SRU-HvJ-2026-1

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer 06/2026
  • Uitspraakdatum 19 januari 2026
  • Publicatiedatum 01 april 2026
  • Rechtsgebied Strafrecht
  • Inhoudsindicatie

    Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan witwassen bewezen worden geacht, indien op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden het niet anders kan zijn dan dat de ten laste gelegde voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de ten laste gelegde voorwerpen afkomstig zijn uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is vereist dat die voorwerpen afkomstig zijn uit enig misdrijf. Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien die situatie zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft omtrent de herkomst van dat voorwerp. Zo een verklaring dient te voldoen aan het vereiste, dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

    Uit het onderzoek is komen vast te staan dat een deel (Euro 625.000,-) van het overgemaakt geld (euro 1.250.000,-) ten behoeve van Clairfield Benelux N.V. terug is gevloeid naar Suriname en wel ten behoeve van het bedrijf Orion Capital Investment N.V., waarvan verdachte Van Trikt de enige aandeelhouder is. Dit geld is overgemaakt vanuit Clairfield Benelux N.V. ten behoeve van verdachte Van Trikt en Angnoe en Buysse. Om deze overmaking te kunnen bewerkstelligen is er een vals document door Angnoe geproduceerd alsof de betaling van Euro 625.000,- (zeshonderdvijfentwintig duizend euro) betrekking zou hebben op het project “Strength”, zijnde een project dat is uitgevoerd ten behoeve van de Hakrinbank N.V. door Clairfield Benelux N.V. en Orion Capital Investment N.V.

    Uit het onderzoek is in de visie van het Hof komen vast te staan dat verdachte en mededaders door middel van en uit de baten van de strafbare feiten wederrechtelijk voordeel hebben verkregen. Verdachte en zijn medeverdachte hebben bewust de herkomst van het geld proberen te verhullen. De feiten en omstandigheden zijn van dien aard dat vastgesteld kan worden dat er sprake is van witwassen, nu met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat de gelden een criminele herkomst hebben. Immers heeft de verdachte geen concrete verifieerbare verklaring afgelegd omtrent de herkomst van voormeld geldbedrag. Op grond van het voorgaande is het Hof van oordeel dat er sprake is van verwerven in de zin van de wet.

    Verdachte en zijn mededaders hebben zich gedurende langere periode schuldig gemaakt aan grootschalige corruptie. Verdachte en zijn mededaders hebben samengewerkt aan het tot stand komen van overeenkomsten met Clairfield Benelux N.V. en Orion Assurance and Advisory N.V., waarbij er grote geldbedragen aan voorschotten zijn betaald. Gebleken is dat de overeenkomsten gesloten met Clairfield Benelux N.V. niet noodzakelijk waren voor de Centrale Bank van Suriname. Uit 2 van de overeenkomsten met Clairfield Benelux N.V. is de verkoop van onroerende goederen uitgerold. Deze onroerende goederen zijn door de Centrale Bank van Suriname gekocht en betaald, maar de panden zijn nimmer overgedragen aan de Bank. Verdachte en zijn mededaders hebben gedurende langere periode op systematische en geraffineerde wijze gehandeld, waarbij doelbewust misbruik is gemaakt van hun positie. Verdachte heeft zijn functie benut om op geraffineerde wijze controle te omzeilen en andere belangen te dienen. Verdachte en zijn mededaders hadden slechts oog voor hun eigen financieel gewin en hebben zich niet bekommerd om de gevolgen van hun handelen voor de Staat Suriname. Verdachte heeft als registeraccountant, tevens zakenpartner van de verdachte van Trikt, misbruik gemaakt van zijn positie.

Uitspraak

Vonnisnummer: 06 /2026

Uitspraak: 19 januari 2026

Parketnummer: 01 – 01-01698

TEGENSPRAAK

APPELSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen op 31 januari 2022 en uitgesproken tegen de verdachte:

ANGNOE, Ashween Ryan, geboren op [geboortedatum] te [plaats], van beroep accountant en wonende aan de [adres 1] te [plaats], niet in detentie verkerend (in vrijheid gesteld op 17 oktober 2022); 

De verdachte is in persoon verschenen en wordt bijgestaan door de raadslieden mr. B.A.H. Pick en I.D. Kanhai, BSc, advocaten bij het Hof van Justitie van Suriname.

Ontvankelijkheid appel

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het Hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de raadslieden namens de verdachte op 2 februari 2022 op de voorgeschreven wijze appel hebben aangetekend tegen het voormelde vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton.

Gelet op het vorenstaande heeft de verdachte tijdig appel aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve hij daarin ontvankelijk is.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 334 en 336 van het Wetboek van Strafvordering gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar en van hetgeen door de verdachte en diens raadslieden naar voren is gebracht.

De vordering van de vervolgingsambtenaar

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het Hof het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 31 januari 2022 zal bevestigen.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft:

  • primair de nietigheid van de tenlastelegging bepleit.
  • subsidiair bepleit dat het Openbaar Ministerie niet- ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging.
  • meer subsidiair bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de algehele tenlastelegging. 
  • de vernietiging van de verbeurdverklaring van het onroerend goed Orion Capital Investments N.V. aan de [adres 2] gevorderd. 

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 31 januari 2022 is de verdachte – verkort weergegeven – ter zake de bewezenverklaarde feiten onder:

  • I van de tenlastelegging te weten medeplegen van het eerste lid van artikel 13 van de Anti-corruptiewet; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 13 lid 1 van de Anti-corruptiewet juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht.
  • IIA te weten medeplegen van het tweede lid van artikel 13 van de Anti-corruptiewet; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 13 lid 2 van de Anti-corruptiewet juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht.
  • IIIA-valsheid in geschrifte; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 278 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht;
  • IVA medeplegen van opzettelijke Money Laundering; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 1b van de Wet Strafbaarstelling Money Laundering S.B 2002 no 64 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht,

veroordeeld tot:

  • een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) jaren, met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis;
  • betaling van een geldboete tot een totaalbedrag van SRD 150.000,- (honderdvijftigduizend Surinaamse Dollar), subsidiair 12 maanden hechtenis;
  • de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel te weten Euro 625.000,- (zeshonderd vijfentwintigduizend Euro) op grond van artikel 54e van het Wetboek van Strafrecht op te leggen aan de verdachten Van Trikt Robert Gray en Angnoe Ashween Ryan.
  • verbeurdverklaring van het onroerend goed te weten Orion Capital Investments N.V. gevestigd aan de [adres 2] te Paramaribo op grond van artikel 50 van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 50a van het Wetboek van Strafrecht lid 1 onder a en het voertuig van het merk Range Rover die bij de verdachte Angnoe Ashween in beslag is genomen;
  • handhaving van het bevel tot gevangenhouding van de verdachte. 

Het Hof verenigt zich met het bestreden vonnis, onder aanvulling van de gronden waarop dit berust en met handhaving van de opgelegde straf. Het Hof kan zich evenwel niet terugvinden in de verbeurdverklaring van het onroerend goed aan de [adres 2] te Paramaribo.  

De tenlastelegging

Aan dit vonnis is als bijlage 1 gehecht een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de inleidende dagvaarding, waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen. 

Indien in de tenlastelegging taal-en/of schrijffouten voorkomen, zal het Hof deze verbeteren. De verdachte wordt daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De geldigheid van de inleidende dagvaarding

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de dagvaarding nietig dient te worden verklaard. Hiertoe hebben de raadslieden – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat:

  • er sprake is van een obscuur libel, daar de Anti-corruptiewet in samenhang met de Bankwet is ten laste gelegd. Het Openbaar Ministerie heeft middels een sluiproute een tenlastelegging geproduceerd met betrekking tot artikelen uit de Bankwet, waar geen sanctie op is gesteld en via een omweg aldus de Anti-corruptiewet ten laste gelegd. 
  • de bestanddelen van artikel 13 lid 1a en 2 van de Anti-corruptiewet ontbreken in de tenlastelegging. In casu is niet gesteld noch gebleken dat er sprake was van een gift of enige vorm van onrechtmatige zelfverrijking door verdachte. De verfeitelijking heeft dus niet plaatsgevonden. 

Verweer met betrekking tot obscuur libel

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat er sprake is van een obscuur libel, daar de Anti-corruptiewet in samenhang met de Bankwet is ten laste gelegd. 

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Het Hof begrijpt dat de verdediging zich hierbij richt op artikel 35 a van de Bankwet, waarbij uitdrukkelijk is bepaald dat artikel 21 lid 2 en lid 4 strafbare feiten (misdrijven) opleveren. Artikel 13 lid 1 a van de Anti-corruptiewet is gericht op het verbod om in strijd te handelen met de ter zake geldende wettelijke voorschriften, voorwaarden of procedures. Volgens de Memorie van Toelichting (MVT) op dit artikel betreft het handelingen, besluiten en adviezen door een publieke functionaris verricht of genomen in strijd met de voor besluitvorming vastgestelde voorschriften, voorwaarden of procedures. Dit wil zeggen dat de Anti-corruptiewet niet beperkt is tot gedragingen die expliciet aangemerkt zijn als misdrijven. Het verweer van de verdediging dat de verweten gedraging uit de Bankwet een strafbaar feit moet betreffen aleer tot vervolging kan worden overgegaan, is derhalve ongegrond en wordt verworpen. 

In de visie van het Hof leidt dit niet tot een obscuur libel en ook niet tot nietigheid van de inleidende dagvaarding. Gelet op het voorgaande verwerpt het Hof het daartoe strekkend verweer van de verdediging. 

Verweer met betrekking tot het ontbreken van de bestanddelen van artikel 13 lid 1a en lid 2 van de Anti-corruptiewet

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat artikel 13 lid 1a en lid 2 van de Anti-corruptiewet ontbreken in de tenlastelegging en dat niet gesteld noch gebleken is dat er sprake was van een gift of enige vorm van onrechtmatige zelfverrijking door verdachte.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Volgens de Memorie van Toelichting (MVT) betreft artikel 13 van de Anti-corruptiewet handelingen door een publieke functionaris verricht of besluiten door een publieke functionaris genomen die in strijd zijn met de voor de besluitvorming vastgestelde voorschriften, voorwaarden of procedures. Dit artikel geeft een niet uitputtende opsomming van enkele in het kader van corruptiebestrijding belangrijke handelingen en besluiten. 

In het kader van dit artikel dient te worden verwezen naar de artikelen 426 en 427 van het Wetboek van Strafrecht, waarin het door een ambtenaar aannemen van giften of beloften en het aannemen van giften of beloften onder verzwarende omstandigheden als ambtsmisdrijven zijn strafbaar gesteld. 

De Anti-corruptiewet richt zich tot de corruptie plegende publieke functionaris binnen de overheidssector.

Strafbaarheid van de publieke functionaris bestaat, indien door hem met een wettelijk voorschrift strijdige handelingen zijn verricht of besluiten zijn genomen met het aangetoonde, zodanige oogmerk om voor zichzelf of een ander enig voordeel te verkrijgen, of indien door die strijdige handelingen aan de Staat of Staatsinstelling enig nadeel wordt toegebracht. Het gaat hierbij om de publieke functionaris aan wie ter zake beslissings- of handelingsbevoegdheid is toegekend en om besluiten die eveneens een grondslag hebben in een wettelijk voorschrift. 

Het Hof stelt vast dat strafbaarstelling in artikel 13 van de Anti-corruptiewet zich niet beperkt tot het voor zichzelf of een ander onrechtmatig voordeel te verkrijgen door de publieke functionaris. De strafbaarheid betreft ook de publieke functionaris die verboden handelingen heeft verricht en/of besluiten heeft genomen in strijd met de ter zake geldende wettelijke voorschriften, voorwaarden of procedures, waarbij aan de Staat of Staatsinstelling opzettelijk financieel nadeel wordt toegebracht of financieel nadelige voorwaarden worden bedongen. Het beschermd belang dat de wetgever bij vermeld artikel stelt is bescherming van de Staat of Staatsinstelling. Van het ontbreken van de bestanddelen van artikel 13 lid 1a en lid 2 van de Anti-corruptiewet is in de visie van het Hof geen sprake. 

Gelet op het voorgaande worden de verweren van de verdediging in al hun onderdelen verworpen.

Nu het Hof ook ambtshalve niet gebleken is van gebreken in de inleidende dagvaarding, is de dagvaarding naar het oordeel van het Hof geldig.

De bevoegdheid van het Hof van Justitie

Er zijn geen verweren aangevoerd ten aanzien van de bevoegdheidsvraag. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden die de absolute competentie van het Hof regarderen, zodat het Hof bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak.

De ontvankelijkheid van de vervolging

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de vervolgingsambtenaar in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien:

  • de Anti-corruptiewet niet uitvoerbaar en handhaafbaar is vanwege het ontbreken van de Anti-corruptie commissie. Een onvolledige wet kan nimmer als grondslag dienen voor een vervolging.  
  • er geen sprake is van schending van artikel 13 van de Anti-corruptiewet, omdat het delictsbestanddeel ‘wettelijk voorschrift” niet vervuld kan worden door de gedragingen genoemd in de artikelen 16 en 18 van de Bankwet, vanwege het ontbreken van de ‘Wet Bestuursrecht’. 

Verweer met betrekking tot het ontbreken van de Anti-corruptie commissie

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de Anti-corruptiewet niet uitvoerbaar en handhaafbaar is vanwege het ontbreken van de Anti-corruptie commissie. Een onvolledige wet kan nimmer als grondslag dienen voor een vervolging.  

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Uit de Memorie van Toelichting (MVT) van de Anti-corruptiewet volgt dat de commissie een preventieve taak heeft. Eén van de doelstellingen van de preventieve aanpak door de commissie is dat er gewerkt wordt aan transparantie binnen de overheidssector en dat er een proces van bewustwording en verdere discussie binnen de werkorganisaties op gang komt over integer bestuur. In dit verband is het mogelijk dat de commissie op verzoek een integriteitsonderzoek in gang zet binnen de organisatie van een orgaan of instelling. Verder kan de commissie ondersteunen bij het identificeren van risico’s in gevallen van belangenverstrengeling binnen de organisatie, waarbij het kan gaan om risico’s die ontstaan door externe en interne oorzaken binnen de organisatie. 

Samengevat hebben de taken van de commissie te maken met preventie, signalering, analyse, beleidsadvisering, monitoring, educatie, het ontwikkelen van integriteitscodes en het onderhouden van contacten met (inter) nationale instanties. Het laatste mede met het oog op financieel- en technische ondersteuning op het gebied van corruptie preventie. De (repressieve) bestrijding van corruptie en de bepaling van de opportuniteit van de opsporing en vervolging in corruptiezaken, valt onder de exclusieve bevoegdheid van het Openbaar Ministerie. Na intake van een gemelde misstand wordt elke geregistreerde melding door de commissie volledig overgedragen aan de Procureur-Generaal om de behandeling van de gemelde misstand over te nemen. 

Het Hof stelt voorop dat uit de Memorie van Toelichting van de Anti-corruptiewet niet blijkt dat het hebben van een commissie een noodzakelijke voorwaarde is om een strafrechtelijke vervolging in te stellen. Artikel 18 van de Anti-corruptiewet vermeldt dat bepalingen als bedoeld in artikel 17 lid 1 en lid 2 van de Anti-corruptiewet worden gekwalificeerd als misdrijven en is het Openbaar Ministerie bevoegd tot het vervolgen van gepleegde strafbare feiten. Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Verweer erop neerkomende dat er geen sprake is van schending van artikel 13 van de Anti-corruptiewet, omdat het delictsbestanddeel ‘wettelijk voorschrift’ niet vervuld kan worden door de gedragingen genoemd in de Bankwet, vanwege het ontbreken van de ‘Wet Bestuursrecht”.

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat er geen sprake is van schending van artikel 13 van de Anti-corruptiewet.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Door de jurisprudentie en de literatuur is uitgemaakt wat onder wettelijk voorschrift wordt verstaan namelijk wetten (voorschriften, voorwaarden en procedures) gegeven door instanties met wetgevende bevoegdheid.

Inderdaad kent Suriname geen Wet Bestuursrecht, maar dat betekent niet dat er geen wettelijke voorschriften bestaan, die gelden binnen de publieke sector. 

Aan het begrip wettelijk voorschrift in de Anti-corruptiewet komt specifieke betekenis toe, zoals verwoord in de memorie van toelichting. Deze wet richt zich tot de corruptie plegende publieke functionaris. Deze wet heeft niet rechtstreeks betrekking op de handelingen van (individuele) burgers/personen buiten de overheidssector als het gaat om fraude en corruptief gedrag. In artikel 13 lid 1a van de Anti-corruptiewet is bepaald dat strafbaarheid van de publieke functionaris bestaat, indien door hem met een wettelijk voorschrift strijdige handelingen zijn verricht of besluiten zijn genomen met het aangetoonde zodanige oogmerk om voor zichzelf of een ander enig voordeel te verkrijgen of indien door die strijdige handelingen aan de Staat of Staatsinstelling enig nadeel wordt toegebracht. 

Het gaat hierbij om de publieke functionaris aan wie ter zake beslissings-of handelingsbevoegdheden zijn toegekend en om besluiten die eveneens een grondslag hebben in een ‘wettelijk voorschrift’.

Dit zijn verboden en geboden die betrekking hebben op wettelijke voorschriften die in verschillende wettelijke regelingen zijn vastgelegd. 

Hieruit valt af te leiden dat de bepalingen van de Bankwet wettelijke voorschriften zijn, welke wet is uitgevaardigd door de daartoe bevoegde autoriteiten. Een wettelijk voorschrift is elke regelgeving, uitgevaardigd door een daartoe bevoegde autoriteit.  

De Bankwet bevat regels, waaraan de bank zich dient te houden en zijn het dus wettelijke voorschriften. 

De verweren worden -gelet op al het voorgaande- in al hun onderdelen verworpen.

Nu voor het overige door de verdediging geen andere feiten of omstandigheden zijn aangevoerd, die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, is het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Schorsing van de vervolging

Er zijn geen omstandigheden gebleken casu quo geen verweren gevoerd die nopen tot het schorsen van de vervolging. De vervolging kan dus voortgezet worden.

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Vanuit de zijde van de verdediging is aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de algehele tenlastelegging. 

Ten aanzien van de feiten I en IIA

De raadslieden hebben ter terechtzitting van het Hof bepleit dat verdachte van de onder I en IIA ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat:

  • de verdachte geen publieke functionaris is en is de Anti-corruptiewet niet van toepassing op hem. 
  • het rapport Kroll A. Division Duff & Phelps aangeeft dat er geen nadelige contracten zijn gesloten en dat de bedragen niet hoog en oneigenlijk waren. Een dergelijke nadelige contractvoorwaarde dient aangetoond te worden. Bovendien is de “good governance” van de Centrale Bank van Suriname bevestigd en heeft er geen onafhankelijk accountantsonderzoek plaatsgevonden. 
  • belangenverstrengeling geen strafbaar feit is.
  • Angnoe niet als medepleger kan worden aangemerkt. De enige nauwe en bewuste samenwerking welke Angnoe heeft gehad, is dat hij namens Orion in dit traject als onderaannemer heeft gewerkt op de contracten Prodigy I, II en Lagarde. Geen van de door het Openbaar Ministerie aangehaalde argumenten tonen aan dat Angnoe op de hoogte zou zijn geweest van een plan om de Centrale Bank van Suriname te benadelen. Zowel Angnoe als Orion hadden niets te maken met de panden. 
  • de verbeurdverklaring van het onroerend goed Orion Capital Investments N.V. gevestigd aan de [adres 2] dient te worden vernietigd. De verbeurdverklaring van het onroerend goed is nergens gemotiveerd. De verdediging heeft geconstateerd dat het goed reeds in bezit was van de verdachte Van Trikt voordat de vermeende strafbare feiten werden gepleegd.
  • het vonnis in eerste aanleg ondeugdelijkheden dan wel onvolkomenheden bevat.

Verweer met betrekking tot de publieke functionaris

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd, dat de verdachte geen publieke functionaris is en de Anti-corruptiewet niet van toepassing is op hem.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Een publieke functionaris is iemand die in dienst is van de Overheid of een semi overheidsorganisatie en een taak vervult die het publieke belang dient. De term functionaris kan ook verwijzen naar iemand met een belangrijke functie binnen een organisatie, die aan het publieke domein gerelateerd is.

In artikel 13 van de Anti-corruptiewet is het volgende bepaald: Het is een publieke functionaris in de uitoefening van zijn functie verboden om handelingen te verrichten, te adviseren en besluiten te nemen, waarbij door hem gehandeld wordt in strijd met de ter zake geldende wettelijke voorschriften, voorwaarden of procedures, om voor zichzelf enig onrechtmatig voordeel te verkrijgen en/of waarbij aan de Staat of een Staatsinstelling opzettelijk enig financieel nadeel wordt toegebracht of financieel nadelige voorwaarden worden bedongen. 

In tekst en commentaar Strafrecht (tiende druk pagina 577) is bepaald dat bij kwaliteitsdelicten het bezit van een bepaalde kwaliteit vereist is. De deelnemer aan een kwaliteitsdelict dat door een ander wordt gepleegd, hoeft zelf niet in het bezit te zijn van de vereiste kwaliteit. Voldoende is dat de pleger die kwaliteit heeft en dat de deelnemer daar weet van heeft. 

De bepalingen uit de Bankwet kunnen aangemerkt worden als kwaliteitsdelicten. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op iemand, die niet de hoedanigheid heeft van een governor. Het Wetboek van Strafrecht biedt wel de mogelijkheid om personen die niet over een bepaalde kwaliteit beschikken, in casu de verdachte Angnoe, als deelnemer aan die kwaliteitsdelicten strafrechtelijk aansprakelijk te stellen. Verdachte Angnoe heeft nauw met de verdachte Van Trikt, zijnde de governor van de Centrale Bank van Suriname samengewerkt. Van Trikt heeft hem aangetrokken als zijn sparringpartner binnen de bank en heeft hem doen participeren bij het tot stand komen van de verschillende overeenkomsten, die niet noodzakelijk waren voor de Centrale Bank van Suriname. Angnoe heeft actief geparticipeerd, dus was hij op de hoogte van de negatieve gevolgen die deze overeenkomsten teweeg hebben gebracht. 

Het Hof verwerpt- gelet op al het voorgaande-het daartoe strekkend verweer.

Verweer met betrekking tot het rapport Kroll A. Division Duff & Phelps

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat het rapport Kroll A. Division Duff & Phelps aangeeft dat er geen nadelige contracten zijn gesloten en dat de bedragen niet hoog en oneigenlijk waren. Een dergelijke nadelige contractvoorwaarde dient aangetoond te worden. Bovendien is de “good governance” van de Centrale Bank van Suriname bevestigd. Er heeft geen onafhankelijk accountantsonderzoek plaatsgevonden. 

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Uit het rapport Kroll A. Division Duff & Phelps is onomstotelijk komen vast te staan dat:

  • er oneigenlijk hoge bedragen zijn betaald voor de overeenkomst Prodigy 1, Prodigy 2, Prodigy 3 en Lagarde I. Hetgeen betaald is staat niet in verhouding tot hetgeen door Clairfield is geleverd. 
  • Clairfield niet over de nodige kwaliteiten beschikt om werkzaamheden te verrichten in het kader van een of meer van voormelde overeenkomsten.
  • de vooruitbetalingen ten aanzien van de projecten Prodigy 1, Prodigy 2, Prodigy 3 buitensporig hoog en niet gebruikelijk waren. Uit het rapport is voldoende aangetoond dat de contracten nadelig waren voor de Staat Suriname. 
  • met betrekking tot de “non refundable fees” waren de tegenprestaties in onderhavig geval niet evenredig waren met de geleverde diensten door Clairfield. 

Uit de zich in het dossier bevindende stukken kan geconcludeerd worden dat er geen noodzaak was voor het sluiten van de overeenkomsten.

Het Hof verwijst in dit verband eveneens naar het vonnis van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel, gewezen op 20 oktober 2022, waarbij genoemde rechtbank de nietigheid van de overeenkomsten Prodigy 1, Prodigy 2, Prodigy 3, Prodigy 5 en Lagarde I heeft uitgesproken. Clairfield is daarbij veroordeeld tot terugbetaling aan de Centrale Bank van Suriname van een bedrag groot Euro 2.552.932.59,- (twee miljoen vijfhonderdtweeënvijftigduizend negenhonderdtweeëndertig euro en negenenvijftig cent). 

Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Verweer met betrekking tot belangenverstrengeling

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat belangenverstrengeling geen strafbaar feit is.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Uit het onderzoek en getuigenverklaringen blijkt dat er sprake is geweest van belangenverstrengeling bij het aangaan van de overeenkomsten met de Centrale Bank van Suriname. Verdachte heeft steeds aangegeven dat vanwege zijn deskundigheid als accountant van hem verwacht werd dat hij kennis droeg van de fundamentele beginselen van het beroep. Dit ter voorkoming van belangenverstrengeling. Verdachte Angnoe werd als accountant bij Orion ook aangetrokken als adviseur van de Centrale Bank van Suriname. Uit het onderzoek is gebleken dat verdachte Angnoe en medeverdachte Van Trikt de fundamentele beginselen van het beroep hebben geschonden, om hun eigen financiële belangen te behartigen. Verdachte Angnoe had belangen bij Orion en dit stond op gespannen voet met de belangenbehartiging van de Centrale Bank van Suriname.

In de visie van het Hof is er wel degelijk sprake geweest van belangenverstrengeling. Het daartoe strekkend verweer wordt verworpen.

Verweer met betrekking tot medeplegen

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat Angnoe niet als medepleger kan worden aangemerkt. De enige nauwe en bewuste samenwerking welke Angnoe heeft gehad, is dat hij namens Orion in dit traject als onderaannemer heeft gewerkt op de contracten Prodigy I, II en Lagarde. Geen van de door het Openbaar Ministerie aangehaalde argumenten tonen aan dat Angnoe op de hoogte zou zijn geweest van een plan om de Centrale Bank van Suriname te benadelen. Angnoe en Orion hadden niets te maken met de panden. 

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Het Hof stelt voorop dat de betrokkenheid van verdachte aan een strafbaar feit als medepleger kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten en zijn – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict zodanig wezenlijk dan wel van dusdanig voldoende gewicht is, dat sprake is van medeplegen.

Uit het onderzoek is komen vast te staan dat verdachte Angnoe tezamen met zijn mededaders nauw betrokken was bij de totstandkoming van de overeenkomsten die zijn medeverdachte Van Trikt heeft gesloten met Clairfield Benelux N.V. en Buysse Hans. Angnoe heeft actief geparticipeerd bij de bijeenkomsten in België betreffende vermelde overeenkomsten. Van Trikt heeft als governor en medeaandeelhouder van Orion Assurance and Advisory N.V. met Angnoe een overeenkomst voor onbepaalde tijd getekend op 18 april 2019, betreffende het optreden van Orion Assurance and Advisory N.V, in de persoon van Angnoe als adviseur en sparringpartner van de Centrale Bank van Suriname en wel voor een bedrag van USD 150,- per uur, waarvan reeds een tegenwaarde van SRD. 188.904,- (honderdachtentachtigduizend negenhonderdvier Surinaamse dollar) is betaald. Van Trikt heeft de verdachte Angnoe reeds op 18 april 2019 aangetrokken als zijn adviseur bij de Centrale Bank van Suriname en hem doen participeren aan de totstandkoming van de overeenkomsten gesloten met Clairfield Benelux N.V. Uit het onderzoek is gebleken dat Angnoe actief heeft geparticipeerd aan de totstandkoming van de overeenkomsten met Clairfield. Ook is gebleken dat door toedoen van de medeverdachte Van Trikt met de verdachte Angnoe en de medeverdachte Buysse, een bedrag groot Euro 625.000,- (zeshonderdvijfentwintigduizend euro) ten behoeve van Orion Capital Investment N.V. is teruggevloeid naar Suriname. Het geld is overgemaakt vanuit Clairfield Benelux N.V. ten behoeve van de verdachten. Er zijn voor het aangaan van de overeenkomsten meerdere overleg momenten geweest tussen verdachte en zijn medeverdachten. Van Trikt heeft samen met Angnoe en/of Buysse opgetreden waarbij er sprake is geweest van belangenverstrengeling gezien het feit dat Agnoe zakenpartner en samen met medeverdachte Van Trikt medeaandeelhouder is van Orion. Verder zijn Buysse, Van Trikt en Angnoe allen als partners verbonden aan Limebridge VZW. Ook is gebleken dat een geldbedrag van Euro 100.000,- (honderdduizend euro) van de bankrekening van de in België gevestigde vereniging Limebridge VZW waarin verdachten belangen hadden, is overgemaakt naar de rekening ten behoeve van [naam] in Nederland. Deze overmaking geschiedde ten behoeve van MN Car Center als aanbetaling voor de aanschaf van een Range Rover dat voor de verdachte Angnoe was gekocht. Ook heeft de medeverdachte van Trikt als governor en als medeaandeelhouder van Orion Assurance and Advisory N.V. met de verdachte Angnoe, medeaandeelhouder van Orion en zakenpartner van Van Trikt, een vijftal overeenkomsten gesloten. Bij deze overeenkomsten werd door de Centrale Bank van Suriname een bedrag groot SRD. 1.142.634,75,- (één miljoen honderd tweeënveertigduizend zeshonderdvierendertig Surinaamse dollar en vijfenzeventig cent) als voorschot betaald aan Orion Assurance and Advisory N.V.

Uit het onderzoek is eveneens komen vast te staan dat de verdachte Van Trikt de verdachte Angnoe reeds op 18 april 2019 heeft aangetrokken als zijn adviseur bij de Centrale Bank van Suriname en hem heeft doen participeren aan de totstandkoming van de overeenkomsten gesloten met Clairfield Benelux N.V. 

Het betreft de overeenkomsten:

  • Project Prodigy 1 “valuation of the assets of the Government of Suriname, getekend op 10 mei 2019.
  • Project Prodigy 2 “support to the Central Bank of Suriname for managing the national assets through creation and operation the Suriname for participating and Investment Company”, getekend op 6 augustus 2019.

Uit deze twee overeenkomsten zijn de transacties betreffende de 17 onroerende goederen uitgerold. Hierdoor is onomstotelijk komen vast te staan dat verdachte Angnoe en Orion wel betrokken waren bij de transacties met betrekking tot de panden. Angnoe heeft van meet af aan actief geparticipeerd bij de totstandkoming van de overeenkomsten, waarvan de onroerende goederen deel uitmaakten. 

Uit het boven aangehaalde blijkt dat verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het voltooien van de strafbare feiten. Zijn bijdrage was van voldoende gewicht en was hij op de meest cruciale momenten namelijk bij het sluiten van de overeenkomsten aanwezig. Op grond hiervan is het Hof van oordeel dat verdachte en zijn mededaders samen hebben opgetreden en dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders.

Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Verweer met betrekking tot verbeurdverklaring van het onroerend goed

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de verbeurdverklaring van het onroerend goed Orion Capital Investments N.V. gevestigd aan de [adres 2] vernietigd moet worden. De verbeurdverklaring van het onroerend goed is nergens gemotiveerd. Het goed was reeds in bezit van Van Trikt voordat de vermeende strafbare feiten werden gepleegd.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Uit een uittreksel van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken (K.K.F) is gebleken dat Orion Capital Investments N.V. als adres heeft staan [adres 2] te Paramaribo. Voormelde N.V. is op 23 maart 2017 opgericht en ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken op 31 maart 2017 en had toen als adres [adres 2]. Verder is uit een hypothecair uittreksel van het MI Glis gebleken dat Orion Capital Investments N.V. het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot een duizend tweehonderd vier en tachtig vierkante meters, gelegen te Paramaribo op de hoek van de [perceelligging], heeft verkregen door overschrijving ten kantore van MI GLIS op 27 april 2017. Orion Capital Investments N.V. heeft dus vervolgens kantoor gehouden op bovenvermeld adres.   

Met de verdediging is het Hof het eens dat het goed reeds in bezit was van verdachte Van Trikt voordat de vermeende strafbare feiten werden gepleegd.

Het daartoe strekkend verweer acht het Hof gegrond.

Het Hof zal derhalve dit onderdeel van het beroepen vonnis vernietigen en dit onroerend goed wederom ter beschikking stellen aan de rechthebbende(n). 

Verweer met betrekking tot de deugdelijkheid van het vonnis in eerste aanleg

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd, dat het bestreden vonnis ondeugdelijk en tegenstrijdig is dan wel onjuistheden bevat.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

De Kantonrechter in eerste aanleg heeft het vonnis voldoende gemotiveerd. Uit de opgesomde bewijsmiddelen is genoegzaam gebleken dat de strafbare feiten daadwerkelijk zijn gepleegd. De getuigen hebben elk afzonderlijk en gedetailleerd verklaard wat zich heeft afgespeeld. Ook zijn er schriftelijke bewijsstukken waaruit blijkt dat verdachte en zijn mededaders zich schuldig hebben gemaakt aan de strafbare feiten. Het Hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van deze bewijsmiddelen. Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte en mededaders de bewezenverklaarde feiten hebben begaan op feiten en omstandigheden die in de aangehaalde bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. Het is het Hof overigens niet gebleken dat het vonnis in eerste aanleg ondeugdelijk casu quo tegenstrijdig is dan wel onjuistheden bevat.

Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Gelet op al het voorgaande worden de verweren in al hun onderdelen verwerpen.

Ten aanzien van feit IIIA

De raadslieden hebben ter terechtzitting van het Hof bepleit dat verdachte van het onder IIIA ten laste gelegde feit, te weten valsheid in geschrifte, dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat:

  • niet is gebleken dat Angnoe het document “Incoming Payments” valselijk heeft opgemaakt. Het betreft hier een fout van de administratie.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Uit het onderzoek is komen vast te staan dat verdachte Angnoe een vals document heeft geproduceerd. Hij heeft hiermee doen blijken alsof de betaling van Euro 625.000,- (zeshonderdvijfentwintig duizend euro) betrekking zou hebben op het project Strenght, zijnde een project van de Hakrinbank N.V. De directeur van de Hakrinbank N.V. heeft verklaard dat de overmaking van het Project Strenght dubieus bleek te zijn. Verdachte werd hiermee geconfronteerd en gaf hij toe dat de overmaking betrekking had op project Prodigy I en geen project Strenght. Verdachte probeerde met dit valselijk opgemaakt document de waarheid te verdoezelen. 

Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Ten aanzien van feit IVA

De raadslieden hebben ter terechtzitting van het Hof bepleit dat verdachte van het onder IVA ten laste gelegde feit, te weten Money Laundering, dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat:

  • dat er geen sprake is van Money Laundering. De aankoop van de Range Rover van Orion per bank is geschied met de formele inkomsten van de rechtspersoon Orion. 

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan witwassen bewezen worden geacht, indien op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden het niet anders kan zijn dan dat de ten laste gelegde voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de ten laste gelegde voorwerpen afkomstig zijn uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is vereist dat die voorwerpen afkomstig zijn uit enig misdrijf. Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien die situatie zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft omtrent de herkomst van dat voorwerp. Zo een verklaring dient te voldoen aan het vereiste, dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.  

Uit het onderzoek is komen vast te staan dat een deel (Euro 625.000,-) van het overgemaakt geld (euro 1.250.000,-) ten behoeve van Clairfield Benelux N.V. terug is gevloeid naar Suriname en wel ten behoeve van het bedrijf Orion Capital Investment N.V., waarvan verdachte Van Trikt de enige aandeelhouder is. Dit geld is overgemaakt vanuit Clairfield Benelux N.V. ten behoeve van verdachte Van Trikt en Angnoe en Buysse. Om deze overmaking te kunnen bewerkstelligen is er een vals document door Angnoe geproduceerd alsof de betaling van Euro 625.000,- (zeshonderdvijfentwintig duizend euro) betrekking zou hebben op het project “Strength”, zijnde een project dat is uitgevoerd ten behoeve van de Hakrinbank N.V. door Clairfield Benelux N.V. en Orion Capital Investment N.V.

Uit het onderzoek is komen vast te staan dat de overmaking ten behoeve van het project “Strength” dubieus bleek te zijn, daar dit project nooit zoveel zou kunnen hebben gekost. 

De medeverdachte Van Trikt heeft ter terechtzitting d.d. 7 november 2022 hieromtrent verklaard dat geen enkele overmaking via de informele weg is gegaan. Alles heeft dus via de formele weg plaatsgevonden. In de visie van het Hof blijkt uit het onderzoek het tegendeel.

Voorts is uit het financieel onderzoek komen vast te staan dat met het bedrag groot Euro 625.000,- (zeshonderdvijfentwintigduizend euro) er aflossingen zijn gepleegd, namelijk zijn er leningen van Orion afgelost bij de Bank, alsook persoonlijke leningen.

Uit het onderzoek is in de visie van het Hof komen vast te staan dat verdachte en mededaders door middel van en uit de baten van de strafbare feiten wederrechtelijk voordeel hebben verkregen. Verdachte en zijn medeverdachte hebben bewust de herkomst van het geld proberen te verhullen. De feiten en omstandigheden zijn van dien aard dat vastgesteld kan worden dat er sprake is van witwassen, nu met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat de gelden een criminele herkomst hebben. Immers heeft de verdachte geen concrete verifieerbare verklaring afgelegd omtrent de herkomst van voormeld geldbedrag.

Voorts is uit het onderzoek eveneens gebleken dat er een bedrag van Euro 100.000,- (honderduizend euro) van de bankrekening van de in België gevestigde vereniging Limebridge VZW, waarin Van Trikt, Angnoe en Buysse belangen hebben, is overgemaakt naar een rekening ten name van [naam] in Nederland. Deze overmaking geschiedde ten behoeve van MN Car Center als aanbetaling voor de aanschaf van de Range Rover. Dit voertuig was voor de verdachte Angnoe en/of Orion gekocht. Verdachten hebben geen deugdelijke verklaring over de financiële middelen van de vereniging Limebridge VZW afgelegd. Het is voor het Hof niet aannemelijk geworden dat vermeld voertuig uit de inkomsten van Orion is gekocht.

Op grond van het hierboven aangehaalde is het Hof van oordeel dat er sprake is van verwerven in de zin van de wet en verwerpt het Hof het daartoe strekkend verweer.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is

Het bewezenverklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

  • I medeplegen van het eerste lid van artikel 13 van de Anti-corruptiewet; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 13 lid 1 juncto artikel 17 van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no. 85 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 35 a van de Wet van 20 mei 2005, inhoudende nadere wijziging van de Bankwet 1956, zoals deze luidt na wijziging laatstelijk bij decreet van 8 november 1986 (S.B. 1986 no. 73).
  • IIA medeplegen van het tweede lid van artikel 13 van de Anti-corruptiewet; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 13 lid 2 juncto artikel 17 van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no. 85 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 35 a van de Wet van 20 mei 2005, inhoudende nadere wijziging van de Bankwet 1956, zoals deze luidt na wijziging laatstelijk bij decreet van 8 november 1986 (S.B. 1986 no. 73).
  •    IIIA-valsheid in geschrifte; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 278 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht;
  •    IVA medeplegen van opzettelijke Money Laundering; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 1b van de Wet Strafbaarstelling Money Laundering S.B 2002 no. 64 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht,

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. 

Verdachte is dan ook strafbaar.

De op te leggen straf

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het Hof rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. 

Verdachte en zijn mededaders hebben zich gedurende langere periode schuldig gemaakt aan grootschalige corruptie. Verdachte en zijn mededaders hebben samengewerkt aan het tot stand komen van overeenkomsten met Clairfield Benelux N.V. en Orion Assurance and Advisory N.V., waarbij er grote geldbedragen aan voorschotten zijn betaald. Gebleken is dat de overeenkomsten gesloten met Clairfield Benelux N.V. niet noodzakelijk waren voor de Centrale Bank van Suriname. Uit 2 van de overeenkomsten met Clairfield Benelux N.V. is de verkoop van onroerende goederen uitgerold. Deze onroerende goederen zijn door de Centrale Bank van Suriname gekocht en betaald, maar de panden zijn nimmer overgedragen aan de Bank. Verdachte en zijn mededaders hebben gedurende langere periode op systematische en geraffineerde wijze gehandeld, waarbij doelbewust misbruik is gemaakt van hun positie. Verdachte heeft zijn functie benut om op geraffineerde wijze controle te omzeilen en andere belangen te dienen.

Verdachte en zijn mededaders hadden slechts oog voor hun eigen financieel gewin en hebben zich niet bekommerd om de gevolgen van hun handelen voor de Staat Suriname. Verdachte heeft als registeraccountant, tevens zakenpartner van de verdachte van Trikt, misbruik gemaakt van zijn positie.  

De persoon van de verdachte en zijn omstandigheden

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft het Hof in het bijzonder gelet op de inhoud van de Staat van inlichtingen, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

De verdachte is tijdens de behandeling van de zaak in Hoger beroep op 17 oktober 2022 in vrijheid gesteld. Het Hof heeft daarbij in acht genomen dat verdachte met zijn aanhouding sinds februari 2020 reeds twee/derde deel van de opgelegde straf heeft uitgezeten. 

Gelet op de hiervoor besproken aard en ernst van de feiten, en de rol van de verdachte in het geheel, is het Hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Deze straf dient de verdachte en anderen duidelijk te maken dat corruptie niet ongestraft kan blijven. Het Hof zal bij het bepalen van een passende strafmaat rekening houden met het feit dat de verdachte reeds twee/derde deel van de opgelegde straf in eerste aanleg heeft uitgezeten en dat de verdachte zich in deze zaak geruime tijd op vrije voeten bevindt. Indachtig al het voorgaande acht het Hof het door de Kantonrechter opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren passend en geboden. 

Beslag

Het Hof is van oordeel dat het in beslag genomen onroerend goed te weten Orion Capital Investments N.V. gevestigd aan de [adres 2] te Paramaribo (kadastraal bekend als het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot éénduizend tweehonderd vier en tachtig vierkante meters, gelegen te [perceelomschrijving] toebehoort aan de rechtspersoon casu quo haar bestuurders en aan hen moet worden teruggegeven, nu niet is komen vast te staan dat dit onroerend goed vatbaar is voor verbeurverklaring ingevolge het bepaalde in artikel 50a van het Wetboek van Strafrecht. Het beroepen vonnis zal derhalve op dit punt worden vernietigd. 

De toepasselijke wettelijke bepalingen

Gezien de voormelde wetsartikelen, alsmede de artikelen 9, 11, 38, 40, 44, 50 a, 72, 82, 127 en 278 van het Wetboek van Strafrecht; artikel 13 juncto artikel 17 van de Anti-corruptiewet, artikel 35 a van de Wet van 20 mei 2005, inhoudende nadere wijziging van de Bankwet 1956, zoals deze luidt na wijziging laatstelijk bij decreet van 8 november 1986 (S.B. 1986 no. 73) en artikel 1b van de Wet Strafbaarstelling Money Laundering zoals deze bepalingen luidden ten tijde van de bewezenverklaarde feiten. 

 

Beslissing:

Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton op 

31 januari 2022 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep, onder aanvulling en verbetering van de gronden, zoals eerder vermeld. 

Verbetert het dictum van het beroepen vonnis van de Kantonrechter met betrekking tot de ontnemingsmaatregel in dier voege dat dit als volgt komt te luiden:

-legt aan de verdachten Angnoe en Van Trikt de verplichting op tot betaling van het bedrag groot Euro 625.000,- (zeshonderdvijfentwintigduizend euro) op grond van artikel 54e lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, des de een betalende, de ander zal zijn bevrijd, aan de Staat.  

  Vernietigt het vonnis ten aanzien van de uitgesproken verbeurdverklaring en opnieuw rechtdoende:

-Gelast de teruggave van het inbeslaggenomen onroerend goed te weten Orion Capital Investments N.V. gevestigd aan de [adres 2] te Paramaribo (kadastraal bekend als het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot éénduizend tweehonderd vier en tachtig vierkante meters, gelegen te [perceelomschrijving], aan de rechthebbende(n).

Aldus gewezen door: 

 A. Charan, Fungerend – President, S. Punwasi en mr. D. Nanhoe, rechters,bijgestaan door mr. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh, fungerend – griffier en uitgesproken door mr. S. Punwasi voornoemd op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van maandag 19 januari 2026 te Paramaribo.

w.g. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh                                                                w.g. A. Charan 

                                                                                                                                                  w.g. S. Punwasi

                                                                                                                                                  w.g. D. Nanhoe

 

Voor eensluidend afschrift,

De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. E.M. Ommen – Dors, Substituut Griffier)