SRU-K1-2016-33

  • Instantie Kantongerecht Eerste Kanton
  • Zaaknummer AR-163141
  • Uitspraakdatum 21 juli 2016
  • Publicatiedatum 27 maart 2020
  • Rechtsgebied Strafrecht
  • Inhoudsindicatie

    De regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling is niet een recht dat de veroordeelde, automatisch toekomt.Volgens artikel 33 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht maakt de veroordeelde pas aanspraak op de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling wanneer de beslissing ter zake met daarin vermeld de duur van de proeftijd alsmede de algemene en bijzondere voorwaarden aan hem in persoon is betekend.

Uitspraak

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 16-3141
21 juli 2016

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
thans ingesloten op het politiestation Leiding 9A ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
eiser,
gemachtigde: mr. G.M. Leter, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN JUSTITIE EN POLITIE, rechtspersoon,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo aan de Limesgracht no. 92,
gedaagde,
gemachtigde: mr. P. Campagne MLS, Landsadvocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het verzoekschrift dat met de producties op 23 juni 2016 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 24 juni 2016;
  • de conclusie van antwoord die mondeling is genomen op 24 juni 2016;
  • de conclusie van repliek die mondeling is genomen op 24 juni 2016;
  • de conclusie van dupliek die mondeling is genomen op 24 juni 2016;
  • de rolbeschikking d.d. 24 juni 2016, waarbij eiser is gelast een afschrift van het strafvonnis alsnog ten processe over te leggen;
  • de conclusie tot overlegging van een fotokopie van het strafvonnis d.d. 30 juni 2016;
  • de conclusie tot uitlating over de productie d.d. 05 juli 2016.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Op 21 augustus 2015 is eiser in verzekering gesteld. Bij vonnis van de kantonrechter in het tweede kanton is hij op 22 juni 2016 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar en 3 maanden.

2.2 Tegen het hiervoor vermeld vonnis heeft eiser geen hoger beroep aangetekend.

2.3 Bij schrijven d.d. 22 juni 2016 heeft de gemachtigde namens eiser een verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling aan de Minister van Justitie en Politie gedaan. Ter zake heeft de gemachtigde namens eiser het volgende in het verzoek verwoord:
“Namens mijn client, [eiser], wil ik dringend het volgende onder uw aandacht brengen.
Client is op 21 augustus 2015 in verzekering gesteld.
Op 22 juni 2016 is client veroordeelt tot een gevangenisstraf van 1 jaar en 3 maanden met aftrek van de tijd in voorarrest gezeten.
Client is ingesloten in het politiecellenhuis Leiding 9A en heeft op 21 juni 2016 twee derde deel van zijn straf uitgezeten.
Client heeft na een interne straf te hebben gezeten dus op 21 juni 2016 in vrijheid moeten worden gesteld, op grond van het vonnis van de Edelachtbare Kantonrechter, hetgeen tot op heden niet is geschiedt.
Namens mijn client verzoek ik u hem in aanmerking te doen komen voor een voorwaardelijke in vrijheidstelling krachtens artikel 29 van het wetboek van strafrecht.”

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:

a) gedaagde te gelasten om eiser voorwaardelijk in vrijheid te stellen, althans in ieder geval zijn verdere vrijheidsbeneming onrechtmatig te achten binnen 24 uur na de dagtekening van het vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn;
b) gedaagde te veroordelen tot betaling van een dwangsom van SRD 100.000,- voor elke dag dat zij in gebreke blijven mocht aan dit vonnis te voldoen;
c) gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.1.1 Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat gedaagde een onrechtmatige daad jegens hem pleegt, dan wel in strijd handelt met het zorgvuldigheidsbeginsel, door hem niet voorwaardelijk in vrijheid te stellen. Daartoe stelt hij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende:

  • hij heeft reeds 2/3 deel van de aan hem opgelegde gevangenisstraf, zijnde 10 maanden, effectief uitgezeten;
  • de datum voor voorlopige invrijheidstelling is bepaald op 21 juni 2016;
  • om die reden blijft hij onrechtmatig aangehouden.

3.2 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de aard van de vordering zelf. Om die reden zal eiser worden ontvangen in het kort geding.

4.2 Gedaagde heeft zich, nadat eiser een fotokopie van het afschrift van het strafvonnis ten processe heeft overgelegd, gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter.

4.3 Zoals de kantonrechter eiser zijn stellingen begrijpt, stelt hij zich op het standpunt dat hem met ingang van 21 juni 2016 het recht tot voorwaardelijke invrijheidstelling ex artikel 29 van het Wetboek van Strafrecht toekomt. Sedertdien diende hij in vrijheid diende te worden gesteld en wordt hij thans onrechtmatig in detentie gehouden.
Naar het oordeel van de kantonrechter gaat eiser uit van een onjuist standpunt. In dat licht verwijst de kantonrechter naar artikel 29 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht, dat in samenhang dient te worden gelezen met de leden 5 en 6 van dit artikel, artikel 30 lid 1 en artikel 33 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2015 no. 44)

4.4 Artikel 29 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht luidt als volgt:
“ De veroordeelde tot tijdelijke vrijheidsstraf waarvan het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte meer dan een jaar bedraagt, wordt voorwaardelijk in vrijheid gesteld wanneer deze tweederde gedeelte daarvan heeft ondergaan.”Artikel 29 lid 5 van het Wetboek van Strafrecht luidt als volgt: “Bij deze invrijheidstelling wordt tevens een proeftijd voor de veroordeelde bepaald en worden voorwaarden gesteld, waaraan deze gedurende de proeftijd zal moeten worden voldoen.”, en artikel 29 lid 6: “De proeftijd duurt een jaar langer dan het overblijvende gedeelte van de onvoorwaardelijke opgelegde straf, doch ten minste twee jaren. De proeftijd loopt niet gedurende de tijd dat de veroordeelde rechtens van zijn vrijheid is ontnomen.”In artikel 30 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht is het volgende neergelegd: “Aan de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt als algemene voorwaarde verbonden dat de veroordeelde geen strafbaar feit zal begaan, noch zich op andere wijze zal misdragen.”, en in artikel 33 lid 1 Wetboek van Strafrecht het volgende: “De beslissing tot invrijheidstelling met daarin vermeld de duur van de proeftijd alsmede de algemene en bijzondere voorwaarden wordt voor de invrijheidstelling aan de veroordeelde in persoon betekend. Indien geen beslissing is betekend op de dag dat de veroordeelde ex artikel 29 in vrijheid had moeten worden gesteld, wordt de voorwaardelijke invrijheidstelling geacht te zijn geweigerd.”

4.5 Zoals uit de inhoud van de hiervoor vermelde artikelen onder 4.4 kan worden afgeleid, is de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet een recht dat de veroordeelde, in casu eiser, automatisch toekomt.Uit het bepaalde in artikel 33 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht leidt de kantonrechter af dat de veroordeelde pas aanspraak maakt op de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling wanneer de beslissing ter zake met daarin vermeld de duur van de proeftijd alsmede de algemene en bijzondere voorwaarden aan hem in persoon is betekend. Is er geen beslissing betekend op de dag dat de veroordeelde ex artikel 29 in vrijheid had moeten worden gesteld, dan wordt de voorwaardelijke invrijheidstelling geacht te zijn geweigerd.Gebleken is dat eiser op 22 juni 2016, de dag waarop het vonnis in de strafzaak tegen eiser is gewezen en uitgesproken, het verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling aan de Minister van Justitie, zijnde gedaagde, heeft gericht en gedaagde op 21 juni 2016, zijnde de datum waarop volgens de stelling van eiser hij in vrijheid zou moeten worden gesteld, tot heden geen beslissing heeft doen betekenen aan eiser. Derhalve kan de beslissing tot voorwaardelijke invrijheidstelling aan eiser worden geacht te zijn geweigerd. Dit brengt de kantonrechter tot het voorlopig oordeel dat in casu geen sprake is van het onrechtmatig in detentie blijven houden van eiser, dan wel een onrechtmatige daad gepleegd door gedaagde jegens eiser. Om die reden komen de door eiser gevraagde voorzieningen niet voor toewijzing in aanmerking.

4.6 Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. I.S. Chhangur- Lachitjaran, op donderdag 21 juli 2016 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de griffier.