- Instantie Hof van Justitie
- Zaaknummer Art. 54c WvSv
- Uitspraakdatum 27 februari 2023
- Publicatiedatum 02 maart 2023
- Rechtsgebied Strafrecht
-
Inhoudsindicatie
De rechter-commissaris heeft terecht geoordeeld dat uit de aanwezige processen-verbaal welke vooraf zijn gegaan aan de aanhouding en de inverzekeringstelling van appellant, voldoende feiten en omstandigheden zijn gebleken, welke een redelijk vermoeden van schuld opleveren tegen verdachte voor de in het bevel tot inverzekeringstelling genoemde strafbare feiten. Dit leidt ertoe dat de beroepen beschikking in zoverre zal worden bevestigd onder aanvulling en verbetering van gronden.
Voorts is het Hof van oordeel dat hoewel er een redelijk vermoeden van schuld aan de zijde van appellant bestond er thans geen dringende noodzakelijkheid bestaat tot verlenging van de inverzekeringstelling van appellant. Immers kan het ingesteld onderzoek worden voortgezet en afgerond zonder dat er een noodzaak bestaat om de vrijheidsbeneming van appellant te continueren.
Uitspraak
HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN
(Ex artikel 54 c van het Wetboek van Strafvordering)
Op het Hoger Beroep van de appellant, Biervliet Stephano Eduard Waidi, meergenoemd “Pakittow”, ingediend op 23 februari 2023 door mrs. B.A.H. Pick en Ch. Algoe, advocaten bij het Hof van Justitie (hierna: het Hof), namens de appellant tegen de beschikking van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten d.d. 22 februari 2023 ter zake het verzoek tot invrijheidstelling (ex artikel 54 a van het Wetboek van Strafvordering, hierna: Sv).
Grondslag van de inverzekeringstelling
Appellant voornoemd is op 18 februari 2023 in verzekering gesteld terzake verdenking van verstoring openbare orde of ontwrichting van het economisch leven der maatschappij; medeplichtigheid tot openlijke geweldpleging tegen personen of goederen; medeplichtigheid tot opzettelijke brandstichting; medeplichtigheid tot diefstal door meer of twee verenigde personen; medeplichtigheid tot vernieling of beschadiging van goederen, zoals omschreven in de artikelen 179; 177; 169; 189 jo 72 jo 73; 207 jo 72 jo 73; 371 jo 72 jo 73; 414 jo 72 jo 73 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
Het verloop van de behandeling in hoger beroep
Het Hof heeft kennis genomen van het beroepschrift d.d. 23 februari 2023 en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier.
Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van 23 februari 2023 bepaald dat de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op vrijdag 24 februari 2023 om 13.00 uur des namiddags zal plaatsvinden.
Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord:
- de raadslieden van appellant, mrs. B.A.H. Pick en Ch. Algoe, advocaten bij het Hof van Justitie;
- de waarnemend Procureur-Generaal, mr. C. Rasam, namens het Openbaar Ministerie;
- de appellant (telefonisch).
Beschikking van de rechter-commissaris
Bij beschikking d.d. 22 februari 2023 heeft de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten het verzoek tot invrijheidstelling van de appellant afgewezen en de inverzekeringstelling van appellant rechtmatig verklaard.
Ontvankelijkheid van de appellant
De beschikking van de rechter-commissaris is gedateerd 22 februari 2023. Het beroepschrift tegen de beschikking van de rechter-commissaris is op 23 februari 2023 ingediend bij de griffier van de rechter-commissaris, die het onmiddellijk heeft doorgeleid naar de griffier van het Hof; hierdoor is het beroep binnen de in artikel 54 c Sv vastgestelde termijn ingediend, zodat appellant ontvankelijk is in zijn appél.
De grieven van appellant:
De raadslieden hebben namens de appellant grieven opgeworpen, met het oog op vernietiging van de beschikking van de rechter-commissaris en opnieuw rechtdoende de onmiddellijke invrijheidstelling van de appellant te gelasten.
De grieven van appellant komen – verkort en zakelijk weergegeven – op het volgende neer:
- ten onrechte heeft de rechter-commissaris overwogen “ dat uit de aanwezige processen-verbaal, welke vooraf zijn gegaan aan de aanhouding en de inverzekeringstelling van de verdachte, voldoende feiten en omstandigheden zijn gebleken, welke een redelijk vermoeden van schuld opleveren tegen verdachte voor de in het bevel tot inverzekeringstelling genoemde strafbare feiten”. Immers zijn deze uit niets gebleken. Door de raadslieden is gemotiveerd aangegeven dat die er niet zijn. In de reactie van het Openbaar Ministerie zijn 3 verklaringen genoemd, welke door haar zijn samengevat zonder daarbij enig feit, dan wel omstandigheid te noemen waaruit dat redelijk vermoeden kan worden gehaald. Het had op de weg van de rechter-commissaris gelegen, nu hij afwijzend heeft beslist op het verzoek van appellant, om aan te geven wat die feiten en omstandigheden zijn. Immers behoort een rechter elke beslissing en zeker afwijzende beslissingen deugdelijk te motiveren. De rechter-commissaris kan nimmer volstaan met een standaardformulering, terwijl door de raadslieden gemotiveerd gronden zijn aangevoerd waaruit blijkt dat voorafgaand aan de inverzekeringstelling geen feiten en omstandigheden aanwezig waren om appellant als verdachte aan te merken.
- appellant is ten onrechte als verdachte aangemerkt. Zo is uit het onderzoek gebleken dat appellant een vreedzame protestactie heeft georganiseerd waarbij overleg en afstemming is geweest met de justitiële autoriteiten. Appellant is nu reeds langer dan 8 jaren activist en hij heeft steeds vreedzame protesten georganiseerd dan wel gehouden. Uit alle feiten en omstandigheden is gebleken dat er op 17 februari 2023 naast de groep van appellant, welke bestond uit vreedzame protesteerders, andere groepen aanwezig waren die een hele andere agenda hadden. Het is evident dat de groep protesteerders en de groep plunderaars niet dezelfde waren. Appellant kan nimmer strafrechtelijk verantwoordelijk worden gesteld voor gedragingen van anderen waar hij absoluut geen connectie mee heeft gehad. De verwijten genoemd in het bevel tot inverzekeringstelling zijn doleuze delicten en is er zelfs dubbel opzet vereist voor de feiten waar appellant medeplegen dan wel medeplichtigheid wordt verweten. Uit geen enkel feit noch omstandigheid is gebleken van enig opzet van appellant aan brandstichting, diefstal, vernieling, openlijke geweldpleging en ordeverstoring.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de grieven, onder meer, het volgende aangevoerd:
- de beschikking van de rechter-commissaris is voldoende gemotiveerd en kan bevestigd worden.
- het zou volgens appellant een vreedzame betoging worden maar het is geheel uit de hand gelopen waarbij er is vernield en geplunderd. De vraag rijst hoe de mobilisatie heeft plaatsgevonden uit de verschillende buurten. Daarnaast is er een video rond gegaan van de appellant waarbij hij zelf aangeeft dat als er iets gebeurt dan kan de politie hem oppakken. Daarnaast zegt de bestuurder van de truck, Ramharakh, dat hij op instigatie van appellant moest doorrijden vanuit het DNA-gebouw naar de richting van het Kabinet van de President van de Republiek Suriname. De verschillende diensten stonden daar opgesteld en gelet op de snelheid van de truck waren zij genoodzaakt de banden van de truck lek te schieten. Er is niet gebleken dat appellant heeft getracht om de menigte tot rust aan te manen toen het geheel begon te escaleren. De ordediensten van de Staat kunnen moeilijk op deze calamiteiten voorbereid zijn.
- er is nog onderzoeksbelang aanwezig. De mensen van Triple Security moeten nog gehoord worden en met appellant geconfronteerd worden.
De beoordeling:
- Het Hof zal beide grieven simultaan aan een bespreking onderwerpen aangezien die in de kern op hetzelfde neer komen. Beide grieven hebben in de visie van het Hof als kern dat de appellant ten onrechte als verdachte is aangemerkt aangezien er daartoe onvoldoende feiten en omstandigheden zijn voortgevloeid uit het ingesteld onderzoek. Door zulks aan te nemen en daarbij een standaardformulering te hanteren heeft de rechter-commissaris in de visie van de verdediging van appellant de beroepen beschikking niet op rechtens juiste wijze met redenen omkleed (althans zo vat het Hof dat op).
- Naar het oordeel van het Hof is voormelde grief voor zover het betreft de ontoereikende motivering van de beroepen beschikking gegrond. In de visie van het Hof diende de rechter-commissaris in casu niet te volstaan met een standaardmotivering in de beroepen beschikking maar gelet op de maatschappelijke “impact” van deze zaak en hetgeen de raadslieden hadden aangevoerd had het op de weg van de rechter-commissaris gelegen om daar nader op in te gaan. Gegrondverklaring van deze grief leidt evenwel niet tot vernietiging van de beroepen beschikking aangezien het Hof deze manco zal repareren in hoger beroep en de beroepen beschikking op dit punt zal aanvullen en verbeteren.
- Uitgaande van de verweten gedragingen, te weten verstoring openbare orde/opruiing/aanprijzing tot verstoring openbare orde/medeplegen casu quo medeplichtigheid aan openlijke geweldpleging/medeplegen casu quo medeplichtigheid aan veroorzaken brand/medeplegen casu quo medeplichtigheid aan gekwalificeerde diefstal/medeplegen casu quo medeplichtigheid aan vernieling, komt het Hof tot de navolgende slotsom. Naar het oordeel van het Hof blijkt uit het voorlopig strafdossier vooralsnog niet dat er op enigerlei wijze een connectie bestaat tussen appellant en de verwijten ter zake opruiing/openlijke geweldpleging/ veroorzaken brand/gekwalificeerde diefstal/vernieling. In de visie van het Hof is uit het tot dusver ingesteld onderzoek niet gebleken dat appellant op enigerlei wijze als verdachte kan worden aangemerkt van deze delicten. Er zijn in de visie van het Hof geen feiten en/of omstandigheden gebleken uit het tot dusver ingesteld onderzoek die enige verdenking ten aanzien van het voorgaande zouden kunnen schragen.
- Anders ligt het ten aanzien van de verwijten betreffende het verstoren van de openbare orde (artikel 179 Sr) casu quo het aanprijzen tot verstoring van de openbare orde (artikel 169 Sr). Dienaangaande is het Hof van oordeel dat voorafgaande aan de inverzekeringstelling van appellant wel een redelijk vermoeden van schuld aanwezig is geweest ter zake van voormelde delicten. Het voorgaande wordt gegrondvest op de verklaring van Ramharakh Asween (de bestuurder van de truck) die heeft aangegeven dat het op den duur onoverzichtelijk werd op het plein daar de mensen verhit raakten waarna appellant de opdracht gaf om achter hem en mede protestanten aan te rijden in de richting van het Kabinet van de President, alwaar de militairen en politie agenten in linie stonden met wapenstokken en schilden. Voorts heeft Hughes, Errol aangegeven dat appellant op enig ogenblik van de trekker was afgestapt en voor de soundtruck was gaan staan en de uitlating in het Surinaams deed “ famirie if oe noh wang goh, kong goh massaal goh tak nanga mang “ en zwaaide hij met de Surinaamse vlag aan de voorkant (van de soundtruck). De rechter-commissaris heeft in zoverre in de visie van het Hof terecht geoordeeld dat uit de aanwezige processen-verbaal welke vooraf zijn gegaan aan de aanhouding en de inverzekeringstelling van appellant, voldoende feiten en omstandigheden zijn gebleken, welke een redelijk vermoeden van schuld opleveren tegen verdachte voor de in het bevel tot inverzekeringstelling genoemde strafbare feiten. Evenwel heeft de rechter-commissaris met het hanteren van deze constructie qua formulering niet gedifferentieerd naar type delict hetgeen het Hof thans wel heeft gedaan.
- De consequentie van voorgaande redenering is dat de beroepen beschikking zal worden bevestigd onder aanvulling en verbetering van gronden.
- Uit het strafdossier blijkt dat inmiddels de verlenging van de inverzekeringstelling van appellant is ingegaan op 25 februari 2023. Dienaangaande is het Hof van oordeel dat hoewel er een redelijk vermoeden van schuld aan de zijde van appellant bestond er thans geen dringende noodzakelijkheid bestaat tot verlenging van de inverzekeringstelling van appellant. Immers kan het ingesteld onderzoek worden voortgezet en afgerond zonder dat er een noodzaak bestaat om de detentie van appellant te continueren. Het Hof houdt het ervoor dat appellant beschikbaar zal blijven voor de continuering van het onderzoek van deze zaak en waar nodig zijn medewerking aan het onderzoek zal blijven verlenen.
- Uit het voorgaande vloeit voort dat de continuering van de verlengde inverzekeringstelling
van appellant onrechtmatig zal worden verklaard en de onmiddellijke invrijheidstelling van appellant zal worden gelast.
BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP:
- Verklaart het hoger beroep van appellant tegen de beroepen beschikking ongegrond.
- Bevestigt de beroepen beschikking van de rechter-commissaris de dato 22 februari 2023.
- Verklaart de continuering van de verlengde inverzekeringstelling van appellant onrechtmatig.
- Gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van de appellant, Biervliet Stephano Eduard Waidi alias “Pakkitow”,
Aldus gegeven te Paramaribo op maandag 27 februari 2023 in raadkamer van het Hof van Justitie door: mr. A. Charan, fungerend-president, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden-Plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier mr. K.S. Mahabier.