SRU-K1-2011-10

  • Instantie Kantongerecht Eerste Kanton
  • Zaaknummer AR-104699
  • Uitspraakdatum 13 januari 2011
  • Publicatiedatum 23 juli 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    – Onrechtmatige daad door inbreuk op persoonlijke- beroeps en maatschappelijke integriteit.
    – Geobjectiveerde opzet.

    – De door gedaagde gedane beschuldiging aan het adres van de eiseres van racisme en etniciteit is een ernstige diskwalificatie van de persoon van eiseres en vormt een ernstige inbreuk op eiseresse’s persoonlijke, beroeps – en maatschappelijke integriteit, waardoor de uitspraken zonder meer als onrechtmatig kunnen worden aangemerkt.
    – De kantonrechter is voorts van mening dat het kader waarbinnen de uitlatingen geplaatst en beoordeeld moeten worden en alle belangen tegen elkaar afgewogen hebbende, de beschuldiging aan het adres van eiseres dat zij zich voortdurend schuldig maakt aan racisme, feitelijk niet is onderbouwd en daarom, ook in het publieke debat, ongeoorloofd en onrechtmatig is.
    (art. 1386 jo art. 1393 e.v. BW)

    SJB 2011/1

Uitspraak

In naam van de Republiek

Kantongerecht in het Eerste Kanton
A.R. 10-4699
13 januari 2011
RGR

Vonnis in het kort geding in de zaak van:

[eiseres],
wonende te [district],
eiseres in kort geding,
gemachtigde: mr. S. Marica, advocaat,

tegen

A. De Staat Suriname, rechtspersoon,
vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,

B. [gedaagde sub B],
wonende te [district],
gedaagden in kort geding,
gemachtigde: mr. Lesley H.R. Rogers, advocaat.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in naam van de Republiek het navolgende vonnis in kort geding uit.

1. Het verloop van het geding

1.1.Hiervan blijkt uit de volgende processtukken/handelingen:
– het verzoekschrift dat op 11 november 2010 met producties is ingediend ter griffie;
– de conclusie van eis;
– de conclusie tot toelichting van het verzoekschrift;
– de conclusie van antwoord met producties;
– de repliek pleitnota;
– het bekijken en beluisteren van een DVD bevattende een verslag van de door gedaagde sub B gedane uitspraken;
– de dupliek pleitnota;
– de conclusie tot uitlating zijdens eiseres;
– de verklaring van de raadsman van de gedaagden zoals aangetekend op de kaft van dossier.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 [gedaagde sub B], is Minister van [departement], en maakt als zodanig deel uit van de regering van de Republiek Suriname, gedaagde sub A.

2.2 Tijdens een officiële persconferentie van de Raad van Ministers gehouden op 12 oktober 2010 heeft de [gedaagde sub B] voornoemd ten overstaan van de pers, bestaande uit journalisten van de kranten en radio- en t.v. stations, onder meer de navolgende uitspraken gedaan, die door eiseres in het inleidend verzoekschrift zijn aangehaald en waarvan bepaalde zinsdelen in vetdruk aan de kantonrechter zijn overhandigd doch waarvan de nummering door de kantonrechter is geschied:

(a) “Aangaande [naam] is het natuurlijk jammer dat we persoonlijke dingen in de pers, in de publiciteit gaan bespreken, uitvechten, iemand bespreken die zich nu niet eens in Suriname zit om zich te verweren, maar aangezien dit nog voortsiddert en er nog vragen hierover komen en dat er nog een zogenaamde pressiegroep onder leiding van [eiseres] bezig is, is het toch nodig om aan te geven dat niet ‘s Lands heeft besloten de overeenkomst ….”

(b) “nee ik ben nog niet klaar. Maar ik heb nog veel hierover, omdat wat betreft die mevrouw die bezig is, we kennen haar zeer goed ook en we weten dat ze van koorddansen houdt. Ze begeeft zich altijd op het randje van wat nog toelaatbaar is en we hopen voor haar dat ze echt een goede koorddanseres is”.

(c) “De arts, de arts die opkomt voor [naam]”.

(d) “Jawel. Dus waarom ik dat zeg. Ik weet niet als u dat kan herinneren als pers en ik hoop dat U als pers een goed geheugen hebt. Indertijd zo een paar jaar geleden een echtpaar, een Hindoestaanse echtpaar was vermoord te [plaats]. En U weet dat deze mevrouw toen bezig was te mobiliseren om een petitie aan te bieden aan de Nationale Assemblee om doodstraf weder in te voeren, omdat met dacht dat het zou gaan over marron jongeren die dus de moord zou hebben gepleegd, toen het bleek dat het een hindoestaanse buurman was die de moord heeft gepleegd is het abrupt al die mobilisatie actie gestopt. Dus vandaar dat ik zeg dat deze mevrouw zich altijd begeeft op het, op het wel etnisch, racistische, want als het racistisch wordt denk ik dat ze geesten aan het oproepen is welke ze misschien niet zal kunnen bezweren’.

3. Het gevorderde en de grondslag daarvan

3.1 Eiseres vordert dat gedaagden worden veroordeeld om in met name genoemde kranten en radio- en t.v. stations een rectificatie te plaatsen en zijn verontschuldigingen aan eiseres aan te bieden.

3.2 Mede is gevorderd dat het vonnis bij voorraad uitvoerbaar wordt verklaard en dat gedaagde in de kosten van de procedure wordt veroordeeld.

3.3 Eiseres heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd de stelling dat zij door de gedane uitlatingen in haar eer, goede naam en maatschappelijke reputatie is aangerand en dat gedaagden door als zo te handelen zich onzorgvuldig en onbetamelijk jegens haar hebben gedragen.

3.4 Op het verweer van gedaagden en op hetgeen partijen ter ondersteuning van hun standpunten nog hebben aangevoerd zal, indien nodig, in het hierna volgende worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Uit de aard van de stellingen en uit het door haar gevorderde is genoegzaam gebleken dat eiseres een spoedeisend belang heeft bij de vordering.

4.2 De kantonrechter stelt voorop dat de door gedaagden niet is betwist dat in de uitspraken die door gedaagde sub B op 12 oktober 2010 zijn gedaan met “mevrouw [achternaam – eiseres]” en “die mevrouw” de eiseres wordt bedoeld.

4.3 Rechtens staat vast dat gedaagde sub B minister van [departement] is en als zodanig als orgaan van gedaagde sub A dient te worden aangemerkt. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de door gedaagde sub B gedane uitlatingen echter niet gedaan binnen de formele kring van zijn werkzaamheden als Minister van [departement] zodat zijn uitspraken niet aan de Staat, gedaagde sub A, kunnen worden toegerekend, doch slechts aan de persoon van de [gedaagde sub B], zoals ook gesteld in het 10e sustenu van het inleidend verzoekschrift. Op grond hiervan zal eiseres niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering tegen gedaagde sub A.

4.4 Bij de toetsing van de uitspraken van gedaagde sub B op hun al dan niet onrechtmatig karakter jegens eiseres zal uitsluitend rekening worden gehouden met de letterlijke tekst die gedaagde sub B heeft uitgesproken en die is vastgelegd op een in raadkamer vertoonde DVD. Deze t.v.-verslaggeving is door verschillende televisiestations uitgezonden. Met de tekst die voorkomt in de kranten wordt geen rekening gehouden, in de eerste plaats omdat eiseres geen kranten als bewijsmateriaal heeft overgelegd en verder ook omdat, zoals de raadsman van gedaagde sub B, terecht heeft opgemerkt zijn cliënt niet aansprakelijk gehouden kan worden voor de wijze waarop de schrijvende pers de uitlatingen verwerkt en samenvat en voor de wijze waarop de krantenkoppen worden geformuleerd.

4.5 De met (a) aangeduide uitspraak van gedaagde sub B acht de kantonrechter niet onrechtmatig. Een “pressiegroep” is volgens van Dale’s Groot Woordenboek der Nederlandse Taal “een klasse of groep van personen die druk in een bepaalde richting op het parlement of regeringsorganen uitoefenen”. In de onderhavige zaak voerde eiseres tezamen met anderen in groepsverband actie om een bepaalde medische specialist, die problemen had met de directie van het ziekenhuis waarin hij werkte, voor dat ziekenhuis c.q. voor Suriname te behouden. De door gedaagde sub B gedane uitspraak is een feitelijke constatering die op waarheid berust en die eiseres niet onnodig in een kwaad daglicht stelt zodat van onrechtmatig handelen aan de zijde van gedaagde sub B geen sprake is.

4.6 De kantonrechter vermag niet in te zien dat de met (c) aangeduide uitspraak aangehaald in het inleidend verzoekschrift, onrechtmatig is. Het betreft een feitelijke constatering die waar is die op geen enkele wijze iets over de persoon van eiseres zegt. Terecht heeft eiseres in het bij pleidooi overgelegde overzicht van in haar oordeel onrechtmatige uitlatingen deze uitspraak weggelaten.

4.7 De onder (b) en (d) gedane uitspraken tezamen beoordelend overweegt de kantonrechter dat gedaagde sub B, nadat hij eiseres ten onrechte in relatie had gebracht met een groep mensen die de effectieve wederinvoering van de doodstraf hadden bepleit, eiseres ervan beschuldigt op raciale en etnische gronden voorstander van de doodstraf te zijn en dat zij, zich altijd begevend op het randje van wat nog toelaatbaar is, zich altijd op het etnische en racistische terrein begeeft en dat zij geesten aan het oproepen is welke ze misschien niet zal kunnen bezweren.De door gedaagde sub B aan het adres van eiseres gedane beschuldiging van racisme en etniciteit is, zeker in onze multi-culturele en multi-etnische samenleving, een ernstige diskwalificatie van de persoon van eiseres en vormt een inbreuk op haar persoonlijke, beroeps- en maatschappelijke integriteit. De gedane uitspraken dienen dan ook zonder meer als onrechtmatig jegens de persoon van eiseres te worden aangemerkt.

4.8 Het verweer van gedaagde sub B dat hij niet het oogmerk had eiseres te beledigen is niet aan de orde aangezien eiseres uit onrechtmatige daad tegen gedaagden ageert. Overigens dient in acht worden genomen dat bij het opzet niet slechts de intentie van gedaagde sub B van belang is doch dat de uitspraken moeten worden geobjectiveerd, met name zal moeten worden nagegaan hoe de gedane uitlatingen in de samenleving worden opgevat, waarbij ook rekening zal moeten worden gehouden met het feit dat gedaagde sub B de uitlatingen aan het adres van eiseres heeft gedaan in het kader van het publieke debat over een zaak van algemeen belang. Eiseres heeft zich vrijwillig opgeworpen als diener van het algemeen belang en zal op grond hiervan kritiek moeten verwachten en gedogen die scherper is dan normaal, mede gelet op het aan gedaagde sub B toekomende recht van vrijheid van meningsuiting. Het kader waarbinnen de uitlatingen geplaatst en beoordeeld moeten worden aldus geschetst- en alle belangen tegen elkaar afgewogen hebbende komt de kantonrechter tot de conclusie dat de beschuldiging aan het adres van eiseres dat zij zich voortdurend schuldig maakt aan racisme feitelijk niet is onderbouwd en daarom, ook in het publieke debat, ongeoorloofd en onrechtmatig is.

4.9 Op grond van het vorenstaande acht de kantonrechter de vordering toewijsbaar zoals in het dictum van dit vonnis is aangegeven zodat dienovereenkomstig zal worden beslist onder veroordeling van gedaagde sub B, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van de procedure.

5. De beslissing in kort geding

5.1 Verklaart eiseres niet ontvankelijk in haar vordering tegen gedaagde sub A.

5.2 Veroordeelt gedaagde sub B om binnen 3 (drie) werkdagen na betekening van dit vonnis, op zijn kosten, de navolgende advertentie te doen plaatsen in de dagbladen “De Ware Tijd”, en de “Times of Suriname” en te doen omroepen door radio Apintie, radio ABC, ATV-televisie, de STVS en RBN-televisie:“Ik, [gedaagde sub B], verklaar hierbij dat de door mij op 12 oktober 2010 tijdens een persconferentie publiekelijk gedane uitspraken waarbij door mij is gesteld dat [eiseres] zich als koorddanseres altijd op het randje van wat toelaatbaar is beweegt en zich altijd op het etnische en racistische begeeft niet op waarheid berust en een ernstige inbreuk vormt op haar eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke integriteit en derhalve onrechtmatig is. Ik neem mijn woorden terug en bied [eiseres] mijn oprechte verontschuldigingen aan.”

5.2 Veroordeelt gedaagde sub B tot betaling van een dwangsom van SRD 5.000,- (vijfduizend Surinaamse Dollar) voor iedere dag dat hij in gebreke blijft uitvoering te geven aan het vonnis, met dien verstande dat de totale dwangsom het bedrag van SRD 100.000,- (honderdduizend Surinaamse Dollar) niet zal overschrijden.

5.3 Verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij vonnis.

5.4 Verwijst gedaagde sub B in de kosten van deze procedure aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 195,- (honderdvijfennegentig Surinaamse Dollar).

5.5. Weigert het meer of anders gevorderde.

Aldus in kort geding gewezen door de Kantonrechter in het Eerste Kanton mr. R.G.Rodrigues, en uitgesproken te Paramaribo ter openbare terechtzitting van donderdag 13 januari 2011, door mr. S.S.S. Wijnhard, Kantonrechter-Plaatsvervanger in het Eerste Kanton, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mr. D. Ramdin.

w.g. D. Ramdin w.g. R.G. Rodrigues
S.S.S. Wijnhard