SRU-K1-2026-1

  • Instantie Kantongerecht Eerste Kanton
  • Zaaknummer CIVAR no. 202602008
  • Uitspraakdatum 05 juni 2026
  • Publicatiedatum 05 juni 2026
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Het is aannemelijk dat vanwege de stopzetting van de levering van brandstof door Gow2 aan KLM, passagiers die gebruik maken van de lijndiensten van KLM thans in onzekerheid verkeren of zij hun bestemming op de vliegroute Paramaribo – Amsterdam dan wel op tijd zullen bereiken. Ook de vliegschema’s van KLM komen zo in gedrang. Op grond hiervan acht de kantonrechter het aannemelijk dat er sprake is van een spoedeisendbelang. Alhoewel partijen arbitrage zijn overeengekomen, acht de kantonrechter zich ingevolge artikel 1022 NRv bevoegd om een ordemaatregel te treffen door de belangen van partijen af te wegen.

    Vaststaat dat KLM wel voldoet aan haar plicht tot betaling van de brandstof die aan haar wordt geleverd en betaling van het oude tarief van de concessievergoeding van USD 0,15. De stopzetting van de brandstoflevering heeft, zoals KLM dat zelf ter comparitie heeft verklaard, tot gevolg dat zij thans extra kosten dient te maken om de vluchten Amsterdam- Paramaribo voor dit moment veilig te kunnen stellen, zodat passagiers hiervan niet de dupe worden. Hiertegenover staat – naar het oordeel van de kantonrechter – dat Gow2 de inkomsten zal ontberen die zij verdient uit de hoeveelheid van door haar aan KLM geleverde brandstof, met alle mogelijke gevolgen van dien voor haar eigen bedrijfsvoering. Deze inkomsten die Gow2 verkrijgt uit de brandstoflevering aan KLM, liggen naar inschatting van de kantonrechter hoger dan het verschil van USD 0,15 per gallon geleverde brandstof.

    Daar geen der partijen gebaat is bij het blijven handhaven van de huidige situatie, enerzijds het blijven handhaven van de opschorting tot betaling van het verschil van USD 0,15 per gallon brandstof door KLM aan Gow2, en anderzijds het blijven handhaven van de opschorting tot brandstoflevering door Gow2 aan KLM, zal de kantonrechter met gebruikmaking van de aan haar toekomende bevoegdheid bij wege van ordemaatregel Gow2 veroordelen tot hervatting van de brandstoflevering aan KLM, en KLM tot betaling van de overeengekomen brandstofprijs en de concessievergoeding van USD 0,30 per gallon geleverde brandstof. Het blijven handhaven van de opschorting van de verplichtingen door beide partijen, zal naar het oordeel van de kantonrechter lijden tot onherstelbaar nadeel voor beiden.

    stopzetting brandstoflevering, luchtvaart, artikel 1022 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, ordemaatregel

Uitspraak

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

CIVAR no. 202602008

05 juni 2026

 

Vonnis in kort geding in de zaak van:

KONINKLIJKE LUCHTVAARTMAATSCHAPPIJ N.V.

gevestigd aan de Amsterdamseweg 55, Amstelveen, Nederland,

eiseres,

hierna te noemen: KLM,

gemachtigde: mr. A.W.R. Kanhai, advocaat,

 

tegen

 

GOW2 ENGERGY SURINAME N.V.,

gevestigd aan de Van het Hogerhuysstraat no. 19 te Paramaribo,

gedaagde,

hierna te noemen: Gow2,

gemachtigde: mr. G.N. Best, advocaat,

 

  1. Het verloop van het proces

1.1       Dit blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 25 mei 2026 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
  • de conclusie van eis d.d. 29 mei 2026;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • de mondelinge behandeling van de zaak, inclusief de comparitie van partijen
    d. 01 juni 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;
  • de conclusie tot uitlating zijdens KLM;
  • de conclusie tot uitlating zijdens Gow2, met productie.

1.2       De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

 De feiten

2.1       Gow2 is een Surinaams bedrijf dat in Suriname brandstof levert aan vliegtuigen van luchtvaartmaatschappij op onder andere de Johan Adolf Pengel Luchthaven (hierna luchthaven).

2.2       Airport Management LTD (hierna: AML) is op basis van de Wet Verzelfstandiging Johan Adolf Pengel Luchthaven (S.B. 1996 no. 18) belast met het beheer en de exploitatie van de luchthaven.

2.3       KLM is een luchtvaartmaatschappij dat vliegtuigen inzet om onder andere de lijndiensten op de vliegroute Amsterdam-Paramaribo te onderhouden. De vliegtuigen die KLM inzet voor deze lijndiensten dienen van brandstof te worden voorzien.

2.4       KLM en Gow2 hebben een ‘Aviation Fuel Supply Agreement” (hierna AFSA) gesloten. Op basis van de tussen partijen gesloten AFSA levert Gow2 brandstof aan de vliegtuigen van KLM op de luchthaven. Hiertegenover staat dat op KLM de plicht rust om te betalen voor de brandstof die aan haar wordt geleverd.

2.5       Op 15 mei 2019 hebben Gow2, Sol en AML een “agreement for concession” (hierna concessieovereenkomst) gesloten. Op basis van deze concessieovereenkomst maakt Gow2 gebruik van de infrastruktuur van AML om brandstof op de luchthaven aan haar afnemers te leveren. Hieruit voortvloeiend rust op GOW2 de plicht om een concessie vergoeding aan AML te voldoen. Deze aan AML verplicht te betalen concessievergoeding geeft GOW2 contractueel door aan haar afnemers, waaronder KLM.  Op KLM rust de plicht de concessievergoeding aan Gow2 te voldoen.

2.6       De concessievergoeding is diverse malen verhoogd. In het jaar 2015 was het verhoogd naar 3 amerikaanse dollarcent, vervolgens is het in het jaar 2018 verhoogd naar 10 amerikaanse dollarcent, nadien in het jaar 2021 naar 15 amerikaanse dollarcent en met ingang van januari 2025 is het verhoogd met 15 amerikaanse dollarcent per gallon geleverde/getankte brandstof.

Vanaf het jaar 2019 heeft KLM geprotesteerd tegen de verhoging van de concessievergoeding, omdat haar niet is kenbaar gemaakt wat de grondslag is voor het (steeds) verhogen hiervan. 

2.7       KLM heeft vanaf januari 2025 de betaling van het bedrag waarmee de concessievergoeding is verhoogd (15 amerikaanse dollarcent per gallon getankte brandstof) aan Gow2 opgeschort.  

2.8       Op 13 mei 2026 heeft KLM een schriftelijke aanmaning van Gow2 ontvangen om uiterlijk 22 mei 2026 de nog openstaande saldo aan concessievergoeding van USD 1.177.438,65 (over de periode januari 2025 tot en met 30 april 2026) aan haar te voldoen.

Gow2 heeft tevens in de schriftelijke aanmaning aan KLM kenbaar gemaakt dat zij de levering van de brandstof met ingang van 23 mei 2026 aan KLM zal stopzetten, onverminderd haar overige contractuele en wettelijke rechten.

2.9       KLM heeft door tussenkomst van haar gemachtigde per schrijven gereageerd op de schriftelijke aanmaning van Gow2, onder meer als volgt:

            “[…]

            Bij elke verhoging heeft mijn cliënt gevraagd naar de legitieme grondslag danwel wet- en regelgeving welke de verhoging van de concession fee rechtvaardigt, echter heeft zij nimmer een adequate reactie ontvangen van uw onderneming. Mijn cliënt heeft consistent geprotesteerd tegen de verhoging van de concession fee. Sedert het jaar 2019, heeft mijn cliënt regelmatig gevraagd naar de legitimering van de verhoging van de concession fee, zonder dat uw onderneming daaraan gevolg gaf.

             In uw hoger genoemde brief wordt mijn cliënt aangemaand om de door u in facturen geprojecteerde, openstaande verhoogde concession fee te vodleon en wordt medegedeeld dat de brief de laatste aanmaning is, zonder de grondslag van de concession fee is gemotiveerd aan de hand van in Suriname bestaande regelgeving, noch is de brandstof infrastuktuur op de JAP Luchthaven onderhouden en of verbeterd. Aan u is bekend dat bedoelde bestaande brandstof infrastruktuur reeds geruime tijd gevaarlijk is voor de uitvoering van een veilige luchtvaart.

             Ik deel u mede dat mijn cliënt geen gevolg zal geven aan uw aanmaning.

            Mijn cliënt schort haar betalingsverplichting van de verhoging van de concession fee op, totdat aan haar schriftelijk en gemotiveerd zal worden medegedeeld welke de grondslag is van de concession fee en de verhoging van de concession fee en welke regelgeving de concession fee dekt.

Tevens is de huidige brandstof infrastruktuur op de JAP Luchthaven gevaarlijk, hetgeen voornoemde opschorting tevens rechtvaardigt.  

 Tenslotte sommeer ik u om binnen een week na ontvangst van dit schrijven aan mijn cliënt, schriftelijk mee te delen, de grondslag en toepasselijke regelgeving betrekking hebbende op concession fee en de verhoging daarvan.”

2.10     De schriftelijke reactie heeft KLM per exploot van een deurwaarder d.d. 21 mei 2026 aan Gow2 doen betekenen.

2.11     Gow2 heeft de brandstoflevering aan KLM op de luchthaven stopgezet.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

            De vordering

3.1       KLM vordert dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis in kort geding:

  1. Gow2 veroordeelt om binnen 2 dagen na de uitspraak van het in deze te wijzen vonnis schriftelijk mee te delen, de regelgeving afkomstig van het bevoegd gezag, waarop de door Gow2 genoemde fuel concession fee en de verhoging daarvan is gefundeerd;
  2. Gow 2 veroordeelt tot het voldoen van een dwangsom van SRD 100.000,- voor elke dag dat zij in strijd handelen met het gevorderde onder a;
  3. opschort de door Gow2 opgelegde verhoging van de fuel concession fee totdat door Gow2 zal worden aangetoond, de regelgeving waarop de verhoging is gefundeerd en of grondslag van de verhoging;
  4. Gow2 verbiedt om de brandstoflevering stop te zetten aan KLM, mits Gow2 de prijs voor de brandstof voldoet, op straffe van een dwangsom van SRD 100.000,- voor elke keer dat zij in strijd zal handelen met het hiervoor gevorderde;
  5. Gow2 veroordeelt tot het voldoen van het gemachtigdensalaris ad USD 2.500,-;
  6. Gow2 veroordeelt in de proceskosten.     

De grondslag van de vordering

3.2       KLM legt, tegen de achtergrond van de onder 2 in dit vonnis vermelde feiten, aan de vordering ten grondslag dat met de stopzetting van de brandstoflevering vanaf 26 mei 2026 grote onzekerheid is ontstaan omtrent de voortgang van de vluchten Amsterdam-Paramaribo.

KLM voert voorts aan dat zij Gow2 betaalt voor de levering van de brandstof. Elke stopzetting van levering is in strijd met de tussen KLM en Gow2 bestaande overeenkomst. Het stopzetten van de brandstoflevering door Gow2 moet volgens KLM als wanprestatie worden aangemerkt. KLM heeft slechts de betaling van de verhoging van de concessievergoeding bij brief van 21 mei 2026 opgeschort.

Volgens KLM gaat Gow2 volkomen voorbij aan de tussen partijen bestaande overeenkomst van brandstoflevering tegen de bedongen prijs met alle gevolgen van dien voor de reizigers en luchtvracht.

            Het verweer

3.3       Gow2 werpt op dat de kantonrechter zich onbevoegd dient te verklaren om van deze vordering kennis te nemen. Hiertoe stelt Gow2, samengevat, het volgende. KLM diende op grond van de AFSA de weg te bewandelen naar de International Court of Arbitration van International Chamber of Commerce. Partijen zijn volgens Gow2 hiertoe contractueel gebonden.

3.4       Voorts concludeert Gow2 tot niet-ontvankelijk verklaring van KLM in diens vordering. In dat licht voert zij het volgende aan.

Het spoedeisend belang in deze ontbreekt. KLM heeft zelf de urgentie gecreëerd door jarenlang stil te zitten en vervolgens niet aan haar contractuele betalingsverplichting te voldoen.

KLM heeft de verkeerde partij betrokken in het proces. Het werkelijke geschil is met AML.

De zaak is complex voor kort geding, omdat zij een meerlagig contractueel raamwerk behelst dat moet worden beoordeeld naar Engels recht.

KLM voldoet niet aan de op haar rustende substantiërings- en waarheidsplicht ingevolge artikel 18c NRv, inhoudende dat op iedere partij de verplichting rust om alle feiten die van belang zijn voor de beslissing volledig en naar waarheid aan te voeren. Zo heeft KLM volgens Gow2:

– niet besproken wat de concessievergoeding is, waar die vandaan komt en op welke wettelijke en contractuele grondslag zij berust;

– verzwegen dat zij zelf ook in contact is geweest met AML over de concessievergoeding en dat haar werkelijke geschil met AML is, niet met Gow2;

– verzwegen dat Gow2 al op 7 december 2025 uitdrukkelijk heeft aangekondigd de leveringen te zullen staken als betaling uitbleef;

– haar eigen e-mail van 21 januari 2026 verzwegen, waarin zij er bij Gow2 op aandringt de concessievergoeding niet aan AML te betalen;

– het overeengekomen arbitragebeding en de toepasselijkheid van Engels recht verzwegen.

Voorts voert Gow 2 aan dat het verzoekschrift van KLM niet voldoet aan de in artikel 111NRv gestelde eisen. Het verzoekschrift omvat volgens het standpunt van Gow2 drie pagina’s en vijf producties, welke voor een geschil van deze complexiteit en omvang ronduit ontoereikend is.

3.5       Gow2 concludeert ook tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van KLM in de proceskosten en uitvoerbaar bij voorraad verklaring van deze veroordeling. Hiertoe stelt zij, samengevat, het volgende.

Zij heeft rechtmatig gehandeld door haar opschortingsrecht uit te oefenen.  Artikel 14.3 sub a van de Algemene Voorwaarden (die op grond van artikel van de AFSA integraal onderdeel zijn van de AFSA) bepaalt dat Gow2, ingeval KLM in materieel verzuim is ten aanzien van haar verplichtingen, KLM een schriftelijke mededeling van dat verzuim kan sturen. Indien KLM deze tekortkoming, voor zover herstelbaar, niet binnen 10 dagen hertstelt, heeft Gow2 het recht de overeenkomst te beëindigen. Gow2 heeft van dit opschortingsrecht gebruik gemaakt. Dat is geen wanprestatie. Van dit opschortingsrecht heeft zij gebruik gemaakt, nadat KLM het openstaand saldo heeft laten oplopen tot het bedrag van USD 1.177.438,65.

3.6       Gow2 beroept zich erop dat KLM op grond van artikel 11.1 van de Algemene Voorwaarden  is gehouden om de concessievergoedingen en andere kosten te betalen die door een nationale, lokale of luchthavenautoriteit worden opgelegd in verband  met de levering, verkoop, inspectie, opslag en gebruik van brandstof. Voorts dat artikel 12.2 van de Algemene Voorwaarden bepaalt dat geen enkele partij van haar betalingsverplichtingen wordt ontheven, anders dan door overmacht. KLM is verplicht aan haar betalingsverplichtingen te voldoen.

3.7       Tot slot voert Gow2 aan dat de belangenafweging op alle punten in het voordeel van Gow2 uitvalt. Hiertoe stelt zij het volgende. Zij heeft een rechtstreeks en urgent belang bij handhaving van haar rechtsposities. Zij heeft een openstaande vordering bij KLM aan onbetaalde concessievergoedingen en tegelijkertijd is Gow2 deze vergoedingen onverminderd verschuldigd aan AML. Elke dag dat KLM niet betaalt en Gow2 toch moet leveren, zal de schuld van Gow2 aan AML per geleverde gallon nog verder doen oplopen, terwijl KLM uitdrukkelijk niet voornemens is de aan Gow2 verschuldigde concessievergoedingen te betalen.

Volgens Gow2 wordt zij door KLM als instrument gebruikt om druk uit te oefenen op AML om de concessievergoeding niet aan AML te betalen.

 3.8       Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

 De beoordeling

Het toepasselijk recht

4.1       Op 01 mei 2025 is het nieuwe Burgerlijk Wetboek (hierna: NBW) in werking getreden. Op grond van artikel 2 van de overgangswet NBW (hierna: Overgangswet I) heeft het NBW vanaf de inwerkingtreding onmiddellijke werking, tenzij anders is bepaald.

4.2       Per 01 mei 2025 is ook het nieuwe Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: NRv) in werking getreden. Ingevolge artikel 11 van de Overgangswet aanpassingswetgeving NBW (hierna: Overgangswet II) worden gedingen die vóór de inwerkingtreding aanhangig zijn gemaakt, volledig afgedaan volgens de bepalingen van het oud Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, tenzij anders is bepaald. Nu onderhavige vordering na de inwerkingtreding van het NRv is ingediend, zijn de procesrechtelijke voorschriften hiervan van toepassing op de beoordeling daarvan.

Onbevoegdheidsverweer en spoedeisend belang

4.3       Vaststaat dat partijen met elkaar zijn overeengekomen dat zij, ingeval van een geschil voortvloeiend uit de tussen hen gesloten overeenkomst (AFSA en de Algemene Voorwaarden die hiervan integraal onderdeel zijn), de arbitrageprocedure zullen volgen. In onderhavige zaak stelt KLM een spoedeisend belang te hebben en heeft zij, zoals de kantonrechter KLM begrijpt, om die reden de onderhavige vordering in kort geding ingediend. In het licht van het bovenstaande stelt de kantonrechter het volgende voorop. In artikel 1022 lid 1 NRv is het volgende neergelegd: “De rechter bij wie een geschil aanhangig is gemaakt waarvoor een overeenkomst tot arbitrage is gesloten, verklaart zich onbevoegd, indien een partij zich vóór alle weren op het bestaan van deze overeenkomst beroept, tenzij de overeenkomst ongeldig is.”, en in lid 2 NRv: “Een overeenkomst tot arbitrage belet niet dat een partij bij de gewone rechter verzoekt om een maatregel tot bewaring van recht dan wel zich tot de kantonrechter in kort geding overeenkomstig artikel 226; deze besluit in dit geval met inachtneming van artikel 1051.

4.4       Aannemelijk is dat vanwege de stopzetting van de levering van brandstof door Gow2 aan KLM, passagiers die gebruik maken van de lijndiensten van KLM thans in onzekerheid verkeren of zij hun bestemming op de vliegroute Amsterdam-Paramaribo zullen bereiken dan wel op tijd zullen bereiken. Ook vliegschema’s van KLM komen hierdoor in gedrang. Deze feiten en omstandigheden maken het voor de kantonrechter aannemelijk dat KLM wel een spoedeisend belang heeft. Hiervan uitgaande en uitgaande van het bepaalde in artikel 1022 NRv, acht de kantonrechter zich bevoegd om indien wenselijk een ordemaatregel te treffen door de belangen van partijen tegen elkaar af te wegen.

Op grond hiervan wordt het door Gow2 opgeworpen onbevoegdheidsverweer verworpen.

 Niet-ontvankelijkheidsverweer

4.5       De kantonrechter gaat voorbij aan het verweer van Gow2 dat het verzoekschrift van KLM niet voldoet aan de in artikel 111 NRv gestelde eisen. Anders dan Gow2 stelt is de kantonrechter van oordeel dat de vordering van KLM en de grondslag daarvan duidelijk zijn weergegeven. Dat het verzoekschrift slechts 3 pagina’s telt, maakt dit niet anders. Een verzoekschrift of conclusie kan overigens veel pagina’s of geschrijf omvatten, maar dat brengt niet met zich mee dat al de vele zaken die daarin zijn vermeld relevant zijn voor de beoordeling van een zaak. 

4.6       Voor wat betreft het beroep van Gow2 op het niet in achtnemen door KLM van de substantiërings- en waarheidsplicht, is de kantonrechter van oordeel dat uitgaande van de vordering van KLM deze wel het nodige hiervoor heeft gesteld. Zou dat niet het geval zijn, dan zou dit leiden tot onnodige stagnatie bij de behandeling de zaak en dat is niet het geval geweest. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan het verweer van Gow2 ter zake schending van de substantiërings- en waarheidsplicht.

4.7       De kantonrechter gaat ook voorbij aan het verweer van Gow2 dat KLM de verkeerde procespartij in het proces heeft betrokken, omdat KLM in het kader van de brandstoflevering niets van doen heeft met AML. Het is overigens Gow2 die de brandstoflevering heeft stopgezet en dat is waar KLM in het bijzonder tegen opkomt.

4.8       Op grond van hetgeen hiervoor in 4.5 tot en met 4.7 is overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat Gow2 niet slaagt in het door haar opgeworpen niet-ontvankelijkheidsverweer. Daarom wordt het verworpen.

            Het gevorderde onder a, b en c

4.9       Gow2 heeft ter comparitie uiteengezet dat de concessievergoeding op basis van de Wet Verzelfstandiging Johan Adolf Pengel Luchthaven (hierna Wet Verzelfstandiging JAP) wordt vastgesteld. Deze wet heeft Gow2 ter onderbouwing van haar stelling ten processe overgelegd. Tevens heeft zij bij de behandeling van de zaak een correspondentie van 10 september 2025 tussen haar en AML overgelegd waarom de verhoging van concessievergoeding noodzakelijk is. In dat schrijven heeft AML onder meer het volgende hierover uiteengezet:

[…]

De aanpassing van de “fuel fee” (lees” concessievergoeding) is sinds de ondertekening van de overeenkomst gefaseerd uitgevoerd waarbij de laatste aanpassing gold voor de periode 1 januari 2022 – 31 december 2022 voor USD 0,15 per gallon.

 Conform de overeenkomst zou een verdere aanpassing van het tarief in 2023 moeten  ingaan nadat partijen hierover zouden hebben gecommuniceerd. De communicatie ten aanzien hiervan is vanwege verschillende omstandigheden uitgebleven en derhalve zijn partijen overeengekomen de aanpassing per 1 april 2025 door te voeren. De aanpassing van de “fee” is noodzakelijk onder andere vanwege een meer dan evenredige stijging van de operationele kosten na de COVID-jaren. De operationele kosten betroffen onder meer:

  • kosten voor de nutsvoorzieningen (water, elektra en communicatie);
  • personeelskosten;
  • kosten voor onderhoud van het terrein en gebouwen;
  • kosten voor de beveiliging (uitbreiding van manschappen en ook de elektronische beveiliging);

 De vervangingsinvesteringen die in de afgelopen twee jaren zijn gedaan, waren noodzakelijk om de continuïteit van de luchthavenactiviteiten te waarborgen. Dit heeft ook geleid tot een significante stijging van de kosten. Voor wat betreft het onderhoud en reparatie van de movement area (Runaway, taxiways en platform) zal deze binnen de komende twee jaren verder worden aangepakt met een kostenplaatje van
USD 10.000.000,-. Het gaat hier om de movement area elke essentieel is voor de vluchtuitvoering van de luchtvaartmaatschappijen. Verder zijn er ook vervangingsinvesteringen in voorbereiding voor wat betreft de upgrading van de baanverlichtings- en middenspanningsinstallatie.

De aanpassing van de fee is noodzakelijk om de dienstverlening op de Airport te kunnen blijven garanderen voor de passagiers, luchtvaartmaatschappijen alsook de toeleveringsbedrijven.

4.10     In reactie op het bovenstaande betoogt KLM dat uitgaande van de Wet Verzelfstandiging JAP de verhoging van de concessievergoeding niet door het Bevoegde Gezag is vastgesteld. Volgens het betoog van KLM dient blijkens de artikelsgewijze toelichting van de bovengenoemde wet, de vaststelling van de tarieven voortvloeiende uit bepaalde rechten in overleg met de Minister te geschieden. De verhoging van de concessievergoeding is, zoals de kantonrechter KLM begrijpt, niet vastgesteld door het Bevoegde Gezag en diende Gow2 dit aan te vechten. De kantonrechter gaat voorbij aan deze stelling, omdat AML die de verhoging van de concessievergoeding heeft vastgesteld geen procespartij is in deze kortgedingprocedure. Voorshands mag daarom worden aangenomen dat AML bevoegd is de (verhoging van de) concessievergoeding vast te stellen en dat deze uit hoofde van de Wet Verzelfstandiging JAP moet worden betaald. 

4.11     Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Gow2 met het overleggen de Wet Verzelfstandiging JAP en de correspondentie van 10 september 2023 tussen AML en Gow2 tijdens de behandeling van deze zaak, voldaan aan het gevorderde onder a en b zodat de grondslag voor wat betreft dit onderdeel is komen weg te vallen. Dit geeft de kantonrechter aanleiding het gevorderde onder a en b te weigeren. Op grond hiervan zal ook het gevorderde onder c worden geweigerd.

Stopzetting van de brandstoflevering

4.12     Gow2 heeft vanwege het feit dat KLM het verschil van de verhoging van de concessievergoeding van USD 0,15 vanaf januari 2025 tot en met 30 april 2026 niet heeft voldaan, de brandstoflevering aan KLM stopgezet. Zij beroept zich erop dat zij op grond van artikel 14.3 van de AFSA gebruik mag maken van haar opschortingsrecht.

Bij de mondelinge behandeling van de zaak hebben partijen zelf kenbaar gemaakt dat zij op grond van de AFSA geschillen die voortvloeien uit deze overeenkomst een arbitrageprocedure dienen te volgen. De kantonrechter zal niet ingaan op de inhoud van de AFSA en de geschilpunten die hierover tussen partijen bestaan, omdat de kantonrechter niet bevoegd is om hierover inhoudelijk te oordelen.

4.13     Waartoe de kantonrechter wel bevoegd is, is het afwegen van de belangen van partijen teneinde te kunnen oordelen of het treffen van een ordemaatregel in deze gewenst is.

Vaststaat dat KLM wel voldoet aan haar plicht tot betaling van de brandstof die aan haar wordt geleverd en betaling van het oude tarief van de concessievergoeding van USD 0,15. De stopzetting van de brandstoflevering heeft, zoals KLM dat zelf ter comparitie heeft verklaard, tot gevolg dat zij thans extra kosten dient te maken om de vluchten Amsterdam- Paramaribo voor dit moment veilig te kunnen stellen, zodat passagiers hiervan niet de dupe worden. Hiertegenover staat – naar het oordeel van de kantonrechter – dat Gow2 de inkomsten zal ontberen die zij verdient uit de hoeveelheid van door haar aan KLM geleverde brandstof, met alle mogelijke gevolgen van dien voor haar eigen bedrijfsvoering. Deze inkomsten die Gow2 verkrijgt uit de brandstoflevering aan KLM, liggen naar inschatting van de kantonrechter hoger dan het verschil van USD 0,15 per gallon geleverde brandstof.

Daar geen der partijen gebaat is bij het blijven handhaven van de huidige situatie,  enerzijds het blijven handhaven van de opschorting tot betaling van het verschil van USD 0,15 per gallon brandstof door KLM aan Gow2, en anderzijds het blijven handhaven van de opschorting tot brandstoflevering door Gow2 aan KLM, zal de kantonrechter met gebruikmaking van de aan haar toekomende bevoegdheid bij wege van ordemaatregel Gow2 veroordelen tot hervatting van de brandstoflevering aan KLM, en KLM tot betaling van de overeengekomen branstofprijs en de concessievergoeding van USD 0,30 per gallon geleverde brandstof zoals hierna in de beslissing vermeld. Bij deze belangenafweging neemt de kantonrechter ook in overweging dat KLM sedert het jaar 2019 heeft geprotesteerd tegen de verhoging van de concessievergoeding die Gow2 aan haar oplegt, doch heeft zij nagelaten stappen hiertegen in te zetten dan wel gebruik te maken van arbitrage om dit aan te vechten. Voorts neemt de kantonrechter in overweging dat partijen zelf ter comparitie hebben kenbaar gemaakt dat zij de overeenkomst niet wensen te beëindigen.

Het blijven handhaven van de opschorting van de verplichtingen door beide partijen, zal naar het oordeel van de kantonrechter lijden tot onherstelbaar nadeel voor beiden.

Dwangsom

4.14     Gelet op het feit dat Gow2, vanwege het niet voldoen van het verschil van de verhoging van de concessievergoeding over de periode januari 2025 tot en met 30 april 2026 door KLM, de brandstoflevering heeft stopgezet, ziet de kantonrechter aanleiding om op grond van artikel 611a NRv Gow2 te veroordelen tot betaling van een dwangsom van
SRD 100.000,- voor iedere dag dat zij nalaat aan de veroordeling te voldoen.

Het medegevorderde gemachtigdensalaris onder e

4.15     Het medegevorderde gemachtigdensalaris zal worden geweigerd, omdat het enige grondslag ontbeert

Proceskosten

4.16     KLM is deels in het ongelijk gesteld. De kantonrechter zal om die reden de proceskosten tussen partijen compenseren, met dien verstande dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

 De beslissing

 De kantonrechter in kort geding:

5.1       veroordeelt Gow2 om binnen 1×24 uur na de uitspraak van dit vonnis de brandstoflevering aan KLM te hervatten, waartegenover staat dat met ingang van heden KLM bij elke brandstoflevering voldoet aan de betaling van de hoeveelheid aan haar geleverde brandstof en concessievergoeding van USD 0.30 per gallon aan Gow2, totdat in een door partijen nog in te stellen arbitrageprocedure over dit tussen hen bestaand geschil over de concessievergoeding definitief zal zijn beslist;

5.2       veroordeelt Gow2 tot betaling van een dwangsom van SRD 100.000,- (Honderdduizend Surinaamse Dollar) voor iedere dag dat zij niet voldoet aan de veroordeling van dit vonnis, tot een maximum van SRD 3.000.000,- (Drie miljoen Surinaamse Dollar);

5.3       verklaart hetgeen hiervoor in 5.1 en 5.2 is beslist uitvoerbaar bij voorraad;

5.4       compenseert de proceskosten tussen partijen, met dien verstande dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

5.5       weigert hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, ter openbare terechtzitting te Paramaribo op vrijdag 05 juni 2026 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.