- Instantie Kantongerecht Eerste Kanton
- Zaaknummer CIVAR no. 202604301
- Uitspraakdatum 29 oktober 2026
- Publicatiedatum 30 oktober 2026
- Rechtsgebied Civiel recht
-
Inhoudsindicatie
In dit kort geding vordert eiseres, de Suriname Green Energy Agriculture N.V. (de N.V.), om de Staat te verbieden 50 families van mennonieten uit te zetten uit Suriname. De families waren door de N.V. naar Suriname gehaald om daar voor de N.V. te werken. De N.V. heeft met de Staat een overeenkomst gesloten om landbouwgrond in cultuur te brengen en biobrandstof te produceren, waarbij de Staat heeft toegezegd om zich in te zetten voor het verlenen van de aangevraagde vergunningen. De N.V. was al begonnen met werkzaamheden voordat de vereiste vergunningen waren verleend, waaronder verblijfs- en werkvergunningen voor de families. De kantonrechter is van oordeel dat de N.V. een eigen spoedeisend belang heeft bij de procedure, omdat uitzetting van de buitenlandse arbeidskrachten ernstige gevolgen zal hebben voor de bedrijfsactiviteiten van de N.V. De families zijn onlangs gedwongen overgebracht naar een ander gebied, zodat het voldoende aannemelijk is dat de Staat op korte termijn tot uitzetting over kan gaan.
Ten aanzien van de betrokken buitenlandse personen geldt dat zij geen verblijfsvergunning hebben en evenmin een aanvraag daartoe hebben ingediend. Hun visum is inmiddels verstreken en zij hebben niet de vereiste documenten voor een machtiging tot kort verblijf overgelegd, noch zijn werkvergunningen verstrekt. Volgens de kantonrechter is de contractuele verplichting die de Staat in de overeenkomst met de N.V. op zich heeft genomen, uitdrukkelijk afhankelijk gesteld van het vervullen van alle wettelijke vereisten en bevat zij geen onvoorwaardelijke garantie dat de benodigde vergunningen zullen worden verleend. Ten aanzien van een eventuele uitzetting geldt dat daarvoor de naleving van de toepasselijke procedures maatgevend is en dat de N.V. onvoldoende concrete feiten of omstandigheden heeft gesteld waaruit volgt dat deze niet zouden worden nageleefd of op grond van de overeenkomst achterwege gelaten zouden moeten worden. De N.V. heeft niet aannemelijk gemaakt dat handhaving van de wettelijke vereisten onevenredig of in strijd met andere beginselen van behoorlijk bestuur zou zijn.Civiel recht; kort geding; artikel 226 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; spoedeisend belang; publiekrechtelijk belang; beginselen van behoorlijk bestuur.
Uitspraak
KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
CIVAR NO. 202604301
28 oktober 2026
Vonnis in kort geding in de zaak van:
SURINAME GREEN ENERGY AGRICULTURE NV,
gevestigd in het [district 1],
eiseres,
hierna te noemen: “de N.V.”,
gemachtigde: mr. D. E. R. Veira, advocaat,
tegen
DE STAAT SURINAME m. n. HET MINISTERIE VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID,
vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
hierna te noemen: “de Staat”,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken en/of -handelingen:
het inleidend verzoekschrift dat met producties op 27 oktober 2026 op de Griffie der Kantongerechten Civiele Zaken is ingediend;
de conclusie van eis;
de mondelinge behandeling van de zaak en het daarvan opgemaakte proces-verbaal.
1.2 De datum voor de uitspraak is hierna bepaald op heden.
2. De feiten
2.1 Blijkens het door de NV overgelegde uittreksel uit het handelsregister heeft zij tot doel:
a. het uitoefenen van de landbouw, tuinbouw, veeteelt, pluimvee en visserij, medebegrepen alle vormen van aquacultuur, alles in de ruimste zin des woords, voor zover wettelijk toegestaan;
b. het exploiteren van productie- en verwerkingsbedrijven voor het verwerken, bewerken en conserveren van landbouw-, veeteelt-, pluimvee- en visserijproducten, aanverwante en bijproducten, ten behoeve van de voedselindustrie, alles in de ruimste zin des woords, voor zover wettelijk toegestaan;
c. het exploiteren van bedrijven voor het verwerken van de uit landbouw, veeteelt, pluimvee, visserij en aquacultuur verkregen producten en afvalproducten tot biologische brandstof en bijproducten, alles de schone energie in de ruimste zin des woords, betreffende, voor zover wettelijk toegestaan;
d. het verhandelen – daaronder medebegrepen de import-, export-, commissie-, distributie-, ruil-, doorvoer-, groot- en kleinhandel – van al hetgeen benodigd is voor het realiseren van de sub a tot en met c van dit artikel bedoelde doelstellingen, alles in de ruimste zin des woords, voor zover wettelijk toegestaan;
e. het als agent, commissionair, vertegenwoordiger en in elke ander hoedanigheid optreden ten behoeve van derden en het verrichten van alle handelingen verband houdende met de sub a tot en met d van dit artikel genoemde doeleinden;
f. het verrichten van al hetgeen direct of indirect in verband staat met de sub a tot en met e van dit artikel genoemde doelstellingen of daaraan bevorderlijk kan zijn, in de ruimste zin des woords, voor zover wettelijk toegestaan.
2.2 Bij beschikking van 7 maart 2016 is door de Staat aan de N.V. vergunning verleend tot het in gebruiknemen ter uitoefening van de landbouw en het produceren van biologische brandstof en bijproducten uit landbouw gewassen en producten ten behoeve van de schone energie op het perceelland vermoedelijk groot 31,998 ha, gelegen in het [district 1], ten zuiden van de [plaats 1] tussen het [kanaal] en de [rivier 1], nader aangeduid op de overgelegde figuratieve kaart van de Landmeter in Suriname, R. R. Lieuw-Kie-Song d.d. 3 februari 2010 door de figuur in rood.
2.3 Op 6 oktober 2022 heeft de minister van Buitenlandse Zaken een schrijven aan mr. Christiaan R. Souverein, Terra Invest Suriname en Guyana N.V. inclusief lijsten met namen van personen doen toekomen met de volgende inhoud:
“Subject: Permission for 50 Mennonite families to travel to Suriname
Dear mr. Souverein,
With reference to the discussions which you had with the representatives of the Directorate International Business regarding the investment opportunities in the agricultural sector, I herewith inform you that the Ministry of Foreign Affairs, International Business and International Cooperation (BIBIS) grants permission to in total 50 Mennonites families residing in Bolivia, respectively Colonia Valle Esperanza, Colonia Valle Hermoso, Colonia Yanaigua and Colonia Norte and other traditional colonies to travel to the Republic of Suriname to be employed in the agricultural sector for a period of 3 years.
Subsequently, the Ministry wishes to refer you to the Ministry of Agriculture, Animal Husbandries and Fisheries regarding the possible allocation of agricultural land for said agricultural projects.
Furthermore, the Ministry advises that the current procedures and regulations are observed with regard to residensce and work permits and that upon arrival in Suriname, the Surinamese legislation will apply to the aforementioned group. In this particular case, the Government of Suriname cannot be held responsible for the arrival nd stay in Suriname as well departure.
In the light of the above the Ministry herewith looks forward to receiving the names and complete documents of those families that are selected.
Hoping to have informed you sufficiently.
De Minister of Foreign Affairs,
International Business and International Cooperation,
Albert R. Ramdin”
2.4 De N.V. en de Staat (m.n. het ministerie van Landbouw, veeteelt en Visserij) hebben op 25 september 2024 een Public Private Partnership overeenkomst (hierna: de overeenkomst) ondertekend inzake ontwikkeling agrarische industrie. In deze overeenkomst is verwezen naar:
1. De gebruiksvergunning ter uitoefening van de landbouw en het produceren van biologische brandstof en bijproducten ten behoeve van de schone energie aan Suriname Green Energy N.V. door de Minister van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer d.d. 7 maart 2016, groot 31.998 ha, LAD No. [nummer 1] en [nummer 2].
2. De terbeschikkingstelling door de Minister van Grondbeleid en Bosbeheer aan het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij d.d. 16 november 2022 (La D. No. [nummer 3] + No. D [nummer 4]) groot 27.925 hectaren ter uitoefening van landbouw, veeteelt en aquacultuur.
3. Het verzoek van Suriname Green Energy Agriculture N.V. d.d. 15 januari 2024 voor ruil van voornoemde terreinen met name in het MCP-gebied met een stuk terrein van ongeveer 50.000 ha ten westen van de [rivier 2].
2.4 In artikel 1 van de overeenkomst is opgenomen dat de Staat akkoord gaat met het verzoek van de N.V. zoals onder 3 hierboven genoemd en goedkeuring geeft om de ruil te plegen van de terreinen.
2.5 Artikel 2 van de overeenkomst luidt als volgt:
“1. Het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij (LVV) geeft toestemming aan Suriname Green Energy Agriculture N.V. om roerende en onroerende goederen, waaronder gebouwen, opstallen, bedrijfspanden, woonhuizen, magazijnen op te zetten op het voornoemd perceelland slechts ten behoeve van de agrarische activiteiten.
2. De Staat verklaart dat het voormeld perceelland niet is bezwaard met beslagen, hypotheken of andere zakelijke rechten.
3. De Staat verklaart medewerking te zullen verlenen tot het verkrijgen van de nodige en beschikbare vergunningen en toestemmingen van overheidswege indien voldaan is aan de wettelijke vereisten, opdat Suriname Green Energy Agriculture N.V. haar activiteiten kan ontplooien.
4. Suriname Green Energy Agriculture N.V. zal de Staat elk moment toegang verlenen tot het perceel voor controle op naleving van deze overeenkomst.
5. Het ministerie van LVV en Suriname Green Energy Agriculture N.V. zullen gezamenlijk zorgdragen voor ontsluiting van het ter beschikking gestelde perceelland en de waterhuishouding van het gebied. Hiertoe zal Suriname Green Energy Agriculture N.V. verplicht zijn lid te worden van het waterschap voor dat gebied en dient zich te onderwerpen aan de regels van de beheersinstantie welke voor dat gebied opgezet zal zijn.
6. Bij wanprestatie zijdens een der partijen zal degene die wanprestatie heeft gepleegd alle eventuele gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten vergoeden. Geschillen zullen worden voorgelegd aan de Onafhankelijke Surinaamse rechtbank.”
2.6 De N.V. heeft op 15 januari 2026 een aanvraag ingediend bij de Nationale Milieu Autoriteit (NMA) voor een milieu effecten studie.
2.7 Per schrijven gedateerd 26 januari 2026 heeft het Ministerie van LVV formeel aan de N.V. medegedeeld dat de overeenkomst met haar wordt beëindigd en alle ter beschikking gestelde arealen worden ingetrokken, met uitzondering van het gedeelte dat aantoonbaar, feitelijk en duurzaam in cultuur is gebracht overeenkomstig de overeenkomst. In voormeld schrijven staat vermeld dat het besluit is gebaseerd op artikel 5 lid 2 van de overeenkomst, aangezien de N.V. niet aan haar cultuurplicht overeenkomstig artikel 5 lid 1 heeft voldaan en hiermee sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een wezenlijke verplichting uit de overeenkomst.
2.8 De N.V. heeft bij schrijven van 2 februari 2026 aan de Staat verzocht het recht van grondhuur ter uitoefening van de tuinbouw te bekomen op het perceelland, vermoedelijk groot 7,5 ha., aangeduid met de letters ABCDEF en het nummer 2, gelegen aan de Rijweg naar Bosbouw terrein No. 500E, ten noorden van de [plaats 2] in het [district 2], zoals aangegeven op de bijgevoegde kaart van de landmeter G. A. Halfhide BSc. d.d. 2 februari 2026.
2.9 In een schrijven gedateerd 24 februari 2026 heeft NMA, voor zover van belang, het volgende aan de N.V. medegedeeld:
“Wettelijke Opschortende voorwaarde: Krachtens artikel 22 lid 5 van de Milieu Raamwet (S.B. 2020 no. 97, zoals gewijzigd bij S.B. 2024 no. 56), is het expliciet niet toegestaan de activiteit aan te vangen alvorens de NMA de Milieu Effecten Rapportage (MER), waarin de resultaten van de MEA zijn vervat, formeel zijn goedgekeurd.
Tegen de achtergrond van dit juridische kader heeft de NMA van derden informatie ontvangen waaruit zou blijken dat er reeds feitelijke operationele werkzaamheden in het betreffende areeal worden ontplooid. Ter uitoefening van onze wettelijke toezichthoudende taak achten wij het daarom noodzakelijk om op korte termijn een veldorientatie ter plaatse uit te voeren. Dit bezoek heeft tot doel een feitelijk beeld te verkrijgen van de actuele status van de activiteiten, teneinde te kunnen beoordelen of de huidige werkzaamheden in overeenstemming zijn met de vigerende wet- en regelgeving.”
2.10 Bij schrijven gedateerd 12 juli 2026 heeft de minister van Grondbeleid en Bosbeheer de onbekende occupanten, gebruikers en/of bewoners van het domeinterrein gelegen te Mazonia (Bosbouwterrein 500e), alsmede een ieder die zich aldaar bevindt of daarvan gebruik maakt, gesommeerd tot beeindiging van de wederrechtelijke ingebruikname en ontruiming van domeingrond. Dit schrijven is per exploot van deurwaarder P.S. Olensky d.d. 21 juli 2026 no. 772-26 aan de aldaar aangetroffen personen betekend.
2.11 Het Ministerie van LVV heeft in een schrijven van 16 september 2026 aan de N.V. onder meer het volgende medegedeeld:
“Het op de Milieu Raamwet gestoeld verbod door de Nationale Milieu Autoriteit geeft aanleiding aan het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij om haar schrijven van 26 januari 2026, kenmerk 70/26/LOAV met als onderwerp “Formele beëindiging PPP overeenkomst en intrekking ter beschikking gestelde arealen wegens niet naleving cutuurplicht”, in te trekken en u te verzoeken als niet verzonden te beschouwen.
Het ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij benadrukt dat bij haar overeenkomsten de hierarchi van regelgeving geldt, wat inhoudt dat bij strijdigheden, leemten of onduidelijkheden in/tussen haar overeenkomsten en hogere regelingen, zoals de nationale wetten/besluiten, de hogere regelingen in de plaats treden. Zo staat in dit concreet geval het wettelijk cultivatie verbod opgelegd door de Nationale Milieu Autoriteit boven het cultivatie plicht overeengekomen tussen partijen.”
2.12 De procesgemachtigde van de N.V. heeft in een schrijven gericht aan de Korpschef van het Korps Politie Suriname d.d. 18 oktober 2026 het volgende medegedeeld:
“Geachte hoofdcommissaris,
Namens een groep investeerders in de grootschalige landbouw, neergestreken in het Mazonia gebied te Sipaliwini, doe ik u dit schrijven toekomen.
In het kader van het aanleggen van infrastructuur in het toegewezen landbouwgebied, hebben cliënten voor korte tijd gebruik gemaakt van domeinterrein voor de coordinatie van de aanleg van de wegstrekking die naar het toegewezen landbouwgebied leidt. Thans is de weg in begaanbare staat waardoor de noodzaak voor het tijdelijk gebruik maken van vrij domeinland, is komen weg te vallen.
Cliënten zullen ingaande maandag 19 oktober 2026 bezig zijn met het verplaatsen c.q. verhuizen van alle activiteiten naar het aan hen toegewezen gebied, en vragen uw begrip, medewerking en geduld voor de op handen zijnde mobilisatie en verplaatsing van de activiteiten. De mobilisatie c.q. verhuizing zal afhankelijk van de weggesteldheid en eventuele onvoorziene omstandigheden uiterlijk een week in acht nemen. Hierna zal u per schrijven wederom in kennis worden gesteld dat het perceelland waarop clienten zich tijdelijk gevestigd hadden, wederom vrij en volledig toegankelijk zal zijn voor de staat Suriname.”
2.13 Op 26 oktober 2026 heeft het ministerie van Justitie en Veiligheid alle aanwezigen in het Mazonia gebied ontruimd en hen tijdelijk ondergebracht te Kraka.
3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daarop
3.1 De N.V. vordert dat de kantonrechter in kort geding bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a. de Staat beveelt de voorgenomen uitzetting van de belanghebbenden genoemd in productie 12 met onmiddellijke ingang op te schorten en opgeschort te houden, en zich te onthouden van iedere handeling die strekt tot verwijdering uit het grondgebied van de Republiek Suriname, daaronder begrepen het overbrengen naar een vertrekplaats, het boeken of uitvoeren van een uitzettingsvlucht en het feitelijk doen vertrekken uit Suriname, totdat de kantonrechter anders beslist;
b. de Staat beveelt alle maatregelen achterwege te laten die de uitvoering van de onder a bedoelde voorziening zouden doorkruisen, en de reeds ingezette uitvoeringshandelen voor zover nodig onmiddellijk te staken;
c. bepaalt dat de onder a en b gevorderde verboden en bevelen gelden totdat in dit kort geding anders wordt beslist, althans gedurende een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn;
d. de Staat veroordeelt tot betaling van een dwangsom van SRD 10.000.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen, dan wel voor iedere afzonderlijke overtreding van het onder a. en b. gevorderde, met een maximum van
SRD 100.000.000,-, althans een door de kantonrechter vast te stellen dwangsom en maximum;
e. de Staat veroordeelt in de kosten van dit geding, waaronder begrepen het salaris van de gemachtigde van de N.V., begroot op SRD 150.000,-, althans een door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen bedrag.
3.2 De N.V. legt, zakelijk weergegeven, aan de vordering ten grondslag dat er een onevenredig zware sanctie wordt toegepast door de Staat mede vanwege het feit dat er sprake is van een overeenkomst tussen de N.V. en de Staat. De N.V. benadrukt dat artikel 2 van de overeenkomst voorziet in het gegeven dat de Staat zich zal beijveren om de benodigde vergunningen, mits die zijn aangevraagd, te verlenen. Zij mocht er vanuit gaan dat de Staat zich conform de beginselen van behoorlijk bestuur zou gedragen en in elk geval de overeenkomst zou eerbiedigen. Volgens de N.V. gooien de ontruiming en de op handen zijnde deportatie de beginselen van behoorlijk bestuur aan diggelen en lijdt de Staat geen nadeel als het proces met betrekking tot de aangevraagde verblijfsvergunningen wordt afgewacht. De N.V. stelt voorts dat zij een zwaarwichtig belang heeft, gegeven het feit dat door de in het geheim uit te voeren deportatie door de Staat alle investeringen en geplande landbouwactiviteiten worden gedwarsboomd. Zij heeft slechts uitvoering gegeven aan de tussen partijen gesloten overeenkomst, waarbij er jammer genoeg geen rekening is gehouden met de getoonde onbetrouwbaarheid van de Staat. Zij, en ook belanghebbenden, hebben heel wat zwaar materieel en andere kostbare goederen in Suriname gebracht en hebben het recht en de plicht om ter eerbiediging van hun persoonlijke goederen en het rechtssysteem de onafhankelijke rechter te addiëren. Ten slotte stelt de N.V. dat haar spoedeisend belang voortvloeit uit de aard van haar stellingen, mede vanwege het gegeven dat de geplande uitzetting reeds op of omstreekt 27 oktober 2026 zal plaatsvinden en de voortzetting daarvan voor een noodtoestand bij haar zal zorgdragen.
3.3 De Staat heeft mondeling verweer gevoerd. Hij concludeert tot afwijzing van de vordering c.q. niet – ontvankelijk verklaren van de N.V. en draagt daartoe de volgende verweren aan. 1. De vordering van de N.V. is prematuur, omdat nergens uit blijkt dat de Staat van plan is over te gaan tot uitzetting van belanghebbenden. 2. Indien de Staat het proces tot uitzetting inzet, kunnen belanghebbenden gebruik maken van de rechtsmiddelen die de wet voorschrijft en kunnen zij aan de President herziening van het besluit verzoeken. De gang naar de kortgeding rechter is tot zover onnodig. 3. Nergens blijkt dat de N.V. de vordering namens belanghebbenden heeft ingesteld en bevoegd is namens hen op te treden. 4. Nergens blijkt uit dat er ten aanzien van belanghebbenden aanvragen lopen voor verblijf- en werkvergunningen.
3.4 Op de overige stellingen en weren van partijen zal, voor zover van belang, hierna in de beoordeling worden ingegaan.
4. De beoordeling
Het spoedeisend belang
4.1 Artikel 226 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) biedt de grondslag voor het verkrijgen van een voorlopige voorziening in kort geding indien een onmiddellijke voorziening bij onverwijlde spoed noodzakelijk is. Voor toewijzing van een dergelijke voorziening is vereist dat de eiser voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde maatregel. Daarnaast dient voldoende aannemelijk te zijn dat de gevraagde voorziening, gelet op de betrokken belangen en de aannemelijkheid van de ingeroepen rechten, gerechtvaardigd is.
De N.V. heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de uitzetting van de door haar aangetrokken buitenlandse arbeidskrachten haar bedrijfsactiviteiten en de uitvoering van het met de Staat gesloten project ernstig zal belemmeren. Zij heeft voorts gesteld dat de uitzetting op of omstreeks 27 oktober 2026 zou plaatsvinden. De Staat heeft betwist dat op dat moment een concreet voornemen bestond om de betrokken personen uit Suriname uit te zetten. Bij de mondelinge behandeling is evenmin gebleken dat op de door de N.V. genoemde datum daadwerkelijk tot uitzetting zou worden overgegaan. Het enkele feit dat de Staat niet heeft uitgesloten dat op een later tijdstip tot uitzetting kan worden overgegaan, is op zichzelf onvoldoende om een concrete en onmiddellijke dreiging van uitzetting vast te stellen. Voor het aannemen van spoedeisend belang is evenwel niet vereist dat de exacte datum van de dreigende handeling reeds vaststaat, mits uit de omstandigheden voldoende aannemelijk wordt dat deze handeling op korte termijn kan plaatsvinden en dat het afwachten van een bodemprocedure niet kan worden gevergd. In dit verband neemt de kantonrechter mede in aanmerking dat de betrokken personen op 26 oktober 2026 reeds uit het Mazonia-gebied zijn ontruimd en tijdelijk te Kraka zijn ondergebracht. Deze omstandigheid wijst erop dat de Staat maatregelen ten aanzien van de betrokken personen heeft getroffen.
Gelet op de aard van de gestelde dreiging, de reeds getroffen maatregelen en de door de N.V. gestelde gevolgen voor haar bedrijfsactiviteiten, acht de kantonrechter het belang van de N.V. bij een spoedige rechterlijke beoordeling voldoende aannemelijk.
Het zelfstandig belang van de N.V.
4.2 De Staat heeft aangevoerd dat de N.V. niet bevoegd is de onderhavige vordering in te stellen, nu niet is gebleken dat zij namens de betrokken personen optreedt. Voorts heeft de Staat erop gewezen dat de Vreemdelingenwet voorziet in rechtsmiddelen die door de betrokken vreemdelingen zelf, dan wel door hun wettelijke vertegenwoordigers, kunnen worden aangewend.
De kantonrechter overweegt hieromtrent dat onderscheid moet worden gemaakt tussen het optreden namens derden en het instellen van een vordering ter bescherming van een eigen belang. De N.V. heeft gesteld dat zij de betrokken personen uit het buitenland heeft aangetrokken om werkzaamheden te verrichten in het kader van het landbouwproject waarvoor zij met de Staat een overeenkomst heeft gesloten. Het verblijf en de beschikbaarheid van deze personen houden volgens haar rechtstreeks verband met de uitvoering van haar bedrijfsactiviteiten en de investeringen die zij daarvoor heeft gedaan. Daarmee heeft de N.V. een eigen belang gesteld dat niet uitsluitend samenvalt met de persoonlijke belangen van de betrokken vreemdelingen. Dat zij niet namens deze personen optreedt, leidt daarom niet zonder meer tot de conclusie dat zij geen belang heeft bij de beoordeling van haar vordering. De omstandigheid dat de Vreemdelingenwet aan de betrokken vreemdelingen specifieke rechtsmiddelen toekent, brengt evenmin zonder meer mee dat de N.V. geen zelfstandige civielrechtelijke vordering kan instellen ter bescherming van een eigen belang. Daaruit volgt echter niet dat zij langs deze weg zonder meer kan bewerkstelligen dat de wettelijke bevoegdheden van de Staat ten aanzien van die personen buiten toepassing blijven. De vraag of de N.V. een voldoende eigen belang heeft bij haar vordering dient derhalve te worden onderscheiden van de vraag of de door haar gevraagde voorziening juridisch toewijsbaar is. De kantonrechter is van oordeel dat de N.V. voldoende eigen belang heeft gesteld om in haar vordering te worden ontvangen. Of dit belang ook een grondslag biedt voor het gevraagde verbod tot uitzetting, zal hierna inhoudelijk worden beoordeeld.
De rechtspositie van de betrokken personen
4.3 Bij de mondelinge behandeling heeft de directeur Vreemdelingenzaken namens de Staat verklaard dat de betrokken personen niet beschikken over een verblijfsvergunning en evenmin een aanvraag daartoe hebben ingediend. Voorts heeft zij verklaard dat de betrokken personen voorafgaand aan hun komst naar Suriname via het ministerie van Buitenlandse Zaken, International Business en Internationale Samenwerking (BIBIS) een verzoek tot verkrijging van een machtiging tot kort verblijf hadden ingediend, doch dat deze verzoeken niet waren goedgekeurd omdat de vereiste documenten niet konden worden overgelegd. Volgens voornoemde directeur zijn de betrokken personen vervolgens met een visum naar Suriname afgereisd, op grond waarvan zij maximaal negentig dagen in Suriname mochten verblijven. Deze termijn is voor elk van hen intussen verstreken en is er thans sprake van illegal verblijf.
De N.V. heeft deze verklaringen niet weersproken. Evenmin heeft zij weersproken dat de betrokken personen niet over de vereiste werkvergunningen beschikken. De kantonrechter zal bij de verdere beoordeling derhalve tot uitgangspunt nemen dat de betrokken personen niet beschikken over een verblijfsvergunning, geen aanvraag hunnerzijds daartoe in behandeling is en dat niet is gebleken dat zij de vereiste toestemming hebben verkregen om in Suriname arbeid te verrichten.
De betekenis van de brief van BIBIS en de overeenkomst
4.4 De N.V. heeft zich beroepen op de brief van de minister van Buitenlandse Zaken, Internationale Business en Internationale Samenwerking (BIBIS) van 6 oktober 2022, waarin toestemming is verleend aan vijftig Mennonitische families om naar Suriname te reizen teneinde gedurende een periode van drie jaar in de agrarische sector werkzaam te zijn. De kantonrechter stelt vast dat in deze brief tevens uitdrukkelijk is vermeld dat de betrokken personen zich dienen te houden aan de geldende procedures en voorschriften met betrekking tot verblijfs- en werkvergunningen en dat na hun aankomst in Suriname de Surinaamse wetgeving op hen van toepassing is. Uit de inhoud van deze brief kan daarom niet worden afgeleid dat aan de betrokken personen reeds een verblijfsvergunning of een werkvergunning was verleend, noch dat zij waren vrijgesteld van de wettelijke vereisten voor verblijf en arbeid in Suriname.
Voorts heeft de N.V. zich beroepen op de op 25 september 2024 met de Staat gesloten Public Private Partnership-overeenkomst inzake de ontwikkeling van de agrarische industrie. In artikel 2 lid 3 van deze overeenkomst is opgenomen dat de Staat medewerking zal verlenen aan het verkrijgen van de nodige en beschikbare vergunningen en toestemmingen van overheidswege, indien aan de wettelijke vereisten is voldaan. De kantonrechter is van oordeel dat deze bepaling, ook indien daaronder mede verblijfs- en werkvergunningen zouden moeten worden begrepen, niet kan worden uitgelegd als een onvoorwaardelijke garantie dat dergelijke vergunningen zullen worden verleend. Evenmin kan daaruit worden afgeleid dat de betrokken personen gerechtigd waren zonder de vereiste vergunningen in Suriname te verblijven of arbeid te verrichten. De contractuele verplichting van de Staat tot medewerking is immers uitdrukkelijk afhankelijk gesteld van de vervulling van de wettelijke vereisten. Een dergelijke verplichting moet worden onderscheiden van de publiekrechtelijke bevoegdheid om over aanvragen voor verblijf en arbeid te beslissen. De N.V. heeft niet weersproken dat de verzoeken om een machtiging tot kort verblijf niet zijn goedgekeurd omdat de vereiste documenten niet konden worden overgelegd. Evenmin is gebleken dat de betrokken personen vervolgens aanvragen om een verblijfsvergunning hebben ingediend. Onder deze omstandigheden is niet aannemelijk geworden dat de Staat door het niet verlenen van verblijfs- en werkvergunningen reeds om die reden tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. De kantonrechter overweegt daarbij dat de overeenkomst tussen partijen niet kan worden aangemerkt als een vrijstelling van de toepasselijke vreemdelingenrechtelijke voorschriften. Dat de N.V. investeringen heeft gedaan en de betrokken personen heeft aangetrokken voor de uitvoering van haar project, maakt dit niet anders.
De rechtmatigheid van de voorgenomen uitzetting
4.5 Voor zover de Staat voornemens is de betrokken personen uit Suriname uit te zetten, dient de rechtmatigheid daarvan te worden beoordeeld aan de hand van de toepasselijke bepalingen van de Vreemdelingenwet en de voor de desbetreffende maatregel geldende voorwaarden en procedure. De kantonrechter stelt vast dat de betrokken personen volgens de niet-weersproken verklaringen niet beschikken over een verblijfsvergunning en dat niet is gebleken dat zij een aanvraag daartoe hebben ingediend. De N.V. heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat de betrokken personen op grond van de brief van BIBIS of de overeenkomst een zelfstandig recht hebben verkregen om, ongeacht de wettelijke vereisten, in Suriname te verblijven en arbeid te verrichten. De kantonrechter is daarom van oordeel dat de N.V. op grond van de door haar aangevoerde omstandigheden onvoldoende juridische grond heeft aangetoond om de Staat te verplichten de toepassing van de vreemdelingenrechtelijke voorschriften ten aanzien van de betrokken personen achterwege te laten. Dit oordeel houdt niet in dat iedere eventuele uitzettingsmaatregel reeds op grond van het ontbreken van een verblijfsvergunning zonder verdere toetsing rechtmatig moet worden geacht. De concrete wettelijke grondslag en de naleving van de toepasselijke procedure blijven bepalend voor de rechtmatigheid van een dergelijke maatregel. In het onderhavige geding heeft de N.V. echter onvoldoende concrete feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat de door haar gevreesde uitzetting in strijd met de toepasselijke wettelijke voorschriften zou zijn of dat de Staat gehouden is deze uitzetting op grond van de overeenkomst achterwege te laten.
Het beroep op behoorlijk bestuur en de gestelde onevenredigheid
4.6 De kantonrechter overweegt dat het sluiten van een overeenkomst met de Staat onder omstandigheden gerechtvaardigde verwachtingen kan wekken omtrent de wijze waarop de Staat aan de overeenkomst uitvoering zal geven. Dit betekent echter niet dat de wederpartij ervan mag uitgaan dat wettelijke vereisten buiten toepassing zullen blijven of dat de Staat gehouden is vergunningen te verlenen wanneer niet aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan. Uit de brief van BIBIS en artikel 2 lid 3 van de overeenkomst blijkt juist dat de toepasselijke Surinaamse wetgeving en de wettelijke vereisten in acht moeten worden genomen. De N.V. heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan haar een concrete, onvoorwaardelijke toezegging is gedaan op grond waarvan zij erop mocht vertrouwen dat de betrokken personen zonder de vereiste vergunningen in Suriname mochten verblijven en arbeid mochten verrichten. De omstandigheid dat de N.V. investeringen heeft gepleegd en dat het vertrek van de betrokken personen gevolgen kan hebben voor de uitvoering van haar project, is op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat de Staat door toepassing van de wettelijke voorschriften onrechtmatig handelt. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat de N.V. als partij bij de overeenkomst verantwoordelijk was voor de uitvoering van haar bedrijfsactiviteiten met inachtneming van de toepasselijke wettelijke vereisten. Zij had er derhalve rekening mee moeten houden dat voor het verblijf en de werkzaamheden van de door haar aangetrokken buitenlandse arbeidskrachten de daarvoor vereiste toestemmingen nodig waren.
Het voorgaande laat onverlet dat ook het optreden van de Staat aan de toepasselijke wettelijke voorschriften en de relevante beginselen van behoorlijk bestuur moet voldoen. In het onderhavige geval heeft de N.V. echter onvoldoende concrete feiten aangevoerd waaruit volgt dat de Staat door het enkele handhaven van de wettelijke vereisten of door een eventuele rechtmatige uitzettingsmaatregel jegens de betrokken personen onrechtmatig handelt. De kantonrechter is daarom van oordeel dat het beroep van de N.V. op gerechtvaardigd vertrouwen, onbehoorlijk bestuur en onevenredigheid faalt en niet tot toewijzing van de gevraagde voorziening kan leiden.
De belangenafweging
4.7 Aan de zijde van de N.V. is sprake van een belang bij de voortzetting van haar bedrijfsactiviteiten en bij het voorkomen van schade die kan ontstaan wanneer de door haar aangetrokken arbeidskrachten niet langer beschikbaar zijn voor de uitvoering van het landbouwproject. Daartegenover staat het belang van de Staat bij de handhaving van de toepasselijke wettelijke voorschriften omtrent het verblijf en de arbeid van vreemdelingen.
De kantonrechter is van oordeel dat het economisch belang van de N.V., hoe zwaar dit voor haar ook kan wegen, zonder een voldoende aannemelijke juridische grondslag niet kan rechtvaardigen dat de Staat wordt verboden gebruik te maken van zijn wettelijke bevoegdheden. De N.V. heeft niet voldoende aannemelijk gemaakt dat zij op grond van de overeenkomst of de overige door haar aangevoerde omstandigheden aanspraak kan maken op de door haar verlangde opschorting van de uitzetting. De belangenafweging leidt derhalve niet tot een ander oordeel.
De overige vorderingen
4.8 Nu de hoofdvordering tot opschorting van de voorgenomen uitzetting niet voor toewijzing in aanmerking komt, ontbreekt eveneens een grondslag voor toewijzing van de daarmee samenhangende nevenvorderingen. Deze vorderingen zullen derhalve eveneens worden afgewezen.
De proceskosten
4.9 De N.V. zal, als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op SRD 13.500,-, zijnde het gemachtigdensalaris conform het liquidatietarief zoals vastgesteld in het procesreglement voor Civiele Zaken bij het Hof van Justitie en de Kantongerechten van 1 oktober 2026.
5. De beslissing
de kantonrechter in kort geding:
5.1 wijst de vordering af;
5.2 veroordeelt de N.V. in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot aan deze uitspraak begroot op SRD 13.500,- (dertienduizend vijfhonderd Surinaamse dollar);
5.3 verklaart hetgeen in 5.2 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen en uitgesproken door mr. D.M. Haakmat-Sniphout, Kantonrechter in het Eerste Kanton, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van donderdag 29 oktober 2026, in aanwezigheid van de griffier.