- Instantie Hof van Justitie
- Zaaknummer GR 15329
- Uitspraakdatum 15 januari 2021
- Publicatiedatum 23 augustus 2023
- Rechtsgebied Civiel recht
-
Inhoudsindicatie
Artikel 864 BW heeft betrekking op de rechtsvordering tot afgifte van al hetgeen zich onder welke titel ook in de nalatenschap bevindt (artikel 863 lid 3 BW) en niet op de vordering tot scheiding en deling (artikel 1093 lid 2 BW), hetgeen te allen tijde kan worden gevorderd. Artikel 1988 BW kan wel betrekking hebben op de vordering tot scheiding en deling. Een beroep op verjaring cnf art. 1988, kan enkel door een deelgerechtigde worden gedaan op het moment dat hij deelgerechtigde is geworden in de gemeenschap.
Uitspraak
15 januari 2021
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van
- [Appellant sub A],
- [Appellant sub B],
hierna te noemen [appellanten],
beiden wonende in [land 1],
appellanten,
gemachtigde: mr. C.P. Baal, advocaat,
tegen
[Geïntimeerde],
hierna te noemen [geïntimeerde],
wonende te [plaats],
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. R.R. Lobo, advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 14 augustus 2017 bekend onder A.R. 16-2225 tussen [appellanten] toen als eisers en [geïntimeerde] toen als gedaagde, spreekt de fungerend president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.
- Het procesverloop in hoger beroep
- Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken c.q. proceshandelingen:
- de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellanten] hoger beroep hebben ingesteld;
- de pleitnota d.d. 1 juni 2018;
- de antwoordpleitnota d.d. 2 november 2018;
- de repliekpleitnota d.d. 15 februari 2018;
- de dupliekpleitnota d.d. 21 juni 2018.
1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.
- De ontvankelijkheid
Het vonnis van de kantonrechter is bij griffiersbrief gedateerd 6 september 2017 aan [appellanten] betekend. [Appellanten] hebben op 28 september 2017 hoger beroep aangetekend tegen het vonnis. Dit is binnen de bij wet gestelde termijn zodat [appellanten] ontvankelijk zijn in hun beroep.
- De feiten
3.1 [Naam 1] (hierna erflater [naam 1]) is op 20 april 1960 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [naam 2] (hierna [naam 2]). De erflater [naam 1] is overleden op 9 juli 1985.
3.2 Tot de enige en algehele erfgenamen van erflater [naam 1] behoorden [naam 2] en [appellanten]
3.3 [Naam 2] is overleden op 30 augustus 2012 en heeft tot haar enige en algehele erfgenaam benoemd [geïntimeerde].
3.4 Tot de nalatenschap van de erflaters [naam 1] en [naam 2] behoort het recht van erfpacht op een perceel gelegen aan [adres 1] te [plaats 1] (hierna het perceel), bij partijen nader bekend en geen omschrijving behoevend.
3.5 [Appellanten] vorderen bij de kantonrechter – zakelijk weergegeven – veroordeling van [geïntimeerde] om met hen over te gaan tot de scheiding en deling van de nalatenschap van de erflater [naam 1].
3.6 De kantonrechter heeft bij vonnis d.d. 14 augustus 2017 bekend onder A.R. no. 16-2225 [appellanten] niet ontvankelijk verklaard in hun vordering.
3.7 De kantonrechter heeft de beslissing gegrond op de motivering dat [geïntimeerde] het perceel middels verjaring heeft verkregen.
- De beoordeling
4.1 [Appellanten] concluderen in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende de vordering tot scheiding en deling van de nalatenschap alsnog toe te wijzen.
[Appellanten] hebben ter onderbouwing van de vordering in hoger beroep als grief tegen het vonnis aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft aangenomen dat er sprake is van verjaring.
4.2 Tussen partijen staat rechtens vast dat [appellanten] en [geïntimeerde] deelgerechtigden zijn in een nalatenschap, waartoe behoort een perceel bij partijen nader bekend.
[Geïntimeerde] beroept zich op bevrijdende verjaring en wel op grond van de artikelen 1988 en 864 BW.
Hij stelt dat de erflater [naam 1] is overleden op 9 juli 1985 terwijl de onderhavige vordering is ingesteld na 9 juli 2015. Volgens [geïntimeerde] is het vorderingsrecht van [appellanten] dus reeds verjaard op grond van voormelde artikelen. Zakelijk weergegeven komt het erop neer dat [geïntimeerde] zich op het standpunt stelt dat het vorderingsrecht van [appellanten] is verjaard nu [appellanten] de vordering heeft ingesteld langer dan 30 jaren nadat de erflater [naam 1] is overleden.
4.3 In casu is onder meer van belang de vraag of [geïntimeerde] een beroep kan doen op de hiervoor vermelde artikelen 864 en 1988 BW.
Het Hof zal eerst beoordelen of [geïntimeerde] een beroep toekomt ex artikel 864 BW. Dit artikel bepaalt dat de rechtsvordering verjaart door een tijdsverloop van dertig jaren, te rekenen van de dag waarop de erfenis is open gevallen.
De vraag is vervolgens, op welke rechtsvordering artikel 864 BW het oog heeft. Om deze vraag te beantwoorden dient te worden gelezen artikel 863 leden 1 en 3 BW.
Artikel 863 lid 1 en 3 BW bepalen – zover van belang – het volgende:
“1. De erfgenaam heeft een rechtsvordering tot verkrijging van de erfenis tegen al diegenen, die, hetzij onder die titel, of zonder titel, in het bezit zijn van de gehele gemeenschap, of van een gedeelte daarvan……….
- Die rechtsvordering strekt tot afgifte van al hetgeen zich, onder welke titel ook, in de nalatenschap bevindt, met de vruchten, inkomsten en schadeloosstelling………”.
Naar het oordeel van het Hof heeft artikel 864 BW betrekking op de rechtsvordering zoals omschreven onder artikel 863 lid 3 BW namelijk tot afgifte van al hetgeen zich, onder welke titel ook, in de nalatenschap bevindt enz.
De onderhavige vordering tot scheiding en deling van de gemeenschap heeft echter geen betrekking op artikel 863 lid 3 maar wel op artikel 1093 lid 2 BW welke bepaalt dat de boedelscheiding te allen tijde gevorderd kan worden.
Het beroep van [geïntimeerde] op artikel 864 BW faalt derhalve.
4.4 Aan de orde is nu de vraag of [geïntimeerde] een beroep kan doen op artikel 1988 BW. Dit artikel bepaalt onder meer dat alle rechtsvorderingen, zowel zakelijke als persoonlijke, verjaren door dertig jaren.
Gezien de gevorderde scheiding en deling is het Hof van oordeel dat artikel 1988 BW ook van toepassing is op dit gevorderde, zodat [geïntimeerde] wel een beroep kan doen op dit artikel.
4.5 De vraag is thans of het beroep van [geïntimeerde] op dit artikel slaagt.
Vast staat dat [appellanten] vanaf het overlijden van de erflater [naam 1]op 9 juli 1985 deelgerechtigden zijn van de gemeenschap samen met [naam 2], de toenmalige echtgenote van erflater [naam 1].
Pas nadat [naam 2] is overleden op 30 augustus 2012, is [geïntimeerde] als haar enige erfgenaam, samen met [appellanten] deelgenoot geworden van de gemeenschap.
[geïntimeerde] kan zich derhalve beroepen op de verjaringstermijn op grond van artikel 1988 BW in dier voege dat pas op 30 augustus 2012, toen hij deelgerechtigde werd van de gemeenschap de verjaringstermijn is gaan lopen. Dit beroep kan hij niet met succes doen vanaf de datum van overlijden van de erflater [naam 1]op 9 juli 1985 omdat hij toen nog geen deelgerechtigde was in de gemeenschap.
Uitgaande van het moment waarop [geïntimeerde] samen met [appellanten] deelgerechtigde werd van de gemeenschap, dat is 30 augustus 2012, tot aan de indiening van de vordering door [appellanten] te weten 6 mei 2016, concludeert de kantonrechter dat er nog geen 30 jaren zijn verlopen zoals artikel 1988 BW voorschrijft.
Om deze reden faalt dus ook het beroep van [geïntimeerde] op artikel 1988 BW.
4.6 Uit het beroepen vonnis blijkt dat de kantonrechter het beroep van [geïntimeerde] op verjaring op de artikelen 1988 BW en 864 BW niet heeft beoordeeld.
De kantonrechter is echter wel tot de conclusie gekomen dat er sprake is van verjaring maar op grond van artikel 1976 juncto artikel 1982 BW.
Naar het oordeel van het Hof is de kantonrechter hiermee buiten de rechtsstrijd van partijen getreden en heeft zij partijen hierdoor verrast met haar beslissing. Immers heeft geen der partijen de gelegenheid gehad om zich uit te laten over de artikelen 1976 juncto 1982 BW, die de kantonrechter buiten partijen om heeft gebruikt voor haar conclusie dat er sprake is van verjaring.
Terecht stellen [appellanten] dan ook dat de kantonrechter op grond van het bepaalde in artikel 1971 BW niet ambtshalve mocht overgaan tot de toetsing van het middel van verjaring nu [naam 2] (lees [geïntimeerde]) nimmer een beroep heeft gedaan op verkrijgende verjaring op grond van artikel 1976 juncto artikel 1982 BW.
4.7 Thans in hoger beroep, voert [geïntimeerde] aan dat [appellanten] krachtens de door de kantonrechter gebruikte artikelen 1976 juncto 1982 BW, meer dan 30 jaren in de gelegenheid waren om een vordering in te stellen.
Artikel 1976 BW bepaalt het volgende:
“Om door middel van verjaring de eigendom van een zaak te verkrijgen, wordt vereist een voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar en niet dubbelzinnig bezit als eigenaar”.
Artikel 1982 BW bepaalt het volgende:
“Zij, aan wie de huurders, bewaarders en andere bezitters het goed hebben overgedragen, bij een titel tot overgang van eigendom geschikt, kunnen dat goed door verjaring verkrijgen”.
Alhoewel [geïntimeerde] zich thans in hoger beroep tevens beroept op de hiervoor genoemde artikelen, heeft hij verzuimd om gemotiveerd aan te geven waarom deze artikelen ook van toepassing zijn op de onderhavige vordering. Reeds om deze reden zal het beroep van [geïntimeerde] op voormelde artikelen worden verworpen.
4.8 Voor zover [geïntimeerde] zich beroept op de motivering van de kantonrechter in het beroepen vonnis, is het Hof van oordeel dat ook dit beroep faalt.
De kantonrechter heeft in het beroepen vonnis onder 2.4 van de beoordeling het volgende overwogen:
“De kantonrechter overweegt dat de erflater als zijn erfgenamen heeft achtergelaten zijn twee erkende kinderen, zijnde eisers, en zijn echtgenote, zijnde [naam 2]. Nu, [naam 2] voornoemd kinderloos is overleden en bij testament tot haar algehele erfgenaam heeft benoemd gedaagde, zijn thans tot de nalatenschap van de erflater gerechtigd eisers en gedaagde.
De kantonrechter overweegt voorts dat gedaagde zich erop beroept dat eisers ingevolge artikel 1988 juncto artikel 864 BW niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, aangezien hun vordering tot scheiding van de nalatenschap van de erflater is verjaard, omdat de erflater is overleden op 9 juli 1985, terwijl de vordering is ingesteld op 6 mei 2016, waardoor er vanaf het openvallen van de nalatenschap van de erflater reeds dertig jaren zijn verlopen.
Naar het oordeel van kantonrechter is niet gesteld of gebleken dat eisers vóór 04 november 2015 enige actie hebben ondernomen met betrekking tot de scheiding en deling van de nalatenschap van de erflater, terwijl als niet, althans niet voldoende gemotiveerd betwist vaststaat dat [naam 2] voornoemd vanaf 9 juli 1985 tot aan haar dood op 31 augustus 2012, op het litigieus perceelland behorende tot de nalatenschap van erflater, heeft gewoond en ingevolge 1976 BW aldus voortdurend en afgebroken (lees onafgebroken), ongestoord, openbaar en ondubbelzinnig bezit, als eigenaar daarvan heeft gehad gedurende 27 jaren.
Vaststaat dat de bezitter [naam 2] voornoemd, bij een titel overgang van eigendom geschikt, in casu bij testament, het litigieuze perceelland in kwestie heeft nagelaten aan gedaagde, zijnde haar enige erfgenaam. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft gedaagde ingevolge artikel 1976 juncto artikel 1982 BW, het litigieuze perceelland door verjaring verkregen, aangezien er sinds het overlijden van de erflater tot aan 2015 reeds 30 jaren zijn verlopen. Het beroep van gedaagde op verjaring gaat derhalve op, weshalve eisers niet-ontvankelijk zullen worden verklaard in hun vordering”.
Met voormelde motivering is de kantonrechter ervan uitgegaan dat [naam 2] het voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar en ondubbelzinnig bezit van het perceel, als eigenaar gedurende 27 jaren heeft gehad en wel vanaf het overlijden van de erflater [naam 1] op 9 juli 1985.
Dit is in het geheel niet juist omdat niet is gesteld of gebleken dat [naam 2] het perceel bezat als eigenaar zoals vereist in artikel 1976 BW. Immers wordt door het Hof aangenomen dat [naam 2], die de echtgenote was van de erflater [naam 1], op de hoogte was dat bij zijn overlijden zij niet de enige eigenaar was van het perceel, maar samen daartoe gerechtigd was met [appellanten], die de zonen en wettige erfgenamen waren van de erflater [naam 1].
Daarnaast moest niet worden uitgegaan vanaf het moment waarop [naam 2] het bezit had van het perceel, maar vanaf het moment waarop [geïntimeerde] het bezit had daarvan en dat is vanaf het moment waarop [naam 2] overleed op 30 augustus 2012 en duidelijk was dat [geïntimeerde] door [naam 2] was benoemd tot haar enige erfgenaam.
Het nadere beroep van [geïntimeerde] op artikel 1976 jo 1982 BW gaat dus evenmin op.
4.9 Ingevolge artikel 1093 BW leden 1 en 2, is niemand genoodzaakt om in een onverdeelde boedel te blijven en kan de boedelscheiding te allen tijde worden gevorderd.
De gevorderde scheiding en deling is derhalve toewijsbaar op grond van de voormelde artikelen.
4.10 Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen concludeert het hof dat het beroepen vonnis dient te worden vernietigd en opnieuw rechtdoende [geïntimeerde] alsnog zal worden veroordeeld om mee te werken aan de scheiding en deling zoals gevorderd, één en ander zoals omschreven in het dictum van dit vonnis.
4.11 Het Hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.
4.12 [Geïntimeerde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep worden verwezen.
De beslissing in hoger beroep
- Het Hof:
5.1 Vernietigt het vonnis van de kantonrechter d.d. 14 augustus 2017 bekend onder A.R. no. 16-2225 en opnieuw rechtdoende:
5.2 Veroordeelt [geïntimeerde] om met [appellanten] over te gaan tot scheiding en deling van de nalatenschap van [naam 1]l.
5.3 Benoemt tot notaris ten overstaan van wie de scheiding en deling zal plaatsvinden notaris mevr. mr. A.U. Baidjoe, indien partijen niet binnen een maand na de uitspraak overeenstemming bereiken over een boedelnotaris.
5.4 Benoemt tot onzijdig persoon voor de respectievelijke partijen, indien één hunner in gebreke mocht blijven op de voor de scheiding en deling bepaalde tijd en plaats te verschijnen of verschenen zijnde mocht weigeren tot de scheiding en deling mee te werken:
voor [appellanten]: mr. S.N. Essed
voor [geïntimeerde]: mr. S.M.D. Sitaram
5.5 Veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep aan de zijde van [appellanten] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 735,–.
5.6 Weigert het meer of anders gevorderde.
Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend president uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 15 januari 2021, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, mr. S.C. Berenstein BSc.
w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan
Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.
Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld