SRU-HvJ-2025-16

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer CIVAR no. 2022H00193
  • Uitspraakdatum 07 november 2025
  • Publicatiedatum 11 september 2026
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Hoger beroep in kort geding. Een ziekenhuis had tijdens Covid de overeenkomst met een zorgverlener tijdelijk opgeschort en negen maanden later opgezegd. De zorgverlener vordert doorbetaling van de afgesproken vergoeding met wettelijke rente. De kantonrechter had de vordering afgewezen omdat de zorgverlener te laat tegen de opzegging zou hebben geprotesteerd. Het Hof wijst de vordering af voor de duur van de opschorting tijdens Covid, omdat de opschorting werd gerechtvaardigd door uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden, namelijk van overheidswege opgelegde en geadviseerde maatregelen, zodat het ziekenhuis geen vergoeding verschuldigd was voor de (niet geleverde) diensten. Over de periode tussen de opzegging en de einddatum van de overeenkomst is het ziekenhuis wel de overeengekomen vergoeding verschuldigd met wettelijke rente vanaf die einddatum.

Uitspraak

CIVAR no. 2022H00193

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak in kort geding van

[APPELLANTE],
wonend in [District],
appellante in kort geding,
hierna: ‘[Appellante]’,
gemachtigde: mr. W. Siwpersad, advocaat,

tegen

STICHTING DRS. L. MUNGRA MEDISCH CENTRUM,                                            

gevestigd in Nieuw-Nickerie,
geïntimeerde in kort geding,
hierna: ’MMC’,
gemachtigde: mr. M.V. Babulall, advocaat

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het derde kanton uitgesproken vonnis in kort qeding van 17 mei 2022 bekend onder CIVAR No. 202100023 tussen [Appellante] als eiseres en MMC als gedaagde,

spreekt de fungerend president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

1.Procesverloop in hoger beroep

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken c.q. proceshandelingen:

  • de verklaring van de griffier van 7 juni 2022 waaruit blijkt dat [Appellante] op die dag hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota van mr. Siwpersad van 3 november 2023;
  • de antwoordpleitnota van mr. Babulall van 2 februari 2024.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Ontvankelijkheid

2.1 Uit de aantekening van de griffier aan de voet van het vonnis waarvan beroep blijkt dat [Appellante] noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen.

2.2 Het vonnis van de kantonrechter is bij griffiersbrief gedateerd 31 mei 2022 aan [Appellante] meegedeeld. [Appellante] heeft op 7 juni 2022 bij schriftelijke verklaring hoger beroep aangetekend tegen het vonnis.

2.3 Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [Appellante] daarin kan worden ontvangen.

  1. De beoordeling in hoger beroep

De feiten

3.1 Het Hof neemt in dit kort geding het volgende als vaststaand aan:

a. MMC exploiteert een medisch centrum in Nieuw-Nickerie, alsmede de dependance Pietronella Ziekenhuis Wageningen. [Appellante] is van beroep diabetes pedicure.

b. Bij overeenkomst van 10 december 2018 zijn partijen overeengekomen dat [Appellante] gedurende twee aaneengesloten dagen per maand haar diensten ten behoeve van patiënten in het Pietronella Ziekenhuis zal aanbieden, tegen een door MMC aan haar te betalen honorarium van SRD 3.000 per tweedaags bezoek per maand. Bepaald is dat de overeenkomst geldt voor de duur van vijf jaren na dagtekening.

c. In maart 2020 heeft MMC bij brief met als onderwerp ’Tijdelijke onderbreking dienstverlening’ aan onder anderen [Appellante] bericht dat de directie vanwege de Covid-19-situatie heeft besloten de geplande ’pendelende diensten’ tot nader order uit te stellen.

d. Bij brief van 10 december 2020 met als onderwerp ’Opzegging overeenkomst d.d. 29 november 2018’ heeft MMC aan [Appellante] bericht dat de directie vanwege ’veranderde beleidsinzichten’ de samenwerking met haar per diezelfde datum opzegt.

e. Bij deurwaardersexploot van 30 december 2020 is aan MMC een brief van [Appellante] van 29 december 2020 betekend waarin zij de rechtsgeldigheid  van de opzegging aanvecht. Bij brief van 4 maart 2021 heeft de advocaat van [Appellante] dit herhaald, een schikkingsvoorstel gedaan en rechtsmaatregelen aangekondigd.

De vorderingen en de beslissing van de kantonrechter

3.2 De vordering van [Appellante] in haar verzoekschrift van 15 juli 2021 strekt tot betaling van de overeengekomen maandelijkse vergoedingen vanaf maart 2020 tot het einde van de duur van de overeenkomst op 10 december 2023, met veroordeling van MMC om [Appellante] toe te staan haar dienstverlening tot het einde van de overeenkomst voort te zetten. Subsidiair vordert zij afkoop van het contract door betaling van SRD 138.000, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.3 Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vorderingen van [Appellante] afgewezen. Wat betreft de periode van de opschorting gedurende de Covid-periode overwoog de kantonrechter daartoe dat [Appellante] zich niet binnen redelijke termijn tegen de opschorting heeft verzet of haar diensten heeft aangeboden, op grond waarvan MMC er redelijkerwijs van heeft mogen uitgaan dat [Appellante] het niet oneens was met de opschorting en [Appellante] geen aanspraak kan maken op enige vergoeding. Wat betreft de opzegging door MMC van de overeenkomst overwoog de kantonrechter dat duurovereenkomsten voor een bepaalde tijd in beginsel niet eenzijdig kunnen worden opgezegd, maar dat gesteld noch gebleken is dat [Appellante] zich eerder dan bij de brief van haar advocaat van 4 maart 2021 tegen de opzegging van 10 december 2020 heeft verzet, waaruit MMC naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter redelijkerwijs heeft mogen begrijpen dat [Appellante] bereid is geweest de overeenkomst te beëindigen.

De grieven en het formeel verweer van MMC

3.4 Bij haar pleitnota heeft [Appellante] geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen en haar vorderingen zal toewijzen. Zij voert daartoe onder meer aan dat de opschorting van de dienstverlening wegens Covid haar aanspraak op betaling onverlet liet en dat de kantonrechter ten onrechte heeft aangenomen dat zij niet eerder dan in maart 2021 heeft geprotesteerd tegen de opzegging.

3.5 Namens MMC is in de eerste plaats als formeel verweer aangevoerd dat, nu [Appellante] geen memorie van grieven heeft genomen, haar grieven tardief zijn. Dat verweer vindt geen steun in de wet en het Procesreglement.

Kwalificatie van de overeenkomst

3.6 Partijen zijn het erover eens dat hun overeenkomst moet worden gekwalificeerd als een overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten, niet als een arbeidsovereenkomst. Ook het Hof gaat daarvan uit.

De periode van de opschorting

3.7 Het Hof is van oordeel dat de betalingsvordering van [Appellante] voor zover die betrekking heeft op de periode van de opschorting van de dienstverlening wegens Covid terecht is afgewezen. Het Hof zal, bij gebreke aan stellingen die tot een ander oordeel aanleiding kunnen geven, aannemen dat de periode van de opschorting voortduurde tot het moment van de opzegging door MMC van de overeenkomst. De opschorting besloeg dus de periode maart 2020 tot 10 december 2020. In dit kort geding kan wat deze periode betreft niet met de voor toewijzing benodigde mate van zekerheid worden aangenomen dat de vordering van [Appellante] in een eventuele bodemprocedure zal slagen. De corona-pandemie en de in dat kader van overheidswege opgelegde en geadviseerde maatregelen betroffen uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden, op grond waarvan MMC de afname van ’pendelende diensten’ als met [Appellante] overeenkomen mocht opschorten. Van bezwaar daartegen van [Appellante] is niet gebleken. In dit kort geding kan niet worden aangenomen dat MMC zich in redelijkheid niet op het standpunt kan stellen dat zij gedurende die opschorting geen vergoeding verschuldigd was voor de (niet geleverde) diensten.

De periode vanaf de opzegging

3.8 De betalingsvordering van [Appellante] voor zover betrekking hebbend op periode na de opzegging, dus vanaf 10 december 2020, acht het Hof wel toewijsbaar. Het Hof overweegt hiertoe het volgende.

3.9 Partijen zijn het erover eens, zoals de kantonrechter in haar rechtsoverweging 4.4 tot uitgangspunt heeft genomen, dat duurovereenkomsten voor bepaalde termijn in beginsel niet eenzijdig kunnen worden opgezegd en dat partijen daarom in beginsel gebonden waren aan de overeengekomen duur van de overeenkomst. Gesteld noch gebleken is dat de overeenkomst van partijen aldus moet worden uitgelegd dat, ofschoon het contract geen tussentijdse opzeggingsmogelijkheid behelst, eenzijdige tussentijdse beëindiging mogelijk was.

3.10 De kantonrechter heeft dit deel van de vordering afgewezen op grond van de aanname dat [Appellante] pas in maart 2021 voor het eerst bezwaar tegen de opzegging heeft gemaakt. Die aanname is in hoger beroep onjuist gebleken. Uit het deurwaardersexploot hiervoor bedoeld onder 2.1 e) blijkt immers dat [Appellante] binnen drie weken schriftelijk aan MMC kenbaar heeft gemaakt dat zij niet instemde met de opzegging. De stelling van MMC dat [Appellante] in strijd met de goede procesorde handelt door het deurwaardersexploot voor het eerst in hoger beroep over te leggen (MMC spreekt van ’geschiedvervalsing, grenzend aan misleiding’), volgt het Hof niet. De herstelfunctie van het hoger beroep brengt mee dat partijen hun stellingen kunnen aanvullen en nader kunnen onderbouwen. Daartegen bestaat hier te minder bezwaar, nu de kantonrechter de vordering ter zake de opzegging heeft afgewezen op een grond – het vermeende tijdsverloop tussen opzegging in december 2020 en de brief van [Appellante]s advocaat in maart 2021 – die door MMC niet als verweer was opgeworpen en waarover partijen geen debat hadden gevoerd.

3.11 Uit de reacties van en namens [Appellante] op de opzegging blijkt onmiskenbaar dat zij niet met de opzegging instemde. Er is dan ook geen grond aan te nemen dat [Appellante] afstand heeft gedaan van haar aanspraken op grond van de overeenkomst of dat MMC er gerechtvaardigd op heeft kunnen vertrouwen dat met haar eenzijdige opzegging de kous af was.

3.12 Bij conclusie van antwoord in eerste aanleg heeft MMC het verweer gevoerd dat haar overeenkomst met [Appellante] nietig of vernietigbaar is omdat die overeenkomst in strijd met de statuten van MMC is aangegaan. De opzeggingsbrief van 10 december 2020 vermeldt als reden ’veranderde beleidsinzichten’, maar dat betrof volgens MMC een verkeerde woordkeuze. Wat bedoeld was te zeggen is dat het vorige bestuur en directie van MMC de overeenkomst hebben gesloten ’ernstig in strijd met de statuten en doelstelling van MMC’. MMC heeft hierbij naar het Hof begrijpt het oog op haar doelomschrijving zoals die blijkt uit het door [Appellante] overgelegde uittreksel uit het handelsregister (de statuten zelf zijn niet overgelegd), waarin onder meer staat dat het doel van MMC is ’een algemeen ziekenhuis beheren en exploiteren dat voornamelijk de secundaire medische zorg verleent aan de daarvoor in aanmerking komende patiënten’. Volgens MMC moet zij ingevolge haar statuten gezondheidszorg aanbieden met medische specialisten. Het beroep van medisch diabetes pedicure van [Appellante], zo redeneert MMC, is niet te kwalificeren als een medisch specialisme, maar is slechts een onderdeel van de taken van een diabetes verpleegkundige. [Appellante] heeft hier tegenover gesteld dat ruim 11% van de Surinaamse bevolking suikerziekte heeft, dat diabetes een belangrijke doodsoorzaak is en dat een medisch diabetes pedicure zich bezighoudt met de specialistische behandeling van de risicovoet, waarbij een verhoogd risico aanwezig is op complicaties en de noodzaak van amputatie. Inzet van diabetes pedicures is volgens [Appellante] bij ziekenhuizen gebruikelijk.

3.13 Het verweer van MMC kan niet slagen. De doelomschrijving van MMC biedt alle ruimte voor de inschakeling van zorgverleners zoals [Appellante], te meer nu als middelen waarmee dit doel wordt nagestreefd onder meer worden vermeld ’het beheren en exploiteren van specialistische, verpleeg-, behandel- en poliklinische faciliteiten’ en ’het aanwenden van alle andere wettige middelen welke voor het gestelde doel noodzakelijk zijn dan wel daarvoor bevorderlijk kunnen zijn’. Zeker gelet op de door [Appellante] gegeven toelichting op de aard en het belang van haar werk, was van doeloverschrijding bij het aangaan van de overeenkomst geen sprake.

3.14 Op grond van het voorgaande en bij gebreke van andere verweren is het Hof van oordeel dat [Appellante] ter zake de eenzijdige tussentijdse opzegging van de overeenkomst door MMC aanspraak kan maken op betaling van de afgesproken vergoeding. Over de periode tussen de opzegging en de overeengekomen einddatum van de overeenkomst komt dat neer op 36 maanden à SDR 3.000 = SDR 108.000. Nu gesteld noch gebleken is dat [Appellante] kosten heeft bespaard of elders inkomsten heeft verworven die in redelijkheid in mindering moeten strekken op de met MMC overeengekomen vergoeding, bestaat er geen aanleiding in dit kort geding een lager bedrag toe te wijzen. De wettelijke rente acht het Hof in dit kort geding toewijsbaar vanaf de overeengekomen einddatum van de overeenkomst.

Slotsom en kosten

3.15 Beslist zal worden als hierna omschreven, met veroordeling van MMC als de overwegend in het ongelijk gestelde partij en in de proceskosten. De vordering van [Appellante] om toegelaten te worden haar diensten te verrichten is door de tijd ingehaald en is daarom niet toewijsbaar.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende in kort geding,

veroordeelt MMC om aan [Appellante] te betalen SRD 108.000, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 10 december 2023 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt MMC in de kosten van het geding in eerste aanleg aan de zijde van [Appellante] gevallen, begroot op SRD 620,–;

veroordeelt MMC in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van [Appellante] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 1407,–;

wijst af het meer of anders gevorderde.

 

Aldus gewezen door mr. S.S.S. Wijnhard, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh en mr. A.C. Johanns, Leden, en door mr. S.S.S. Wijnhard uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 7 november 2025, in tegenwoordigheid van dhr. R.S. Dewkalie, LL.B., Fungerend-Griffier.

w.g. R.S. Dewkalie           w.g. S.S.S. Wijnhard

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

 

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld