SRU-HvJ-2025-19

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer CIVAR no. 2023H00039
  • Uitspraakdatum 18 juli 2025
  • Publicatiedatum 11 september 2026
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Een student komt tevergeefs op tegen zijn uitschrijving door de universiteit nadat hij de zesde keer was gezakt voor een tentamen, ondanks dat hem was aangezegd dat hij onherroepelijk zou worden uitgeschreven als hij het tentamen deze keer niet haalde. De Onderwijs- en Examenregeling is door de universiteit niet in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur toegepast, nu de student juist een extra kans heeft gekregen. Hij had ook al na de vijfde keer kunnen worden uitgeschreven en het feit dat hij niet bij een andere universiteit in Suriname terecht kan, valt de universiteit niet te verwijten.

Uitspraak

Civar no. 2023H00039

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

VONNIS

In de zaak van

[APPELLANT],
wonend in het district [District],
ten deze woonplaats kiezend ten kantore van Juridisch Advies Bureau Kanhai N.V.,
appellant,
hierna: [Appellant],
gemachtigde: mr. A.W.R. Kanhai, advocaat,

tegen

DE ANTON DE KOM UNIVERSITEIT VAN SURINAME,

kantoorhoudend te Paramaribo,
geïntimeerde,
hierna: Adek,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter tussen partijen in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 12 januari 2023 (CIVAR No. 202202517) tussen [Appellant] als eiser en Adek als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal d.d. 18 januari 2023 van de Griffier der Kantongerechten, waarin is
  • vermeld dat [Appellant] tegen genoemd vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 19 januari 2024, met een productie;
  • de antwoordpleitnota d.d. 15 maart 2024.

De uitspraak is nader bepaald op heden.

De beoordeling in hoger beroep

  1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [Appellant] daarin kan worden ontvangen.
  2. Bij zijn inleidend verzoekschrift heeft [Appellant] gevorderd, zakelijk weergegeven, dat Adek zal worden veroordeeld om hem binnen 1 x 24 uur na de uitspraak voor het collegejaar 2022/2023 in te schrijven en hem bij de eerstvolgende tentamenronde tot het tentamen Dermatologie, studie Geneeskunde, fase B-III toe te laten, onder verbeurte van een dwangsom en met advocaatkosten en proceskosten. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen met veroordeling van [Appellant] in de proceskosten.
  3. [Appellant] voert tegen het vonnis waarvan beroep de volgende grieven aan:

Grief 1: Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat de bekrachtiging van zijn cijfer (op de juiste wijze) heeft plaatsgevonden.

Grief 2: Ten onrechte heeft de kantonrechter niet geoordeeld dat Adek zich als bestuursorgaan bij de toepassing van de Onderwijs- en Examenregeling (OER) van Adek niet aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel en de belangenafweging, heeft gehouden.

Grief 3: Ten onrechte heeft de kantonrechter het geschil beperkt tot de vraag of Adek [Appellant] al dan niet rechtmatig heeft uitgeschreven in plaats van daarbij tevens het OER te betrekken.

  1. Tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten zijn geen grieven aangevoerd, zodat het Hof daarvan zal uitgaan. Het gaat in deze zaak, kort weergegeven, om het volgende. [Appellant] is in 2014 als student Geneeskunde bij Adek ingeschreven. Bij brief van 11 november 2021 heeft het Bestuur van Adek hem laten weten dat hij, na het tentamen B-lll Dermatologie voor de vijfde keer niet te hebben gehaald, nog één kans kreeg dit tentamen met een voldoende resultaat af te ronden, en dat hij anders onherroepelijk zou worden uitgeschreven. Nadat [Appellant] bij deze zesde keer (na correctie) een 5,3 had behaald, heeft het Bestuur van Adek hem bij brief van 31 januari 2022 laten weten dat hij met onmiddellijke ingang werd uitgeschreven.
  2. Volgens [Appellant] was hij al uitgeschreven (op 31 januari 2022), voordat het cijfer werd bekendgemaakt (17 februari 2022). Hij was daardoor niet meer in de gelegenheid een hercorrectie aan te vragen. Het Hof verwerpt dit standpunt. Het cijfer voor het tentamen is na de correctie op 12 januari 2022 bekrachtigd en als zodanig aan [Appellant] meegedeeld. Gelet op artikel 4.10 lid 4 OER zijn cijfers bindend na bekrachtiging door de Examencommissie. Dat moet binnen (niet, zoals [Appellant] lijkt te suggereren, na) 25 werkdagen na bekendmaking van het tentamenresultaat geschieden. De Examencommissie heeft het cijfer van [Appellant] (na correctie met 0,1 punt) op 12 januari 2022 definitief bekrachtigd, dus kort na de bekendmaking van het aanvankelijke cijfer 5,2. De plaatsing van het cijfer op een lijst heeft geen betekenis, nog daargelaten dat niet duidelijk is waarop de door [Appellant] bij repliek in eerste aanleg overgelegde lijst betrekking heeft. Daarop staat immers een ander cijfer (6,5, afgerond zeven). Voor zover [Appellant] geen hercorrectie heeft aangevraagd, valt dit hemzelf te verwijten. De eerste grief wordt dan ook verworpen.
  3. Met zijn tweede grief verwijt [Appellant] Adek, kort gezegd, dat zij bij de toepassing van de OER in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. Het Hof verwerpt ook dit standpunt. Uit de gebleken feiten en omstandigheden valt af te leiden dat Adek aan [Appellant] juist een extra kans heeft geboden, ook al had zij hem na de vijfde keer kunnen uitschrijven. Deze flexibiliteit heeft dus in het voordeel van [Appellant] uitgewerkt. Het feit dat hij na uitschrijving niet naar een andere universiteit in Suriname kan, valt Adek niet te verwijten. Ook de tweede grief faalt dus.
  4. Met zijn derde grief verwijt [Appellant] de kantonrechter dat hij de OER niet in aanmerking heeft genomen. Uit rechtsoverweging 4.5 van het vonnis waarvan beroep valt af te leiden dat de kantonrechter de OER juist wel in zijn oordeel heeft betrokken. Deze grief faalt dus eveneens.
  5. Nu alle grieven falen, zal het vonnis waarvan beroep worden bevestigd. [Appellant] zal als de partij die in het ongelijk is gesteld, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze worden tot aan deze uitspraak aan de zijde van Adek begroot op SRD nihil.

Beslissing in hoger beroep

Het Hof

  • bevestigt het door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van 12 januari 2023 (CIVAR 202202517);
  • veroordeelt [Appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Adek begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.S.S. Wijnhard, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh en mr. A.C. Johanns, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag  18 juli 2025, in tegenwoordigheid van mevr. S. Kesharie, LL.B., Fungerend-Griffier.

 

w.g. S. Kesharie      w.g. S.S.S. Wijnhard

 

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens de advocaten mr. A.W.R. Kanhai en mr. M.G.A. Vos, gemachtigden van partijen.

 

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld