SRU-K1-2020-11

  • Instantie Kantongerecht Eerste Kanton
  • Zaaknummer AR-201183
  • Uitspraakdatum 15 mei 2020
  • Publicatiedatum 21 mei 2020
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    De kantonrechter overweegt dat de eerste vraag die partijen verdeeld houdt de vraag betreft of er sprake is van onrechtmatig handelen zijdens gedaagde door de resolutie op 27 april 2020 slechts aan de eiseres sub D te doen betekenen en niet ook aan de eisers sub A, B en C.
    De tweede vraag die partijen verdeeld houdt betreft de vraag of de gedaagde in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld door te overwegen dat de politieke organisatie geen lijsten heeft overgelegd terwijl het hoofdstembureau de lijsten aan de President had moeten toezenden.

Uitspraak

Kantonrechter in Kort geding
A.R. no. 201183
15 mei 2020

Vonnis in de zaak van

A. PLET, MARLEEN, wonende aan [adres] te [woonplaats],
B. MARENGO, JACINTHA, wonende aan [adres] te [woonplaats],
C. SAMUEL, JOHN, wonende aan [adres] te [woonplaats],
D. DE POLITIEKE ORGANISATIE DE NIEUWE WIND, gevestigd en kantoorhoudende aan het Molenpad 19 te Paramaribo,
gemachtigde:  mr. J.J. Pinas, advocaat,
eisers in kort geding,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,
vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoor houdende te zijner Parkette aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat,
gedaagde in kort geding.

  1. Het proces verloop:

1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift, met producties, dat op 4 mei 2020 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
  • de conclusie van antwoord, met productie,
  • de conclusie van repliek,
  • de conclusie van dupliek.

1.2  De uitspraak van het vonnis in kort geding is bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1 De politieke organisatie De Nieuwe Wind heeft haar kandidatenlijsten ingediend bij het hoofdstembureau van kiesdistrict VII, Marowijne, in verband met de verkiezingen welke gehouden zullen worden op 25 mei 2020.

2.2 Het hoofdstembureau heeft aan de politieke organisatie te kennen gegeven dat de kandidatenlijsten ongeldig zijn.

2.3 Tegen het besluit van het hoofdstembureau is bij de President van de Republiek Suriname administratief beroep ex artikel 52 aangetekend middels een beroepschrift d.d. 20 april 2020. Het beroepschrift is ondertekend door de eisers sub A, B en C.

2.4 Bij resolutie van 27 april 2020 met no. 373/RP is het beroep ongegrond verklaard.

2.5 Bij exploit van 27 april 2020 is de resolutie betekend aan een bestuurslid van de politieke organisatie.

2.6 Eisers hebben aan de President van de Republiek Suriname een schrijven gestuurd, gedateerd 29 april 2020, waarin zij op de President een dringend beroep doen om terstond de resolutie in te trekken en mededeling te doen aan betrokkenen en aan het hoofdstembureau van de geldigheid van de kandidatenlijsten van de politieke organisatie.

2.7 Aan voormeld verzoek is geen gevolg gegeven.

  1. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 De vordering
Eisers vorderen, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

  • de kandidatenlijsten geldig verklaart met alle wettelijke gevolgen van dien;
  • gedaagde veroordeelt om binnen een uur na uitspraak de kandidatenlijsten en kandidaten van de Nieuwe Wind te handhaven c.q. toe te voegen voor deelname aan de algemene, vrije en geheime verkiezingen van 25 mei 2020 op straffe van een dwangsom en voorts
  • gedaagde veroordeelt in de proceskosten.

3.2 De grondslag
Eisers voeren als grondslag het volgende aan:

  1. dat de eisers sub A, B en C de ondertekenaars zijn van de ingediende kandidatenlijsten en van het beroepschrift; dat zij tot 29 april 2020 geen besluit hebben ontvangen van de President van de Republiek Suriname op het door hen ingesteld administratief beroep; nu zij binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van acht dagen geen besluit hebben ontvangen dient ervan uitgegaan te worden dat het beroep is geslaagd; het ontbreken van het besluit dient in het voordeel van eisers te worden uitgelegd;
  2. dat eisers sub A, B en C op 29 april 2020 kennis hebben gekregen van de resolutie van de President waarin het besluit is vervat op het ingesteld administratief beroep;
  3. dat de in de resolutie opgenomen overweging in strijd is met de goedertrouw en de beginselen van behoorlijk bestuur omdat het hoofdstembureau de ongeldig verklaarde lijsten vergezeld van de notulen van de vergadering, waarin daartoe is besloten, zo spoedig mogelijk naar de President had moeten zenden; in de resolutie is echter overwogen dat de President de in het beroep gestelde ondertekening van de lijsten niet aannemelijk acht omdat door de politieke organisatie bij het beroepschrift de lijsten niet zijn toegevoegd; het was het hoofdstembureau dat de lijsten spoedig naar de President had moeten zenden; ook had de President de documenten moeten opvragen indachtig artikel 82 van de Kiesregeling;
  4. aan gedaagde is op grond van het voorgaande een sommatie gestuurd om alsnog de lijsten geldig te verklaren; door daar geen gevolg aan te geven handelt gedaagde onrechtmatig jegens eisers.
  1. Het verweer

Gedaagde heeft verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

  1. De Beoordeling

5.1 Gedaagde heeft als verweer onder andere het volgende aangevoerd:

  1. dat de procedure voor wat betreft de kandidatenlijsten in verband met de algemene verkiezingen voor volksvertegenwoordigers een gesloten administratieve procedure is met eigen bezwaar- en beroepsmogelijkheden; de kantonrechter geldt niet als beroepsinstantie; waar de kantonrechter beroepsinstantie is maakt de kiesregeling daar melding van; om die reden moeten eisers niet-ontvankelijk verklaard worden;
  2. dat de President wel binnen de termijn van acht dagen heeft beslist en het besluit tijdig op 27 april 2020 heeft betekend aan eiseres sub D, de politieke organisatie; nu het beroepschrift is ingediend op het brievenhoofd van de politieke organsatie, en mede namens de politieke organisatie, mocht de President volstaan met het besluit te betekenen aan de politieke organisatie;
  3. dat de lijsten door het hoofdstembureau wel zijn gezonden naar de President; het zijn eisers die bij hun beroepschrift geen verificatoren hebben meegezonden waaruit zou blijken dat het hoofdstembureau een verkeerde conclusie heeft getrokken; de lijsten die door het hoofdstembureau zijn doorgestuurd voldeden niet aan de vereisten;
  4. dat gedaagde wel heeft gereageerd op de sommatie gestuurd door eisers en wel bij schrijven van 5 mei 2020.

5.2 Eisers hebben bij repliek aangevoerd dat zij erbij blijven dat de resolutie niet tijdig aan de eisers sub A, B en C is medegedeeld.  Zij blijven verder bij hun vordering.

5.3 De kantonrechter overweegt dat de eerste vraag die partijen verdeeld houdt de vraag betreft of er sprake is van onrechtmatig handelen zijdens gedaagde door de resolutie op 27 april 2020 slechts aan de eiseres sub D te doen betekenen en niet ook aan de eisers sub A, B en C. De tweede vraag die partijen verdeeld houdt betreft de vraag of de gedaagde in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld door te overwegen dat de politieke organisatie geen lijsten heeft overgelegd terwijl het hoofdstembureau de lijsten aan de President had moeten toezenden.

5.4 De kantonrechter overweegt voor wat betreft de eerste vraag alsvolgt: Uit de wetstekst betreffende het administratief beroep in de Kiesregeling (artikel 52, artikel 68 en artikel 83) blijkt dat de beslissing aan de appellant of aan appellanten moet worden toegezonden. Eisers stellen zich op het standpunt dat om die reden het besluit expliciet aan de eisers sub A, B en C had moeten worden toegezonden. Nu dat niet is gedaan, zo stellen zij, moet ervan uitgegaan worden dat er geen besluit is genomen.

5.5 De gedaagde heeft aangevoerd dat op het beroepschrift binnen de wettelijke termijn is beslist. Ook stelt gedaagde dat in de wet geen termijn is opgenomen waarbinnen het besluit ter kennisname van de appellant of appellanten moet worden gebracht. Nu in het beroepschrift slechts het adres van de politieke organisatie stond moet ervan uitgegaan worden dat de ondertekenaars ten kantore van de politieke organisatie, namens wie zij handelden, domicilie hebben gekozen. De gedaagde heeft derhalve niet onrechtmatig gehandeld door het besluit op 27 april 2020 te betekenen aan de politieke organisatie. Eisers hebben ook gesteld dat zij na die betekening kennis hebben gekregen van het besluit.

5.6 De kantonrechter overweegt dat, gelijk gedaagde stelt, niet aannemelijk wordt dat gedaagde met de hiervoor genoemde procedure onrechtmatig heeft gehandeld dan wel in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. Het voornaamste doel van de bepaling dat het besluit moet worden betekend is dat de belanghebbende kennis neemt van het besluit. Gelijk gedaagde stelt blijkt niet uit het beroepschrift dat er andere adressen in stonden dan het adres van de politieke organisatie waar het om gaat. Dat de gedaagde het besluit doet betekenen op het adres dat in het beroepschrift staat is dan ook niet onbegrijpelijk. De kantonrechter acht hierdoor dat deel van de grondslag niet aannemelijk.

5.7 De kantonrechter overweegt voor wat betreft de tweede vraag alsvolgt:

5.8 Eisers voeren als grondslag aan dat het het hoofdstembureau is dat de ongeldig verklaarde lijsten had moeten opsturen. Zij voeren aan dat het om die reden in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur wanneer in het besluit is opgenomen dat de ondertekening van de lijsten niet aannemelijk is gemaakt omdat door de politieke organisatie geen afschrift van de lijsten is toegevoegd.

5.9 De gedaagde voert hierop aan dat het hoofdstembureau wel de ongeldig verklaarde lijsten heeft opgestuurd. Om die reden heeft de gedaagde wel de juiste procedure gevolgd. De passage in het besluit met betrekking tot het meesturen van de lijsten met het beroepschrift heeft hiermee te maken dat de politieke organisatie documenten had moeten meesturen waaruit zou blijken dat de constatering van het hoofdstembureau niet juist was.

5.10 De kantonrechter overweegt dat aannemelijk is dat door de gedaagde wel de juiste procedure is gevolgd, immers, aannemelijk is dat het hoofdstembureau conform de wet de lijsten heeft toegezonden aan de President. De grondslag van het gevorderde is dan ook niet aannemelijk geworden waardoor de voorzieningen zullen worden geweigerd.

5.11 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn en eisers, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van dit geding.

  1. De beslissing

6.1  Weigert de gevraagde voorzieningen;

6.2  Veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter in kort geding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van vrijdag 15 mei 2020, in tegenwoordigheid van de griffier.