SRU-HvJ-2025-21

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer CIVAR no. 2023H00098
  • Uitspraakdatum 07 november 2025
  • Publicatiedatum 11 september 2026
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Burgerlijk procesrecht, van waarde verklaring beslag op onroerend goed wegens het niet volledig voldoen aan een vonnis tot betaling van rente na een koopovereenkomst. Volgens het Hof heeft de kantonrechter het verzoek tot opheffing van het beslag terecht afgewezen omdat appellanten na de veroordeling slecht achterstallige rente tot maart 2011 hebben betaald, niet echter de overeengekomen rente met ingang van maart 2011.

Uitspraak

Civar no. 2023H00098

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

VONNIS

In de zaak van

 

A. [APPELLANT SUB A], 

B. [APPELLANT SUB B],

echtelieden, beiden wonend in Den Haag, Nederland, appellanten,

hierna: [Appellanten],

gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde], in rechte geheten [Geïntimeerde], wonend te [Plaats],

geïntimeerde,

hierna: [Geïntimeerde],

gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

 

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 26 januari 2023 (CIVAR 202202942) tussen [Appellanten] als eisers en [Geïntimeerde] als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

 

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal van 20 april 2023 van de griffier der kantongerechten, waarin staat vermeld dat [Appellanten] tegen bovengenoemd vonnis hoger beroep hebben ingesteld;
  • de pleitnota van 1 maart 2024;
  • de antwoordpleitnota van 3 mei 2024.

De uitspraak is nader bepaald op heden.

De beoordeling in hoger beroep

1 Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [Appellanten] daarin kunnen worden ontvangen.

2. Bij vonnis tussen partijen van 3 december 2021 (G.R. no. 15-359 en 15-359A) heeft het Hof, voor zover van belang, [Appellanten] veroordeeld aan [Geïntimeerde] € 18.045,21 als achterstallige rente over de periode 11 januari 2005 tot maart 2011 te betalen, alsmede de overeengekomen rente conform de tussen partijen op 11 januari 2005 gesloten overeenkomst met ingang van maart 2011. Tevens heeft het Hof het door [Geïntimeerde] op een aan partijen bekend onroerend goed (hierna: het onroerend goed) gelegd conservatoir beslag van waarde verklaard. Op 22 augustus 2022 hebben [Appellanten] via de ABN AMRO Bank € 18.045,21 aan [Geïntimeerde] overgemaakt.

3. In hun inleidend verzoekschrift in de onderhavige zaak hebben [Appellanten] de opheffing en doorhaling van het beslag op het onroerend goed gevorderd, stellende dat zij door de betaling van genoemd bedrag van € 18.045,21 aan hun verplichtingen tegenover [Geïntimeerde] op grond van genoemd vonnis van 3 december 2021 hebben voldaan. De kantonrechter heeft de vordering bij het vonnis waarvan beroep afgewezen en daarbij, kort weergegeven, overwogen dat [Appellanten] wel het bedrag van € 18.045,21 hebben betaald, maar niet de rente vanaf maart 2011.

4. [Appellanten] voeren tegen het vonnis waarvan beroep als enige grief aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat zij met de betaling van € 18.045,21 nog niet aan de veroordeling in het vonnis van 3 december 2021 hebben voldaan. Volgens hen hebben zij wel degelijk aan dit vonnis voldaan, zodat het beslag op het onroerend goed dient te worden opgeheven.

5. Met [Geïntimeerde] is het Hof van oordeel dat de kantonrechter de vordering tot opheffing van het beslag terecht heeft afgewezen. Het Hof heeft [Appellanten] bij het vonnis van 3 december 2021 veroordeeld tot betaling van zowel de achterstallige rente van € 18.045,21 als de door hen bij de koopovereenkomst overeengekomen rente met ingang van maart 2011. Het beslag omvat beide bedragen. Dat betekent dat [Appellanten] door betaling van uitsluitend € 18.045,21 nog niet aan hun verplichtingen hebben voldaan, maar tevens de rente vanaf maart 2011 tot aan de volledige voldoening dienen te betalen.

6. Het vonnis waarvan beroep zal dan ook worden bevestigd, met veroordeling van [Appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [Geïntimeerde] tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof

  • bevestigt het door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 26 januari 2023 (CIVAR 202202942);
  • veroordeelt [Appellanten] tot betaling van de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [Geïntimeerde] tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis  is gewezen door mr. S.S.S. Wijnhard, Fungerend-President, mr.  M.V. Kuldip Singh, en mr. A.C. Johanns, Leden, en door mr. S.S.S. Wijnhard uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 7 november 2025, in tegenwoordigheid van dhr. R.S. Dewkalie, LL.B., Fungerend-Griffier.

 

w.g. R.S. Dewkalie    w.g. S.S.S. Wijnhard

 

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen advocaat mr. S. Mangroelal, gemachtigde van appellanten en advocaat mr. C.A.F. Meijnaar namens advocaat mr. M.G.A. Vos, gemachtigde van geïntimeerde.

 

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld