SRU-K1-2019-2

  • Instantie Kantongerecht Eerste Kanton
  • Zaaknummer AR-191069
  • Uitspraakdatum 22 maart 2019
  • Publicatiedatum 09 mei 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Kort geding. De regeling inzake ontzegging stemrecht in het Huishoudelijk Reglement sluit niet geheel bij dan wel is strijdig met de procedure in het Verkiezingsreglement.
    Schorsing besluit tot kandidaatstelling gedaagde sub B in de functie van Deken.

Uitspraak

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 19-1069
22 maart 2019

Vonnis in kort geding
in de zaak van:

A. [eiser sub A],
B. [eiseres sub B],
C. [eiseres sub C],
D. [eiseres sub D],
E. [eiser sub E],
allen in hun hoedanigheid van advocaat en lid van de Surinaamse Orde van Advocaten (SOvA),
domicilie kiezende aan de Frederik Derbystraat 13 – 13A te Paramaribo,
ten kantore van Sewcharan Advocaten,
eisers,
eiser sub A procederend in persoon;
gemachtigde voor eisers sub B tot en met sub E: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

A. DE SURINAAMSE ORDE VAN ADVOCATEN,
gevestigd en kantoorhoudend aan de Gongrijpstraat 193 te Paramaribo,
B. [gedaagde sub B],
in zijn hoedanigheid van advocaat en lid van de SOvA,
wonende aan [adres] te [district],
gedaagden,
gemachtigde: mr. M.D. Lau-Kerssenberg, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:
– het inleidend verzoekschrift dat op 18 maart 2019 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend met producties;
– de conclusie van eis die mondeling is genomen op 20 maart 2019;
– de conclusie van antwoord met producties;
– de mondelinge conclusies van repliek en dupliek;
– de aantekeningen van de griffier ter zake het mondeling afpleiten.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
2.1 Eisers vorderen – samengevat – dat de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. gelast dat alle leden van gedaagde deel mogen nemen aan de verkiezing van de leden van de Raad van Bestuur, hierna RvB, van gedaagde sub A, welke verkiezing gehouden zal worden op zaterdag 23 maart 2019 of op een andere door gedaagde sub A te bepalen datum;

II. het besluit van de verkiezingscommissie tot goedkeuring van de kandidaatstelling van Gedaagde sub B voor de functie van Deken van gedaagde sub A bij de verkiezing als hiervoor vermeld schorst of opschort totdat in een bodemprocedure over de rechtsgeldigheid daarvan onherroepelijk is beslist;

III. gedaagde sub B en gedaagde sub A verbiedt de kandidaatstelling van Gedaagde sub B te handhaven op de dag van de verkiezing als hiervoor vermeld;

IV. gedaagden veroordeelt in de proceskosten.

2.2 Eisers leggen – zakelijk weergegeven – aan hun vordering onder I ten grondslag dat de verkiezingscommissie niet contribuerende leden van gedaagde sub A uitsluit van deelname aan de verkiezingen van zaterdag 23 maart 2019, wat in strijd is met de Advocatenwet, hierna Aw, het Huishoudelijk Reglement, hierna HR, en het Verkiezingsreglement, hierna VR. Eisers beroepen zich op artikel 29 lid 2 en artikel 31 lid 2 Aw, artikel 4 lid 1 VR en artikel 11 lid 3 en artikel 12 HR.

Aan hun vorderingen onder II en III leggen eisers – zakelijk weergegeven – ten grondslag dat Gedaagde sub B na een eerste verkiezing tot Deken van gedaagde sub A op 21 december 2013, is herkozen op 13 december 2014. Met de herverkiezing in 2014 is het eenmaal onmiddellijk herkiesbaar zijn in de functie van Deken van gedaagde sub A ex artikel 29 lid 3 Aw voor Gedaagde sub B vervuld en is hij navenant per 14 december 2017 Deken af. De kandidaatstelling van Gedaagde sub B voor de verkiezing van 23 maart 2019 is daarom in strijd met de Aw. Op een ingediend bezwaar door eiser sub A bij de verkiezingscommissie is geen reactie ontvangen.

2.3 Gedaagden voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vordering. Daartoe voeren zij – samengevat – aan dat:

– leden die geen contributie betalen geen stemrecht hebben volgens het verenigingsrecht en die leden bovendien nooit bezwaar  hiertegen hebben gemaakt;
– de Algemene Ledenvergadering, hierna ALV, op 23 februari 2019 de verkiezingscommissie heeft geïnstalleerd, welke commissie op de ALV van 26 februari 2019 haar besluiten aangaande de verkiezing van zaterdag 23 maart 2019 heeft bevestigd, zodat die besluiten bindend zijn;
– gedaagde sub B eerst heeft waargenomen in de functie van Deken en daarna in december 2014 is gekozen in de functie van Deken voor een eerste termijn;
– eisers geen belang hebben bij hun vorderingen.

2.4 Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3. De beoordeling
3.1 De kantonrechter overweegt allereerst dat deze zaak, zoals uit het voorgaande blijkt, spoedeisend is en een voorziening in kort geding rechtvaardigt.

3.2 Het geschil concentreert zich rond de vraag of aan leden van gedaagde sub A het stemrecht ontzegd mag worden zoals dat bij artikel 11 lid 3 sub a van het HR is bepaald en of gedaagde sub B in strijd met de (geest van) de Aw handelt door zich wederom verkiesbaar te stellen op de verkiezingen van zaterdag 23 maart 2019.

De vordering onder I
3.3 Artikel 12 van het HR verwijst voor de verkiezing van onder anderen de Deken en de leden van de Raad van Bestuur, hierna RvB, naar de procedures vastgelegd in het VR. Evenwel is in artikel 11 lid 3 sub a van het HR bepaald dat een lid zijn stemrecht verliest in geval van een achterstand in betaling van contributie over een periode van drie maanden. Een dusdanig rechtsgevolg is verstrekkend, immers, de ontzegging van het relevante stemrecht is volgens de redactie van het artikel finaal, in tegenstelling tot de verkiesbaarheid in sub b van voormeld artikel, waaraan de voorwaarde  van voldoening van de contributie is verbonden.

Niet onvoorstelbaar is dat het belang van gedaagde sub A met zich kan meebrengen dat juist aan de mogelijkheid van (finale) ontzegging van het stemrecht de meest onderscheiden voorwaarden worden verbonden. Immers, tegenover de verenigingsrechtelijke bepaling (artikel 1674 van het Burgerlijk Wetboek, BW, en voorts, anticiperend, in artikel 81 lid 1 van de ontwerp-wettekst boek 2 Nieuw Burgerlijk Wetboek van Suriname, het beginsel van gelijk stemrecht voor een ieder) staat de lex specialis van de Aw, nader uitgewerkt in het HR. Juist omdat die laatste regeling kennelijk strenger is brengt dat mee dat de ontzegging van het stemrecht integraal en concreet in het HR en VR staan, wat nu niet het geval is.

Artikel 11 lid 3 sub a HR is voorts strijdig met artikel 4 lid 1 van het Kiesreglement waarin staat dat de leden van de RvB worden gekozen door alle (onderstreping van de kantonrechter) bij het Hof van Justitie  toegelaten advocaten. De kantonrechter overweegt in dit verband mee dat de gezamenlijke advocaten, die zijn ingeschreven, de Surinaamse Orde van Advocaten vormen (artikel 28 lid 1 Aw). Over de bevoegdheid om te stemmen is in artikel 8 lid 2 van het VR bepaald dat tot de stemming wordt toegelaten hij die bevoegd is aan de stemming deel te nemen en in lid 3 van hetzelfde artikel is bepaald dat toegelaten wordt degene van wie de Commissie de identiteit vaststelt door overlegging van de identiteitskaart of het paspoort. Van uitsluiting van stemming in de zin van artikel 11 lid 3 sub a van het HR is in het VR geen bepaling opgenomen noch is door middel van een verwijzing of wijziging (van latere datum) daarin voorzien.

Naar beginselen van redelijkheid en billijkheid mag de omstandigheid dat de regeling in het HR niet geheel aansluit bij dan wel strijdig is met de procedure in het VR, niet in het nadeel van degenen die van hun stemrecht gebruik wensen te maken worden uitgelegd. Het onder I gevorderde zal op voorgaande gronden dan ook worden toegewezen.

De vorderingen onder II en III
3.4 In een tussentijdse vacature die in de Raad ontstaat wordt volgens art 29 lid 5 Aw voorzien overeenkomstig de wijze, geregeld in het HR. Artikel 10 HR bepaalt dat indien moet worden voorzien in een tussentijdse vacature in de Raad, zo spoedig mogelijk na het ontstaan van die vacature een vergadering wordt gehouden. Artikel 30 lid 1 Aw regelt dat de Deken in de gevallen van ontstentenis of verhindering door een lid van de Raad wordt vervangen, daartoe door de Raad aangewezen. In het geval van artikel 30 lid 1 Aw is dus sprake van waarneming in de functie van Deken door een lid van de Raad. Blijkens proces-verbaal van de verkiezingscommissie van 21 december 2013 (productie overgelegd bij verzoekschrift) is een verkiezing van de Deken gehouden volgens de procedures van het VR. In genoemd proces-verbaal staat geen vermelding van een tussentijdse verkiezing. Evenmin kan aan het proces-verbaal de conclusie verbonden worden dat sprake is van een verkiezing tot waarneming in de functie van Deken. Integendeel, vier kandidaten, onder wie gedaagde sub B, hebben zich toen verkiesbaar gesteld en gedaagde sub B is gekozen in de functie van Deken.

Uit de producties genummerd 6 en 7 bij de conclusie van antwoord, respectievelijk de oproep voor de ALV van 30 oktober 2013 en het proces-verbaal van de zitting van de verkiezingscommissie, blijkt voldoende dat gedaagde sub B op 13 december 2014 is gekozen  in de functie van Deken van gedaagde sub A. Uit het voorgaande wordt, anders dan gedaagde sub B heeft aangevoerd, geconcludeerd dat in de periode van 21 december 2013 tot 13 december 2014 geen sprake is geweest van waarneming in de functie van Deken, zoals bedoeld in artikel 30 lid 1 Aw.

Gedaagde sub B heeft zich twee opeenvolgende keren verkiesbaar gesteld in de functie van Deken, kennelijk over het hoofd ziend dat voor de overige leden van de Raad de driejarige termijn afliep ex artikel 29 lid 4 Aw, terwijl de eerste termijn voor hem als de nieuw gekozen Deken nog niet verstreken was. Die termijn werd evenwel tussentijds beëindigd en met de verkiezing op 13 december 2014  ving voor gedaagde sub B aldus de tweede termijn in de functie van Deken aan. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat gedaagde sub B zich op grond van artikel 29 lid 3 Aw niet opnieuw verkiesbaar kan stellen voor de te houden verkiezingen op 23 maart 2019.

In dit verband wordt ook overwogen dat uit het procesdebat voldoende aannemelijk is geworden dat gedaagde sub B vanaf 2011 tot heden zitting heeft in de Raad, eerst als Raadslid en vervolgens als Deken, terwijl de strekking van de Aw juist is dat Raadsleden niet langer dan een termijn van drie jaren aanzitten en de Deken maximaal zes aaneengesloten jaren in die functie optreedt.

3.5 De vorderingen onder II en III zullen op voorgaande gronden dan ook worden toegewezen.

3.6 Gedaagden zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

De kosten omvatten op de dag van de uitspraak:
– het vastrecht ad. SRD 50, -,
– de kosten voor oproep per exploot van een deurwaarder ad SRD 450, -,
en zijn in totaal begroot op SRD 500, -.

4. De beslissing
De kantonrechter in kort geding:
4.1 Gelast dat alle leden van gedaagde sub A deel mogen nemen aan de verkiezing van de leden van de Raad van Bestuur van de gedaagde sub A, welke verkiezing gehouden zal worden op zaterdag 23 maart 2019 dan wel op een andere door gedaagde sub A te bepalen datum.

4.2 Schorst het besluit, zoals dat thans bekend is gemaakt van de verkiezingscommissie tot goedkeuring van de kandidaatstelling van gedaagde sub B voor de functie van Deken van gedaagde sub A bij de verkiezingen d.d. zaterdag 23 maart 2019 totdat over de rechtsgeldigheid daarvan in een bodemprocedure onherroepelijk zal zijn beslist.

4.3 Verbiedt gedaagden sub A en sub B de kandidaatstelling van gedaagde sub B te handhaven op de dag der verkiezing, zaterdag 23 maart 2019, dan wel op een andere door gedaagde sub A te bepalen datum.

4.4 Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

4.5 Veroordeelt gedaagden sub A en sub B in de kosten van het geding, aan de zijde van eisers tot aan deze uitspraak begroot op SRD 500, – (vijfhonderd Surinaamse Dollar).

4.6 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.J.S. Bradley, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op vrijdag 22 maart 2019 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.