- Instantie Hof van Justitie
- Zaaknummer Artikel 243 WvSv
- Uitspraakdatum 14 oktober 2024
- Publicatiedatum 11 juni 2025
- Rechtsgebied Strafrecht
-
Inhoudsindicatie
Vernietiging beschikking kantonrechter dat sprake was van lichtvaardige vervolging van de verdachte op ontoereikende gronden. Het Hof dient slechts een summiere toetsing uit te voeren en niet zelf op de stoel van de zittingsrechter te gaan zitten. De belastingdienst had gevraagd om een onderzoek omdat het door de verdachte opgegeven inkomen niet overeenkwam met zijn uitgavenpatroon. Het Hof is na kennisname van het strafdossier en de tenlastelegging van oordeel dat de door de vervolging aangevoerde gronden vooralsnog voldoende aanleiding geven om de verdachte in het openbaar terecht te laten staan en verwijst de zaak terug naar de kantonrechter.
Uitspraak
HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
Meervoudige strafkamer
Beslissing van 14 oktober 2024
Op het hoger beroep ingediend door:
De vervolgingsambtenaar, MR. R. KOENDAN, namens het OPENBAAR MINISTERIE, appellant contra de verdachte [NAAM],
Het hoger beroep is gericht tegen de beschikking inzake beklag ex artikel 243 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: WvSv) van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 9 juli 2024, hierna te noemen de gewraakte beschikking;
1. Procesverloop
1.1 Mr. R. Koendan heeft namens het Openbaar Ministerie op donderdag 11 juli 2024 hoger beroep ex artikel 232 Sv. aangetekend bij het Hof van Justitie (hierna: Hof) tegen de gewraakte beschikking van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 9 juli 2024.
1.2 Het Hof heeft op 12 juli 2024 bepaald dat de behandeling van het beroepschrift in raadkamer zal plaatsvinden op maandag 12 augustus 2024 om 11.00 uur des voormiddags.
1.3 De behandeling van het beroepschrift in Raadkamer heeft plaatsgevonden op maandag 12 augustus 2024, zijnde daarvan door de griffier proces-verbaal opgemaakt hetwelk zich onder de processtukken bevindt.
1.4 Daarna is bepaald dat in deze zaak een beslissing zal volgen op heden.
2. Het standpunt van appellant
Appellant heeft ter onderbouwing van het beroep – voor zover van belang – als grieven aangevoerd dat:
2.1. primair de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn verzoek en dat de beschikking van de Kantonrechter wordt vernietigd, omdat appellant heeft gemerkt dat de termijn van 3 dagen niet in acht is genomen bij het indienen van het bezwaarschrift. De dagvaarding is op 12 juni 2024 betekend aan de verdachte. Het bezwaarschrift van de verdachte is wel gedateerd 14 juni 2024, maar uit de oproepbeschikking van de kantonrechter blijkt dat het bezwaarschrift is ingediend op 18 juni 2024. Naar de mening van appellant moest [naam] niet-ontvankelijk verklaard worden door de Kantonrechter. Hieraan is de Kantonrechter voorbij gegaan.
2.2. secundair de beschikking van de Kantonrechter wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar de terechtzitting om verder behandeld te worden. Appellant is van mening dat de Kantonrechter onterecht heeft geoordeeld dat de feiten en omstandigheden geen ernstige bezwaren opleveren tegen de verdachte en dat aan de hand van het onderzoek er geen termen aanwezig zijn dat er sprake zou kunnen zijn van Money Laundering. Het gaat erom dat de belastingdienst heeft gevraagd om een onderzoek in te stellen, omdat is gebleken dat het zuiver inkomen dat de verdachte aangeeft bij de belastingdienst helemaal niet overeenkomt met het uitgavenpatroon van hem. Er is een onderzoek geweest en het blijkt dat de verdachte meerdere ondernemingen en vermoedelijk meerdere inkomsten heeft
die de belastingdienst niet heeft bereikt. De verdachte heeft maar één bedrijf geregistreerd bij de belastingdienst terwijl hij zelf heeft aangegeven dat hij meerdere bedrijven heeft. Er is onderzoek gedaan bij MI-GLISS waaruit blijkt dat deze verdachte 22 eigendomspercelen heeft. Deze eigendomspercelen zijn ondergebracht in 14 stichtingen. Deze verdachte geeft aan dat hij 2 keer geld geleend heeft bij zijn oom die in Amerika woont, maar het is opmerkelijk dat hij die investeringen heeft gedaan voordat hij geld geleend heeft bij zijn oom. Zijn oom is ook gehoord en hij geeft aan dat hij in het jaar 2021 een lening had verstrekt aan [naam]. De verdachte geeft aan dat hij een tweede lening heeft genomen bij zijn oom in de tweede helft van het jaar 2022 waarbij hij een bedrag van USD 3.3 miljoen heeft geleend en waarvan hij een schuldbekentenis heeft die echter alleen door hem is ondertekend. Aan de hand van het vermogen van de verdachte heeft hij voordat de leningen zijn verstrekt investeringen gepleegd. Hij heeft percelen contant gekocht en betaald. Een bedrag van EURO 1 miljoen is 8 tot 9 jaar geleden contant betaald om percelen aan te schaffen. De verdachte heeft tot nu toe niet kunnen aantonen hoe hij aan de gelden is gekomen. Zijn legale bron van inkomsten kan dus niet geverifieerd worden. De belastingdienst heeft in hun schrijven aangegeven dat er sprake is van belastingontduiking. In de jurisprudentie heeft de Hoge Raad aangegeven dat vermogensbestanddelen afkomstig van de belastingontduiking ook vallen onder vermogen dat afkomstig is van een misdrijf. Verder geeft de wet limitatief aan wanneer er sprake is van buitenvervolgingstelling en de Kantonrechter heeft dat niet kunnen motiveren.
3. De reactie van de verdediging van de verdachte.
3.1. De verdediging stelt dat zij duidelijk aannemelijk en aantoonbaar hebben gemaakt dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend en wel op 14 juni 2024. Het stuk is ingediend op 14 juni 2024 en verwerkt op een andere datum. Dit kan nooit aan [naam] worden toegerekend.
3.2. De Rechter-Commissaris is op enig moment tot de conclusie gekomen dat de
inverzekeringstelling ten aanzien van [naam] niet langer noodzakelijk was.
3.3. De dagvaarding is te lichtvaardig. Volgens Tekst en Commentaar biedt de procedure zoals die geregeld is in art. 243 Sv. een waarborg tegen een lichtvaardige dagvaarding en daarmee tegen een nodeloze openbare terechtzitting voor [naam] en dient derhalve de vraag gesteld te worden of het “hoogst onaannemelijk is dat de strafrechter, later oordelend, door de door hem geleverde bewijsvoering het ten laste gelegde feit geheel of gedeeltelijk bewezen zal achten.’’ Verder wordt in Tekst en Commentaar gesteld “ook de doeltreffendheid van (juridische verweren) dient met inachtneming van het summiere karakter van de procedure te worden beoordeeld.”
3.4. Bij het toepassen van het criterium is de Kantonrechter het ook eens geweest met wat de verdediging naar voren heeft gebracht dat het G.V.O. niet die bewijzen heeft kunnen verzamelen die het ten laste gelegde feit zal kunnen bewijzen en dat het dientengevolge hoogst onwaarschijnlijk is dat de Kantonrechter het ten laste gelegde feit deels of geheel bewezen zal achten.
4. De gewraakte beschikking
De Kantonrechter heeft in de gewraakte beschikking – kort gezegd – overwogen dat de feiten en omstandigheden geen ernstige bezwaren opleveren ten aanzien van de verzoeker/verdachte van de aan hem verweten feiten. Verder dat aan de hand van het onderzoek geen termen aanwezig zijn dat er sprake zou kunnen zijn van Money Laundering. De kantonrechter komt tot de slotsom dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat hij later oordelend tot een gehele of gedeeltelijke bewezenverklaring zal komen en derhalve acht de Kantonrechter termen aanwezig die de buitenvervolgingstelling van de verzoeker/verdachte rechtvaardigen.
5. De beoordeling
5.1. Ten aanzien van het niet-ontvankelijkheidsverweer dat is opgeworpen door de vervolging oordeelt het Hof als volgt. Naar het oordeel van het Hof heeft de verdediging voldoende aannemelijk gemaakt dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend en wel op 14 juni 2024. Nu de dagvaarding op 12 juni 2024 aan de verdachte is betekend is het bezwaarschrift met inachtneming van de termijn van drie dagen zoals bedoeld in artikel 243 lid 1 Sv.
ingediend, weshalve het daartoe strekkend verweer van de vervolging zal worden verworpen. Aan het voorgaande doet niet af dat de Kantonrechter in de oproepingsbeschikking als datum van indiening van het bezwaarschrift de datum van 18 juni 2024 heeft vermeld. Immers heeft dezelfde Kantonrechter in de beroepen beschikking de datum van 14 juni 2024 als indieningsdatum van het bezwaarschrift vermeld (zie aanhef van de beschikking van de Kantonrechter alsmede het kopje “ontvankelijkheid voor het indienen van het bezwaarschrift”). Gelet op het voorgaande zal het Hof het er in casu voor houden dat de vermelding van de datum van 18 juni 2024 als indieningsdatum in de oproepbeschikking op een verschrijving berust.
5.2. De centrale vraag waar het in casu om draait is of er in casu al dan niet sprake is van een lichtvaardige vervolging casu quo dat de verdachte op ontoereikende gronden in het openbaar dient terecht te staan. De vervolging beantwoordt deze vraag in ontkennende zin terwijl de verdediging en de Kantonrechter voormelde vraag in bevestigende zin beantwoorden. Het Hof zal in het hierna volgende op deze vraag ingaan.
5.3. In de visie van het Hof betreft het in dit kader een summier onderzoek en zal het Hof niet volledig op de stoel van de zittingsrechter gaan zitten maar slechts op het puntje van die stoel plaatsnemen. Die positionering op de stoel van de zittingsrechter doet na kennisname van het strafdossier in samenhang bezien met de tenlastelegging zoals die in de dagvaarding is opgenomen, de balans in de richting van de vervolging omslaan. De door de vervolging aangevoerde gronden bieden vooralsnog in de visie van het Hof voldoende aanleiding om de verdachte op toereikende gronden in het openbaar te doen terechtstaan. Al hetgeen de verdediging diengaande heeft aangevoerd wordt met het voorgaande geacht te zijn besproken en verworpen.
5.4. De consequentie van al hetgeen hiervoor is overwogen is dat het hoger beroep gegrond is weshalve de gewraakte beschikking zal worden vernietigd. Opnieuw rechtdoende zal het bezwaar gegrond worden verklaard en zal de zaak worden terug verwezen naar de Kantonrechter ter afdoening met in achtneming van de beslissing van Hof.
6. Beslissing in hoger beroep
6.1. Verklaart het ingesteld hoger beroep tegen de gewraakte beschikking gegrond;
6.2. Vernietigt de beschikking van de Kantonrechter gegeven in het Tweede Kanton op 9 juli 2024, waarvan beroep;
EN OPNIEUW RECHTDOENDE:
6.3. Verwijst de zaak terug naar de Kantonrechter in het Tweede Kanton ter afdoening met inachtneming van de beslissing van het Hof;
6.4. De zaak zal daartoe worden afgeroepen ter rolle van een nader door de Kantonrechter in het Tweede Kanton vast te stellen datum en tijdstip;
Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op maandag 14 oktober 2024 door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S.J.S. Bradley en mr. C. L. Ravenberg, rechters met bijstand van mevrouw Z.T.B. de Lisle, LL.B., ad hoc Fungerend-Griffier.
w.g. Z. de Lisle w.g. A. Charan
w.g. S. Bradley
w.g. C. Ravenberg
Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)