SRU-K1-2015-11

  • Instantie Kantongerecht Eerste Kanton
  • Zaaknummer AR-100861
  • Uitspraakdatum 24 februari 2015
  • Publicatiedatum 11 juli 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Verbintenissenrecht. Vervoersovereenkomst; voortzetting onder dezelfde voorwaarden. Wanprestatie. Schadevergoeding. Gederfde inkomsten niet onderbouwd.

Uitspraak

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R.no. 10-0861
24 februari 2015

Vonnis inzake:

LE GRAND BALDEW N.V.,
rechtspersoon, gevestigd te Paramaribo,
eiseres, hierna aangeduid met “het vervoersbedrijf”
gemachtigde: was: mr. S. Gopalrai, advocaat,
thans: mr. A.E. Telting, advocaat,

tegen

A. RESIDENCE INN N.V.,

B. DE SURINAAMSE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V. (SLM),
rechtspersonen, gevestigd te Paramaribo,
gedaagden, hierna mede aangeduid met “het hotel” en “SLM”,
gemachtigde: was: mr. F. Kruisland, advocaat,
thans: mr. M.I. Vos, advocaat.

1. Het verloop van het geding

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift met producties dat op 24 februari 2010 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de mondelinge conclusie van eis;
– de conclusie van antwoord en uitlating producties;
– de conclusie van repliek;
– de conclusie van dupliek, met producties;
– de conclusie tot uitlating producties.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De Feiten
Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast.

2.1 SLM is de directie voerende vennootschap van het hotel.

2.2 Het hotel heeft op 28 maart 2002 een overeenkomst gesloten met het vervoersbedrijf om haar hotelgasten vanuit het hotel naar de Johan Adolf Pengel Luchthaven en vice versa te vervoeren, en wel ingaande 01 april 2002 voor de duur van een jaar.

2.3 Het hotel heeft op 28 maart 2003 wederom een overeenkomst gesloten met het vervoersbedrijf om haar hotelgasten vanuit het hotel naar de Johan Adolf Pengel Luchthaven en vice versa te vervoeren, en wel ingaande 01 april 2003 voor de duur van een jaar, eindigende op 31 maart 2004.

2.4 In de periode 01 oktober 2003 tot en met 31 mei 2009, heeft het hotel diverse betalingen gedaan aan het vervoersbedrijf terzake vervoer van hotelgasten.

2.5 Het vervoersbedrijf heeft vanaf juni 2009 geen vervoersopdrachten meer gehad van het hotel.

2.6 Bij exploot no. II.0264 van de gerechtsdeurwaarder R. Kappel, heeft het vervoersbedrijf op 15 december 2009 gedaagden in gebreke doen stellen teneinde het vervoer van de hotelgasten te hervatten.

2.7 Op 06 januari 2010 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen vertegenwoordigers van partijen ten kantore van het hotel.

2.8 In de kort geding zaak tussen partijen met A.R.no. 10-3172 zijn gedaagden gemaand tot het openen van onderhandelingen met het vervoersbedrijf om te geraken tot een minnelijke schikking, doch staat deze zaak thans voor vonnis op 13 maart 2014.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 De vordering
Het vervoersbedrijf vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te gelasten dat gedaagden het vervoer van de gasten van het hotel naar de Johan Adolf Pengel Luchthaven door het vervoersbedrijf doen verrichten, waarbij gedaagden dagelijks een lijst doen toekomen aan het vervoersbedrijf, met vermelding van de namen van de hotelgasten die per dag individueel of per groep in voornoemd hotel verwacht worden vanaf voornoemde luchthaven c.q. uit het hotel naar de luchthaven zullen vertrekken, zulks op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van SRD 1.000,-voor iedere dag dat gedaagden nalaten aan het ten deze te wijzen vonnis gevolg te geven.
  2. gedaagden te verbieden het vervoer van de gasten van het hotel naar de luchthaven door anderen dan het vervoersbedrijf te doen verrichten, zulks op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van SRD 1.000,- voor iedere dag dat gedaagden in strijd met het in deze te wijzen vonnis handelen.
  3. gedaagde te veroordelen om aan het vervoersbedrijf tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag van USD 24.000,-, vermeerderd met 6% rente per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan de algehele voldoening.

3.2 De grondslag
Het vervoersbedrijf heeft tegen de achtergrond van de feiten, zakelijk weergegeven, aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij bijkans negen jaren achtereen passagiers vervoert tussen het hotel en de Johan Adolf Pengel Luchthaven. In of omstreeks de maand mei 2009 is de werkrelatie tussen partijen onderbroken zonder opzegging van de jarenlange in acht genomen overeenkomst. Door de onderbreking is ineens een aanzienlijk deel van de inkomsten van het vervoersbedrijf komen weg te vallen, met groot financieel nadeel voor het vervoersbedrijf als gevolg. Een redelijke grond voor opzegging van de reeds langdurige samenwerking is voorts niet aannemelijk gemaakt. Ondanks gemaakte afspraken tijdens een bespreking op 06 januari 2010 om het vervoer van de gasten te hervatten, hebben gedaagden geen gevolg gegeven aan de gemaakte afspraken. Gedaagden maken zich aldus schuldig aan wanprestatie alsmede aan een onrechtmatige daad, met hun schuld daaraan,waardoor het vervoersbedrijf schade lijdt. Gedaagden hebben namelijk in strijd gehandeld met de zorgvuldigheid waaraan zij gehouden zijn in hun relatie tot het vervoersbedrijf.

3.3 Het verweer
Gedaagden hebben gemotiveerd verweer gevoerd. De kantonrechter komt indien nodig in zijn beoordeling terug op dit verweer.

4. De beoordeling

4.1 Gedaagden hebben als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat het vervoersbedrijf niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering tegen SLM, aangezien SLM in haar hoedanigheid van direkteur van het hotel ingevolge artikel 103 van het Wetboek van Koophandel gerechtigd en bevoegd is het hotel te besturen en te vertegenwoordigen binnen het kader van haar deelname aan het maatschappelijk verkeer, doch zijn handelingen van SLM dan handelingen van het hotel als rechtspersoon en geen handelingen van SLM als rechtssubject.

4.2 Het vervoersbedrijf voert hiertegen aan dat SLM in de registers van de Kamer van Koophandel en Fabrieken is ingeschreven als oprichtster en directie voerende vennootschap van het hotel en zoals algemeen bekend, wordt onder directie voeren al hetgeen verstaan dat te maken heeft met de dagelijkse leiding en exploitatie van de instelling. Voorts voert het vervoersbedrijf aan dat zij meermalen rechtstreeks te maken heeft gehad met SLM in de persoon van de heer [naam], die aanzat aan de vergadertafel en zelfs uiterlijk goedkeuring gaf aan de vervoersafspraken en na alle gedetailleerde besprekingen, duidelijk maakte dat goedkeuring van SLM van de afspraken tussen het vervoersbedrijf en het hotel steeds een vereiste is geweest. Ook bij de bespreking van 06 januari 2010 heeft de heer [naam] namens SLM aangezeten.

4.3 Gedaagden voeren bij dupliek aan dat zij persisteren bij het gestelde bij conclusie van antwoord en stellen dat de positie van SLM slechts in haar hoedanigheid van bestuurder van het hotel is en niet van een afzonderlijke contractspartij naast het hotel, hetgeen overigens blijkt uit de overeenkomst d.d. 28 maart 2003, welke alleen tussen het vervoersbedrijf en het hotel is getekend.

4.4 De kantonrechter overweegt dat inderdaad – zoals door gedaagden gesteld – niet gebleken is dat er tussen SLM als rechtspersoon en het vervoersbedrijf een rechtsrelatie bestaat, nu niet is betwist dat de vervoersafspraken steeds tussen het vervoersbedrijf en het hotel zijn gemaakt. Natuurlijk zal SLM in haar hoedanigheid van directeur van het hotel goedkeuring moeten geven aan het te voeren beleid van het hotel, doch is SLM als rechtspersoon geen partij bij die overeenkomsten. Op grond hiervan moet naar het oordeel van de kantonrechter het vervoersbedrijf niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering tegen SLM als rechtssubject, nu SLM niet in haar hoedanigheid van directievoerder van het hotel is aangesproken.

4.5 Met betrekking tot de vervoersovereenkomsten voert het hotel aan dat nadat de tweede vervoersovereenkomst op 31 maart 2004 was verlopen, er telkens incidentele vervoersopdrachten aan het vervoersbedrijf zijn gegeven, doch telkens op afroep.Vanaf 01 juni 2009 zijn dergelijke vervoersopdrachten niet meer aan het vervoersbedrijf gegeven. Hoewel er gesprekken zijn gevoerd op 06 januari 2010 met betrekking tot een nieuw duurcontract, hebben partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de prijs. Er was en er is geen relatie tussen partijen op basis waarvan het hotel vergoedingen verschuldigd is aan het vervoersbedrijf.

4.6 Het vervoersbedrijf voert hiertegen bij repliek aan dat het hotel gedurende de jaren 2001 tot halverwege 2009 steeds bedragen voor vervoer heeft betaald; uit de grootte van deze bedragen, naast de regelmaat, moge blijken dat het niveau van de door het hotel beweerde ‘incidentele vervoersopdrachten’ langdurig en ruimschoots is overschreden. Op dezelfde wijze zoals in de schriftelijke tekst uitdrukkelijk en gespecificeerd is vastgelegd, heeft het vervoersbedrijf het vervoer verricht, is dit haar aangeboden en is zij daarvoor betaald. Overigens is de overeenkomst tussen partijen steeds stilzwijgend verlengd ingevolge artikel 9 lid 2 van de overeenkomst van 28 maart 2003, hetwelk bepaald dat bij niet-verlenging door beide partijen een opzegtermijn van twee maanden in acht zal worden genomen. Tot op heden heeft het vervoersbedrijf geen opzegging ontvangen, waardoor de wanprestatie van het hotel per 01 juni 2009 vaststaat.

4.7 Het hotel voert bij dupliek hiertegen aan dat de overeenkomst voor een bepaalde tijd, namelijk een jaar, was aangegaan en dat de bepaling van artikel 9 lid 2 dan ook alleen uitgelegd kan worden als te zijn een overgangsbepaling met betrekking tot het einde van de relatie, in die zin dat als geen verlenging plaatsvond, partijen gelet op hun beider belang, nog twee maanden met elkaar zouden doorgaan. Hoe zou namelijk een overeenkomst die door het verstrijken van de tijd waarvoor zij is aangegaan is geëindigd, nog kunnen en moeten worden opgezegd. Zulks klemt te meer, nu duidelijk in die bepaling is aangegeven, dat partijen op de laatste dag van de duur van de overeenkomst moesten besluiten tot al of niet verlenging. Voorts persisteert het hotel erbij dat het vervoer nadien gepleegd, incidentele opdrachten betrof, in die zin dat telkens nieuwe overeenkomsten voor vervoer op een bepaalde dag werden gesloten en het geen voortgaande relatie van duurzame aard betrof. Het hotel ontkent dat de overeenkomst mondeling zou zijn verlengd.

4.8 De kantonrechter overweegt dat de betalingsovermakingen van het hotel naar het vervoersbedrijf, zoals gesteld bij conclusie van repliek door het vervoersbedrijf, als niet betwist vast staan. Als niet betwist staat eveneens vast dat de vervoersopdrachten uitgevoerd na maart 2004, zijn uitgevoerd conform de voorwaarden en specificaties die in de voorheen geldende vervoersovereenkomsten waren overeengekomen. Op basis van deze vastgestelde feiten en op basis van de geconstateerde regelmaat van de vervoersopdrachten tussen maart 2004 en juni 2009, is naar het oordeel van de kantonrechter de vervoersovereenkomst tussen het vervoersbedrijf en het hotel voortgezet onder dezelfde voorwaarden. Niettegenstaande hetgeen in artikel 9 lid 2 van de oude overeenkomst is vastgelegd, hebben partijen door alzo te handelen een andere betekenis aan voormeld artikel toegekend. Niet gesteld of gebleken is dat de vervoersovereenkomst is opgezegd nadat deze na maart 2004 is voortgezet, weshalve de wanprestatie van het hotel jegens het vervoersbedrijf vast staat. Het vervoersbedrijf is daarom gerechtigd om nakoming te vorderen van het hotel. Tevens is het hotel aansprakelijk voor de schade die het vervoersbedrijf lijdt als gevolg van de wanprestatie van het hotel en is het hotel gehouden om het vervoersbedrijf deze schade te vergoeden, nu het hotel vanaf 15 december 2009 in gebreke is gesteld.

4.9 Uit het onder I van het petitum gevorderde begrijpt de kantonrechter dat het hotel nakoming van de vervoersovereenkomst vordert onder dezelfde voorwaarden als voorheen. Nu de wanprestatie van het hotel vast staat en er geen gronden voor overmacht zijn gesteld of gebleken, zal het gevorderde onder I worden toegewezen,met dien verstande dat de maximaal te verbeuren dwangsom, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, zal worden gemaximeerd op SRD 100.000,-.

4.10 De kantonrechter overweegt dat niet gesteld of gebleken is dat de vervoersovereenkomst enige mate van exclusiviteit ten opzichte van het vervoersbedrijf inhield, in dier voege dat niet gesteld of gebleken is dat in de vervoersovereenkomst was opgenomen dat het hotel haar gasten uitsluitend door het vervoersbedrijf zou doen vervoeren, zodat het gevorderde onder II van het petitum als ongegrond zal worden afgewezen.

4.11 Met betrekking tot de gevorderde schadevergoeding, overweegt de kantonrechter dat onder andere vanwege het ontbreken van een exclusiviteitsafspraak, het vervoersbedrijf haar investeringen in alle redelijkheid niet kan verhalen op het hotel.De gederfde inkomsten tussen de maand juni 2009 en februari 2010 is niet onderbouwd. Bovendien zou de schadevergoeding slechts vanaf de ingebrekestelling,dus vanaf 15 december 2009 kunnen worden toegekend, doch zal deze als niet onderbouwd worden afgewezen.

4.12 Het hotel zal, als de merendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van het vervoersbedrijf gevallen, zoals begroot in de beslissing.

5. De beslissing
De kantonrechter

5.1 Gelast het hotel om het vervoer van de gasten van het hotel van respectievelijk naar de Johan Adolf Pengel Luchthaven door het vervoersbedrijf te doen verrichten,waarbij het hotel dagelijks een lijst doet toekomen aan het vervoersbedrijf, met vermelding van de naam van de hotelgasten die per dag individueel of per groep in voornoemd hotel verwacht worden vanaf voornoemde luchthaven c.q. uit het hotel naar de luchthaven zullen vertrekken, zulks op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van SRD 1.000,- (éénduizend Surinaamse dollar) voor iedere dag dat het hotel nalaat aan het ten deze te wijzen vonnis gevolg te geven, met dien verstande dat de maximaal te verbeuren dwangsom het bedrag van SRD 100.000,- (éénhonderd duizend Surinaamse dollar), niet zal overschrijden.

5.2 Verklaart hetgeen is beslist onder 5.1 uitvoerbaar bij voorraad.

5.3 Verklaart het vervoersbedrijf niet-ontvankelijk in haar vorderingen tegen SLM.

5.4 Veroordeelt het hotel in de proceskosten aan de zijde van het vervoersbedrijf gevallen en tot aan de uitspraak begroot op SRD 308,- (driehonderd acht Surinaamse dollar).

5.5 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter plaatsvervanger in het Eerste Kanton,mr. S.S. Nanhoe-Gangadin en ter openbare terechtzitting te Paramaribo, van dinsdag 24 februari 2015, uitgesproken door de kantonrechter in het Eerste Kanton, mr. R.G. Chatterpal, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier