SRU-K1-2025-9

  • Instantie Kantongerecht Eerste Kanton
  • Zaaknummer CIVAR no. 202501387
  • Uitspraakdatum 10 juli 2025
  • Publicatiedatum 08 januari 2026
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    De kantonrechter komt tot het slotsom dat de beoordeling van de inschrijving van Baitali onjuistheden bevat en dat zij onterecht als not sustantially responsive is beoordeeld. De belangrijkste oorzaak hiervan is dat de Staat heeft nagelaten om opheldering te vragen aan Baitali ten aanzien van gerezen onduidelijkheden, welke bevoegdheid hem toekomt, met als gevolg dat er door de Staat zaken verkeerd zijn geïnterpreteerd. De reden van dit nalaten is niet duidelijk geworden, nu de Staat heeft volstaan met de stelling dat zij zulks niet nodig achtte. Het verzoek tot opheldering was, naar het oordeel van de kantonrechter op zijn plaats, gezien Baitali de laagste bieder was en hoewel dat voor de gunning niet het enige vereiste was, was het in kader van besteding van staatsmiddelen wel gepast en geboden daar voldoende rekening mee te houden. Zulks, temeer de opheldering van Baitali mogelijk tot een ander oordeel van haar inschrijving zou hebben geleid. De kantonrechter vermag niet in te zien op welke wijze de opheldering door Baitali zou kunnen leiden tot wijziging van haar inschrijving zoals door de Staat is betoogd. Opheldering betekent verduidelijking van wat onduidelijk is gebleken, doch biedt niet de ruimte voor wijziging van de inschrijving waardoor het beginsel van gelijke behandeling zou worden geschonden.

    Openbare aanbesteding; Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; Toepasselijk recht; Wet op de Jaarrekening; Policies for Procurement of Goods and Works Financed by the Inter-American Development Bank.

Uitspraak

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

CIVAR NO. 202501387

10 juli 2025

 

Vonnis in de kort geding zaak van:

AANNEMINGSMAATSCHAPPIJ BAITALI N.V.,

gevestigd te Paramaribo,

eiseres,

hierna te noemen: “Baitali”

gemachtigde: mr. G.N. Best, advocaat,

 

tegen

 

DE STAAT SURINAME, met name het MINISTERIE VAN OPENBARE WERKEN, 

in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, 

zetelende te Paramaribo,

gedaagde,

hierna te noemen: “de Staat”,

gevolmachtigde: mr. E. Mohangoo, jurist verbonden aan het Bureau ‘sLandsadvocaten,

  1. Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken en/of -handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 07 april 2025 is ingediend;
  • de conclusie van eis;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de akte eiswijzing;
  • de conclusie van dupliek;
  • de uitlating eiswijzing.

1.2 De datum voor de uitspraak is hierna nader bepaald op heden.

  1. De feiten 

2.1 De Staat heeft in oktober 2024 bekend gemaakt dat hij van plan is een openbare aanbesteding te houden voor het aanleggen van nieuwe wegen aan de Van ’t Hogerhuysstraat en de Slangenhoutstraat te Paramaribo, die hij gaat financieren uit een lening.

2.2 Ingevolge de geldleenovereenkomst van Improving Logistics and Competitiveness in Suriname is de Staat met de Inter-American Development Bank (hierna IDB) overeengekomen dat bij de aanbestedingsprocedures de Policies for Procurement of Goods and Works Financed by the Inter-American Development Bank (IDB) GN 2349-15 (May 2019) wordt gevolgd. 

2.3 De toepasselijke regels van de IDB inzake openbare aanbesteding van het werk zijn deels vervat in het Bidding Document for the Procurement of Works, die naast regels over de openbare aanbesteding, ook regels bevat over het bestek en de aannemingsovereenkomst die de Staat zal aangaan met de inschrijver aan wie het werk zal worden gegund. De regels betreffende aanbesteding waaraan de Staat als aanbesteder en de inschrijvers zich moeten houden, zijn vervat in The Instruction to Bidders (hierna ITB).

2.4 Baitali heeft zich ingeschreven op de openbare aanbesteding.

2.5 In ITB 27.1 staat onder meer:

“To assist in the examination, evaluation, and comparison of the bids, and qualification of the Bidders, the Employer may, at its discretion, ask any Bidder for a clarification of its bid. Any clarification submitted by a Bidder in respect to its bid that is not in response to a request by the Employer shall not be considered. The Employer’s request for clarification and the response shall be in writing. No change in the prices or substance of the bid shall be sought, offered, or permitted, except to confirm the correction of arithmetic errors discovered by the Employer in the evaluation of the bids, in accordance with ITB 31.”

2.6 In 28.1 van de ITB staat onder meer:

During the evaluation of the bids, the following definitions apply:

(…)

(c) “Omissions” is the failure to submit part or all the information or documentation required in the bidding document.”

2.7 In ITB 29.2 staat onder meer:

“If a bid is not substantially responsive to the bidding document, it shall be rejected by the Employer and may not subsequently be made responsive by correction of the material deviaition, reservation, or omission.”

2.8 In ITB 29.4 en 30.1 staat onder meer:

“A substantially responsive bid is one that conforms to all the terms, conditions, and specifications of the bidding document without a material deviation, reservation, or omission. A material deviation, reservation, or omission is one that: 

Provided that a bid is substantially responsive, the Employer may waive any nonconformities in the bid that do not constitute a material deviation, reservation or omission.”

2.9 In ITB 30.2 staat onder meer:

“Provided that a bid is substantially responsive, the Employer may request that the Bidder submit the necessary information or documentation, within a reasonable period of time, to rectify nonmaterial nonconformities in the bid related to documentation requirements. Requesting information or documentation on such nonconformities shall not be related to any aspect of the price of the bid. Failure of the Bidder to comply with the request may result in the rejection of its bid.”

2.10 In ITB 35.1 staat onder meer:

“The Employer shall use the criteria and methodologies listed in this instruction. No other evaluation criteria or methodologies shall be permitted.”

2.11 In ITB 42.1 staat onder meer dat de aanbesteder het werk alleen mag gunnen aan een inschrijver nadat de standstill period is verstreken die 10 werkdagen duurt. Op grond van ITB 46 kan deze periode worden verlengd.

2.12 Op grond van ITB 43.1 is de aanbesteder verplicht aan iedere inschrijver een Notification of Intention to Award the Contract te sturen, die onder andere dient te bevatten een verklaring van de redenen waarom de inschrijver niet in aanmerking komt voor gunning van het werk, tenzij de reden is gelegen in de hoogte van de prijs, en instructies over de wijze waarop om een debriefing kan worden verzocht en/of een bezwaarschrift kan worden ingediend gedurende de standstill period

2.13 In ITB 44.1 staat onder meer:

“Subject to ITB 41, the Employer shall award the Contract to the Bidder offering the Most Advantageous Bid. The Most Advantageous Bid is the Bid of the Bidder that meets the qualification criteria and whose Bid has been determined to be:

  • substantially responsive to the bidding document; and
  • the lowest evaluated cost.”

2.14 In ITB 46.1 staat onder meer dat de afgewezen inschrijver het recht heeft om de aanbesteder binnen 3 werkdagen na het bericht van voornemen tot gunning te verzoeken om een debriefing. De debriefing kan zowel schriftelijk als mondeling geschieden.

2.15 In ITB 46.2 staat onder meer dat de aanbesteder verplicht is iedere afgewezen inschrijver die binnen de termijn daarom verzoekt de debriefing binnen vijf dagen te geven, tenzij de aanbesteder beslist de debriefing buiten de termijn van vijf werkdagen te geven, in welk geval de standstill period automatisch wordt verlengd tot vijf dagen, nadat de debriefing is gegeven. Ingeval van verlenging van de standstill period is de aanbesteder verplicht dit per ommegaande aan alle inschrijvers mee te delen.

2.16 Artikel 2.80 van de Policies for Procurement of Goods and Works Financed by the Inter-American Development Bank bepaalt dat, indien de aanbesteder gedurende de standstill period een bezwaarschrift ontvangt, hij niet mag overgaan tot het gunnen van het werk, zolang niet op het bezwaarschrift is beslist.

2.17 In de nadere toelichting van de Bid Data Sheet bij ITB 34.2 staat dat inschrijvers die voornemens zijn meer dan 10% van het werk uit te besteden aan onderaannemers, in hun Letter of Bid moeten aangeven welke onderdelen van hun werk zullen worden uitbesteed, aan welke onderaannemers en wat hun kwalificaties en ervaring is.

2.18 In paragraaf 2.5 van de in de Bidding document opgenomen Evaluation and Qualification criteria is opgenomen dat de projectmanager minimaal 15 jaar werkervaring moet hebben, terwijl de site manager over minimaal 10 jaar werkervaring moet beschikken.

2.19 Op grond van 3.1 sub (iii) van de Eligibility and Qualification Criteria is vereist dat inschrijvers aantonen dat zij over de laatste vijf jaren, te weten van 2017 tot en met 2023, met uitzondering van de jaren 2020 en 2021 waarin er sprake was van de covidpandemie, een minimale gemiddelde jaaromzet uit aannemingswerk hebben behaald van USD 12.900.000,-. Blijkens de submission requirement behorende bij dit artikel moeten de inschrijvers aantonen hieraan te voldoen door het invullen van een formulier met de aanduiding Form FIN-3.2. Baitali heeft dit formulier ingevuld.

2.20 Krachtens het formulier Form AR Anticipated Risk moet de inschrijver een risicoregister indienen van de voorzienbare risico’s gedurende de uitvoering van de overeenkomst. Ieder risico moet bevatten: een beschrijving van het risico, een inschatting van de mogelijke invloed van het risico op gezondheid en veiligheid, milieu, kosten, het programma en een risicobeheersingsstrategie.

2.21 Baitalie heeft de laagste prijs aangeboden van alle inschrijvers die hebben meegedaan aan de openbare aanbesteding, namelijk USD 19.323.391,33. De inschrijver aan wie de Staat het werk wil gunnen heeft de vierde laagste prijs, zijnde USD 22.711.967,35. 

2.22 De Staat heeft Baitali op 12 maart 2025 bericht dat haar inschrijving is afgewezen en dat hij voornemens is het werk te gunnen aan een andere inschrijver. Als reden voor de afwijzing heeft de Staat aangegeven dat de inschrijving van Baitali non responsive is. Ter onderbouwing hiervan heeft de Staat onder meer aangevoerd dat:

(a) de inschrijving niet voldoet aan de financiële kwalificatiecriteria, zoals vermeld in Section III van de Bidding Documents for the Procurement of Works

(b) uit de inschrijving van Baitali zou blijken dat zij 11,63% van het werk wil uitbesteden aan onderaannemers, terwijl Baitali, in strijd met ITB 34.2, geen aanvullende informatie daarover in haar Letter of Bid heeft vermeld; 

(c) het risicoregister van Baitali niet-toegestane risico’s vermeldt, te weten financiële risico’s van de inschrijver die geen projectrisico’s zijn; 

(d) de voorstelde projectmanager en sitemanager niet zouden voldoen aan de eisen met betrekking tot werkervaring;

(e) de Work Method Statement van Baitali niet voldoet aan de toepasselijke technische specificaties.

2.23 De Staat heeft Baitali in het in 2.22 genoemde schrijven erop gewezen dat zij gedurende de standstill period het recht heeft tot uiterlijk 27 maart 2025 een debriefing aan te vragen oftewel een bezwaarschrift in te dienen tegen het voornemen om het werk aan een ander te gunnen.

2.24 Op 12 maart 2025 heeft Baitali de Staat verzocht om een mondelinge debriefing. In reactie hierop heeft de Staat Baitali bij schrijven van 17 maart 2025 geïnformeerd dat de debriefing schriftelijk zal geschieden. Op 19 maart 2025 heeft de Staat Baitali een schriftelijke debriefing gestuurd, die erop neerkomt dat:

(a) het uitbesteed werk niet is gespecificeerd;

(b) de sitemanager en projectmanager onvoldoende ervaring hebben;

(c) de Work Method Statement niet aan de technische specificaties voldoet;

(d) de jaarrekeningen niet zijn gecontroleerd;

(e) de jaaromzet van het aannemingswerk niet is aangetoond;

(f) het registerrisico niet aan de vereisten voldoet.

2.25 Op 25 maart 2025 heeft Baitali een bezwaarschrift ingediend tegen de afwijzing van haar inschrijving. De Staat heeft op 27 maart 2025 op het bezwaarschrift van Baitali beslist en onder meer dezelfde punten als in 2.22 en 2.24 aangevoerd waarom Baitali, alhoewel zij het laagste bod heeft gedaan, niet in aanmerking komt.

2.26 Bij brief van 27 maart 2025 heeft Baitali, op grond van paragraph 2.82 and Apendix III, Numeral 15 of the IDB Procurement Framework (GN-2349-15) de Staat te kennen gegeven een bijeenkomst met de IDB te willen. Aangezien dit geen nieuwe klacht is, heeft de IDB de Staat aangegeven dat de standstill period per 27 maart 2025 is verstreken en dat de Staat de Letter of Acceptance mag uitschrijven en versturen naar de in aanmerking komende bieder.

2.27 Baitali heeft notulen van 28 juni 2024 overgelegd waarin onder meer staat:

“ (…)

  1. Voorstel Directie inzake oplevering jaarrekening 2023

In de vergadering heeft de directie van AMB aangegeven dat door bijzondere omstandigheden met betrekking tot het doorvoeren van de functionele valutawijziging ingaande 1 januari 2023 alsook de werkzaamheden met betrekking tot de IFRS transitie, voor vertraging zorgt bij de afronding van de jaarrekening over de periode 2023. Volgens de wet op de jaarrekening moet de jaarrekening van 2023 per 1 juli 2024 beschikbaar zijn. De directie vraagt hierbij goedkeuring voor verlenging van de oplevertermijn van de jaarrekening.

  1. Goedkeuring van het Directievoorstel m.b.t. oplevering jaarrekening 2023. 

De AvA heeft notitie genomen van de aangehaalde punten en verleent toestemming om de oplevertermijn met 6 maanden te verlengen.”

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daarop

3.1 Baitali vordert, zakelijk weergegeven, dat de kantonrechter in kort geding bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

PRIMAIR

A. De Notification of Intention to Award, het door de Staat genomen besluit op zijn bezwaarschrift en de Letter of Acceptance intrekt;

B. de Staat beveelt de uitvoering van een reeds aangegane aannemingsovereenkomst terstond te staken en gestaakt te houden.

C. de Staat beveelt om terstond na kennisneming van het in deze te wijzen vonnis, de intrekking van de Notification of Intention to Award, het door de Staat genomen besluit op zijn bezwaarschrift en de Letter of Acceptance alsook de staking van de uitvoering van de aannemingsovereenkomst terstond bekend te maken aan alle inschrijvers;

SUBSIDIAIR

D. De Notification of Intention to Award, het door de Staat genomen besluit op zijn bezwaarschrift, de Letter of Acceptance en de aannemingsovereenkomst op schort, totdat de Staat het werk aan hem heeft gegund dan wel een nieuw besluit heeft genomen op zijn bezwaarschrift, welk besluit dient te voldoen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur;

E. De Staat beveelt om terstond na kennisneming van het in deze te wijzen vonnis, de opschorting van de Notification of Intention to Award, het door de Staat genomen besluit op zijn bezwaarschrift, de Letter of Acceptance en de aannemingsovereenkomst terstond bekend te maken aan alle inschrijvers;

ZOWEL PRIMAIR ALS SUBSIDIAIR

F. Bij wege van onmiddellijke voorziening, de Staat bij uw aanvullende oproepbeschikking verbiedt de aanbestedingsprocedure voort te zetten of het werk te gunnen of met betrekking tot dat werk een aannemingsovereenkomst aan te gaan dan wel de Staat beveelt iedere uitvoering van een aannemingsovereenkomst met betrekking tot dat werk te staken, totdat de kantonrechter vonnis zal hebben gewezen in onderhavige rechtszaak;

G. De Staat veroordeelt tot betaling van een dwangsom van SRD 5.000.000,- per dag, die hij aan haar zal verbeuren voor iedere dag dat hij in strijd handelt met het onder de punten A. tot met F. van het petitum gevorderde, waarbij zal gelden dat enige dwangsomveroordeling telkens afzonderlijk wordt opgelegd voor elke overtreding van enig ge- of verbod;

H. De Staat veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 Baitali legt aan haar vordering ten grondslag dat de Staat haar inschrijving in zijn Notification of Intention to Award en Debriefing onterecht als non-responsive heeft aangemerkt. Volgens haar wordt die term in de ITB’s uitsluitend gebruikt in geval de geldigheidsperiode korter is dan vereist en indien de inschrijving niet gepaard is gegaan met een toepasselijke garantieverklaring. Buiten deze twee gevallen om wordt deze term niet in de aanbestedingsdocumenten gebruikt, zodat de afwijzing door de Staat in strijd is met artikel 2.55 van de Policies for Procurement of Works and Goods Financed by the Inter-American Development Bank. Naar Baitali betoogt blijkt niet uit de Notification of Intention to Award noch de debriefing dat de Staat de toepasselijke standaard uit artikel 2.55 van de Policies for Procurement of Goods and Works Financed by the Inter-American Development Bank en ITB 29.2 heeft gebruikt om haar inschrijving te beoordelen en af te wijzen. De Staat heeft ook niet in de Notification of Intention to Award noch de debriefing melding van gemaakt dat de door hem geconstateerde afwijkingen in haar inschrijving materiële afwijkingen zijn in de zin van ITB 29.4, zodat de Notifiction of Intention to Award behalve in strijd met artikel 2.55 van de Policies of Procurement of Works and Goods Financed by the Inter-American Development Bank ook in strijd met ITB 29 en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het motiveringsbeginsel. Door de toepassing van een verkeerde maatstaf bij de beoordeling van haar inschrijving, is de Notifiction of Intention Award ook in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Gelet op het feit dat haar bod lager is dan het bod van de inschrijver aan wie de Staat het werk wil gunnen, is het niet logisch dat de Staat geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden van ITB 27.1 en 30.2 om haar een nadere toelichting te vragen dan wel haar in de gelegenheid heeft gesteld om de niet-materiële non-conformiteiten binnen een redelijke termijn te rectificeren, hetgeen in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, maar ook met value for money ex artikel 1.4(a) van de General Consideration and Core Procurement Principles. In de beslissing op het bezwaarschrift heeft de Staat niet uitgelegd waarom de door hem geconstateerde non-conformiteiten materiële afwijkingen zijn zoals bedoeld in ITB 29.4, zodat het bezwaarschrift ondeugdelijk is gemotiveerd en in strijd is met het motiveringsbeginsel. De Staat verwijst volgens Bailtali wat het te besteden werk betreft naar ITB 34.2. In de toelichting daarop in de nota van toelichtingen verwijst de Staat naar ITB 35.2, zijnde een bepaling die niets van doen heeft met de verplichting tot het geven van een nadere specificatie indien meer dan 10% van het werk zal worden uitbesteed. De Staat is niet ingegaan op het feit dat in de nadere toelichting van de Bid Data Sheet bij ITB 34.2 staat vermeld wat moet worden verstaan onder total volume of works, namelijk total contract amount. Het totaalbedrag van uitbesteed werk moet worden gedeeld door het bedrag waarvoor zij zich op de aanbesteding heeft ingeschreven. De Staat heeft in stede hiervan het totaalbedrag van uitbesteed werk door een lager bedrag gedeeld, waardoor het percentage van uitbesteed werk hoger is uitgevallen.  Het door haar uit te besteden werk bedraagt 5.2%, zodat de nadere toelichting van de Bid Data Sheet, niet op haar van toepassing is. Verder blijkt nergens uit paragraaf 2.5 van de in het Bidding document opgenomen Evaluation and Qualification Criteria dat de werkervaring van de sitemanager vooral on-site moet zijn en dat die van de projectmanager vooral uit ervaring met urban road works zou moeten bestaan. Door aanvullende of nadere voorwaarden te stellen en haar inschrijving op basis daarvan af te wijzen, terwijl die niet worden genoemd in de Evaluation and Qualification Criteria, maakt de Staat zich schuldig aan willekeur en heeft hij in strijd met het motiveringsbeginsel gehandeld. In de Technical Specifications is als vereiste gesteld dat bij alle culvert and pipe bedding areas moet worden voldaan aan een compactiegehalte van 95%, hetgeen zij heeft erkend en geïncorporeerd. Voor de components of initial backfill worden geen expliciete compactiegehalte gehanteerd en zij heeft ten aanzien hiervan in haar Work Method Statement een minimaal compactiegehalte van 90% voorgesteld. Het standpunt van de Staat dat er sprake is van 90% compactie above and at pipe levels, waardoor niet aan de gestelde technische vereisten is voldaan, is ondeugdelijke gemotiveerd. Wat betreft de jaarrekeningen stelt de Staat zich op het standpunt dat die van 2017, 2018 en 2023 niet zijn gecontroleerd. De Staat erkent wel dat hij bij de eerste aanbesteding van het jaar 2022 door IDB gefinancierde aanbesteding in het kader van hetzelfde ITLCS-project dezelfde jaarrekeningen van 2017 en 2018 heeft geaccepteerd. De jaarrekening van het laatste afgesloten boekjaar had zij voorafgaand aan de aanbesteding niet overgelegd en desondanks heeft de Staat het werk toen aan haar gegund. In de prekwalificatie voor het werk in oktober 2022 had zij de jaarrekeningen over de boekjaren 2016, 2017, 2018, 2019 en 2020 overgelegd. Ook bij deze aanbestedingsprocedure had zij de jaarrekening over het boekjaar 2021 niet overgelegd. Ook in dit geval had de Staat haar jaarrekeningen geaccepteerd en is hij in de prekwalificatieronde gekomen. De Staat stelt zich thans op het standpunt dat hij bij onderhavige aanbesteding niet langer genoegen neemt met dezelfde jaarrekeningen, maar een strengere uitleg geeft, omdat Baitali bij de uitvoering van het eerdere aan haar gegunde werk als gevolg van het uitblijven van de betaling zich beriep op haar opschortingsrecht. Hiermee erkent de Staat dat hij artikel 3.1 Eligibility and Qualification Criteria strenger heeft uitgelegd dan bij een eerdere aanbesteding, terwijl deze strengere uitleg niet vooraf is bekend gemaakt. Deze handelswijze is in strijd met het verbod van willekeur en het rechtszekerheidsbeginsel; de Staat had immers dezelfde jaarrekeningen geaccepteerd en zij mocht erop vertrouwen dat de Staat dezelfde interpretatie zou geven aan artikel 3.1 Eligibility and Qualification Criteria. Alhoewel de jaarrekeningen over de boekjaren 2017 en 2018 van de voetnoot “unaudited” zijn voorzien, heeft de accountant een samenstellingsverklaring gegeven zoals ook het geval is bij de jaarrekeningen over de boekjaren 2019,2020,2021 en 2022, die wel zijn geaccepteerd. Door te stellen dat de jaarrekeningen over het boekjaar 2017 en 2018 niet door een accountant zijn gecontroleerd, miskent de Staat daarnaast dat de verplichting tot het uitvoeren van een accountantscontrole op grond van artikel 24 lid 3 Wet op de jaarrekening pas na een periode van twee jaar moest worden voldaan vanaf de inwerking, te weten 06 oktober 2017. De wettelijke verplichting gold dus pas vanaf 06 oktober 2019, waardoor deze pas over het jaar 2020 moest worden toegepast, zodat de jaarrekeningen niet gecontroleerd hoefden te worden. De Staat is niet ingegaan op haar standpunt dat in het kader van hetzelfde project bij eerdere aanbestedingen het artikel zodanig was uitgelegd dat het niet verplicht was om de jaarrekening over te leggen over het laatste afgesloten boekjaar, zodat er sprake is van willekeur en de Staat in strijd heeft gehandeld met het motiveringsbeginsel. Met betrekking tot de gemiddelde jaaromzet heeft de Staat de vraag of zij, Baitali, aan 3.2 van de Eligibility and Qualification Criteria voldoet, ten onrechte beantwoord aan de hand van de overgelegde jaarrekeningen, terwijl hieraan moest worden voldaan door het invullen van een formulier met de aanduiding Form Fin -3.2, hetgeen zij ook heeft gedaan. Het is niet mogelijk de omzet te beoordelen aan de hand van jaarrekeningen, daar uit een jaarrekening de verschillende bronnen van omzet niet blijkt. Op haar bezwaar hiertegen heeft de Staat simpelweg verwezen naar twee screenshots, waarvan een niets van doen heeft met de gemiddelde jaaromzet van aannemingswerk, maar met de te overleggen jaarrekeningen. De beslissing van de Staat op dit punt bevat geen enkele andere onderbouwing, zodat het bezwaarschrift ondeugdelijk is gemotiveerd en in strijd is met het motiveringsbeginsel. De Staat is ten slotte niet ingegaan op haar argumenten dat de in het risicoregister vermelde financiële risico’s daarin vermeld hadden mogen worden, daar zij vallen binnen de reikwijdte van risico’s die een invloed kunnen hebben op de in het formulier met de aanduiding Form AR Anticipated Risks genoemde kosten en het programma. Volgens haar had de Staat ook niet aangegeven dat sommige risico’s niet in het register opgenomen hadden mogen worden, zodat de Staat bij de beoordeling dit niet als nadere eis mag stellen. Op grond hiervan handelt de Staat in strijd met het verbod van willekeur en in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De beslissing op het bezwaarschrift is op grond van al het voorgaande ondeugdelijk gemotiveerd en in strijd met het motiveringsbeginsel. De Notifiction of Intention to Award is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, namelijk het rechtszekerheids-, het zorgvuldigheids-, en het motiveringsbeginsel, zodat de Staat een onrechtmatige daad jegens haar pleegt, waardoor zij schade lijdt bestaande uit het mislopen van de omzet en winst die zij zou behalen indien het werk aan haar was gegund. 

3.3 De Staat heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat het bij aanbestedingen niet zonder meer is dat de laagste bieder de gunning krijgt. Ingevolge ITB 44.1 moet de gunning worden toegekend aan de inschrijver met het meest voordelige bod. Voorts dat de in 2.22 ontvangen brief geen nieuwe complaint was, waardoor de IDB aangaf dat de stanstill period per 27 maart is verlopen, zodat hij de Letter of acceptance mocht uitschrijven en versturen naar the first ranked company. De verwijzing van Baitali naar de Policies for the selection and contracting of Consultants financed by the Inter-American Development Bank (GN2350-15) is niet correct aangezien het in dit geval een aanbesteding van werken betreft. Door publicatie van de documenten in de media heeft Baitali de principles of integrity van de Policies for the selection and contracting of Consultants financed by the Inter-American Development Bank (GN2350-15) geschonden. Volgens hem heeft hij nimmer in de brieven aangegeven dat het bod van Baitali niet aan ITB 29.4 voldoet; de evaluatie van de aanbieding heeft conform ITB 135 Evaluation of Bids plaatsgevonden. Artikel 2.55 van de Policies for Procurement of Works and Goods Financed by the Inter-American Development Bank en ITB 29 zijn niet de reden waarom de inschrijving van Baitali substantially not-responsive is bevonden. Met betrekking tot de stelling van Baitali dat hij, de Staat, nagelaten heeft haar in de gelegenheid te stellen om opheldering te verschaffen en afwijkingen te herstellen voert hij aan dat het de taak is van de inschrijver om ervoor zorg te dragen dat de inschrijving compleet is. Het is een recht van hem als aanbesteder om opheldering te vragen indien zij dat nodig acht en dat heeft niet plaatsgevonden, omdat er geen reden daartoe was. Bovendien zou de aangehaalde niet-materiële non-conformiteiten onder de noemer van omissions vallen, die op grond van ITB 29.2b niet zijn toegestaan. De verwijzing van Baitali naar 1.4 van de General Considerations and Core Procurement Principles is niet correct, aangezien die clausule betrekking heeft op Policies for the selection and contracting of Consultants financed by the Inter-American Development Bank (GN 2350-15). Waarnaar verwezen moet worden is clausule 1.2. Policies for the Procurement of Goods and Works financed by the Inter- American Development Bank (IDB) GN 2349-15. Wat het percentage van het uit te besteden werk betreft heeft hij gewerkt met informatie zoals die is aangeboden. Met betrekking tot the work method verdedigt hij zich met de stelling dat in de technische specificatie van het aanbestedingsdossier is opgenomen dat alle compactie boven 95% dient te zijn. In de Work Method Statement van Baitali is aangegeven dat er een minimum compactie van 90% wordt toegepast. Conform de Technische Specificatie wordt elke compactie onder 95% afgewezen. Wat betreft de stelling dat de Staat de jaarrekeningen van 2017 en 2018 in een ander project had geaccepteerd en dat de Staat thans een andere interpretatie geeft aan de Eligibility and Qualification Criteria voert de Staat aan dat de inschrijving van Baitali bij de aanbesteding voor de bouw van de brug aan de van ’t Hogerhuysstraat substantially non-responsive is verklaard op basis van het feit dat de letter of bid incompleet was, zodat de financiële evaluatie niet had plaatsgevonden. De accountant heeft verder in zijn Practioner Compilation report duidelijk aangegeven dat hij geen audit heeft uitgevoerd, zodat de stelling van Baitali dat de accountant een samenstellingsverklaring heeft gegeven, niet op gaat. Vanwege de omvang en complexiteit van onderhavige aanbesteding en de geannuleerde aanbesteding heeft de IDB de instructies gegeven om niet af te wijken van de financiële controle van de jaarrekeningen (audited financial statements). Dit zijn geen nieuwe eisen; zij zijn vervat in form Fin 3.1, die nodig is voor de evaluatie van de financiële bid zoals vervat in Eligibility and Qualification Criteria. De criteria zijn enkel aangescherpt, waarbij de hoogte van de cashflow en de annual turnover zijn verhoogd, gelet op de omvang en complexiteit van het werk. Met betrekking tot het boekjaar 2023, zou conform de wet op jaarrekening de jaarrekening binnen 6 maanden na afloop van het boekjaar moeten worden opgemaakt. Aan de aanbieding van Baitali is een engagement letter toegevoegd daterende 6 december 2024, afgetekend op 9 december 2024 door Baitali, zijnde een dag voor de dag van de inschrijving voor de aanbesteding. De informatie verschaft door Baitali in Form Fin 3.2 moet getoetst worden op waarheid en correctheid en zulks kan enkel geschieden op basis van informatie verschaft in gecontroleerde jaarrekeningen. De informatie regarderende annual construction turnover bij Baitali heeft hij niet kunnen traceren. Baitali geeft zelf aan dat haar inkomsten uit verschillende bronnen komt en dat het aannemingswerk niet te onderscheiden is. Hierdoor heeft hij de controle niet kunnen uitvoeren. De Staat betwist dat er andere criteria dan in de Bidding document is vervat zijn toegepast. Naar aanleiding van het afgelaste aanbestedingsproces heeft de IDB besloten om geen afwijking meer toe te staan bij het evalueren van de eisen die gesteld worden aan onder andere financiële aanbiedingen. Volgens hem zijn de evaluatiecriteria ongewijzigd gebleven en de jaarrekeningen moeten conform de instructies ingediend worden. Hij betwist dat er sprake is van willekeur. Hij heeft nimmer aangegeven dat het risicoregister niet aan de vereisten voldoet. In de debriefing is aangegeven dat de door Baitali genoemde risico’s betrekking hebben op de aannemer en niet project gerelateerd zijn. De aanbestedingsprocedure van de IDB is gevolgd en hij heeft voor alle stappen de goedkeuring van de IDB ontvangen. De Notification of Intention to Award is pas na verkregen toestemming van de IDB verstuurd. Het onethisch gedrag van Baitali blijkt uit haar stelling dat zij informeel van derden heeft vernomen dat een inschrijver de Letter of Acceptance heeft ontvangen. De Staat betwist ten slotte dat Baitali schade heeft geleden.

In het incident

3.4 Baitali heeft bij akte eiswijziging verzocht haar eis te wijzigen, in dier voege dat het petitum thans komt te luiden: dat de kantonrechter in kort geding bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

PRIMAIR

A. De Notification of Intention to Award, het door de Staat genomen besluit op zijn bezwaarschrift en de Letter of Acceptance intrekt dan wel de Staat beveelt de Notification of Intention to Award, het besluit op zijn bezwaarschrift en de Letter of Acceptance in te trekken;

B. de Staat beveelt de uitvoering van een reeds aangegane aannemingsovereenkomst terstond te staken en gestaakt te houden;

C. de Staat beveelt het werk aan hem te gunnen;

D. de Staat beveelt om, terstond na kennisneming van het in deze te wijzen vonnis, de intrekking van de Notification of Intention to Award, het door de Staat genomen besluit op zijn bezwaarschrift en de Letter of Acceptance alsook de staking en het gestaakt houden van de uitvoering van de aannemingsovereenkomst en de gunning van het werk aan hem terstond bekend te maken aan alle inschrijvers;

SUBSIDIAIR

E. de Notification of Intention to Award, het door de Staat genomen besluit op zijn bezwaarschrift, de Letter of Acceptance en de aannemingsovereenkomst opschort, totdat het Ministerie van Openbare Werken het werk aan Baitali heeft gegund dan wel een nieuw besluit heeft genomen op zijn bezwaarschrift, welk besluit dient te voldoen aan de materiële aanbestedingsregels van de IDB en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur;

F. de Staat beveelt om terstond na kennisneming van het in deze te wijzen vonnis, de opschorting van de Notification of Intention to Award, de Letter of Acceptance en de aannemingsovereenkomst terstond bekend te maken aan alle inschrijvers;

ZOWEL PRIMAIR ALS SUBSIDIAIR

G. de Staat veroordeelt tot betaling van een dwangsom van SRD 5.000.000,- per dag, die de Staat aan haar zal verbeuren voor iedere dag dat hij in strijd handelt met het onder de punten A. tot met F. van het petitum gevorderde, waarbij zal gelden dat enige dwangsomveroordeling telkens afzonderlijk wordt opgelegd voor elke overtreding van enig ge- of verbod.

H. de Staat veroordeelt in de kosten van het geding.

3.5 Baitali heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de Staat niet bij de debriefing noch bij de beslissing op het bezwaarschrift en het antwoord heeft kunnen aangegeven op welke inhoudelijke gronden haar inschrijving niet de most advantageous bid is, zodat het werk op grond van de aanbestedingsregels aan hem moet worden gegund.

3.6 De Staat heeft, zakelijk weergegeven, als verweer aangevoerd dat toewijzing van de gewijzigde eis zal inhouden dat de inschrijving van Baitali aangevuld dan wel een wijziging moet ondergaan, hetgeen in strijd is met het transparantiebeginsel.

3.7 Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

  1. De beoordeling

Vooraf

4.1 Per 1 mei 2025 is het nieuwe Burgerlijk Wetboek ingevoerd. Uit artikel 2 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek (hierna: Overgangswet) volgt dat de nieuwe wet van het tijdstip van inwerkingtreding van toepassing is, indien op dat tijdstip is voldaan aan de door haar voor het intreden van een rechtsgevolg gestelde vereisten, tenzij uit de Overgangswet iets anders voortvloeit. In grote lijnen betekent dit dat onmiddellijke werking het uitgangspunt is, met eerbiediging van nader bepaalde rechten en overige bepalingen. Waar nodig zal hierna op het toepasselijk recht nader worden ingegaan.

4.2 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen van Baitali en het door haar gevorderde.

In het incident

4.3 Ingevolge artikel 109 van het oud Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is een eiswijziging tot de afloop van de zaak mogelijk, mits daardoor het onderwerp van de eis niet verandert of vermeerdert. Nu het onderwerp van de eis niet verandert en de Staat niet in zijn verdediging is geschaad, zal de eiswijziging worden toegestaan, zodat het petitum onder 3.1 zal komen te luiden zoals onder 3.4 van dit vonnis. 

Het verzoek van Baitali om mondelinge behandeling

4.4 Nadat de Staat zijn conclusie van dupliek heeft genomen, heeft Baitali bij schrijven gedateerd 24 april 2025 aan de kantonrechter verzocht om de zaak ex artikel 117 Rv mondeling te bepleiten. De Staat heeft zich verzet tegen dit verzoek, aanvoerende dat artikel 117 Rv betrekking heeft op het moment van de eerste behandeling van de zaak, waarbij na afroeping tot mondelinge behandeling wordt overgegaan. Volgens de Staat hanteert ons rechtssysteem het proces van uitwisseling van conclusies, hetgeen reeds heeft plaatsgevonden en aldus partijen zijn uitgeprocedeerd. De Staat betoogt voorts, dat voor zover Baitali om valide en gegronde redenen het nodig acht om de zaak mondeling te behandelen, daartoe de mogelijkheid wordt geboden in artikel 114 Rv. Nu partijen reeds zijn uitgeprocedeerd en de Staat diepgaand is ingegaan op de vordering en de standpunten kenbaar zijn gemaakt, ziet hij geen reden om in deze fase een mondelinge behandeling te doen plaatsvinden. Bovendien, zo stelt de Staat, is Baitali tardief met haar verzoek, welke ingevolge artikel 114 Rv bij de eerste behandeling al had moeten plaatsvinden. 

4.5 Artikel 117 luidt als volgt:

“De behandeling van de zaak geschiedt mondeling ter terechtzitting, onverminderd de bevoegdheid van partijen om aldaar door hen of hun gemachtigden dan wel raadslieden ondertekende schrifturen in te dienen. Deze schrifturen worden evenals de vordering en het antwoord, indien het schriftelijk is ingediend, ter terechtzitting voorgelezen.”

De kantonrechter overweegt dat bij aanvang van onderhavige zaak bij aanvullende beschikking een afconcludeerschema is bepaald zoals gebruikelijk is in de kortgeding procedure. Conform dit schema heeft ook de conclusiewisseling van partijen plaatsgevonden. Nu in onderhavige zaak de behandeling reeds schriftelijk heeft plaatsgevonden, is er op grond van voormeld artikel geen ruimte meer voor een mondelinge behandeling. De wens van Baitali om de zaak mondeling te behandelen diende zij reeds bij aanvang van de procedure kenbaar te maken. Haar verzoek is derhalve tardief en zal daarom niet worden ingewilligd. 

In de hoofdzaak

4.6 Voorop wordt gesteld dat op de aanbestedingsprocedure de regels van de IDB, waaronder de Policies for Procurement of Works and Goods Financed by the Inter-American Development Bank (IDB) GN 2349-15 van toepassing zijn. De kantonrechter is echter van oordeel dat het voorgaande niet wegneemt dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing zijn, daar die immers voor elk overheidshandelen c.q. besluit gelden. Indien en voorzover de Staat met de betwisting dat de notification of intention to award een bestuursbesluit is en zijn stelling dat voor de aanbestedingsprocedure de aanbestedingsregels van de IDB van toepassing zijn zich erop beoogt te beroepen dat enkel en alleen de aanbestedingsregels van toepassing zijn, wordt dat verweer verworpen. 

4.7 De kantonrechter constateert dat de Staat de inschrijving van Baitali als substantially not responsive heeft beoordeeld op grond van het volgende:

  1. het uit te besteden werk is niet gespecificeerd;
  2. onvoldoende werkervaring van zowel de site- als de projectmanager;
  3. de work method statement voldoet niet aan de technische specificaties;
  4. jaarrekening niet gecontroleerd;
  5. de jaaromzet is niet aangetoond;
  6. het risicoregister voldoet niet aan de vereisten.

In het hierna volgende zal op elk van de hierboven genoemde afwijzingsgronden worden ingegaan.

Het uit te besteden werk is niet gespecificeerd 

4.8 Tussen partijen staat vast dat de inschrijver die voornemens is meer dan 10% van het werk uit te besteden aan onderaannemers conform de nadere toelichting van de Bid Data Sheet bij ITB 34.2, in de Letter of Bid moet aangeven welke onderdelen van het werk zullen worden uitbesteed, aan welke onderaannemers en wat hun kwalificaties en ervaring is. Ook staat tussen partijen vast dat Baitali hieraan niet heeft voldaan, daar zij naar zij betoogt voornemens is slechts 5.20% van het werk uit te besteden. De Staat stelt zich daarentegen op het standpunt dat Baitali 11,63% van het werk wil uitbesteden, zodat Baitali niet aan de vereisten heeft voldaan. Bij conclusie van antwoord heeft de Staat ten aanzien van de berekening van het percentage aangevoerd dat hij heeft gewerkt met de informatie die Baitalie heeft verstrekt. Bij conclusie van dupliek verdedigt de Staat zich met de stelling dat Baitali niet in de intended suncontractors table noch de staat van hoeveelheden een onderscheid heeft gemaakt in de onderdelen van de intelligent trafic system die door Swarco en Baitali zouden worden uitgevoerd. Volgens de Staat heeft de evaluatiecommissie op basis van de aanbieding haar evaluatie uitgevoerd en is tot de conclusie gekomen dat de Swarco de ITS in zijn volledigheid zou uitvoeren. Naar de Staat betoogt zou de evaluatiecommissie, indien er onduidelijkheid zou zijn opheldering daarvan hebben gevraagd. Op basis van de door Baitali ingediende documenten bestond er volgens de Staat geen twijfel over de informatie ten aanzien van Swarco. De kantonrechter oordeelt hierover als volgt. 

4.9 De Staat heeft de stelling van Baitali dat hij, de Staat, bedragen bij de berekening heeft betrokken die niet zien op uit te besteden werk, waardoor de Staat rekenfouten heeft gemaakt en op een hoger percentage is uitgekomen, niet weersproken. Uit de stelling van de Staat dat Baitali geen onderscheid heeft gemaakt in de onderdelen van de intelligent trafic system die door Swarco en Baitali zouden worden uitgevoerd leidt de kantonrechter af dat het voor de Staat niet duidelijk was welke werkzaamheden door Swarco zou worden uitgevoerd. Naar het oordeel van de kantonrechter had het dan ook op de weg van de Staat gelegen, zoals de Staat zelf betoogt, om Bailtali op grond van ITB 30.2 duidelijkheid hierover te vragen in plaats van zelf een conclusie te trekken. Bovendien heeft de Staat dit verweer pas bij conclusie van dupliek gevoerd, waardoor Baitali bij die stand van het geding hierop niet heeft kunnen reageren. Hieruit volgt dat Baitali naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter aannemelijk heeft gemaakt dat de Staat van verkeerde bedragen is uitgegaan bij de berekening van het percentage uit te besteden werk. Dit brengt mee dat de kantonrechter uitgaat van de juistheid van het percentage uit te besteden werk van 5,20%, zodat de nadere toelichting van de Bid Data Sheet bij ITB 34.2 niet op Baitali van toepassing is. 

Onvoldoende werkervaring van zowel de site- als de projectmanager

4.10 Tussen partijen staat vast dat in paragraaf 2.5 van de in de Bidding document Evaluation and Qualification de criteria zijn opgenomen waaraan de projectmanager en de site manager moeten voldoen. De Staat is niet ingegaan op de stelling van Baitali dat hij zich op het standpunt heeft gesteld dat de werkervaring van de projectmanager niet alleen zou mogen bestaan uit desk job exeprience en die van de sitemanager vooral zou moeten bestaan uit ervaring met urban road works. Bij conclusie van dupliek heeft de Staat slechts aangevoerd dat Baitali zowel in de Notification of Intention to Award, de debriefing en de reactie op het bezwaarschrift omstandig is geïnformeerd over de gronden van de afwijzing. De Staat laat na uit te leggen wat de omstandige informatie inhoudt. Hieruit volgt dat de Staat de stellingen van Baitali niet gemotiveerd heeft weersproken. Nu de Staat de stellingen van Baitali niet gemotiveerd heeft weersproken, gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de stellingen van Baitali, zodat hieruit de conclusie volgt dat de Staat in strijd met ITB 35.1 en ITB 35.2 heeft gehandeld door andere criteria te hanteren die niet genoemd zijn in de Evaluation and Qualifiction Criteria.

De work method statement voldoet niet aan de technische specificaties

4.11 Tussen partijen is niet in geschil dat er aan een compactiegehalte van 95% voor de bedding layer moet worden voldaan. De Staat voert ten aanzien hiervan aan dat Baitali in haar work method statement aangeeft dat haar compactiegehalte minimaal 90% is terwijl de technische specificatie aangeeft dat elk compactiegehalte beneden 95% onherroepelijk wordt afgewezen. Bij conclusie van repliek betoogt Baitali dat zij in de work method statement het compactiegehalte van 90% als technische aanbeveling heeft gepresenteerd voor een specifieke backfill zone. Bovendien was die aanbeveling volgens Baitali niet bindend en kon na gunning worden voorgelegd aan de directievoering ter goedkeuring of aanpassing. Naar Baitali betoogt konden eventuele onduidelijkheden met een verzoek om opheldering worden weggenomen of, voorzover sprake zou zijn van een non-conformiteit zou die kunnen worden hersteld, nu het een niet-materiële afwijking betreft. De Staat is op deze stellingen van Baitali bij conclusie van repliek geponeerd niet ingegaan. Bij conclusie van dupliek heeft de Staat slechts een weergave gegeven van het document dat door Baitali is ingediend. Uit de bewoordingen van de weergave “basis of our compaction proposal” leidt de kantonrechter in elk geval af dat die de stelling van Baitali ondersteunt dat het een voorstel is. Bovendien stelt de Staat zelf dat Baitali het in haar document heeft over een minimum compactiegehalte. Hieruit volgt dat Baitali voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de Staat ten onrechte van mening is dat zij niet aan het vereiste compactiegehalte heeft voldaan.

De jaarrekeningen zijn niet gecontroleerd

4.12 Wat betreft de niet gecontroleerde jaarrekeningen het volgende. Tussen partijen staat vast dat op grond van 3.1 sub (iii) van de Eligibility and Qualification Criteria is vereist dat gecontroleerde jaarrekeningen, of indien dat niet wettelijk vereist is, andere jaarrekeningen worden overgelegd over de afgelopen vijf jaar, waaruit blijkt dat de inschrijver financieel gezond is. Volgens de Staat zijn de jaarrekeningen van Baitali van 2017, 2018 en 2023 niet door een accountant gecontroleerd. Baitali betoogt dat de jaarrekeningen van 2017 en 2018 op grond van de Wet op de Jaarrekening niet door een accountant gecontroleerd behoefden te worden. Wat de jaarrekening van 2023 betreft stelt Baitali bij conclusie van repliek dat zij ingevolge de wet evenmin verplicht was een gecontroleerde jaarrekening over dat boekjaar te hebben. Op grond van artikel 5 lid 1 jo. van de Wet op de jaarrekening moet de jaarrekening binnen zes maanden na afloop van het boekjaar worden opgemaakt, maar deze termijn mag onder bijzondere omstandigheden met ten hoogste zes maanden worden verlengd. De algemene vergadering van aandeelhouders van Baitali heeft de termijn voor het opmaken van de jaarrekening met zes maanden verlengd, zodat zij op 10 december 2024 niet wettelijk verplicht was een door een accountant gecontroleerde jaarrekening te hebben. Ter onderbouwing daarvan legt zij de in 2.27 genoemde notulen over. De Staat heeft de stelling van Baitali dat zij ingevolge de wet geen verplichting had de jaarrekeningen over het jaar 2017 en 2018 te laten controleren bij conclusie van dupliek niet weersproken. Met betrekking tot de stelling van Baitali over de jaarrekening van 2023 voert de Staat slechts aan dat het nieuwe informatie betreft die niet bij de inschrijving is ingediend, zodat die geen onderdeel maakt van de aanbieding. Nu de Staat de notulen niet van valsheid heeft beticht en evenmin inhoudelijk op de stellingen van Baitali is ingegaan, heeft Baitali voldoende aannemelijk gemaakt dat hij geen gecontroleerde jaarrekeningen behoefde over te leggen.

De jaaromzet is niet aangetoond

4.13 Vast staat dat Baitali over de laatste vijf jaren, met uitzondering van 2020 en 2021 een jaaromzet van USD 12.900.000,- moest aantonen door invulling van het form fin – 3.2, hetgeen zij ook heeft gedaan. In reactie op de stelling van de Staat dat de jaaromzet van Baitali uit aannemingswerk niet kon worden gecontroleerd, heeft Baitali bij conclusie van repliek betoogd dat de inhoud van de Form Fin 3.2 niet op basis van de jaarrekeningen moest worden beoordeeld, daar het form fin 3.2 formulier als zelfstandig evaluatie-instrument is voorgeschreven. Volgens Baitali is niet vereist dat er verificatoren worden overgelegd voor de beoordeling van de omzet en indien de Staat de omzetten wilde beoordelen, had hij gebruik moeten maken van de aan hem toekomende bevoegdheid om opheldering te vragen. 

4.14 De kantonrechter volgt de Staat in haar standpunt dat de omzet zoals opgenomen in het form fin 3.2 formulier uit de jaarrekeningen controleerbaar moet zijn en dat die controle door middel van de jaarrekeningen moet geschieden. Immers, Baitali geeft zelf aan dat haar inkomsten uit verschillende bronnen afkomstig zijn. De kantonrechter is evenwel van oordeel dat de Staat niet heeft gesteld dat dit een materiële afwijking betreft die niet mocht worden hersteld of opheldering over mocht worden gevraagd. De Staat voert bij dupliek slechts aan dat er sprake zou zijn van willekeur indien hij Baitali om opheldering had gevraagd, omdat Baitali de informatie welwillend moet aanleveren. Deze stelling van de Staat is naar het oordeel van de kantonrechter te mager om gehonoreerd te worden. De Staat komt de bevoegdheid om opheldering te vragen immers op grond van ITB 27.1 toe. Bovendien heeft de Staat ook niet concreet uitgelegd hoe gebruikmaking van deze bevoegdheid willekeur met zich zou brengen. Baitali hoefde immers, zoals uit rechtsoverweging 4.10 blijkt, geen gecontroleerde jaarrekeningen over te leggen. Hieruit volgt dat de Staat ten onrechte heeft geoordeeld dat de jaaromzet niet is aangetoond.

Het risicoregister voldoet niet aan de vereisten

4.15 Ingevolge het Form AR Anticipated Risks formulier dient Baitali als inschrijver een risicoregister in te dienen van de voorzienbare risico’s gedurende de uitvoering van de overeenkomst. Volgens de Staat heeft hij nimmer aangegeven dat het risicoregister niet aan de vereisten voldoet. De door Baitali opgenomen risico’s hebben naar de Staat betoogt betrekking op Baitali als aannemer doch zijn niet project gerelateerd. Hieruit concludeert de kantonrechter dat het risicoregister van Baitali wel aan de vereisten voldoet. Het valt voor de kantonrechter niet te rijmen waarom de inschrijving van Baitali mede op basis hiervan is afgewezen als de Staat van oordeel is dat zij nimmer heeft aangegeven dat het risicoregister niet aan de vereisten voldoet. Voorts heeft de Staat nagelaten uit te leggen waarom de door Baitali opgenomen risico’s niet project gerelateerd zijn. Op grond van het voorgaande heeft Baitali naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat zij aan dit vereiste heeft voldaan.

4.16 Op grond van al het voorgaande komt de kantonrechter tot de slotsom dat de beoordeling van de inschrijving van Baitali onjuistheden bevat en zij onterecht als not sustantially responsive is beoordeeld. De belangrijkste oorzaak hiervan is dat de Staat heeft nagelaten om opheldering te vragen aan Baitali ten aanzien van gerezen onduidelijkheden, welke bevoegdheid hem toekomt, met als gevolg dat er door de Staat zaken verkeerd zijn geïnterpreteerd. De reden van dit nalaten is niet duidelijk geworden, nu de Staat heeft volstaan met de stelling dat zij zulks niet nodig achtte. Het verzoek tot opheldering was, naar het oordeel van de kantonrechter op zijn plaats, gezien Baitali de laagste bieder was en hoewel dat voor de gunning niet het enige vereiste was, was het in kader van besteding van staatsmiddelen wel gepast en geboden daar voldoende rekening mee te houden. Zulks, temeer de opheldering van Baitali mogelijk tot een ander oordeel van haar inschrijving zou hebben geleid. De kantonrechter vermag niet in te zien op welke wijze de opheldering door Baitali zou kunnen leiden tot wijziging van haar inschrijving zoals door de Staat is betoogd. Opheldering betekent verduidelijking van wat onduidelijk is gebleken, doch biedt niet de ruimte voor wijziging van de inschrijving waardoor het beginsel van gelijke behandeling zou worden geschonden.

Het primair gevorderde komt derhalve voor toewijzing in aanmerking, doch met uitzondering van het onder sub c gevorderde. De Staat zal in plaats daarvan worden veroordeeld tot herbeoordeling van de inschrijving van Baitali. De gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd als in het dictum te melden.

4.17 De Staat zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding worden veroordeeld. Aan de zijde van Baitali worden deze kosten tot aan deze uitspraak begroot op SRD 10.550,-. Dit bedrag omvat het vastrecht ad SRD 50,-, de oproepingskosten ad SRD 2.500,- en het gemachtigdensalaris ad SRD 7.500,-.

4.18 Aan de overige stellingen en weren wordt voorbijgegaan, nu die niet tot een andersluidend oordeel zullen leiden.

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 beveelt de Staat om binnen twee (2) dagen na betekening van dit vonnis de Notification of Intention to Award, het besluit op het bezwaarschrift van Baitali en de Letter of Acceptance in te trekken;

5.2 beveelt de Staat om over te gaan tot herbeoordeling van de inschrijving van Baitali, met inachtneming van dit vonnis;

5.3 beveelt de Staat om de uitvoering van een reeds aangegane aannemingsovereenkomst terstond te staken en gestaakt te houden, totdat de herbeoordeling van de inschrijving van Baitali heeft plaatsgevonden; 

5.4 beveelt de Staat om, na de intrekking van de Notification of Intention to Award, het door de Staat genomen besluit op het bezwaarschrift van Baitali en de Letter of Acceptance alsook de staking en het gestaakt houden van de uitvoering van de reeds aangegane aannemingsovereenkomst, zulks terstond bekend te maken aan alle inschrijvers;

5.5 veroordeelt de Staat tot betaling van een dwangsom van SRD 5.000,- (vijfduizend Surinaamse dollar) per dag voor iedere dag dat de Staat in strijd handelt met hetgeen in 5.1 tot en met 5.4 van dit vonnis is beslist, tot een maximum van SRD 10.000.000,- (Tien miljoen Surinaamse dollar);

5.6 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.7 veroordeelt de Staat in de proceskosten aan de zijde van Baitali tot op heden begroot op SRD 10.550,- (Tienduizend vijfhonderd en vijftig Surinaamse dollar);

5.8 wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Haakmat-Sniphout en uitgesproken door mr. S. M. M. Chu, Kantonrechters in het Eerste Kanton, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van 10 juli 2025, in aanwezigheid van de griffier.