SRU-HvJ-2015-17

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer Gr-14807
  • Uitspraakdatum 17 april 2015
  • Publicatiedatum 07 april 2021
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Hoger beroep. Geïntimeerde heeft gevorderd dat appellante zal worden veroordeeld om aan haar een geldbedrag te betalen. Het Hof veroordeeld appellante om aan geïntimeerde te betalen.

Uitspraak

 HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME 

In de zaak van 

[appellante], 
wonende te [district], 
appellante,  
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat, 

tegen 

[geïntimeerde], 
wonende in [land], 
geïntimeerde, 
gemachtigde: mr. J.F. Echteld, advocaat, 
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 17 mei 2011 (A.R.NO. 074847) tussen appellante als gedaagde en geïntimeerde als eiseres, 
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit. 

Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als respectievelijk [appellante]  en [geïntimeerde]. 

1.Het procesverloop 
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen: 

  • Het schrijven van de advocaat van appellante gedateerd 25 oktober 2011 – ingekomen ter griffie van het hof op 28 oktober 2011– waaruit blijkt dat appellante hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter de dato 17 mei 2011; 
  • De pleitnota de dato 02 augustus 2013; 
  • De antwoordpleitnota, onder overlegging van een productie, overgelegd de dato 06 december 2013; 
  • De repliekpleitnota en uitlating productie de dato 17 januari 2014; 
  • De dupliekpleitnota de dato 21 maart 2014; 
  • De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 15 augustus 2014 doch nader op heden; 

 2.De beoordeling 
2.1 Het  gaat in deze zaak om het volgende. 
[geïntimeerde] heeft  in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, gevorderd dat [appellante] zal worden veroordeeld om aan haar te betalen Euro 1.204 plus SRD 1.630,-, vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar. 

2.2. De kantonrechter heeft bij vonnis van 17 mei 2011 [appellante] veroordeeld tot betaling van Euro 1.204,- en SRD. 1.430,-. Voorts is het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard en is [appellante] in de kosten van het geding aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, veroordeeld. Het meer of anders gevorderde is afgewezen; 

2.1 [appellante] heeft blijkens de aantekening van de griffier door tussenkomst van haar raadsman bij schrijven gedateerd 25 oktober 2011 – ingekomen ter griffie van het hof op 28 oktober 2011 – appèl aangetekend tegen het vonnis van 17 mei 2011. Tevens blijkt uit voormeld vonnis dat partijen noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig zijn geweest. De aangetekende dienstbrief zijdens de griffier is gedateerd 21 oktober 2011. Gelet op het voorgaande heeft [appellante] ingevolge het bepaalde in artikel 264 van het  Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering  tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij ontvankelijk is in het ingesteld  hoger beroep; 

2.2.[appellante] heeft  geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen, weshalve het hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan. Derhalve staat het navolgende  – ook in hoger beroep – vast  tussen partijen: 
2.2.1 Partijen hebben een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten, betreffende de woning gelegen te Paramaribo aan de [adres]. De huurprijs bedroeg Euro 135,- per maand. [geïntimeerde] is de verhuurster en [appellante] de huurster. 
2.2.2 Op 30 oktober 2007 heeft [appellante] de litigieuze woning ontruimd. 

2.3 Naast voormelde vaststaande feiten heeft  [geïntimeerde] – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing in hoger beroep ten aanzien van [appellante] van belang – aan haar vordering in eerste aanleg ten grondslag gelegd dat [appellante] de huur onregelmatig betaalt getuige het feit dat zij vanaf de maand januari 2007 niet meer heeft voldaan aan haar betalingsverplichtingen, echter met uitzondering van  18 april – en 02 juni 2007 waarbij zij respectievelijk 100 – om 50 Euro heeft gestort, aldus t/m de maand oktober 2007 een saldo latende van Euro 1.240,-. 

2.4 [appellante] heeft verweer gevoerd in eerste aanleg en – kort samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – aangevoerd dat zij ontkent enige betalingsachterstand te hebben, daar [geïntimeerde] duidelijk aan haar heeft medegedeeld dat zij geen huur meer hoeft te betalen, mits zij de woning ontruimt. Dit heeft [appellante] gedaan in oktober 2007 omdat de woning die zij bezig was te bouwen reeds af was en zij haar intrek daarin kon nemen. [appellante] is dus geen enkel bedrag van € 1.240,- aan [geïntimeerde] verschuldigd. 

2.5. In hoger beroep concludeert  [appellante] tot vernietiging van voormeld vonnis in eerste aanleg en tot alsnog ontzegging van de vordering aan [geïntimeerde] casu quo haar in haar vordering niet te ontvangen. 

2.6 Daartoe heeft [appellante] als grief tegen voormeld vonnis aangevoerd – kort samengevat en voor zover voor de beslissing in hoger beroep van belang- dat de beoordeling van de kantonrechter geen deugdelijke basis heeft aangezien de kantonrechter bevoegd was om een der partijen een bewijsopdracht op te leggen. Maar afgezien daarvan kan [geïntimeerde] geen achterstallig huur meer vorderen, daar deze vordering ingevolge de wet reeds lang is verjaard. [appellante] blijft er bij dat zij met [geïntimeerde] de afspraak had gemaakt dat bij ontruiming zij geen huur meer behoefde te betalen. Voorts heeft zij aangevoerd dat zij ten onrechte is veroordeeld tot betaling van de deurwaarderskosten, gerechtelijke – en buitengerechtelijke kosten aangezien de overeenkomst door de ontruiming reeds was ontbonden en [geïntimeerde] haar nodeloos in de kosten heeft gejaagd, daar artikel 9 van de overeenkomst geen toepassing meer vond. 

2.7 [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en het hof zal daarop – in het hierna volgende voor zover voor de beslissing van belang – terug komen; 

2.8 [geïntimeerde] heeft als formeel verweer aangevoerd dat alhoewel [appellante] binnen de wettelijke termijn hoger beroep heeft aangetekend, het ruim twee jaren heeft geduurd aleer zij haar pleitnota heeft ingediend. Voorts heeft zij aangevoerd dat zij niet op de door de wet bepaalde wijze is opgeroepen om in hoger beroep te verschijnen. Gelet op het voorgaande heeft zij – althans zo vat het hof dat op – de niet – ontvankelijkheid van [appellante] bepleit. Naar het oordeel van het hof gaat het door [geïntimeerde] aangevoerd formeel verweer niet op.  

2.9 Allereerst staat er in zijn algemeenheid geen sanctie op het laat indienen van een pleitnota en is het appointeringsbeleid een aangelegenheid van het hof, waar [appellante] geen invloed op kan uitoefenen. Met betrekking tot de wijze van oproeping van [geïntimeerde] om op de terechtzitting in hoger beroep te verschijnen blijkt uit het ten processe overgelegd oproepingsexploit de dato 13 maart 2013, no. 188, afkomstig van deurwaarder Tjanderdewkoemar Jhagroe, dat dat op rechtens juiste wijze is geschied. Gelet op al het voorgaande zal het door of namens [geïntimeerde] aangevoerd formeel verweer worden verworpen. 

 2.10 Het hof zal ingaan op de aangevoerde grief. Dienaangaande overweegt het hof dat uit de gedingstukken in eerste aanleg blijkt dat de kantonrechter in haar vonnis, onder meer, het navolgende heeft overwogen (citaat): “Gedaagde voert aan dat eiseres met haar had afgesproken dat indien zij de woning ontruimt, zij geen huur hoefde te betalen. Nu zij de woning van eiseres heeft ontruimd, is zij niets aan eiseres verschuldigd. Eiseres weerspreekt met gedaagde te zijn overeengekomen dat zij geen huur meer hoefde te betalen indien zij de woning zou ontruimen en stelt daartoe dat gedaagde zich op 10 oktober 2007 op kantoor bij de deurwaarder L. Gangaram Panday had aangemeld en medegedeeld dat zij pas in maart-april 2008 de achterstallige huur zou betalen, doch dat eiseres hiermede niet akkoord is gegaan. Desondanks blijft gedaagde in haar verweer volharden dat partijen wel zijn overeengekomen dat zij geen huur meer behoefde te betalen, zonder echter op het gemotiveerd verweer van eiseres het bewijsaanbod ter zake te doen. In stede daarvan voert gedaagde dat eiseres dient te bewijzen dat zij, gedaagde nog huurpenningen verschuldigd is. Daar het verweer van gedaagde niets anders inhoudt dan een betwisting van de stelling van eiseres, lag het op de weg van gedaagde te bewijzen dat partijen zijn overeengekomen dat zij geen huur hoeft te betalen als zij de woning had ontruimd. Nu gedaagde geen specifiek bewijsaanbod ter zake heeft gedaan zal de kantonrechter het ervoor moeten houden dat gedaagde nog achterstallig huur ad Euro 1.204,- aan eiseres verschuldigd is, zodat de vordering ter zake zal worden toegewezen.” (einde citaat). Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter terecht het voorgaande overwogen. Immers staat tussen partijen vast dat zij met elkaar een huurovereenkomst met betrekking tot de desbetreffende woning zijn aangegaan tegen een huurprijs van Euro 135,- per maand. Dat [appellante] vanaf januari 2007 de huur niet heeft betaald en per eind oktober 2007 de woning heeft ontruimd staat eveneens vast tussen partijen. Waar partijen met elkaar van mening over verschillen betreft het antwoord op de vraag of [appellante] over de periode januari 2007 tot en met oktober 2007 huurpenningen verschuldigd was aan [geïntimeerde]. [appellante] vindt dat zij met [geïntimeerde] had afgesproken dat indien zij zou ontruimen, zij geen huurpenningen meer behoefde te betalen terwijl [geïntimeerde] categorisch ontkent voormelde afspraak met [appellante] gemaakt te hebben.  

2.11 [geïntimeerde] heeft ter staving van het tegendeel van de stelling van [appellante] een productie gedateerd 09 september 2006 in het geding gebracht (afkomstig van Hentimo Administratie-, Advies, en Bemiddelingskantoor). De inhoud van voormelde productie alsmede de daarop prijkende handtekening van [appellante] zijn door laatstgenoemde bloot ontkend terwijl zij – ook in hoger beroep- heeft nagelaten een gespecificeerd bewijsaanbod te doen ter zake van de door haar geponeerde stelling dat overeengekomen was dat – indien zij zou ontruimen – zij geen huur meer behoefde te betalen. Daarenboven heeft zij niet ontkend de stelling van [geïntimeerde] dat  [appellante] op 18 april 2007 en 02 juni 2007 respectievelijk het bedrag van Euro 100 om Euro 50 heeft gestort, zodat dat in rechte is komen vast te staan. Het voorgaande staat – naar het oordeel van het hof – op gespannen voet met hetgeen [appellante] heeft aangevoerd en dat ertoe strekt dat afgesproken was dat zij geen huur meer behoefde te betalen. Immers rijst dan de vraag wat de ratio van voormelde betalingen dan zou zijn geweest. Nu [appellante] noch in eerste aanleg noch in hoger beroep een gespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan terwijl dat op haar weg had gelegen, aangezien zij zich op een bevrijdend rechtsfeit beroept, bestaat er naar het oordeel van het hof geen behoefte om [appellante] ambtshalve met het bewijs daarvan te belasten. Aan het bloot aangevoerde verweer zijdens [appellante] dat het vorderingsrecht van [geïntimeerde] zou zijn verjaard zal het hof voorbij gaan aangezien dat niet feitelijk is onderbouwd. 

2.12 Met betrekking tot hetgeen [appellante] heeft aangevoerd betreffende de deurwaarders-, gerechtelijke – en buitengerechtelijke kosten oordeelt het hof dat dat tussen partijen is overeengekomen en dat de kantonrechter derhalve terecht heeft overwogen en beslist dat dat dient te worden betaald door [appellante]. Aan het voorgaande doet de ontruiming door [appellante] niet af. Evenwel blijkt de kantonrechter zich kennelijk te hebben vergist met betrekking tot de hoogte van het gevorderd bedrag. De kantonrechter heeft het geldbedrag van SRD. 1.430,- toegewezen in stede van het gevorderd bedrag ad SRD. 1.630,- en heeft ter rechtvaardiging daarvan in het vonnis geen beweegreden aangegeven. Het voorgaande leidt naar het oordeel van het hof tot de slotsom dat het kennelijk een vergissing betreft zodat het vonnis van de kantonrechter op dat punt ambtshalve dient te worden vernietigd en opnieuw rechtdoende het oorspronkelijk gevorderd bedrag dient te worden toegewezen. 

2.13 Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat de opgeworpen  grief dient te worden verworpen en het beroepen vonnis voor het overige dient te worden bevestigd. 

2.14 [appellante] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van [geïntimeerde] in hoger beroep gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis; 

 3.De beslissing in hoger beroep 
Het hof: 
3.1 Vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 17 mei 2011, A.R. no. 074847, voor wat betreft punt 5.2. daarvan. 

En opnieuw rechtdoende: 

3.2 Veroordeelt [appellante] om aan [geïntimeerde] te betalen SRD. 1.630,- (Eenduizend en Zeshonderd en Dertig Surinaamse Dollar), zijnde de gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten. 

3.3 Bevestigt voor het overige het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 17 mei  2011, A.R.No. 074847, waarvan beroep, onder aanvulling van de beoordeling als hiervoor onder 2.9 en 2.10. aangegeven; 

 3.4 Veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding aan de zijde van [geïntimeerde] in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil; 

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh, Lid en  mr. A.C.Johanns, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 17 april 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend–Griffier. 

w.g. S.C. Berenstein                                                              w.g. A. Charan 

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. S.W. Amirkhan namens advocaat  mr.F.F.P.Truideman, gemachtigde van appellante, terwijl geïntimeerde noch in person noch bij gemachtigde is verschenen.