SRU-HvJ-2026-3

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer 07/2026
  • Uitspraakdatum 19 januari 2026
  • Publicatiedatum 02 april 2026
  • Rechtsgebied Strafrecht
  • Inhoudsindicatie

    Het Hof is van oordeel dat voor deelneming aan een criminele organisatie in de zin van artikel 188 Sr is vereist dat er een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband bestaat met een gemeenschappelijk oogmerk gericht op het plegen van strafbare feiten en dat de deelnemers actief hebben bijgedragen aan de verwezenlijking van dat doel. Uit de samenhang van de bewijsmiddelen blijkt dat tussen de verdachte Kromosoeto en de medeverdachten een dergelijk verband bestond en dat de verdachte daaraan heeft deelgenomen. Voorts overweegt het Hof dat de rol van de verdachte niet beperkt bleef tot het verstrekken van voorschotten. Hij heeft assets geïnventariseerd, taxatierapporten laten opstellen, onderhandelingen gevoerd en informatie verstrekt aan medeverdachten, zodat zijn bijdrage wezenlijk was voor de totstandkoming en uitvoering van de transacties. Met betrekking tot de vermeende benadeling van de Centrale Bank verwijst het Hof naar het Kroll-rapport waaruit volgt dat vooruitbetalingen en vergoedingen buitenproportioneel waren, dat tegenprestaties niet in verhouding stonden tot de betaalde bedragen en dat sommige contracten niet noodzakelijk waren voor de bank. Ten aanzien van medeplegen overweegt het Hof dat sprake moet zijn van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking en een bijdrage van zodanig gewicht dat zonder die bijdrage het delict niet zou zijn voltooid. De verdachte heeft informatie in kaart gebracht, taxatierapporten geïnitieerd en actief meegewerkt aan overdrachten en onderhandelingen. Het voorgaande toont aan dat de verdachte een dergelijke wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Het begrip verduistering betekent volgens het Hof niet dat de dader zich het voorwerp wederrechtelijk toe-eigent, maar dat de dader het goed wederrechtelijk onttrekt aan waar het voor bestemd is. Uit het onderzoek blijkt dat een geldbedrag tot een totaal van SRD 3 miljard een andere bestemming heeft gekregen en dat de verdachte heeft meegewerkt aan constructies die daartoe hebben geleid, zodat medeplichtigheid aan verduistering is komen vast te staan.
    Gelet op het voorgaande concludeert het Hof dat geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten en kwalificeert het de feiten als deelneming aan een criminele organisatie, medeplegen van overtredingen van de Anti-corruptiewet en medeplichtigheid aan ambtsverduistering.

    Anti-corruptiewet; Bankwet; Wetboek van Strafvordering; Wetboek van Strafrecht; publieke figuur; deelneming criminele organisatie; ambtsverduistering

Uitspraak

Vonnisnummer: 07/2026

Uitspraak: 19 januari 2026

Parketnummer: 01-01-02213

TEGENSPRAAK

APPELSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen op 31 januari 2022 en uitgesproken tegen de verdachte:

KROMOSOETO, Ginmardo Budiono, geboren op [geboortedatum] te [plaats], van beroep bankier en wonende aan de [adres], thans uit andere hoofde in detentie verkerend; 

De verdachte is in persoon verschenen en wordt bijgestaan door zijn raadslieden mr. B.A.H. Pick en R. Tjong A Joe, advocaten bij het Hof van Justitie.

Ontvankelijkheid appel

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het Hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de raadslieden namens de verdachte op 02 februari 2022 op de voorgeschreven wijze appel hebben aangetekend tegen het voormelde vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton.

Gelet op het vorenstaande heeft de verdachte tijdig appel aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve hij daarin ontvankelijk is.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 334 en 336 van het Wetboek van Strafvordering gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar en hetgeen door de verdachte en diens raadslieden naar voren is gebracht.

Standpunt van de vervolgingsambtenaar

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het Hof het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 31 januari 2022 zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen voor de ten laste gelegde feiten onder I, IIA, IIIA, IVA en VA tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren onder aftrek van de tijd welke hij in voorarrest heeft doorgebracht en zijn gevangenneming gevorderd. Voorts is gevorderd betaling van een geldboete tot een totaal van SRD 150.000,- subsidiair 12 maanden hechtenis.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft:

  • primair de nietigheid van de tenlastelegging bepleit.
  • subsidiair bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging;
  • meer subsidiair bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 31 januari 2022 is de verdachte – verkort weergegeven – ter zake de bewezenverklaarde feiten onder I, IIA, IIIB, IVA en VB van de tenlastelegging, te weten respectievelijk: 

  • deelneming criminele organisatie; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 188 van het Wetboek van Strafrecht;
  • medeplegen van overtreding van de Anti-corruptiewet; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 13 lid 1 onder a van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no. 85 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht;
  • medeplichtigheid aan ambtsverduistering; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 423 juncto artikel 73 van het Wetboek van Strafrecht; 
  • medeplegen van overtreding van de Anti-corruptiewet; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 13 lid 1 onder a van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no. 85 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht; 
  • medeplichtigheid aan ambtsverduistering; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 423 juncto artikel 73 van het Wetboek van Strafrecht, 

 veroordeeld tot:

  • een gevangenisstraf voor de duur van vijf (5) jaren, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest; 
  • betaling van een geldboete tot een totaalbedrag van SRD 150.000,- (honderdvijftigduizend Surinaamse Dollar), subsidiair 12 maanden hechtenis;
  • handhaving van het bevel tot gevangenhouding van de verdachte.  

Het Hof verenigt zich met het bestreden vonnis, onder aanvulling van de gronden waarop dit berust doch met uitzondering van de opgelegde straf.    

In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd. 

De tenlastelegging

Aan dit vonnis is als bijlage 1 gehecht een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de inleidende dagvaarding, waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen. 

Indien in de tenlastelegging taal-en/of schrijffouten voorkomen, zal het Hof deze verbeteren. De verdachte wordt daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De geldigheid van de inleidende dagvaarding

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de initiële dagvaarding nietig dient te worden verklaard. Hiertoe hebben de raadslieden – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat:

  • er sprake is van een obscuur libel, daar de Anti-corruptiewet in samenhang met de Bankwet is ten laste gelegd. Het Openbaar Ministerie heeft middels een sluiproute een tenlastelegging geproduceerd met betrekking tot artikelen uit de Bankwet, waar geen sanctie op is gesteld en via een omweg aldus de Anti-corruptiewet ten laste gelegd. 
  • de bestanddelen van artikel 13 lid 1a en 2 van de Anti-corruptiewet ontbreken in de tenlastelegging. In casu is niet gesteld noch gebleken dat er sprake was van een gift of enige vorm van onrechtmatige zelfverrijking door verdachte.  

Verweer met betrekking tot obscuur libel

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat er sprake is van een obscuur libel, daar de Anti-corruptiewet in samenhang met de Bankwet is tenlastegelegd. 

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Het Hof begrijpt dat de verdediging zich hierbij richt op artikel 35 a van de Bankwet, waarbij uitdrukkelijk is bepaald dat artikel 21 lid 2 en lid 4 strafbare feiten (misdrijven) opleveren. Artikel 13 lid 1 a van de Anti-Corruptiewet is gericht op het verbod om niet in strijd te handelen met de ter zake geldende wettelijke voorschriften, voorwaarden of procedures. Volgens de Memorie van Toelichting (MVT) op dit artikel betreft het handelingen, besluiten en adviezen door een publieke functionaris verricht of genomen in strijd met de voor besluitvorming vastgestelde voorschriften, voorwaarden of procedures. Dit wil zeggen dat de Anti-Corruptiewet niet beperkt is tot gedragingen die expliciet aangemerkt zijn als misdrijven. Het verweer van de verdediging dat de verweten gedraging uit de Bankwet een strafbaar feit moet betreffen aleer tot vervolging kan worden overgegaan, is derhalve ongegrond en wordt verworpen. 

In de visie van het Hof leidt dit niet tot een obscuur libel en ook niet tot nietigheid van de inleidende dagvaarding. Gelet op het voorgaande verwerpt het Hof het formeel verweer van de verdediging betreffende de nietigheid van de dagvaarding. 

Verweer met betrekking tot het ontbreken van de bestanddelen van artikel 13 lid 1a en lid 2 van de Anti-corruptiewet

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat artikel 13 lid 1a en lid 2 van de Anti-corruptiewet ontbreken in de tenlastelegging en dat niet gesteld noch gebleken is dat er sprake was van een gift of enige vorm van onrechtmatige zelfverrijking door verdachte.  

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Volgens de Memorie van Toelichting (MVT) betreft artikel 13 van de Anti-corruptiewet handelingen door een publieke functionaris verricht of besluiten door een publieke functionaris genomen die in strijd zijn met de voor de besluitvorming vastgestelde voorschriften, voorwaarden of procedures. Dit artikel geeft een niet uitputtende opsomming van enkele in het kader van corruptiebestrijding belangrijke handelingen en besluiten. 

In het kader van dit artikel dient te worden verwezen naar de artikelen 426 en 427 van het Wetboek van Strafrecht, waarin het door een ambtenaar aannemen van giften of beloften en het aannemen van giften of beloften onder verzwarende omstandigheden als ambtsmisdrijven zijn strafbaar gesteld. 

Deze wet richt zich tot de corruptie plegende publieke functionaris binnen de overheidssector.

Strafbaarheid van de publieke functionaris bestaat, indien door hem met een wettelijk voorschrift strijdige handelingen zijn verricht of besluiten zijn genomen met het aangetoonde, zodanige oogmerk om voor zichzelf of een ander enig voordeel te verkrijgen, of indien door die strijdige handelingen aan de Staat of Staatsinstelling enig nadeel wordt toegebracht. Het gaat hierbij om de publieke functionaris aan wie ter zake beslissings- of handelingsbevoegdheid is toegekend en om besluiten die eveneens een grondslag hebben in een wettelijk voorschrift. 

Het Hof stelt vast dat strafbaarstelling in artikel 13 van de Anti-corruptiewet zich niet beperkt tot het voor zichzelf of een ander onrechtmatig voordeel te verkrijgen door de publieke functionaris. De strafbaarheid betreft ook de publieke functionaris die verboden handelingen heeft verricht en/of besluiten heeft genomen in strijd met de ter zake geldende wettelijke voorschriften, voorwaarden of procedures, waarbij aan de Staat of Staatsinstelling opzettelijk financieel nadeel wordt toegebracht of financieel nadelige voorwaarden worden bedongen. Het beschermd belang dat de wetgever bij vermeld artikel stelt is bescherming van de Staat of Staatsinstelling. Van het ontbreken van de bestanddelen van artikel 13 lid 1a en lid 2 van de Anti-corruptiewet is in de visie van het Hof geen sprake. 

De aangevoerde verweren worden mitsdien in al hun onderdelen verworpen.

Nu het Hof ook ambtshalve niet is gebleken van gebreken in de inleidende dagvaarding, is de dagvaarding naar het oordeel van het Hof geldig.

De bevoegdheid van het Hof van Justitie

Ten aanzien van de bevoegdheidsvraag zijn er geen verweren gevoerd door de verdediging. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden die de absolute competentie van het Hof regarderen, zodat het Hof bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak. 

De ontvankelijkheid van de vervolging

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de vervolgingsambtenaar in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien:

  • de Anti-corruptiewet niet uitvoerbaar en handhaafbaar is vanwege het ontbreken van de commissie. Een onvolledige wet kan nimmer als grondslag dienen voor een vervolging.
  • er geen sprake is van schending van artikel 13 van de Anti-corruptiewet, omdat het delictsbestanddeel ‘wettelijk voorschrift” niet vervuld kan worden door de gedragingen genoemd in de artikelen 16 en 18 van de Bankwet, vanwege het ontbreken van de ‘Wet Bestuursrecht’. 

 Verweer met betrekking tot het ontbreken van de Anti-corruptie commissie

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de Anti-corruptiewet niet uitvoerbaar en handhaafbaar is vanwege het ontbreken van de Anti-corruptie commissie. Een onvolledige wet kan nimmer als grondslag dienen voor een vervolging.  

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Uit de Memorie van Toelichting (MVT) van de Anti-corruptiewet volgt dat de commissie een preventieve taak heeft. Eén van de doelstellingen van de preventieve aanpak door de commissie is dat er gewerkt wordt aan transparantie binnen de overheidssector en dat er een proces van bewustwording en verdere discussie binnen de werkorganisaties op gang komt over integer bestuur. In dit verband is het mogelijk dat de commissie op verzoek een integriteitsonderzoek in gang zet binnen de organisatie van een orgaan of instelling. Verder kan de commissie ondersteunen bij het identificeren van risico’s in gevallen van belangenverstrengeling binnen de organisatie, waarbij het kan gaan om risico’s die ontstaan door externe en interne oorzaken binnen de organisatie. 

Samengevat hebben de taken van de commissie te maken met preventie, signalering, analyse, beleidsadvisering, monitoring, educatie, het ontwikkelen van integriteitscodes en het onderhouden van contacten met (inter) nationale instanties. Het laatste mede met het oog op financieel- en technische ondersteuning op het gebied van corruptie preventie. De (repressieve) bestrijding van corruptie en de bepaling van de opportuniteit van de opsporing en vervolging in corruptiezaken, valt onder de exclusieve bevoegdheid van het Openbaar Ministerie. Na intake van een gemelde misstand wordt elke geregistreerde melding door de commissie volledig overgedragen aan de Procureur-Generaal om de behandeling van de gemelde misstand over te nemen. 

Het Hof stelt voorop dat uit de Memorie van Toelichting van de Anti-corruptiewet niet blijkt dat het hebben van een commissie een noodzakelijke voorwaarde is om een strafrechtelijke vervolging in te stellen. Artikel 18 van de Anti-corruptiewet vermeldt dat bepalingen als bedoeld in artikel 17 lid 1 en lid 2 van de Anti-corruptiewet worden gekwalificeerd als misdrijven en is het Openbaar Ministerie bevoegd tot het vervolgen van daders van gepleegde strafbare feiten. Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Verweer erop neerkomende dat er geen sprake is van schending van artikel 13 van de Anti-corruptiewet, omdat het delictsbestanddeel ‘wettelijk voorschrift’ niet vervuld kan worden door de gedragingen genoemd in de Bankwet, vanwege het ontbreken van de ‘Wet Bestuursrecht”.

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat er geen sprake is van schending van artikel 13 van de Anti-corruptiewet.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Door de jurisprudentie en de literatuur is uitgemaakt wat onder wettelijk voorschrift wordt verstaan namelijk wetten (voorschriften, voorwaarden en procedures) gegeven door instanties met wetgevende bevoegdheid.

Inderdaad kent Suriname geen Wet Bestuursrecht, maar dat betekent niet dat er geen wettelijke voorschriften bestaan, die gelden binnen de publieke sector. 

Aan het begrip wettelijk voorschrift in de Anti-corruptiewet komt specifieke betekenis toe, zoals verwoord in de memorie van toelichting. Deze wet richt zich tot de corruptie plegende publieke functionaris. Deze wet heeft niet rechtstreeks betrekking op de handelingen van (individuele) burgers/personen buiten de overheidssector als het gaat om fraude en corruptief gedrag. In artikel 13 lid 1a van de Anti-corruptiewet is bepaald dat strafbaarheid van de publieke functionaris bestaat, indien door hem met een wettelijk voorschrift strijdige handelingen zijn verricht of besluiten zijn genomen met het aangetoonde zodanige oogmerk om voor zichzelf of een ander enig voordeel te verkrijgen of indien door die strijdige handelingen aan de Staat of Staatsinstelling enig nadeel wordt toegebracht. 

Het gaat hierbij om de publieke functionaris aan wie ter zake beslissings-of handelingsbevoegdheden zijn toegekend en om besluiten die eveneens een grondslag hebben in een ‘wettelijk voorschrift’.

Dit zijn verboden en geboden die betrekking hebben op wettelijke voorschriften die in verschillende wettelijke regelingen zijn vastgelegd. 

Hieruit valt af te leiden dat de bepalingen van de Bankwet wettelijke voorschriften zijn, welke wet is uitgevaardigd door de daartoe bevoegde autoriteiten. Een wettelijk voorschrift is elke regelgeving, uitgevaardigd door een daartoe bevoegde autoriteit. De Bankwet bevat regels, waaraan de bank zich dient te houden en zijn het dus wettelijke voorschriften. 

De verweren worden derhalve mitsdien in al hun onderdelen verworpen.

Nu voor het overige door de verdediging geen andere feiten of omstandigheden zijn aangevoerd, die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, is het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Schorsing van de vervolging

Er zijn geen omstandigheden gebleken casu quo geen verweren gevoerd die nopen tot het schorsen van de vervolging. De vervolging kan dus voortgezet worden.

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

Vanuit de zijde van de verdediging is aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de algehele tenlastelegging. 

Ten aanzien van feit I

De raadslieden hebben ter terechtzitting van het Hof bepleit dat verdachte van het onder I ten laste gelegde feit te weten deelneming aan een criminele organisatie dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat:

  • er geen sprake is van deelneming aan een criminele organisatie. Kromosoeto is de enige persoon die deelneemt aan een criminele organisatie. Van een organisatie waar Kromosoeto deel aan zou hebben genomen is geen sprake. Verder is niet bewezen dat Hoefdraad, van Trikt, Hausil en Kromosoeto een organisatie vormden.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 188 van het Wetboek van Strafrecht, stelt het Hof voorop dat sprake moet zijn van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen verdachte en een of meerdere andere personen. Het samenwerkingsverband moet een gemeenschappelijk doel hebben en zijn deelnemers moeten in dat samenwerkingsverband actief zijn ter verwezenlijking van dat doel. Van een criminele organisatie is eerst sprake wanneer de doelstelling van de organisatie is het plegen van strafbare feiten. Bovendien moeten betrokkenen weten dat de organisatie het oogmerk heeft op het plegen van misdrijven. Niet is vereist dat komt vast te staan dat een persoon om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. 

Uit de gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien en de daaruit afgeleide redengevende feiten en omstandigheden, leidt het Hof af dat er sprake is geweest van een samenwerkingsverband bestaande uit een aantal personen te weten: Kromosoeto; Hoefdraad; Van Trikt; Hausil en Angnoe. 

Uit het onderzoek is komen vast te staan dat verdachte samen met de mededaders Van Trikt, Putter en Hausil de Centrale Bank van Suriname financieel heeft  benadeeld. Ten eerste de transacties regarderende de zeventien onroerende goederen en de trekking naar aanleiding van de Royalty overeenkomst. Het oogmerk van de organisatie was gericht op het in strijd handelen met bepalingen opgenomen in het Wetboek van Strafrecht en de Bankwet. In dit geval gaat het om het verstrekken van blancokredieten aan het Ministerie van Financiën alsook het verrichten van quasi fiscale activiteiten door de Centrale Bank van Suriname. Verdachte en zijn mededaders hebben op meerdere momenten de moederbank financieel benadeeld.

In de visie van het Hof is wel sprake geweest van deelneming door de verdachte aan een criminele organisatie.

Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Ten aanzien van de feiten IIA en IVA

De raadslieden hebben ter terechtzitting van het Hof bepleit dat verdachte van de onder IIA en IVA ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat:

  • Kromosoeto zich slechts beperkt heeft tot het verstrekken van voorschotten aan Investment Partners N.V. De personen die de meeste handelingen hebben verricht zijn [naam 1], Hoefdraad en Van Trikt. Verdachte was ook niet aanwezig bij de totstandkoming van de overeenkomsten. 
  • voorbij dient te worden gegaan aan de verklaringen van [naam 2] en [naam 1]. Het is de getuige [naam 1] die de betaling aan Investment Partners heeft geëffectueerd en probeert hij nu de schuld in de schoenen van Kromosoeto te schuiven. Uit de verklaring van [naam 2] kan niet worden gesteld dat Kromosoeto in strijd heeft gehandeld met een instructie van de Raad van Toezicht. 
  • de grondlegger van ideeën met betrekking tot de verkoop van assets door de Staat aan de Centrale bank van Suriname is de medeverdachte Van Trikt en niet Kromosoeto. Verdachte is ook niet het brein geweest achter de ideeën om de royalty’s van Iamgold te gebruiken om een lening van 2,3 miljoen te arrangeren. Kromosoetoe had ideeën. Het hebben van ideeën is niet strafbaar. 
  • er geen sprake is van benadeling van de Centrale Bank van Suriname en dat de gelden ten behoeve van de Staat zijn geweest en niet voor de verdachten. 
  • er geen sprake is van medeplegen. De verdachte Kromosoeto was in de periode van 14 mei 2019 tot en met 11 mei 2020 met verplicht verlof en kan hij niet aansprakelijk worden gesteld voor handelingen gepleegd in strijd met de Bankwet. 
  • het vonnis in eerste aanleg ondeugdelijkheden dan wel onvolkomenheden bevat.

Verweer met betrekking tot het verstrekken van voorschotten

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat, verdachte Kromosoeto zich slechts beperkt heeft tot het verstrekken van voorschotten aan Investment Partners N.V.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Uit het onderzoek is gebleken dat de verdachte Kromosoeto met ideeën is gekomen, die uiteindelijk hebben geleid tot ongedekte verstrekking van blanco voorschotten. Hierdoor is aan de Staat of Staatsinstelling financieel nadeel toegebracht. Hij heeft de verkoop van assets, de royalty’s en natuurreservaten voorgesteld. Hij heeft niet alleen voorstellen gedaan, maar is ook actief betrokken geweest bij de verkoop van de panden. Zo heeft hij de panden laten taxeren. Hij heeft verder onderhandeld met [naam 3], die enkele panden zou kopen van de SPSB. 

Het Hof concludeert dat het handelen van de verdachte Kromosoeto zich niet alleen heeft beperkt tot het verstrekken van voorschotten, maar dat hij ook actief zijn bijdrage heeft geleverd bij de verkoop van de panden. Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Verweer met betrekking tot verklaringen van de getuigen [naam 2] en [naam 1].

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat het Hof voorbij dient te gaan aan de verklaringen van [naam 2] en [naam 1]. Het is de getuige [naam 1] die de betaling aan Investment Partners heeft geëffectueerd en probeert hij nu de schuld in de schoenen van Kromosoeto te schuiven.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

De getuigen [naam 1] en [naam 2] hebben elk afzonderlijk en gedetailleerd verklaard dat verdachte de geldende procedures bij het verstrekken van kredieten naast zich heeft neergelegd. Zo heeft de getuige [naam 1] in zijn verklaring duidelijk aangegeven wat de procedures zijn voor kredietverlening en dat die procedures door de verdachte Kromosoeto zijn omzeild bij het verstrekken van krediet aan Investment Partners. De verdachte mocht als directeur van de SPSB slechts kredieten tot SRD 150.000,- goedkeuren. Kredieten met bedragen boven de SRD 150.000,- moeten eerst goedgekeurd worden door de Raad van Toezicht. Dat de verdachte buiten de geldende procedure heeft gehandeld, blijkt ook uit de verklaring van de getuige [naam 2]. Zij geeft namelijk aan dat de normale wijze van financieren van onder andere Investment Partners middels het aanvragen van kredietfinanciering moet geschieden. 

Dat verdachte heeft aangegeven dat hij steeds in opdracht van medeverdachte Hoefdraad heeft gehandeld, rechtvaardigt zijn handelen niet. Verdachte was de directeur van de SPSB en hij kende de procedures voor het aanvragen van kredieten en hij was daarvoor de eindverantwoordelijke.  

Het Hof heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van deze getuigen en kunnen de verklaringen van deze getuigen gebezigd worden voor het bewijs. 

Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Verweer met betrekking tot de grondlegger van de ideeën 

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de medeverdachte Van Trikt de grondlegger is geweest van ideeën met betrekking tot de verkoop van assets door de Staat aan de Centrale Bank van Suriname en niet de verdachte Kromosoeto. 

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Uit het onderzoek is onomstotelijk komen vast te staan dat de verdachte Kromosoeto met ideeën is gekomen die uiteindelijk hebben geleid tot ongedekte blanco voorschotten door de Centrale Bank van Suriname. De medeverdachte Van Trikt heeft hem gevraagd om te zoeken naar assets voor de Staat. Het is de verdachte Kromosoeto geweest die met ideeën met betrekking tot de verkoop van de panden is gekomen. Verder heeft hij overleg gevoerd en de nodige informatie verstrekt aan zijn medeverdachten. Dat hij niet lijfelijk aanwezig was bij de totstandkoming van de overeenkomsten, doet niets af aan het feit dat de ideeën van hem afkomstig waren. Verdachte kan dus wel verantwoordelijk worden gehouden voor de gevolgen. Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.  

Verweer met betrekking tot benadeling van de Centrale Bank van Suriname en dat de gelden ten behoeve van de Staat zijn geweest en niet voor de verdachten. 

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat er geen sprake is van benadeling van de Centrale Bank van Suriname en dat de gelden ten behoeve van de Staat zijn geweest en niet voor de verdachten. 

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Uit het rapport Kroll A. Division Duff & Phelps is onomstotelijk komen vast te staan dat:

  • er oneigenlijk hoge bedragen zijn betaald voor de overeenkomst Prodigy 1, Prodigy 2, Prodigy 3 en Lagarde I. Hetgeen betaald is staat niet in verhouding tot hetgeen door Clairfield is geleverd. 
  • Clairfield niet over de nodige kwaliteiten beschikt om werkzaamheden te verrichten in het kader van één of meer van voormelde overeenkomsten.
  • de vooruitbetalingen ten aanzien van de projecten Prodigy 1, Prodigy 2, Prodigy 3 buitensporig hoog en niet gebruikelijk waren. Uit het rapport is voldoende aangetoond dat de contracten nadelig waren voor de Staat Suriname. 
  • met betrekking tot de “non refundable fees” waren de tegenprestaties in onderhavig geval niet evenredig met de geleverde diensten door Clairfield. 

Uit de zich in het dossier bevindende stukken kan geconcludeerd worden dat er geen noodzaak was voor het sluiten van de overeenkomsten.

Het Hof verwijst in dit verband eveneens naar het vonnis van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel, gewezen op 20 oktober 2022, waarbij genoemde rechtbank de nietigheid van de overeenkomsten Prodigy 1, Prodigy 2, Prodigy 3, Prodigy 5 en Lagarde I heeft uitgesproken. Clairfield is daarbij veroordeeld tot terugbetaling aan de Centrale Bank van Suriname van een bedrag groot Euro 2.552.932.59,- (twee miljoen vijfhonderdtweeënvijftigduizend negenhonderdtweeëndertig euro en negenenvijftig cent). 

Het Hof verwerpt -op grond van al het voorgaande- het daartoe strekkend verweer.

Verweer met betrekking tot medeplegen

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat er geen sprake is van medeplegen. De verdachte Kromosoeto was in de periode van 14 mei 2019 tot en met 11 mei 2020 met verplicht verlof en kan hij niet aansprakelijk worden gesteld voor handelingen gepleegd in strijd met de Bankwet.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Het Hof stelt voorop dat de betrokkenheid van verdachte aan een strafbaar feit als medepleger kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten en zijn – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict zodanig wezenlijk dan wel van dusdanig voldoende gewicht is, dat sprake is van medeplegen.

Uit het onderzoek is komen vast te staan dat verdachte nauw betrokken was bij de transacties regarderende de onroerende goederen. Dit blijkt ook uit zijn eigen verklaring afgelegd tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek (G.V.O), waar hij aangeeft dat hij op verzoek van de voormalige minister van Financiën Hoefdraad, assets van de Staat in kaart moest brengen. Hij heeft daarbij voorgesteld de panden die aan de overheid toebehoren te verkopen aan de Centrale Bank van Suriname en heeft hij ook gekeken naar de royalty’s van I AM Gold en de natuurreservaten van Suriname. Verder is komen vast te staan dat verdachte niet alleen de panden heeft moeten identificeren, maar heeft hij de panden ook laten taxeren. Bij de overdracht van de panden heeft verdachte actief zijn bijdrage geleverd. Hij heeft zelf verklaard dat Hoefdraad hem had gevraagd om te assisteren bij de overdracht van de panden.   

Ook bij de aanschaf van de tweede tranche panden was reeds bekend dat de panden niet aan de Staat toebehoorden, doch aan Investment Partners. Desondanks heeft hij actief meegewerkt hieraan. Uit zijn verklaring blijkt dat hij zelf heeft onderhandeld met [naam 3] voor de koop van de panden. Gelet op het hierboven aangehaalde staat vast dat medeverdachte Hoefdraad door tussenkomst van Kromosoeto aan informatie kwam. Hoefdraad pleegde steeds overleg met Kromosoeto. Vast staat dat verdachte ook tijdens zijn verlofperiode actief betrokken was bij de gepleegde transacties. Na zijn verlof werd hij in mei 2020 weer gerehabiliteerd als directeur. Uit het onderzoek blijkt dat er op 25 april 2019 een mail is gestuurd naar medeverdachte Hoefdraad en Van Trikt met- voor zover van belang- de navolgende inhoud (citaat): 

Heren: 

Aangehecht de taxatierapporten en de verkoopvoorwaarden:

  1. Thesaurie inspectie of Gender-gebouw mr. F.H.R. Lim A Postraat no. 7. Euro 252.147.00. (tweehonderd tweeënvijftigduizend honderdzevenveertig euro)
  2. Belastingkantoor Mr. Dr. J.C. De Mirandastraat br. No. 5 en 7. Euro 588,047.00. (vijfhonderd achtentachtigduizend zevenenveertig euro) 
  3. Ministerie van Justitie en Politie (KKF-gebouw) Mr. J.C. De Mirandastraat br. No. 6. Euro 778,178.00. (zevenhonderd achtenzeventigduizend honderachtenzeventig euro)
  4. Ministerie van Sociale Zaken en Volkshuisvesting Waterkant br. No. 30-32. Euro 5,863,290.00. ((vijf miljoen achthonderden drieënzestigduizend tweehonderdnegentig euro).
  5. Ministerie van Financiën Tamarindelaan br. No. 3. Euro 1,1476.00. (eenduizend vierhonderdd zesenzeventig euro)

Totaal Euro 8,931,583.00. (acht miljoen negenhonderd eenendertigduizend vijfhonderd drieëntachtig euro)

Met een koers van 1 op 8,46 is dit een waarde van SRD. 75.561.192,18. (vijfenzeventig miljoen vijfhonderd eenenzestigduizend hondertweëennegentig Surinaamse dollar en achttien cent)

Al deze (monumentale) gebouwen zijn van de Overheid en zijn in een vervallen staat. Mijn verzoek is om te mogen restaureren onder auspiciën van de Surinaamse Post paar Bank, nadat deze zijn overgedragen aan de Centrale Bank van Suriname. 

Op 26 april 2019 reageert Van Trikt met “Thanks all dit betekent ruimte in de maand mei. Bij de overdracht zou je kunnen repareren, maar zou ik zou dat niet doen. De Centrale Bank van Suriname kan dat dragen. Just look at the valuation.”

Op 26 april 2019 reageert Hoefdraad op hetzelfde bericht met “Do (roepnaam van Kromosoeto). Je hebt alle gebouwen in kaart. Laten we doortrekken dat alles overheat. Will help the budget.”

De bijdrage van de verdachte Kromosoeto was van voldoende gewicht. Zonder zijn bijdrage waren de strafbare feiten niet voltooid. De verdachte Hoefdraad en Kromosoeto hebben nauw samengewerkt bij het uitwerken van de constructie van de panden. Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer. 

Verweer met betrekking tot onvolkomenheden in het vonnis van de Kantonrechter in eerste aanleg

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat het vonnis in eerste aanleg ondeugdelijk is dan wel onvolkomenheden bevat

Het Hof oordeelt hieromtrent als volgt:

De Kantonrechter in eerste aanleg heeft het vonnis voldoende gemotiveerd. Uit de opgesomde bewijsmiddelen is genoegzaam gebleken dat de strafbare feiten daadwerkelijk zijn gepleegd. De getuigen hebben elk afzonderlijk en gedetailleerd verklaard wat zich heeft afgespeeld. Ook zijn er schriftelijke bewijsstukken waaruit blijkt dat verdachte en zijn mededaders zich schuldig hebben gemaakt aan de strafbare feiten. Het Hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van deze bewijsmiddelen. Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte en mededaders de bewezenverklaarde feiten hebben begaan op basis feiten en omstandigheden die in de aangehaalde bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. Het is het Hof overigens niet gebleken dat het vonnis in eerste aanleg ondeugdelijk casu quo, tegenstrijdig is dan wel onjuistheden bevat. Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer. 

Gelet op het voorgaande worden de verweren mitsdien in al hun onderdelen verworpen.

Ten aanzien van feit IIIB en VB

De raadslieden hebben ter terechtzitting van het Hof bepleit dat verdachte van de onder IIIB en VB ten laste gelegde feiten, te weten medeplichtigheid aan ambtsverduistering dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat:

  • de verdachte Kromosoeto niet in functie was toen de handelingen werden gepleegd, die hebben geleid tot de financiering door de Centrale Bank van Suriname. De verdachte de ten laste gelegde feiten niet in de hoedanigheid van zijn functie als directeur van de Surinaamse Postspaarbank heeft gepleegd. 
  • er geen sprake is van verduistering. Niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich de gelden wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Verweer met betrekking tot het feit dat de verdachte Kromosoeto niet in functie was toen de handelingen werden gepleegd.

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de verdachte Kromosoeto niet in functie was toen de handelingen werden gepleegd, omdat hij met verlof was.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Uit het onderzoek is komen vast te staan dat de verdachte gedurende zijn verlof en wel op 25 april 2019 een mail heeft verstuurd naar de medeverdachte Hoefdraad en van Trikt. Op 26 april 2019 reageert de verdachte Van Trikt als volgt: ˶thanks all, dit betekent ruimte in de maand mei.” De medeverdachte Hoefdraad reageert ook op 26 april 2019 waarbij hij het volgende aangeeft: “je hebt alle gebouwen in kaart, laten we doortrekken dat alles overheat.” 

In mei 2020 wordt de verdachte Kromosoeto wederom gerehabiliteerd als directeur van de bank. Vast staat dat de verdachte Kromosoeto voor en tijdens zijn verlof nauw betrokken was bij de gepleegde transacties van de panden en de royalty overeenkomst. Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer. 

Verweer met betrekking tot de verduistering

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat niet bewezen is dat de verdachte zich de gelden wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Volgens de Memorie van Toelichting op het Wetboek van Strafrecht wordt aangetekend dat het begrip verduisteren in de zin van artikel 423 van het Wetboek van Strafrecht een ruimer bereik heeft dan in artikel 381 van het Wetboek van Strafrecht. Het betekent niet dat de dader zich het voorwerp wederrechtelijk toe-eigent, maar dat de dader het goed wederrechtelijk onttrekt aan waar het voor bestemd is.

Uit het onderzoek is komen vast te staan dat de medeverdachte Van Trikt, als governor van de Centrale Bank van Suriname, heeft toegestaan dat de medeverdachte Hoefdraad, een geldbedrag tot een totaal van SRD 3 miljard heeft verduisterd. Verdachte Kromosoeto heeft op zijn beurt gesprekken gevoerd met voornoemde medeverdachte(n). Verder heeft hij voorstellen gedaan en constructies bedacht met betrekking tot de aankoop en de overname van de 17 panden. Verder heeft hij ook voorstellen gedaan voor de afdracht van de royalty’s aan de Centrale Bank van Suriname. De getrokken middelen van meer dan SRD 3 miljard, hebben een andere bestemming gehad. Verdachte Kromosoeto heeft hieraan meegewerkt. 

Het Hof verwerpt -gelet op al het voorgaande- het daartoe strekkend verweer.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is

Het bewezenverklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op: 

  • I deelneming criminele organisatie; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 188 van het Wetboek van Strafrecht; 
  • IIA medeplegen van overtreding van de Anti-corruptiewet; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 13 lid 1 onder a juncto artikel 17 van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no. 85 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 35 a van de Wet van 20 mei 2005, inhoudende nadere wijziging van de Bankwet 1956, zoals deze luidt na wijziging laatstelijk bij decreet van 8 november 1986 (S.B. 1986 no. 73).
  • IIIB-medeplichtigheid aan ambtsverduistering; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 423 juncto artikel 73 van het Wetboek van Strafrecht; 
  • IVA medeplegen van overtreding van de Anti-corruptiewet; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 13 lid 1 onder a juncto artikel 17 van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no. 85 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 35 a van de Wet van 20 mei 2005, inhoudende nadere wijziging van de Bankwet 1956, zoals deze luidt na wijziging laatstelijk bij decreet van 8 november 1986 (S.B. 1986 no. 73).
  • VB-medeplichtigheid aan ambtsverduistering; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 423 juncto artikel 73 van het Wetboek van Strafrecht

Strafbaarheid van verdachte

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is de verdachte strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

De op te leggen straf

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het Hof rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. 

Verdachte en zijn mededaders hebben zich gedurende langere periode schuldig gemaakt aan grootschalige corruptie. Verdachte en zijn mededaders hebben samengewerkt aan het tot stand komen van overeenkomsten met Clairfield Benelux N.V. en Orion Assurance and Advisory N.V., waarbij er grote geldbedragen aan voorschotten zijn betaald. Gebleken is dat de overeenkomsten gesloten met Clairfield Benelux N.V. niet noodzakelijk waren voor de Centrale Bank van Suriname. Uit 2 van de overeenkomsten met Clairfield Benelux N.V. is de verkoop van onroerende goederen uitgerold. Deze onroerende goederen zijn door de Centrale Bank van Suriname gekocht en betaald, maar de panden zijn nimmer overgedragen aan de Bank. Verdachte en zijn mededaders hebben gedurende langere periode op systematische en geraffineerde wijze gehandeld, waarbij doelbewust misbruik is gemaakt van hun positie. Verdachte heeft zijn functie benut om op geraffineerde wijze controle te omzeilen en andere belangen te dienen. De verdachte heeft niet alleen voorstellen gedaan maar heeft meegewerkt aan de constructie van de overeenkomsten.

Verdachte en zijn mededaders hadden slechts oog voor hun eigen financieel gewin en hebben daarbij geen rekening gehouden met de gevolgen van hun handelen. Het vertrouwen dat de burgers hadden in verdachte, zijnde de directeur van de Surinaamse Postspaarbank, is ernstig aangetast. Verdachte heeft misbruik gemaakt van zijn positie. Juist van deze personen wordt verwacht dat zij integer zijn en zich inzetten voor de ontwikkeling van het land. Het Hof rekent het voorgaande de verdachte zwaar aan.

Het is het Hof gebleken dat alleen aan deze verdachte en de medeverdachte Hoefdraad het delict deelname aan een criminele organisatie is ten laste gelegd. Gelet op de inhoud der bewijsmiddelen, is gebleken dat verdachte tezamen en in vereniging met de andere medeverdachten zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten waaronder deelname aan een criminele organisatie. Aan de overige medeverdachten is de delictsvorm deelname aan een criminele organisatie niet ten laste gelegd. Het Hof is van oordeel -mede in acht nemende de beginselen van fair trial- dat het onterecht is om alleen deze verdachte en de medeverdachte Hoefdraad voor deelname aan een criminele organisatie verantwoordelijk te stellen. 

Het Hof zal -rekening houdend met voornoemde omstandigheid- de verdachte in aanmerking doen komen voor strafreductie in de vorm van een lagere gevangenisstraf dan de in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf. Het beroepen vonnis zal derhalve op dit punt worden vernietigd en zal er opnieuw recht worden gedaan. 

De persoon van de verdachte en zijn omstandigheden

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft het Hof in het bijzonder gelet op de inhoud van de Staat van inlichtingen, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

Gelet op de hiervoor besproken aard en ernst van het feit en de rol van de verdachte in het geheel, is het Hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur. Deze straf dient de verdachte en anderen duidelijk te maken dat corruptie niet ongestraft kan blijven. Het Hof zal bij het bepalen van een passende strafmaat rekening houden met het feit dat de verdachte de enige is die als first offender geen strafvermindering heeft gekregen en dat hem ook deelneming aan een criminele organisatie is ten laste gelegd en dat hij zich in deze zaak geruime tijd op vrije voeten bevindt. Indachtig al het voorgaande zal het Hof aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren opleggen, hetwelk het Hof passend en geboden acht. 

De toepasselijke wettelijke bepalingen

Gezien de voormelde wetsartikelen, alsmede de artikelen 9, 11, 38, 40, 44, 72, 82, 188 en 423 van het Wetboek van Strafrecht; artikel 13 en 17 van de Anti-corruptiewet en artikel 35 a van de Wet van 20 mei 2005, inhoudende nadere wijziging van de Bankwet 1956, zoals deze luidt na wijziging laatstelijk bij decreet van 8 november 1986 (S.B. 1986 no. 73) zoals deze bepalingen luidden ten tijde van de bewezenverklaarde feiten. 

Beslissing:

Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton op 

31 januari 2022 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep, onder aanvulling van de gronden en met uitzondering van de opgelegde straf zoals eerder vermeld;

Vernietigt het vonnis ten aanzien daarvan

Opnieuw rechtdoende in hoger beroep:

-veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren onvoorwaardelijk;

-beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak, te weten vanaf 13 augustus 2020 tot en met 7 november 2022 in voorarrest doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door: A. Charan, Fungerend – President, S. Punwasi en mr. D. Nanhoe, rechters, bijgestaan door mr. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh, fungerend – griffier en uitgesproken door mr. D. Nanhoe voornoemd op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van maandag 19 januari 2026 te Paramaribo.

w.g. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh

w.g. A. Charan 

w.g. S. Punwasi

w.g. D. Nanhoe

Voor eensluidend afschrift,

De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. E.M. Ommen – Dors, Substituut Griffier)