd en bekeken, brengen het Hof tot het oordeel dat [appellant sub B] en de Stichting bij [geïntimeerde] het gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt dat het perceel gelijk na de veiling aan hem zou zijn toegewezen en dat [geïntimeerde] erop mocht vertrouwen dat zulks het geval is geweest. Daarom volgt het Hof de Kantonrechter, met aanvulling van hetgeen hiervoor is overwogen, in zijn oordeel dat de vordering van [geïntimeerde] moet worden toegewezen. Hieruit vloeit voort dat de grieven van [appellant sub B] worden verworpen en zullen de bestreden tussenvonnissen en het eindvonnis worden bekrachtigd, met aanvulling van de gronden, en onder verwijzing van de Stichting en [appellant sub B] van de in hoger beroep gevallen proceskosten.
De beslissing in hoger beroep
Het hof:
Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in deze zaak gewezen en uitgesproken d.d. 2 april 2007 (A.R.No. 963160) waarvan beroep, onder aanvulling van de gronden.
Veroordeelt de Stichting en [appellant sub B] in de proceskosten van het geding aan de zijde van
[geïntimeerde] in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Nihil;
Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. S.M.M. Chu, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag 21 november 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g . D.D. Sewratan
Partijen, appellant sub A vertegenwoordigd door advocaat mr. R.M.E. Wittenberg namens zijn gemachtigde, advocaat mr. J. Kraag en appellant sub B vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens zijn gemachtigde, advocaat mr. S. Mangroelal en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. T. Jhakry namens zijn gemachtigde, advocaat mr. J.C.P. Nannan Panday, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.
Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
M.E. van Genderen-Relyveld