SRU-HvJ-2022-43

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer G.R. no. 14774
  • Uitspraakdatum 21 januari 2022
  • Publicatiedatum 11 september 2026
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Het Hof bevestigt het vonnis van de kantonrechter in kort geding van een stichting die gemeenschapsactiviteiten ontplooit op een perceel en een verzoek heeft ingediend tot uitgifte van grond huur voor het perceel. De Staat heeft het verzoek van de stichting uit 1997 afgewezen, maar niet beslist op de verzoeken uit de jaren 2000 en 2007. De Staat was op de hoogte van de gemeenschapsactiviteiten en heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. In strijd met de wettelijke procedures is een deel van het perceel uitgegeven aan iemand anders. De burgerlijke rechter is hier terecht opgetreden als restrechter nu de Staat niet heeft aangegeven welke administratiefrechtelijke rechtsgang de stichting had kunnen bewandelen.De Staat heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.

    Ruimtelijke ordening, grondhuur, strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

G.R. No. 14774

21 januari 2022

 

In de zaak van

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te harer Parkette te Paramaribo,
appellante in kort geding,
hierna te noemen: “de Staat”,
gemachtigden: mr. S. Mangroelal en mr. J.M. Nibte, advocaten,

tegen

DE STICHTING LEEFBAAR TOURTONNE 5, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding,
hierna te noemen “de Stichting”,
gemachtigde: mr. K.J. Kraag-Brandon, advocaat,

ke het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 16 april 2009 bekend onder AR. No. 073593 tussen de Stichting als eiseres in conventie en gedaagde in reconventie in kort geding, de Staat als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie in kort geding en [Naam] als gedaagde in kort geding, 

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis van 5 maart 2021.

  1. Het verdere procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • de processen-verbaal van de comparitie van partijen gehouden op 13 april 2021 en 4 mei 2021;
  • de conclusie tot uitlating na comparitie van partijen, zijdens de Staat, gedateerd 5 november 2021.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden. 

  1. De verdere beoordeling

2.1 De Staat heeft in hoger beroep de vernietiging gevorderd van het vonnis van de kantonrechter in kort geding gedateerd 16 april 2019  met  AR. No. 073593, en gevorderd dat het Hof opnieuw rechtdoende, de Stichting in haar oorspronkelijke vordering niet-ontvankelijk verklaart c.q. haar vordering ontzegt als zijnde ongegrond en niet bewezen.

2.2 Het Hof heeft bij tussenvonnis een comparitie van partijen gelast teneinde inlichtingen te verkrijgen over de staat en de status van het perceel, over de vraag of er nog activiteiten worden ontplooid op het perceel en om na te gaan of een minnelijke regeling mogelijk is.

2.3 Tijdens de comparitie van partijen is – voor zover van belang  – door de gemachtigde van de Stichting het volgende verklaard: “In de jaren 2000 en 2007 heeft de Stichting wederom een verzoek gedaan aan de Staat om dit perceel in grondhuur te verkrijgen. Op deze verzoeken is door de Staat nooit gereageerd. Na het verzoek van de Stichting zijn er percelen door de Staat uitgegeven. …. Het is ons toch gebleken, dat de Staat het perceelland heeft verkaveld en aan twaalf mensen in grondhuur heeft afgegeven. Er mochten geen delen van het perceel … aan derden in grondhuur worden verkocht of gegeven. Bijna het gehele terrein is bebouwd. Er was wel een voorstel gedaan voor een ander perceelland, dat gelegen is aan de Nieuwe Charlesburgweg in Paramaribo. Het is een zwampgebied en begroeid. Het is 1.5 kilometer verwijderd van het woongebied.”

2.4 Door de voorzitter van de Stichting is alsvolgt verklaard: “Er is geen ander perceel. Op perceel nr. 12 is er ook gebouwd. Er zijn percelen aan de Stichting Prosopeia Personata in grondhuur uitgegeven door het Ministerie van Ruimtelijke Ordening Grond- en Bosbeheer. Op het project Chiragally zijn de percelen momenteel onder water en het is uit de buurt. Dit is geen optie.”

2.5 Het Hof overweegt dat uit de comparitie van partijen geen minnelijke regeling is voortgevloeid waardoor de zaak in hoger beroep verder beoordeeld moet worden. Daarbij zullen tevens worden meegenomen de omstandigheden zoals die tijdens de comparitie van partijen door partijen zijn aangegeven.

2.6 De Staat heeft tegen het vonnis een negental grieven aangevoerd die verkort weergegeven op het volgende neerkomen:

Grief I: de kantonrechter heeft ten onrechte aangenomen dat de vordering van de Stichting was gebaseerd op artikel 1386 BW. Deze grond is onvoldoende gebleken uit het inleidend verzoekschrift. De kantonrechter in kort geding was niet bevoegd om kennis te nemen van de zaak. Er zijn administratiefrechtelijke procedures welke kunnen worden gevolgd indien men zich wil beklagen over een bepaald overheidsoptreden. Een rechtstreekse controle door de kantonrechter op de rechtmatigheid van een administratiefrechtelijke handeling door de overheid gepleegd is in casu niet toegestaan. De kantonrechter heeft nagelaten de toetsingscriteria die gehanteerd moeten worden bij het toetsen van overheidshandelen op onrechtmatig handelen, te hanteren. Als toetsingscriteria noemt de Staat strijd met de rechtsplicht, een inbreuk op een subjectief recht en strijd met de zorgvuldigheid welke in het maatschappelijk verkeer ten aanzien van een ander betamelijk is.

Grief II: de kantonrechter is er ten onrechte vanuit gegaan dat er sprake was van een spoedeisend belang. De Stichting was onrechtmatig occupant van het perceel en had geen recht of titel om zich op het perceel te bevinden voor het ontplooien van activiteiten.

Grief III: de kantonrechter is er ten onrechte vanuit gegaan dat de Stichting belang had bij het gevorderde. De Stichting was onrechtmatig occupant van het perceel en pleegde juist jarenlang reeds een onrechtmatige daad jegens de Staat.

Grief IV: de kantonrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat de Stichting niet prematuur is in haar vordering. Het laatste verzoek van de Stichting dateert van 8 mei 2007. Ten tijde van het indienen van de zaak was de periode van zes maanden nog niet verstreken. Bovendien was reeds in 1997 aan de Stichting medegedeeld dat haar aanvraag voor het perceel is afgewezen.

Grief V: de kantonrechter heeft ten onrechte overwogen dat als voorlopige maatregel de intrekking van de beschikking moet worden gelast. Hij heeft daarmee de belangen van partijen onvoldoende tegen elkaar afgewogen. 

Grief VI: de kantonrechter heeft ten onrechte overwogen dat er niet is beslist op de aanvraag van de Stichting. De Staat heeft wel beslist op de aanvraag van de Stichting.

Grief VII: ten onrechte gaat de kantonrechter ervan uit dat de Staat stilzwijgend toestemming aan de Stichting heeft verleend om het perceel te bewerken en te bebouwen. De Stichting heeft zich niet gestoord aan de afwijzing en heeft het perceel onrechtmatig geoccupeerd. Hierdoor wordt de onrechtmatige occupatie ten onrechte gerechtvaardigd.

Grief VIII: ten onrechte is de kantonrechter voorbij gegaan aan het feit dat op 22 december 1997 reeds aan de Stichting was medegedeeld dat het verzoek voor uitgifte van het perceel in grondhuur is afgewezen.

Grief IX: ten onrechte heeft de kantonrechter aan de Staat een verbod opgelegd om het perceel opnieuw aan [Naam] uit te geven. De kantonrechter gaat hiermee buiten haar bevoegdheid aangezien de Staat het beleid uitstippelt en de rechter een beperkte bevoegdheid heeft het beleid te toetsen. 

De beoordeling van grief I

2.7.1 De Stichting heeft op deze grief gereageerd waarbij zij aanvoerde dat zij zich wel heeft beroepen op onrechtmatig handelen. In haar inleidend verzoekschrift, met name onder punt acht, heeft zij gesteld dat de Staat onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door in strijd te handelen met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Terecht heeft de kantonrechter als restrechter geoordeeld in de zaak, immers, er bestaat geen speciale rechtsgang waarbinnen de Stichting een spoedvoorziening zou kunnen krijgen.

2.7.2 Het Hof is van oordeel dat, gelijk de Stichting aanvoert, uit onder andere het achtste sustenu van het inleidend verzoekschrift blijkt dat de Stichting wel als grondslag voor het gevorderde het onrechtmatig handelen van de Staat had aangevoerd. Voorts is het Hof van oordeel dat, alhoewel de Staat aanvoert dat er een andere administratieve rechtsgang bestaat die de Stichting had kunnen volgen, de Staat die rechtsgang niet noemt. De Stichting heeft terecht haar vordering op grond van onrechtmatig handelen door de Staat bij de kortgedingrechter neergelegd. De burgerlijke rechter zal, zolang er geen bestuursrechter is aangewezen, mogen oordelen over dit soort geschillen tussen burger en overheid.

Aan de eerste grief moet daarom voorbij gegaan worden.

De beoordeling van de grieven II, III en IV

2.8.1 Het Hof zal deze grieven samen bespreken nu zij allen betrekking hebben op de ontvankelijkheidsvereisten.

De Stichting heeft in reactie op de grieven aangevoerd dat zij wel een spoedeisend belang had omdat zij door de uitgifte van de grond aan derden geen gemeenschapsactiviteiten meer kon uitoefenen op het terrein. Voorts voert zij aan dat zij niet prematuur was omdat de Staat ook op de aanvraag van 2000 nimmer gereageerd had. De aanvraag van 2007 betrof een herhaald verzoek om het perceel in grondhuur aan haar uit te geven.

2.8.2 Het Hof overweegt dat terecht door de kantonrechter is geoordeeld dat de omstandigheid dat de Stichting op een gegeven moment geen gemeenschapsactiviteiten meer kon uitoefenen omdat het perceel door de Staat aan anderen werd uitgegeven, een spoedeisend belang met zich meebrengt. Het betreft een omstandigheid waarbij een voorziening bij voorraad gevorderd zou mogen worden. Eveneens stelt de Stichting terecht en wordt terecht door de kantonrechter overwogen, dat er geen sprake is van het prematuur indienen van de vordering nu de Staat op de aanvraag van het jaar 2000 nimmer gereageerd heeft.

2.8.3 Ten aanzien van de grief dat de Stichting onrechtmatig occupant van het perceel was en dat zij dus geen recht of titel had om zich op het perceel te bevinden oordeelt het Hof dat deze omstandigheid de verplichting van de Staat tot het nemen van een besluit op het verzoek van de Stichting niet wegneemt.

2.8.4 Ook de omstandigheid dat de Staat reeds in 1997 had beslist op een eerder verzoek van de Stichting neemt de verplichting van de Staat niet weg om wederom te moeten beslissen op het drie jaar later in het jaar 2000 ingediende nieuwe verzoek en het in 2007 herhaald verzoek van de Stichting.

Aan deze grieven zal daarom voorbij gegaan worden.

De beoordeling van de grieven VI en VIII

2.9.1 Het Hof zal voorts de grieven VI en VIII samen bespreken nu deze beiden betrekking hebben op de vraag of de Staat heeft beslist op de aanvraag van de Stichting in het jaar 2000 en 2007. 

2.9.2 De Stichting heeft in reactie op die grieven aangevoerd dat zij noch op haar verzoek van 2 mei 2000, noch op haar verzoek van 8 mei 2007 antwoord heeft ontvangen. 

2.9.3 De Staat heeft in haar repliek pleitnota in het derde sustenu aangegeven dat het haar niet duidelijk is of er is beslist op het verzoek van de Stichting van 25 maart 2000. Verder is de Staat niet ingegaan op de stelling van de Stichting betrekking hebbend op het niet beslissen door de Staat op de aanvragen.

2.9.4 Het Hof overweegt dat, nu de Staat stelt dat zij in 1997 heeft gereageed op de aanvraag van 1997 en verder niets heeft gesteld of overgelegd met betrekking tot het beslissen op de aanvragen van de Stichting uit de jaren 2000 en 2007, vast komt te staan dat de Staat niet heeft beslist op de aanvragen van de Stichting gedaan in 2000 en 2007. De kantonrechter heeft daarom terecht overwogen dat de Stichting niet prematuur is in haar vordering.

De grieven VI en VIII zullen daarom worden verworpen.

De beoordeling van de grieven V, VII en IX

2.10.1 Het Hof zal deze drie grieven samen bespreken nu de grieven met elkaar in verband staan.

De Stichting heeft op deze grieven aangevoerd dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat de burgerlijke rechter bevoegd is om de Staat te bevelen een grondhuurbeschikking in te trekken indien bij de uitgifte onrechtmatig is gehandeld en de rechtsplicht bestaat om aan een onrechtmatige toestand een eind te maken. Het is niet juist dat de kantonrechter de wederzijdse belangen niet voldoende tegen elkaar heeft afgewogen. De kantonrechter heeft terecht geoordeeld dat er geen sprake is geweest van onrechtmatige occupatie, immers, de Stichting ontplooide gemeenschapsactiviteiten op het perceel en de Staat was daarvan op de hoogte.Voorts heeft de Staat niet betwist dat zij in casu de aanvragen van de Stichting en van [Naam] niet in de volgorde van ontvangst heeft behandeld waardoor zij in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

2.10.2 Het Hof overweegt dat de Staat, gelijk de Stichting stelt en gelijk de kantonrechter heeft overwogen, blijkens de stellingen en weren van partijen en de overgelegde producties, niet de volgorde van ontvangst heeft aangehouden bij het nemen van het besluit omtrent het perceel dat is uitgegeven aan [Naam]. 

De Stichting had erop mogen rekenen dat de Staat eerder een beslissing zou nemen op haar verzoek dan het verzoek van [Naam], nu zij haar verzoek eerder had ingediend. De Staat heeft hierdoor gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.

Ook is niet betwist dat een aanvraag tot het verlenen van het recht van grondhuur, van [Naam] ontbreekt. Voorts is niet door de Staat betwist dat zij ervan op de hoogte was dat de Stichting gemeenschapsactiviteiten ontplooide op het perceel en dat zij daar geen bezwaren tegen heeft geopperd. Het is dan ook niet onbegrijpelijk dat de kantonrechter aannemelijk heeft geacht dat de Stichting niet kan worden aangemerkt als onrechtmatig occupant en dat de uitgifte van een deel van het perceel aan [Naam], niet conform de wettelijke procedures is verlopen.

Het Hof zal op grond hiervan ook deze drie grieven verwerpen.

2.11 Het Hof overweegt dat op grond van al het voorgaande het vonnis waarvan beroep, in conventie en reconventie, zal worden bevestigd. 

2.12 Het Hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig en zal de Staat, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten verwijzen, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

  1. De beslissing

Het Hof

3.1 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in kort geding in conventie en reconventie gewezen en uitgesproken op 16 april 2009 bekend onder AR. No. 073593 in het eerste kanton;

3.2  Veroordeelt  de Staat in de proceskosten, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep begroot op SRD.697,50

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. A.C. Johanns, leden en bij vervroeging uitgesproken door        mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 21 januari 2022 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., Fungerend-Griffier. 

 

w.g. S.C. Berenstein                       w.g. D.D. Sewratan

 

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. A.C.A. Karg namens advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon, gemachtigde van geïntimeerde, terwijl appellant noch bij gemachtigden noch bij vertegenwoordiging is verschenen.

 

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld