- Instantie Hof van Justitie
- Zaaknummer G.R. no. 16171/CIVAR no. 2021H00048
- Uitspraakdatum 07 februari 2025
- Publicatiedatum 03 juni 2025
- Rechtsgebied Civiel recht
-
Inhoudsindicatie
Hoger beroep in kort geding aangespannen door de Bond en twee individuele medewerkers. SLM heeft met een beroep op onvoorziene omstandigheden vanwege substantiële omzetvermindering in de luchtvaartbranche tijdens de covid pandemie eenzijdig de lonen en toelages van medewerkers verlaagd door tussen september 2020 en december 2023 een veel lagere koers te hanteren dan in de CAO was afgesproken. Het betaalde loon was per periode variërend van de helft tot een/vijfde deel ten opzichte van wat was overeengekomen.
Het Hof onderscheidt drie stappen ter beantwoording van de vraag of een werknemer positief moet reageren op een voorstel tot loonsvermindering:
(1) is er sprake van gewijzigde omstandigheden die nopen tot wijziging van de overeenkomst?,
(2) is het gedane voorstel tot wijziging van de overeenkomst in het licht van alle omstandigheden van het geval redelijk?, en
(3) kan aanvaarding van het voorstel in redelijkheid van de werknemer worden gevergd?
De werkgever dient derhalve de belangen van de werknemer bij zijn voorstel te betrekken en ontkomt er niet aan om in dat licht de werknemer uit te nodigen voor overleg. Dat vloeit ook voort uit goed werkgeverschap. Deze maatstaf geldt niet alleen voor individuele wijzigingen, maar ook voor collectieve wijzigingen. De werkgever dient het bestaan van de gewijzigde omstandigheden aan te tonen en aannemelijk te maken dat die de verandering van de arbeidsvoorwaarden rechtvaardigen. De verplichting tot betaling van loon is een primaire verplichting van de werkgever als tegenprestatie voor de verrichte arbeid, waarvan werknemers en hun gezinnen voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn.
Werknemers kunnen de vraag of de werkgever bij teruglopende omzet een voorstel tot loonsverlaging mag doen, slechts beoordelen als de werkgever ze informeert over de hoogte van de verminderde omzet, de totale lasten van de onderneming, de beschikbare liquide middelen en eventuele overige maatregelen die de financiële verplichtingen van de onderneming kunnen verlagen. Nu SLM de verminderde omzet niet met cijfers heeft onderbouwd, kan de loonsvermindering niet op redelijkheid worden getoetst en kan niet worden gezegd dat werknemers deze moeten aanvaarden.
Het Hof acht het redelijk om in de beslissing aan te sluiten bij het “principe akkoord” tussen de Bond en de directie van SLM van oktober 2020, op grond waarvan voor de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2023 doorbetaling van loon en toelages was opgenomen tegen de in de CAO overeengekomen SRD-koers met een verminderingspercentage per loonschaal oplopend van 12 tot 25.
Uitspraak
GR- 16171
Civarnr. 2021H00048
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
VONNIS
In de zaak van
a.
de vereniging van werknemers BOND VAN HET PERSONEEL WERKZAAM BIJ DE SURINAAMSE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
appellante in kort geding sub 1,
b.
[Appellant in kort geding sub 2],
wonende te [plaats],
appellant in kort geding sub 2,
c.
[appellant in kort geding sub 3],
wonende te [plaats],
appellant in kort geding sub 3,
hierna ook te noemen respectievelijk de Bond, [appellant in kort geding sub 2] en [appellant in kort geding sub 3],
gemachtigde: mr. Elleson M. Fraenk, advocaat,
tegen
de naamloze vennootschap DE SURINAAMSE LUCHTVAARTMAATSCHAPPIJ N.V.
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding,
hierna ook te noemen: SLM,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen appellanten als eisers en geïntimeerde als gedaagde gewezen vonnis in kort geding van 18 maart 2021 (A.R. No. 20-3838), spreekt het Hof, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.
1. Het procesverloop in hoger beroep
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen;
- het tussenvonnis van het hof van 7 juli 2023 en de daarin genoemde stukken;
- een stuk waarvan de kop luidt: “salaris/koers ontwikkeling SLM sep 20-dec 23”, ter comparitie overgelegd zijdens de Bond;
- de brief van de gemachtigde van de Bond ter griffie ontvangen op 19 januari 2024;
- de brief van de gemachtigde van SLM ter griffie ontvangen op 19 januari 2024.
Omdat partijen geen minnelijke regeling hebben bereikt is de uitspraak van het vonnis nader bepaald op heden.
2. De beoordeling
1. Volhard wordt bij het tussenvonnis van 7 juli 2023.
2. De kantonrechter heeft bij het vonnis, waarvan appel, de Bond niet ontvankelijk verklaard. Bij voormeld tussenvonnis van 7 juli 2023 heeft het hof reeds geoordeeld dat naast
[appellant in kort geding sub 2] en [appellant in kort geding sub 3], ook de Bond in haar vordering kan worden ontvangen.
3. Zoals bij dat tussenvonnis is overwogen stellen de grieven in volle omvang aan de orde het antwoord op de vraag of de kantonrechter op toereikende gronden heeft geoordeeld dat het SLM in de omstandigheden van het geval vrij staat om eenzijdig te bepalen dat vanaf 22 september 2020 inzake de loonbetaling een koers wordt gehanteerd van 7,52 SRD tegen 1 US$, in plaats van de tussen partijen overeengekomen unificatiekoers, die per september 2020 is vastgesteld op SRD 14,29 tegen 1 US$, niet alleen met betrekking tot een aantal specifiek genoemde toelagen maar ook met betrekking tot het loon dat SLM vanaf 22 september 2020 aan haar werknemers verschuldigd is.
4. Uit het ter comparitie in het geding gebrachte overzicht “salaris/koers ontwikkeling SLM sep 20 – dec 23” blijkt, dat het loon ten gevolge van de door SLM toegepaste koers in vrijwel de gehele periode van september 2020 tot en met mei 2022 (derhalve 21 maanden) en van oktober 2022 tot en met februari 2023 (5 maanden) nagenoeg de helft bedroeg van het met toepassing van de overeengekomen koers (de zgn. “unificatiekoers” of “administratiekoers”) verschuldigde loon (exclusief emolumenten). In de maanden juni, juli en augustus 2022 en maart tot en met juni 2023 bedroeg de verlaging ongeveer een-derde deel van het loon, in juli en augustus 2023 een kwart en vanaf september tot en met december 2023 bedroeg de verlaging van het loon ongeveer een-vijfde deel van het loon.
5. SLM is daartoe, zoals reeds bij tussenvonnis vastgesteld, eenzijdig, derhalve zonder instemming van de Bond of de individuele werknemers, overgegaan.
6. Hiertoe beroept SLM zich op onvoorziene omstandigheden, in het bijzonder op de ontwikkelingen in de luchtvaartbranche ten gevolge van de covid pandemie, waardoor zij in een financiële crisis terecht is gekomen.
7. Kort weergegeven hebben appellanten zich op het standpunt gesteld dat SLM niet eenzijdig tot zo een drastische wijziging van de arbeidsvoorwaarden bevoegd is.
8. Gelet hierop spitst het debat tussen partijen zich toe op het antwoord op de vraag onder welke omstandigheden en voorwaarden SLM eenzijdig de lonen van haar werknemers mag verminderen.
9. Voorop zij gesteld dat tussen partijen geen eenzijdig wijzigingsbeding is overeengekomen.
10. De maatstaf die bij de beantwoording van voormelde vraag tot uitgangspunt dient, is bij tussenvonnis verwoord onder 5.8 en 5.9. Er zijn drie stappen te onderscheiden ter beantwoording van de vraag of een werknemer positief moet reageren op een voorstel tot wijziging: (1) is er sprake van gewijzigde omstandigheden die nopen tot wijziging van de overeenkomst?, (2) is het gedane voorstel tot wijziging van de overeenkomst in het licht van alle omstandigheden van het geval redelijk?, en (3) kan aanvaarding van het voorstel in redelijkheid van de werknemer worden gevergd? De werkgever dient derhalve de belangen van de werknemer bij zijn voorstel te betrekken en ontkomt er niet aan om in dat licht de werknemer uit te nodigen zijn belangen en standpunt terzake kenbaar te maken. Dat vloeit ook voort uit goed werkgeverschap. Deze maatstaf geldt niet alleen voor individuele wijzigingen, maar ook voor collectieve wijzigingen.
11. De hoofdregel is dat nu de werknemer bereid was de bedongen arbeid te verrichten hij aanspraak heeft op betaling van het volledige loon. Daarop kan een uitzondering worden gemaakt indien sprake is van gewijzigde omstandigheden die niet geheel liggen in de risicosfeer van de werkgever. Omdat het om een uitzondering op de hoofdregel gaat, is het aan de werkgever om aan te tonen, althans concreet aannemelijk te maken, dat die gewijzigde omstandigheden er zijn en dat die de verandering van de arbeidsvoorwaarden rechtvaardigen.
12. Partijen zijn het er over eens dat de covid pandemie vanaf in elk geval maart 2020 de luchtvaart branche in het algemeen en SLM in het bijzonder ernstig heeft getroffen in die zin dat het uitvoeren van vluchten aanvankelijk niet mogelijk was omdat het luchtruim werd gesloten en vervolgens na korte tijd vluchten weliswaar kon worden hervat, maar slechts in beperkte mate.
13. Omtrent het antwoord op de vraag of de negatieve bedrijfseconomische gevolgen die SLM heeft ondervonden van de covid pandemie gewijzigde omstandigheden opleveren zodanig dat het redelijk is het loon van haar werknemers te halveren respectievelijk te verminderen met een-derde deel en vervolgens met een kwart, respectievelijk een vijfde deel, wordt het volgende overwogen.
14. Bij de beoordeling van die vraag legt gewicht in de schaal in welke mate er sprake is van verminderde omzet, wat de totale lasten zijn van de onderneming, hoeveel liquide middelen de onderneming ter beschikking heeft en welke overige maatregelen kunnen worden getroffen om de financiële verplichtingen van de onderneming te kunnen verlagen. Van een werkgever die van mening is dat de gevolgen van de covid pandemie voor zijn bedrijfsvoering hem noodzaken tot een aanpassing van het loon, mag voorts worden verwacht dat hij zijn werknemers omtrent de hiervoor genoemde (financiële) gegevens informeert, alvorens een voorstel tot vermindering van het loon te doen. Deze werknemers kunnen de vraag of de werkgever bij teruglopende omzet als goed werkgever aanleiding heeft om een voorstel tot loonsverlaging te doen slechts beoordelen indien zij op dit punt over dezelfde informatie beschikken als de werkgever. Hetzelfde geldt ten aanzien van de vraag of het concrete voorstel tot vermindering van het loon redelijk is en of aanvaarding in redelijkheid van de werknemer kan worden gevergd.
15. SLM heeft geen stukken in het geding gebracht waaruit die verminderde omzet blijkt. Appellanten hebben er op gewezen (pagina 2 inleidend verzoekschrift) dat enig onderbouwing van de omzetvermindering – volgens SLM het zwaarwegend belang – ontbreekt. Appellanten hebben verder gesteld (inleidend verzoekschrift sub 8) dat SLM wel heeft gevlogen, zij het minder: 10 vluchten in september en oktober, 20 vluchten in november en 30 vluchten in december 2020. SLM heeft dat niet weersproken zodat dit vaststaat.
16. Gewicht in de schaal legt verder dat de verplichting tot betaling van loon een primaire verplichting van de werkgever is als tegenprestatie voor de arbeid, waarvan betaling voor de werknemer essentieel is omdat voor de meeste werknemers geldt dat zij voor de kosten van levensonderhoud van zichzelf en hun gezinsleden zijn aangewezen op het loon.
17. Nu omzetvermindering ten gevolge van de covid pandemie aannemelijk is, maar SLM heeft nagelaten tegenover de Bond en de individuele werknemers alsmede in deze procedure met concrete cijfers aannemelijk te maken in hoeverre sprake is van omzetvermindering, kan de loonvermindering die SLM heeft doorgevoerd niet op redelijkheid worden getoetst. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat aanvaarding van de vermindering van het loon met respectievelijk de helft, een-derde, een-kwart en met een vijfde kan worden gevergd van de werknemers.
18. Nu niettemin in de rede ligt dat ten gevolge van de covid pandemie bij SLM sprake is van substantiële omzetvermindering is het hof, bij deze stand van zaken, van oordeel dat het redelijk is aan te sluiten bij de uitkomst van het overleg dat de Bond en de directie van SLM op 14 oktober 2020 hebben gehad. Dat de Raad van Commissarissen van SLM dat onderhandelingsresultaat niet heeft bekrachtigd, doet hieraan niet af.
19. Bij brief van 22 oktober 2020 heeft de Bond aan de directie van SLM bevestigd dat het “principe akkoord” het volgende inhield:
“Uitbetaling Salaris:
- Het salaris wordt vanaf oktober 2020 uitbetaald tegen unificatiekoers, nu 14,29
- De “bevroren” toelagen: Reinigingstoelage, Energietoelage, Representatietoelage en Vervoerstoelage, worden vanaf oktober 2020 wederom uitbetaald.
Inhoudingen:
- Schaal 1-8:
Inhouding van 12% op het basisloon, 12% op reinigingstoelage en 12% op energietoelage
- Schaal 9-12:
Inhouding van 20% op het basisloon, 20% op reinigingstoelage en 20% op energietoelage, 20% op representatietoelage en 20% op vervoerstoelage
- Schaal 13 en daarboven:
Inhouding van 25% op het basisloon, 25% op reinigingstoelage en 25% op energietoelage, 25% op representatietoelage en 25% op vervoerstoelage”.
In dit verband stelt het hof vast dat de vakantietoelage van de vermindering is uitgezonderd.
Deze bevestiging sluit aan bij de inhoud van de notulen van de vergadering van de directie van SLM met de Bond op 14 oktober 2020 (prod. 12 bij het inleidend verzoekschrift) waaruit blijkt dat over en weer voorstellen zijn gedaan die hebben geresulteerd in “besluiten van de vergadering”.
20. Uit het verslag van de gesprekken blijkt niet dat een einddatum overeengekomen is. Er is, mede in aanmerking genomen dat de vordering ziet op het treffen van een voorlopige voorziening, aanleiding aan te sluiten bij het hiervoor aangehaalde overzicht “Salaris/koers ontwikkeling SLM sept 20-Dec 23”, zodat de door de Bond met de directie getroffen regeling wordt geacht te gelden van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2023.
21. Bij het inleidend verzoekschrift hebben [appellant in kort geding sub 2] en [appellant in kort geding sub 3] betaling gevorderd van het niet betaalde loon met ingang van 22 september 2020 en van de niet betaalde toeslagen met ingang van 1 mei 2020. De vorderingen wijken wat betreft tijdvak af van het door de directie met de Bond bereikte akkoord. De overeengekomen vermindering verschilt per loonschaal. Uit de stukken blijkt niet volgens welke loonschaal [appellant in kort geding sub 2] en [appellant in kort geding sub 3] ingaande oktober 2020 worden beloond. De arbeidsovereenkomsten van respectievelijk [appellant in kort geding sub 2] en [appellant in kort geding sub 3] zijn van oktober 2011 en maart 2014.
22. Gelet hierop wordt SLM veroordeeld om ter zake van loon aan [appellant in kort geding sub 2] te betalen het aan hem over het tijdvak van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2023 (krachtens de arbeidsovereenkomst en CAO) toekomende loon, vermeerderd met de reinigingstoelage, energietoelage, representatietoelage, vervoerstoelage alsmede vakantietoelage, maar verminderd met voormelde “inhouding” van respectievelijk 12%, 20% of 25% van het loon, de reinigingstoelage, de energietoelage, de representatietoelage en de vervoerstoelage, afhankelijk van de loonschaal waarin hij is ingedeeld, een en ander bij betaling in Surinaamse Dollars met toepassing van de unificatiekoers, en onder aftrek van hetgeen aan hem ter zake van loon en genoemde toelagen over die periode reeds is betaald.
23. SLM wordt verder veroordeeld om ter zake van loon aan [appellant in kort geding sub 3] te betalen het aan hem over het tijdvak van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2023 (krachtens de arbeidsovereenkomst en CAO) toekomende loon, vermeerderd met de reinigingstoelage, energietoelage alsmede vakantietoelage, maar verminderd met voormelde “inhouding” van respectievelijk 12%, 20% of 25% van het loon, de reinigingstoelage en de energietoelage, afhankelijk van de loonschaal waarin hij is ingedeeld, een en ander bij betaling in Surinaamse Dollars met toepassing van de unificatiekoers en onder aftrek van hetgeen aan hem ter zake van loon en genoemde toelagen over die periode reeds is betaald.
24. De Bond heeft gevorderd SLM te veroordelen aan de leden van de Bond te betalen de “vanaf 1 mei 2020 ingehouden toelagen” en te betalen het “niet uitbetaald deel van het salaris in Surinaamse dollars tegen de unificatiekoers” ingaande 22 september 2020 “en vervolgens iedere maand zolang het dienstverband met de respectievelijke leden voortduurt.”
Zoals reeds bij tussenvonnis van 7 juli 2023 ad 5.2 overwogen is het hof van oordeel dat de kantonrechter ten onrechte geen inhoudelijk oordeel heeft gegeven over de vordering van de Bond.
Tussen partijen staat vast dat SLM eenzijdig zonder instemming van de Bond en de individuele werknemers heeft ingegrepen in de CAO in die zin dat SLM vanaf 22 september 2020 een koers van 7,52 SRD tegen 1 US$ hanteert in plaats van de tussen partijen overeengekomen unificatiekoers bij de betaling van het loon en de toelagen die SLM ingaande 22 september 2020 verschuldigd is.
25. Bij art. 3.3, lid 2, van de CAO Surinam Airways heeft SLM het recht van de Bond erkend om de onder de bepalingen van de CAO vallende werknemers zowel collectief als individueel bij SLM te vertegenwoordigen.
Met inachtneming van het vorenoverwogene is er aanleiding SLM te veroordelen aan de leden van de Bond die onder de voormelde CAO vallen, te betalen het aan die leden over het tijdvak van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2023 krachtens de individuele arbeidsovereenkomst en de CAO toekomende loon, vermeerderd met de reinigingstoelage, energietoelage, representatietoelage vervoerstoelage alsmede vakantietoelage, voor zover daarop krachtens de functie en salarisschaal aanspraak bestaat, maar verminderd met voormelde “inhouding” van respectievelijk 12%, 20% of 25%, afhankelijk van de van toepassing zijnde loonschaal (uitgezonderd de vakantietoelage), bij betaling in Surinaamse Dollars met toepassing van de unificatiekoers, en onder aftrek van hetgeen ter zake van loon en genoemde toelagen over die periode reeds is betaald.
26. Op grond van het vorenoverwogene zijn de grieven terecht voorgedragen.
27. Wettelijke verhoging 1614q BW
Er is aanleiding de wettelijke verhoging te beperken tot 10%, zijnde niet gebleken dat betaling op een willekeurige grond achterwege is gebleven.
28. De wettelijke rente
De gevorderde wettelijke rente dient als niet betwist en op de wet gegrond te worden toegewezen, als gevorderd vanaf 30 november 2020 tot de dag der algehele voldoening.
29. De geïntimeerde zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.
Met betrekking tot de gevorderde advocaatkosten zal het Hof aansluiten bij het in het Procesreglement neergelegde liquidatietarief van SRD. 17.500,= namelijk SRD. 7.500,= voor de procedure in eerste aanleg en SRD 10.000,= voor het hoger beroep.
3. De beslissing
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep, gewezen onder rolnummer A.R. no. 20-3838 en
opnieuw rechtdoende:
a. veroordeelt SLM ter zake van loon aan [appellant in kort geding sub 2] te betalen het aan hem over het tijdvak van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2023 (krachtens de arbeidsovereenkomst en CAO) toekomende loon, vermeerderd met de reinigingstoelage, energietoelage, representatietoelage, vervoerstoelage alsmede vakantietoelage, maar verminderd met voormelde “inhouding” van respectievelijk 12%, 20% of 25% over het loon en over de reinigingstoelage, energietoelage, representatietoelage en vervoerstoelage, afhankelijk van de loonschaal waarin hij is ingedeeld, een en ander bij betaling in Surinaamse Dollars met toepassing van de unificatiekoers en onder aftrek van hetgeen aan hem ter zake van loon en genoemde toelagen in die periode reeds is betaald, het verschil vermeerderd met de wettelijke verhoging ad 10% en met de wettelijke rente over het verschil vanaf 30 november 2020 tot de dag der algehele voldoening;
b. veroordeel SLM om ter zake van loon aan [appellant in kort geding sub 3] te betalen het aan hem over het tijdvak van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2023 (krachtens de arbeidsovereenkomst en CAO) toekomende loon, vermeerderd met de reinigingstoelage, energietoelage alsmede vakantietoelage, maar verminderd met voormelde “inhouding” van respectievelijk 12%, 20% of 25% over het loon en over de reinigingstoelage en de energietoelage, afhankelijk van de loonschaal waarin hij is ingedeeld, een en ander bij betaling in Surinaamse Dollars met toepassing van de unificatiekoers, en onder aftrek van hetgeen aan hem ter zake van loon en genoemde toelagen in die periode reeds is betaald, het verschil vermeerderd met de wettelijke verhoging ad 10% en vermeerderd met de wettelijke rente over het verschil vanaf 30 november 2020 tot de dag der algehele voldoening;
c. veroordeelt SLM aan de leden van de Bond die onder de voormelde CAO vallen te betalen het aan die leden over het tijdvak van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2023 krachtens de individuele arbeidsovereenkomst en de CAO toekomende loon, vermeerderd met de reinigingstoelage, energietoelage, representatietoelage vervoerstoelage alsmede vakantietoelage, voor zover daarop krachtens de functie en salarisschaal aanspraak bestaat, maar verminderd met voormelde “inhouding” van respectievelijk 12%, 20% of 25% over het loon en over de reinigingstoelage, energietoelage, representatietoelage, vervoerstoelage, afhankelijk van de van toepassing zijnde loonschaal, bij betaling in Surinaamse Dollars met toepassing van de unificatiekoers, en onder aftrek van hetgeen aan hen ter zake van loon en genoemde toelagen in die periode reeds is betaald, het verschil vermeerderd met de wettelijke verhoging ad 10% en vermeerderd met de wettelijke rente over het verschil vanaf 30 november 2020 tot de dag der algehele voldoening;
d. veroordeelt SLM in de kosten voor rechtsbijstand begroot op SRD. 17.700,=;
e. veroordeelt SLM in de kosten van dit geding aan de zijde van appellanten gevallen in eerste aanleg en in hoger beroep en tot aan deze uitspraak op SRD. 1.330,=;
f. wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.S.S. Wijnhard, Fungerend-President,
mr. M.V. Kuldip Singh en mr. A.C. Johanns, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 7 februari 2025, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, dhr. R. Dewkalie, LL.B.
w.g. R. Dewkalie w.g. S.S.S. Wijnhard
Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat dhr. A.J. Heath, LL.M. namens advocaat mr. G.R. Sewcharan, gemachtigde van geïntimeerde, terwijl appellanten noch in persoon noch bij gemachtigde zijn verschenen.
Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld