- Instantie Hof van Justitie
- Zaaknummer 05/2026
- Uitspraakdatum 19 januari 2026
- Publicatiedatum 02 april 2026
- Rechtsgebied Strafrecht
-
Inhoudsindicatie
Het Hof overweegt dat de verdachte Van Trikt als governor van de Centrale Bank van Suriname een publieke functionaris was en dat de Anti-corruptiewet derhalve op hem van toepassing is. Op grond van het Kroll-rapport stelt het Hof vast dat voor meerdere overeenkomsten oneigenlijk hoge betalingen zijn gedaan, dat Clairfield niet over de benodigde kwaliteiten beschikte en dat de contracten nadelig waren voor de Staat. Voorts overweegt het Hof dat uit het onderzoek blijkt dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met mededaders overeenkomsten heeft gesloten zonder noodzaak, dat aanzienlijke voorschotten zijn betaald, dat de verdachte de medeverdachte Angnoe als adviseur heeft betrokken en dat sprake was van belangenverstrengeling en van terugvloeiing van gelden ten behoeve van Orion Capital Investments N.V. waarvan verdachte aandeelhouder is, waardoor de betrokkenheid van de verdachte als medepleger is komen vast te staan. Voor wat betreft de verbeurdverklaring van het onroerend goed stelt het hof vast dat het betreffende pand reeds vóór de feiten in bezit was van de rechtspersoon en dat teruggaaf aan de rechthebbenden geboden is. Gelet op de grootschalige, geraffineerde en langdurige aard van de feiten en de positie van verdachte acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes jaren passend en legt het tevens een ontnemingsmaatregel op.
Wetboek van Strafrecht; Wetboek van Strafvordering; Bankwet (S.B. 1986 no. 73); Anti-corruptiewet; Wet Strafbaarstelling Money Laundering S.B. 2002 no. 64; corruptie; Centrale Bank van Suriname; publieke functionaris
Uitspraak
Vonnisnummer: 05/2026
Uitspraak: 19 januari 2026
Parketnummer: 01 – 01- 02213
TEGENSPRAAK
APPELSTRAFKAMER
Het Hof van Justitie van Suriname
Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen op 31 januari 2022 en uitgesproken tegen de verdachte:
VAN TRIKT, ROBERT-GRAY, geboren op [geboortedatum] in Nederland, van beroep accountant/docent en wonende aan de [adres] te [plaats], niet in detentie verkerend (in vrijheid gesteld op 7 november 2022);
De verdachte is in persoon verschenen en wordt bijgestaan door zijn raadslieden mr. CH. Algoe en I.D. Kanhai, BSc, advocaten bij het Hof van Justitie.
Ontvankelijkheid appel
Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het Hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de raadslieden namens de verdachte op 2 februari 2022 op de voorgeschreven wijze appel hebben aangetekend tegen het voormelde vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton.
Gelet op het vorenstaande heeft de verdachte tijdig appel aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve hij daarin ontvankelijk is.
Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 334 en 336 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.
Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar en van hetgeen door de verdachte en diens raadslieden naar voren is gebracht.
Standpunt van de vervolgingsambtenaar
De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het Hof het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 31 januari 2022 zal bevestigen en de gevangenneming van de verdachte zal gelasten.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft:
- primair de nietigheid van de tenlastelegging bepleit.
- subsidiair bepleit dat het Openbaar Ministerie niet- ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging.
- meer subsidiair bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de algehele tenlastelegging.
- de vernietiging van de verbeurdverklaring van het onroerend goed Orion Capital Investments N.V. aan de [adres] gevorderd.
Het vonnis waarvan beroep
Bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 31 januari 2022 is de verdachte ter zake het bij inleidende dagvaarding onder:
- I medeplegen van het eerste lid van artikel 13 van de Anti-corruptiewet; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 13 lid 1 van de Anti-corruptiewet juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht;
- II medeplegen van het tweede lid van artikel 13 van de Anti-corruptiewet; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 13 lid 2 van de Anti-corruptiewet juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht;
- IIIA medeplegen van opzettelijke Money Laundering; Voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 1b van de Wet Strafbaarstelling Money Laundering S.B. 2002 no. 64 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht;
- IVA medeplegen van verduistering van geld of geldwaardig papier; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 423 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht;
- VA medeplegen van verduistering van geld of geldwaardig papier; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 423 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht;
- VI doen plegen van valsheid in geschrifte; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 278 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht;
- VIIA-vervalsing van bescheiden door een ambtenaar of een ander met enige openbare dienst voortdurend of tijdelijk belast persoon; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 424 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht,
veroordeeld tot:
- een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht (8) jaren, met aftrek van de tijd door de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.
- de betaling van een geldboete tot een totaalbedrag van SRD. 500.000,- (vijfhonderdduizend Surinaamse Dollar), subsidiair 16 maanden hechtenis;
- de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel te weten Euro 625.000,- (zeshonderdvijfentwintigduizend Euro) op grond van artikel 54e van het Wetboek van Strafrecht op te leggen aan de verdachten Van Trikt Robert Gray en Angnoe Ashween Ryan.
- verbeurdverklaring van het onroerend goed te weten Orion Capital Investments N.V. gevestigd aan de [adres] te Paramaribo, op grond van artikel 50 van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 50 a van het Wetboek van Strafrecht lid 1 onder a;
- verbeurdverklaring van het voertuig van het merk Range Rover, dat bij de verdachte Angnoe, Ashween in beslag is genomen.
- de handhaving van het bevel tot gevangenhouding van de verdachte.
Het Hof verenigt zich met het bestreden vonnis, onder aanvulling van de gronden waarop dit berust. Het Hof kan zich evenwel niet terugvinden in de hoogte van de opgelegde straf en de verbeurdverklaring van het onroerend goed aan de [adres] te Paramaribo en zal daarop terugkomen bij de strafmotivering.
De tenlastelegging
Aan dit vonnis is als bijlage 1 gehecht een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de inleidende dagvaarding, waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.
Indien in de tenlastelegging taal-en/of schrijffouten voorkomen, zal het Hof deze verbeteren. De verdachte wordt daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De geldigheid van de inleidende dagvaarding
Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de dagvaarding nietig dient te worden verklaard. Hiertoe hebben de raadslieden – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat:
- er sprake is van een obscuur libel, daar de Anti-corruptiewet in samenhang met de Bankwet is ten laste gelegd. Het Openbaar Ministerie heeft middels een sluiproute een tenlastelegging geproduceerd met betrekking tot artikelen uit de Bankwet, waar geen sanctie op is gesteld en via een omweg aldus de Anti-corruptiewet ten laste gelegd.
- de bestanddelen van artikel 13 lid 1a en lid 2 van de Anti-corruptiewet ontbreken in de tenlastelegging. In casu is niet gesteld noch gebleken dat er sprake was van een gift of enige vorm van onrechtmatige zelfverrijking door verdachte. De verfeitelijking heeft dus niet plaatsgevonden.
- de ontnemingsmaatregel apart dient te worden behandeld en dat er naast het strafvonnis een apart ontnemingsvonnis dient te komen. Er is nimmer een strafrechtelijk financieel onderzoek gevorderd door het Openbaar Ministerie.
Verweer met betrekking tot obscuur libel
Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat er sprake is van een obscuur libel, daar de Anti-corruptiewet in samenhang met de Bankwet is ten laste gelegd.
Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:
Het Hof begrijpt dat de verdediging zich hierbij richt op artikel 35 a van de Bankwet, waarbij uitdrukkelijk is bepaald dat artikel 21 lid 2 en lid 4 strafbare feiten (misdrijven) opleveren. Artikel 13 lid 1 a van de Anti-corruptiewet is gericht op het verbod om in strijd te handelen met de ter zake geldende wettelijke voorschriften, voorwaarden of procedures. Volgens de Memorie van Toelichting (MVT) op dit artikel betreft het handelingen, besluiten en adviezen door een publieke functionaris verricht of genomen in strijd met de voor besluitvorming vastgestelde voorschriften, voorwaarden of procedures. Dit wil zeggen dat de Anti-corruptiewet niet beperkt is tot gedragingen die in wettelijke voorschriften expliciet aangemerkt zijn als misdrijven. Het verweer van de verdediging dat de verweten gedraging uit de Bankwet een strafbaar feit moet betreffen aleer tot vervolging kan worden overgegaan, is derhalve ongegrond en wordt verworpen.
In de visie van het Hof leidt dit niet tot een obscuur libel en ook niet tot nietigheid van de inleidende dagvaarding. Gelet op het voorgaande verwerpt het Hof het daartoe strekkend verweer van de verdediging.
Verweer met betrekking tot het ontbreken van de bestanddelen van artikel 13 lid 1a en lid 2 van de Anti-corruptiewet
Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat artikel 13 lid 1a en lid 2 van de Anti-corruptiewet ontbreekt in de tenlastelegging en dat niet gesteld noch gebleken is dat er sprake was van een gift of enige vorm van onrechtmatige zelfverrijking door verdachte.
Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:
Volgens de Memorie van Toelichting (MVT) betreft artikel 13 van de Anti-corruptiewet handelingen door een publieke functionaris verricht of besluiten door een publieke functionaris genomen die in strijd zijn met de voor de besluitvorming vastgestelde voorschriften, voorwaarden of procedures. Dit artikel geeft een niet uitputtende opsomming van enkele in het kader van corruptiebestrijding belangrijke handelingen en besluiten.
In het kader van dit artikel dient te worden verwezen naar de artikelen 426 en 427 van het Wetboek van Strafrecht, waarin het door een ambtenaar aannemen van giften of beloften en het aannemen van giften of beloften onder verzwarende omstandigheden als ambtsmisdrijven zijn strafbaar gesteld.
Deze wet richt zich tot de corruptie plegende publieke functionaris binnen de overheidssector.
Strafbaarheid van de publieke functionaris bestaat, indien door hem met een wettelijk voorschrift strijdige handelingen zijn verricht of besluiten zijn genomen met het aangetoonde, zodanige oogmerk om voor zichzelf of een ander enig voordeel te verkrijgen, of indien door die strijdige handelingen aan de Staat of Staatsinstelling enig nadeel wordt toegebracht. Het gaat hierbij om de publieke functionaris aan wie ter zake beslissings- of handelingsbevoegdheid is toegekend en om besluiten die eveneens een grondslag hebben in een wettelijk voorschrift.
Het Hof stelt vast dat strafbaarstelling in artikel 13 van de Anti-corruptiewet zich niet beperkt tot het voor zichzelf of een ander onrechtmatig voordeel te verkrijgen door de publieke functionaris. De strafbaarheid betreft ook de publieke functionaris die verboden handelingen heeft verricht en/of besluiten heeft genomen in strijd met de ter zake geldende wettelijke voorschriften, voorwaarden of procedures, waarbij aan de Staat of Staatsinstelling opzettelijk financieel nadeel wordt toegebracht of financieel nadelige voorwaarden worden bedongen. Het beschermd belang dat de wetgever bij vermeld artikel stelt is bescherming van de Staat of Staatsinstelling. Van het ontbreken van de bestanddelen van artikel 13 lid 1a en lid 2 van de Anti-corruptiewet is in de visie van het Hof geen sprake.
Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.
Verweer met betrekking tot de ontnemingsmaatregel en dat het Openbaar Ministerie nimmer een strafrechtelijk financieel onderzoek heeft gevorderd
Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de ontnemingsmaatregel apart dient te worden behandeld en dat er naast het strafvonnis een apart ontnemingsvonnis dient te komen.
Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:
Uit de Memorie van Toelichting van het Wetboek van Strafrecht volgt dat de ontnemingsmaatregel wordt ingevoerd ter bestrijding van de in aantal toegenomen georganiseerde lucratieve vormen van vooral internationale criminaliteit. Het accent voor de maatregel ligt op het afromen van het wederrechtelijk verkregen voordeel, inclusief alle daarmee verworven zaken of vermogensrechten en de eventueel weer uit de zaken of vermogensrechten verkregen voordelen.
Uit het onderzoek is komen vast te staan dat een deel (Euro 625.000) van het overgemaakt geld (euro 1.250.000) ten behoeve van Clairfield Benelux N.V. terug is gevloeid naar Suriname en wel ten behoeve van het bedrijf Orion Capital Investments N.V., waarvan verdachte Van Trikt de enige aandeelhouder is. Dit geld is overgemaakt vanuit Clairfield Benelux N.V. ten behoeve van verdachte Van Trikt; Angnoe en Buysse. Om deze overmaking te kunnen bewerkstelligen is er een vals document door Angnoe geproduceerd alsof de betaling van Euro 625.000 betrekking zou hebben op het project “Strength”, zijnde een project dat is uitgevoerd ten behoeve van de Hakrinbank N.V. door Clairfield Benelux N.V. en Orion Capital Investment N.V.
Voorts is komen vast te staan dat verdachte en zijn mededaders door middel van en uit de baten van de strafbare feiten wederrechtelijk voordeel hebben verkregen. De Kantonrechter in eerste aanleg heeft daarom in de visie van het Hof terecht bepaald dat verdachte het wederrechtelijk verkregen voordeel te weten het bedrag van Euro 625.000 (zeshonderdvijfentwintigduizend euro) terug moet betalen aan de Staat.
Volgens de Memorie van Toelichting van het Wetboek van Strafvordering gaat het bij deze maatregel niet zozeer om de gevaarlijkheid van de voorwerpen. De reden voor de invoering van deze maatregel is dat niemand voordeel behoort te hebben van zijn crimineel gedrag. Voor zover zulk voordeel is verkregen behoort dat te worden ontnomen, teneinde weer het maatschappelijk ‘evenwicht’ te herstellen.
Het Hof merkt op dat de bevoegdheid tot ontneming rechtstreeks volgt uit artikel 54e lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. Dit artikel stelt geen verplichting tot het vorderen van een Strafrechtelijk Financieel Onderzoek als voorwaarde voor het kunnen opleggen van een maatregel tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het ontbreken van een strafrechtelijk financieel onderzoek staat het opleggen van de ontnemingsmaatregel niet in de weg. Immers is in artikel 54e lid 1 van het Wetboek van Strafrecht het woord “kan” opgenomen, hetgeen in de visie van het Hof als facultatief moet worden uitgelegd. Van een imperatief voorschrift -zoals door de verdediging is aangevoerd- is in de visie van het Hof geen sprake.
De verweren van de verdediging worden -gelet op al het voorgaande- in al hun onderdelen verworpen.
Nu het Hof ook ambtshalve niet is gebleken van gebreken in de inleidende dagvaarding, is de dagvaarding naar het oordeel van het Hof geldig.
De bevoegdheid van het Hof van Justitie
Ten aanzien van de bevoegdheidsvraag zijn er geen verweren gevoerd door de verdediging. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden die de absolute competentie van het Hof regarderen, zodat het Hof bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak.
De ontvankelijkheid van de vervolgingsambtenaar
Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de vervolgingsambtenaar in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien:
- de Anti-corruptiewet niet uitvoerbaar en handhaafbaar is vanwege het ontbreken van de Anti-corruptie commissie. Een onvolledige wet kan nimmer als grondslag dienen voor een vervolging.
- er geen sprake is van schending van artikel 13 van de Anti-corruptiewet, omdat het delictsbestanddeel ‘wettelijk voorschrift” niet vervuld kan worden door de gedragingen genoemd in de artikelen 16 en 18 van de Bankwet, vanwege het ontbreken van de ‘Wet Bestuursrecht’.
Verweer met betrekking tot het ontbreken van de Anti-corruptie commissie
Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de Anti-corruptiewet niet uitvoerbaar en handhaafbaar is vanwege het ontbreken van de Anti-corruptie commissie. Een onvolledige wet kan nimmer als grondslag dienen voor een vervolging.
Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:
Uit de Memorie van Toelichting (MVT) van de Anti-corruptiewet volgt dat de commissie een preventieve taak heeft. Eén van de doelstellingen van de preventieve aanpak door de commissie is dat er gewerkt wordt aan transparantie binnen de overheidssector en dat er een proces van bewustwording en verdere discussie binnen de werkorganisaties op gang komt over integer bestuur. In dit verband is het mogelijk dat de commissie op verzoek een integriteitsonderzoek in gang zet binnen de organisatie van een orgaan of instelling. Verder kan de commissie ondersteunen bij het identificeren van risico’s in gevallen van belangenverstrengeling binnen de organisatie, waarbij het kan gaan om risico’s die ontstaan door externe en interne oorzaken binnen de organisatie.
Samengevat hebben de taken van de commissie te maken met preventie, signalering, analyse, beleidsadvisering, monitoring, educatie, het ontwikkelen van integriteitscodes en het onderhouden van contacten met (inter) nationale instanties. Het laatste mede met het oog op financieel- en technische ondersteuning op het gebied van corruptie preventie. De (repressieve) bestrijding van corruptie en de bepaling van de opportuniteit van de opsporing en vervolging in corruptiezaken, valt onder de exclusieve bevoegdheid van het Openbaar Ministerie en de Procureur-Generaal. Na intake van een gemelde misstand wordt elke geregistreerde melding door de commissie volledig overgedragen aan de Procureur-Generaal om de behandeling van de gemelde misstand over te nemen.
Het Hof stelt voorop dat uit de Memorie van Toelichting van de Anti-corruptiewet niet blijkt dat het hebben van een commissie een noodzakelijke voorwaarde is om een strafrechtelijke vervolging in te stellen. Artikel 18 van de Anti-corruptiewet vermeldt dat bepalingen als bedoeld in artikel 17 lid 1 en lid 2 van de Anti-corruptiewet worden gekwalificeerd als misdrijven en is het Openbaar Ministerie bevoegd tot het vervolgen van gepleegde strafbare feiten.
Het Hof verwerpt derhalve het daartoe strekkend verweer.
Verweer erop neerkomende dat er geen sprake is van schending van artikel 13 van de Anti-corruptiewet, omdat het delictsbestanddeel ‘wettelijk voorschrift’ niet vervuld kan worden door de gedragingen genoemd in de Bankwet, vanwege het ontbreken van de ‘Wet Bestuursrecht”.
Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat er geen sprake is van schending van artikel 13 van de Anti-corruptiewet.
Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:
Door de jurisprudentie en de literatuur is uitgemaakt wat onder wettelijk voorschrift wordt verstaan namelijk wetten (voorschriften, voorwaarden en procedures) gegeven door instanties met wetgevende bevoegdheid.
Inderdaad kent Suriname geen Wet Bestuursrecht, maar dat betekent niet dat er geen wettelijke voorschriften bestaan, die gelden binnen de publieke sector.
Aan het begrip wettelijk voorschrift in de Anti-corruptiewet komt specifieke betekenis toe, zoals verwoord in de memorie van toelichting. Deze wet richt zich tot de corruptie plegende publieke functionaris. Deze wet heeft niet rechtstreeks betrekking op de handelingen van (individuele) burgers/personen buiten de overheidssector als het gaat om fraude en corruptief gedrag. In artikel 13 lid 1a van de Anti-corruptiewet is bepaald dat strafbaarheid van de publieke functionaris bestaat, indien door hem met een wettelijk voorschrift strijdige handelingen zijn verricht of besluiten zijn genomen met het aangetoonde zodanige oogmerk om voor zichzelf of een ander enig voordeel te verkrijgen of indien door die strijdige handelingen aan de Staat of Staatsinstelling enig nadeel wordt toegebracht.
Het gaat hierbij om de publieke functionaris aan wie ter zake beslissings-of handelingsbevoegdheden zijn toegekend en om besluiten die eveneens een grondslag hebben in een ‘wettelijk voorschrift’.
Dit zijn verboden en geboden die betrekking hebben op wettelijke voorschriften die in verschillende wettelijke regelingen zijn vastgelegd.
Hieruit valt af te leiden dat de bepalingen van de Bankwet wettelijke voorschriften zijn, welke wet is uitgevaardigd door de daartoe bevoegde autoriteiten. Een wettelijk voorschrift is elke regelgeving, uitgevaardigd door een daartoe bevoegde autoriteit. De Bankwet bevat regels, waaraan de bank zich dient te houden en zijn het dus wettelijke voorschriften. Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.
De verweren worden -gelet op het voorgaande- mitsdien in al hun onderdelen verworpen.
Nu voor het overige door de verdediging geen andere feiten of omstandigheden zijn aangevoerd, die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, is het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging.
Schorsing van de vervolging
Er zijn geen omstandigheden gebleken casu quo geen verweren gevoerd die nopen tot het schorsen van de vervolging. De vervolging kan dus voortgezet worden.
De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
Vanuit de zijde van de verdediging is aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de algehele tenlastelegging.
Ten aanzien van de feiten I en II
De raadslieden hebben ter terechtzitting van het Hof bepleit dat verdachte van de onder I en II ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat:
- de verdachte geen publieke functionaris is en de Anti-corruptiewet niet van toepassing is op hem.
- het rapport Kroll A. Division Duff & Phelps aangeeft dat er geen nadelige contracten zijn gesloten en dat de bedragen niet hoog en oneigenlijk waren. Een dergelijke nadelige contractvoorwaarde dient aangetoond te worden. Bovendien is de “good governance” van de Centrale Bank van Suriname bevestigd en heeft er ook geen onafhankelijk accountantsonderzoek plaatsgevonden. Voorts is aangevoerd dat blijkens het jaarverslag van de Centrale Bank van Suriname over het boekjaar 2019 blijkt dat 2019 het tweede jaar is dat met een positief resultaat is afgesloten.
- er geen sprake is van medeplegen. De samenwerking tussen Van Trikt en zijn mededaders vloeide enkel en alleen voort uit de wet, waarbij monetaire autoriteiten verplicht zijn met elkaar te overleggen. Het overleggen met elkaar is geen strafbaar feit.
- bij de bank er nimmer aanbestedingen zijn gehouden en dat er geen regel binnen de bank is dat contracten naar de juridische afdeling gestuurd moeten worden. Niet bewezen is dat verdachte Van Trikt in strijd heeft gehandeld met de geldende voorwaarden of wettelijke voorschriften of procedures.
- de enkele omstandigheid dat Van Trikt aandeelhouder is van Orion Assurance and Advisory, betekent niet dat er sprake is van belangenverstrengeling.
- het vonnis in eerste aanleg ondeugdelijkheden dan wel onvolkomenheden bevat.
- de verbeurdverklaring van het onroerend goed Orion Capital Investments N.V. gevestigd aan de [adres] dient te worden vernietigd en dit pand ter beschikking dient te worden gesteld van de rechtspersoon en haar bestuurders. De verbeurdverklaring is nergens gemotiveerd. De verdediging constateert dat het goed reeds in bezit was van de verdachte Van Trikt voordat de vermeende strafbare feiten werden gepleegd.
Verweer met betrekking tot de publieke functionaris
Van de zijde van de verdediging is aangevoerd, dat de verdachte geen publieke functionaris is en de Anti-corruptiewet niet van toepassing is op hem.
Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:
Een publieke functionaris is iemand die in dienst is van de Overheid of een semi overheidsorganisatie en een taak vervult die het publieke belang dient. De term functionaris kan ook verwijzen naar iemand met een belangrijke functie binnen een organisatie, die aan het publieke domein gerelateerd is.
In artikel 13 van de Anti-corruptiewet is het volgende bepaald: Het is een publieke functionaris in de uitoefening van zijn functie verboden om handelingen te verrichten, te adviseren en besluiten te nemen, waarbij door hem is gehandeld in strijd met de ter zake geldende wettelijke voorschriften, voorwaarden of procedures, om voor zichzelf enig onrechtmatig voordeel te verkrijgen en/of waarbij aan de Staat of een staatsinstelling opzettelijk enig financieel nadeel wordt toegebracht of financieel nadelige voorwaarden worden bedongen.
Artikel 20 van de Bankwet van 1956 luidt als volgt: De Bank belast zich kosteloos met de werkzaamheden van staatskassier en treedt op als bankier van de Staat in alle plaatsen waar zij gevestigd is, of agentschappen zal openen.
Uit het voorgaande kan gesteld worden dat de Centrale Bank van Suriname een publieke organisatie casu quo Staatsinstelling is.
Artikel 1g van de Anti-corruptiewet geeft aan dat een publieke functionaris iedere persoon, autoriteit of orgaan is belast met een publieke functie.
Conclusie: Verdachte Van Trikt was de governor van de Centrale Bank van Suriname en is hij een publieke functionaris. De Anti-corruptiewet is van toepassing op hem. Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.
Verweer met betrekking tot het rapport Kroll A. Division Duff & Phelps
Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat het rapport Kroll A. Division Duff & Phelps aangeeft dat er geen nadelige contracten zijn gesloten en dat de bedragen niet hoog en oneigenlijk waren. Een dergelijke nadelige contractvoorwaarde dient aangetoond te worden. Bovendien is de “good governance” van de Centrale Bank van Suriname bevestigd en heeft er geen onafhankelijk accountantsonderzoek plaatsgevonden.
Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:
Uit het rapport Kroll A. Division Duff & Phelps is onomstotelijk komen vast te staan dat:
- er oneigenlijk hoge bedragen zijn betaald voor de overeenkomst Prodigy 1, Prodigy 2, Prodigy 3 en Lagarde I. Hetgeen betaald is staat niet in verhouding tot hetgeen door Clairfield is geleverd.
- Clairfield niet over de nodige kwaliteiten beschikt om werkzaamheden te verrichten in het kader van één of meer van voormelde overeenkomsten.
- de vooruitbetalingen ten aanzien van de projecten Prodigy 1, Prodigy 2, Prodigy 3 buitensporig hoog en niet gebruikelijk waren. Uit het rapport is voldoende aangetoond dat de contracten nadelig waren voor de Staat Suriname.
- met betrekking tot de “non refundable fees” waren de tegenprestaties in onderhavig geval niet evenredig met de geleverde diensten door Clairfield.
Uit de zich in het dossier bevindende stukken kan geconcludeerd worden dat er geen noodzaak was voor het sluiten van de overeenkomsten.
Het Hof verwijst in dit verband eveneens naar het vonnis van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel, gewezen op 20 oktober 2022, waarbij genoemde rechtbank de nietigheid van de overeenkomsten Prodigy 1, Prodigy 2, Prodigy 3, Prodigy 5 en Lagarde I heeft uitgesproken. Clairfield is daarbij veroordeeld tot terugbetaling aan de Centrale Bank van Suriname van een bedrag groot Euro 2.552.932.59,- (twee miljoen vijfhonderdtweeënvijftigduizend negenhonderdtweeëndertig euro en negenenvijftig cent).
In de visie van het Hof doet het enkele feit dat het jaarverslag van de Centrale Bank van Suriname het boekjaar 2019 met een positief resultaat is afgesloten, de eerder gepleegde strafbare handelingen van de verdachte niet teniet.
Het Hof verwerpt -gelet op al het voorgaande- het daartoe strekkend verweer.
Verweer met betrekking tot medeplegen
Van de zijde van de verdediging is aangevoerd, dat er geen sprake is van medeplegen. De samenwerking tussen Van Trikt en zijn mededaders vloeide enkel en alleen voort uit de wet, waarbij monetaire autoriteiten verplicht zijn met elkaar te overleggen. Het overleggen met elkaar is geen strafbaar feit.
Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:
Het Hof stelt voorop dat de betrokkenheid van verdachte aan een strafbaar feit als medepleger kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten en zijn – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict zodanig wezenlijk dan wel van dusdanig voldoende gewicht is, dat sprake is van medeplegen.
Uit het onderzoek is komen vast te staan dat verdachte samen met zijn mededaders overeenkomsten heeft gesloten met Clairfield Benelux N.V. en/of Buysse Hans, terwijl er geen noodzaak was voor het sluiten van de overeenkomsten. Voor de overeenkomsten is er aan voorschotten een totaalbedrag van € 2.471.000,- (twee miljoen vierhonderdéénenzeventigduizend euro) betaald aan Clairfield Benelux N.V. en/of Buysse Hans. Verdachte en zijn mededaders hebben hieromtrent meerdere overleg momenten met elkaar gehad. Uit de overeenkomsten met Clairfield Benelux N.V. is de aankoop van de 17 onroerende goederen voortgevloeid, waarvoor de governor autorisatie heeft verleend. Voor de aankoop van de panden is er door de Centrale Bank van Suriname betaald, zonder dat de panden zijn overgedragen aan de Bank. Naderhand is komen vast te staan dat 9 van de 17 panden niet aan de Staat toebehoren. Van Trikt was conform de Bankwet niet bevoegd om onroerende goederen te kopen. Indien de koop van onroerende goederen noodzakelijk was, dan zou hij afstemming moeten hebben gepleegd met de Raad van Commissarissen (RvC) van de Centrale Bank van Suriname. Behalve de overeenkomst met Clairfield Benelux N.V. heeft verdachte ook overeenkomsten gesloten met Orion Assurance and Advisory N.V. en/of Angnoe Ashween, waarbij de Centrale Bank van Suriname een bedrag van SRD. 1.142.643,75,- (een miljoen honderdtweeënveertigduizend zeshonderddrieënveertig Surinaamse dollar en vijfenzeventig cent) heeft betaald. Van Trikt heeft de medeverdachte Angnoe Ashween als zijn adviseur en sparringpartner bij de Bank aangetrokken. Hij heeft Angnoe doen participeren aan de totstandkoming van meerdere overeenkomsten gesloten met Clairfield Benelux. N.V. Uit het onderzoek is gebleken dat er sprake was van belangenverstrengeling, aangezien Angnoe zakenpartner en samen met Van Trikt mede-aandeelhouder is van Orion (N.V.). Ook heeft verdachte samen met zijn medeverdachte Angnoe bewerkstelligd dat een bedrag van Euro 625.000,- (zeshonderdvijfentwintigduizend euro) ten behoeve van Orion Capital Investment N.V. is teruggevloeid naar Suriname. Dit geld is overgemaakt vanuit Clairfield Benelux N.V. ten behoeve van verdachte. Om deze overmaking te kunnen bewerkstelligen is er een vals document door Angnoe geproduceerd alsof de betaling van Euro 625.000,- (zeshonderdvijfentwintigduizend euro) betrekking zou hebben op het project Strength. Met dit geld heeft verdachte aflossingen gepleegd ten behoeve van leningen aan Orion en ook persoonlijke leningen. Voorts heeft verdachte in afstemming met medeverdachte Hoefdraad, de royalty overeenkomst op 1 november 2019 ondertekend, waarbij is toegestaan dat Hoefdraad een bedrag van SRD 2.2 miljard mocht “trekken” van de Centrale Bank van Suriname. Dit geheel in strijd met artikel 18 lid 1 en 2 van de Bankwet, daar er sprake is van blancokrediet. Hiermee hebben verdachten zich schuldig gemaakt aan ambtsverduistering. Ook is er Euro 100.000,- (honderdduizend euro) via de in België gevestigde vereniging Limebridge VZW overgemaakt in Nederland op een rekening van [naam] ten behoeve van MN Carcenter als aanbetaling voor de aanschaf van een Range Rover. Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte, door een document inhoudende statistieken of tabellen met totaal bedragen betreffende valuta-interventies, valselijk te laten opmaken. Ook is het document “Incoming Payments” valselijk opgemaakt. Dit document was bestemd voor de afdeling Meldpunt Ongebruikelijke Transacties (M.O.T).
Uit het boven aangehaalde blijkt dat verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de totstandkoming van de strafbare feiten. Zijn bijdrage was van voldoende gewicht en was hij op de meest cruciale momenten namelijk bij het sluiten van de overeenkomsten aanwezig. Op grond hiervan is het Hof van oordeel dat verdachte en zijn mededaders samen hebben opgetreden en dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders.
Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.
Verweer met betrekking tot het houden van aanbestedingen
Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat er bij de bank nimmer aanbestedingen zijn gehouden en dat er geen regel binnen de bank is dat contracten naar de juridische afdeling gestuurd moeten worden.
Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:
Uit het onderzoek is gebleken dat het geen gebruik is dat er binnen de Bank aanbestedingen worden gehouden. In de visie van het Hof is dit echter geen vrijbrief om overeenkomsten te sluiten, zonder de juridische afdeling te raadplegen. De getuige [getuige 1], zijnde de ex governor van de bank heeft verklaard dat hij overeenkomsten meteen stuurde naar de juridische afdeling voor advies. Verdachte Van Trikt zou voor het sluiten van de overeenkomsten met Clairfield Benelux N.V. aanbestedingen moeten houden en zou hij terug moeten koppelen met de juridische afdeling. Ook heeft de getuige [getuige 2] verklaard dat de juristen van de Bank doorgaans betrokken worden voor de beoordeling van de gesloten overeenkomsten. Verder is er binnen de Bank een Handboek van deugdelijk bestuur van de Centrale Bank van Suriname, de Bankwet en ook de Corporate Governance Code, waaraan de governor zich dient te houden. Het Handboek van Deugdelijk bestuur van 2019 is onder leiding van de verdachte Van Trikt samengesteld. Verdachte wordt dus geacht op de hoogte te zijn geweest van de inhoud van dit Handboek.
Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.
Verweer met betrekking tot belangenverstrengeling
Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de enkele omstandigheid dat Van Trikt aandeelhouder is van Orion Assurance and Advisory N.V., niet betekent dat er sprake is van belangenverstrengeling.
Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:
Het Handboek van Deugdelijk bestuur van de bank geeft aan dat elke vorm van en de schijn van belangenverstrengeling tussen de Bank en de directieleden vermeden moet worden. Deze bepaling is eveneens van toepassing op de president van de bank. Uit het onderzoek is komen vast te staan dat er sprake is van belangenverstrengeling bij het aangaan van de overeenkomsten met Orion Assurance and Advisory N.V. en Clairfield Benelux N.V. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij ten tijde van het ondertekenen van de overeenkomst belangen had bij Orion.
De getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij niet wist dat verdachte Van Trikt aandeelhouder was van Orion. Hij ziet dit wel als belangenverstrengeling.
De getuige [getuige 4] heeft het navolgende verklaard (citaat): ˶volgens de ex- governor Van Trikt had hij geen banden met Orion, behalve dat het gebouw waarin Orion gevestigd was aan hem toebehoorde en dat hij en zijn gezin leefden van de huuropbrengsten van het gebouw. Indien ik had geweten dat hij aandeelhouder was bij Orion zou ik de overeenkomst met betrekking tot FID niet hebben mede geparafeerd.”
Naar de mening van het Hof is uit het onderzoek gebleken dat wel degelijk sprake was van belangenverstrengeling. Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.
Verweer met betrekking tot de ondeugdelijkheid van het vonnis
Van de zijde van de verdediging is aangevoerd, dat het bestreden vonnis ondeugdelijk en tegenstrijdig is dan wel onjuistheden bevat.
Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:
De Kantonrechter in eerste aanleg heeft het vonnis voldoende gemotiveerd. Uit de opgesomde bewijsmiddelen is genoegzaam gebleken dat de strafbare feiten daadwerkelijk zijn gepleegd. De getuigen hebben elk afzonderlijk en gedetailleerd verklaard wat zich heeft afgespeeld. Ook zijn er schriftelijke bewijsstukken waaruit blijkt dat verdachte en zijn mededaders zich schuldig hebben gemaakt aan de strafbare feiten. Het Hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van deze bewijsmiddelen. Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte en mededaders de bewezenverklaarde feiten hebben begaan op feiten en omstandigheden die in de aangehaalde bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. Het is het Hof overigens niet gebleken dat het vonnis in eerste aanleg ondeugdelijk casu quo tegenstrijdig is dan wel onjuistheden bevat.
Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.
Verweer met betrekking tot de verbeurdverklaring van het pand aan de [adres]
Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de verbeurdverklaring van het onroerend goed Orion Capital Investments N.V. gevestigd aan de [adres] vernietigd wordt en dit pand ter beschikking wordt gesteld van de rechtspersoon en haar bestuurders. De verbeurdverklaring is nergens gemotiveerd. Het goed was reeds in bezit van Van Trikt voordat de vermeende strafbare feiten werden gepleegd, aldus de verdediging.
Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:
Uit een uittreksel van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken (K.K.F) is gebleken dat Orion Capital Investments N.V. als adres heeft staan [adres] te [plaats]. Voormelde N.V. is op 23 maart 2017 opgericht en ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken op 31 maart 2017 en had toen als adres [adres]. Verder is uit een hypothecair uittreksel van het MI GLIS gebleken dat Orion Capital Investments N.V. het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot éénduizend tweehonderd vier en tachtig vierkante meters, gelegen te [perceelligging] heeft verkregen door overschrijving ten kantore van MI GLIS op 27 april 2017. Orion Capital Investments N.V. heeft dus vervolgens kantoor gehouden op bovenvermeld adres.
Met de verdediging is het Hof eens dat het goed reeds in het bezit was van verdachte Van Trikt voordat de vermeende strafbare feiten werden gepleegd.
Het daartoe strekkend verweer acht het Hof derhalve gegrond.
Het Hof zal dit onderdeel van het beroepen vonnis vernietigen en dit onroerend goed wederom ter beschikking stellen van de rechtmatige eigenaar (rechthebbende(n)).
Ten aanzien van feit IIIA
De raadslieden hebben ter terechtzitting van het Hof bepleit dat verdachte van het onder IIIA ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat:
- er geen sprake is van Money Laundering, omdat er geen sprake is van verwerven. Van Trikt heeft niets te maken gehad met de activiteiten van Orion. De aankoop van de Range Rover van Orion per bank is geschied met de formele inkomsten van de rechtspersoon Orion.
Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:
Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan witwassen bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat de ten laste gelegde voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de ten laste gelegde voorwerpen afkomstig zijn uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is vereist dat die voorwerpen afkomstig zijn uit enig misdrijf. Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien die situatie zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft omtrent de herkomst van dat voorwerp. Zo een verklaring dient te voldoen aan het vereiste dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.
Uit het onderzoek is komen vast te staan dat een deel (Euro 625.000,-) van het overgemaakt geld (euro 1.250.000) ten behoeve van Clairfield Benelux N.V. terug is gevloeid naar Suriname en wel ten behoeve van het bedrijf Orion Capital Investment N.V., waarvan verdachte Van Trikt aandeelhouder is. Dit geld is overgemaakt vanuit Clairfield Benelux N.V. ten behoeve van verdachte Van Trikt, Angnoe en Buysse. Om deze overmaking te kunnen bewerkstelligen is er een vals document door Angnoe geproduceerd alsof de betaling van Euro 625.000 ,- (zeshonderdvijfentwintigduizend euro) betrekking zou hebben op het project “Strength”, zijnde een project dat is uitgevoerd ten behoeve van de Hakrinbank N.V. door Clairfield Benelux N.V. en Orion Capital Investments N.V.
Uit het onderzoek is komen vast te staan dat de overmaking van het bedrag Euro 1250.000,- (één miljoen tweehonderdenvijftigduizend euro) ten behoeve van het project “Strength” dubieus bleek te zijn, daar dit project nooit zoveel zou kunnen hebben gekost.
De verdachte heeft ter terechtzitting d.d. 7 november 2022 hieromtrent verklaard dat geen enkele overmaking via de informele weg is gegaan. Alles heeft dus via de formele weg plaatsgevonden. In de visie van het Hof blijkt uit het onderzoek het tegendeel.
Voorts is uit het financieel onderzoek komen vast te staan dat met het bedrag groot Euro 625.000,- (zeshonderdvijfentwintigduizend euro) er aflossingen zijn gepleegd namelijk zijn er leningen van Orion afgelost bij de Bank, alsook persoonlijke leningen.
Uit het onderzoek is in de visie van het Hof komen vast te staan dat verdachte en mededaders door middel van en uit de baten van de strafbare feiten wederrechtelijk voordeel hebben verkregen. Verdachte en zijn medeverdachte hebben bewust de herkomst van het geld proberen te verhullen. De feiten en omstandigheden zijn van dien aard om vast te stellen dat er sprake is van witwassen, nu met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat de gelden een criminele herkomst hebben. Immers heeft de verdachte geen concrete verifieerbare verklaring afgelegd omtrent de herkomst van voormeld geldbedrag.
Voorts is gebleken dat er een bedrag van Euro 100.000,- (honderdduizend euro) van de bankrekening van de in België gevestigde vereniging Limebridge VZW, waarin Van Trikt, Angnoe en Buysse belangen hebben, is overgemaakt naar een rekening ten name van [naam] in Nederland. Deze overmaking geschiedde ten behoeve van MN Car Center als aanbetaling voor de aanschaf van de Range Rover. Dit voertuig was voor de verdachte Angnoe en/of Orion gekocht. Verdachte heeft geen deugdelijke verklaring over de financiële middelen van de vereniging Limebridge VZW afgelegd. Het is voor het Hof niet aannemelijk dat vermeld voertuig uit de inkomsten van Orion is gekocht.
Op grond van het hierboven aangehaalde is het Hof van oordeel dat er sprake is van verwerven en verwerpt het Hof het daartoe strekkend verweer.
Ten aanzien van feit IVA en VA
De raadslieden hebben ter terechtzitting van het Hof bepleit dat verdachte van de onder IVA en VA ten laste gelegde feiten, te weten verduistering, dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat:
- Van Trikt geen enkel middel aan zijn bestemming heeft onttrokken en nog minder enig middel wederrechtelijk heeft toegeëigend. Niet bewezen is dat er gebruik is gemaakt van enige valse constructie bij de overeenkomst van 1 november 2019. Ook is er geen sprake van verduistering in dienstbetrekking.
Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:
Volgens de memorie van toelichting op het Wetboek van Strafrecht wordt aangetekend dat het begrip verduisteren in de zin van artikel 423 van het Wetboek van Strafrecht een ruimer bereik heeft dan in artikel 381 van het Wetboek van Strafrecht. Het betekent niet dat de dader zich het voorwerp wederrechtelijk toe-eigent, maar dat de dader het goed wederrechtelijk onttrekt aan waar het voor bestemd is.
In casu is uit het onderzoek komen vast te staan dat verdachte samen met zijn mededaders gelden heeft onttrokken bij de Centrale Bank van Suriname. Bij de overeenkomst van 1 november 2019, zijnde de royalty overeenkomst, heeft verdachte van Trikt zijn medeverdachte Hoefdraad toegestaan om 2.2 miljard te trekken van de Centrale Bank van Suriname. Hierdoor zijn de artikelen 18 lid 1 en 21 van de Bankwet overtreden, daar er sprake is geweest van blancokrediet. Ook is gebleken dat er bij de aankoop van de 17 panden door de verdachte van Trikt, er nimmer schuldverrekening heeft plaatsgevonden. Integendeel heeft van Trikt aan de medeverdachte Hoefdraad, zijnde de minister van Financiën, een bedrag van Euro 105 miljoen betaald voor de aankoop van de panden. Verder is uit het onderzoek gebleken dat Van Trikt gelden tot een totaalbedrag van SRD 2.8 miljard toebehorende aan de Centrale Bank van Suriname heeft laten verduisteren door de medeverdachte Hoefdraad. Om deze transacties te kunnen bewerkstelligen zijn er valse constructies toegepast. Uit het onderzoek is onomstotelijk komen vast te staan dat verdachte en zijn mededaders de gelden hebben onttrokken aan hun bestemming.
Voorts was de verdachte Van Trikt governor van de Centrale Bank van Suriname. In die hoedanigheid heeft hij toegestaan dat de medeverdachte Hoefdraad gelden heeft onttrokken van de Centrale Bank van Suriname. Van Trikt bevond zich in de positie om de bestemming van de goederen te wijzigen en/of te bepalen.
Het Hof is van oordeel dat er in casu wel sprake is van ambtsverduistering en verwerpt het daartoe strekkend verweer.
Ten aanzien van feit VI
De raadslieden hebben ter terechtzitting van het Hof bepleit dat verdachte van het onder VI ten laste gelegde feit, te weten valsheid in geschrifte, dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat:
- er niet gemanipuleerd is met cijfers betreffende de valuta-interventie.
Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:
De getuigen [getuige 4]; [getuige 3] en [getuige 5] hebben elk afzonderlijk en gedetailleerd verklaard dat verdachte Van Trikt hen onder druk heeft gezet om een document inhoudende statistieken of tabellen met totaal bedragen betreffende de valuta- interventies, vanaf maart 2019 tot en met juli 2019, valselijk te laten opmaken. Het Hof heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van deze getuigen. Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.
Ten aanzien van feit VIIA
De raadslieden hebben ter terechtzitting van het Hof bepleit dat verdachte van het onder VIIA ten laste gelegde feit, te weten valsheid in geschrifte, dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat:
- er geen sprake is van antidatering. Van Trikt heeft nimmer de opdracht gegeven tot antidatering bij het opmaken van de koopovereenkomst betreffende de aanschaf van de Range Rover ten behoeve van hem.
Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:
Uit het onderzoek is gebleken dat de getuige [getuige 6] heeft verklaard dat er in opdracht van de verdachte Van Trikt een valse datum te weten 19 augustus 2019 in stede van 13 januari 2020 moest worden vermeld in de leenovereenkomst betreffende de Range Rover. Dit is geheel in strijd met de waarheid en heeft Van Trikt hierdoor doen overkomen alsof de aankoop van het voertuig correct is geweest.
Naar het oordeel van het Hof is hier wel sprake van antidatering, hetgeen valsheid in geschrifte oplevert. Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is
Het bewezenverklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:
- I medeplegen van het eerste lid van artikel 13 van de Anti-corruptiewet, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 13 lid 1 juncto artikel 17 van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no. 85 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 35 a van de Wet van 20 mei 2005, inhoudende nadere wijziging van de Bankwet 1956, zoals deze luidt na wijziging laatstelijk bij decreet van 8 november 1986 (S.B. 1986 no. 73).
- II medeplegen van het tweede lid van artikel 13 van de Anti-corruptiewet, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 13 lid 2 juncto artikel 17 van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no. 85 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 35 a van de Wet van 20 mei 2005, inhoudende nadere wijziging van de Bankwet 1956, zoals deze luidt na wijziging laatstelijk bij decreet van 8 november 1986 (S.B. 1986 no. 73).
- IIIA medeplegen van opzettelijke Money Laundering, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 1b van de Wet Strafbaarstelling Money Laundering S.B. 2002 no. 64 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht;
- IVA medeplegen van verduistering van geld of geldwaardig papier, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 423 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht;
- VA medeplegen van verduistering van geld of geldwaardig papier, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 423 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht;
- VI doen plegen van valsheid in geschrifte, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 278 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht;
- VIIA-vervalsing van bescheiden door een ambtenaar of een ander met enige openbare dienst voortdurend of tijdelijk belast persoon, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 424 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht.
De strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
Verdachte is dan ook strafbaar.
De op te leggen straf
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het Hof rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte en zijn mededaders hebben zich gedurende langere periode schuldig gemaakt aan grootschalige corruptie. Verdachte en zijn mededaders hebben samengewerkt aan het tot stand komen van overeenkomsten met Clairfield Benelux N.V. en Orion Assurance and Advisory N.V., waarbij er grote geldbedragen aan voorschotten zijn betaald. Gebleken is dat de overeenkomsten gesloten met Clairfield Benelux N.V. niet noodzakelijk waren voor de Centrale Bank van Suriname. Uit 2 van de overeenkomsten met Clairfield Benelux N.V. is de verkoop van onroerende goederen uitgerold. Deze onroerende goederen zijn door de Centrale Bank van Suriname gekocht en betaald, maar de panden zijn nimmer overgedragen aan de Bank. Verdachte en zijn mededaders hebben gedurende langere periode op systematische en geraffineerde wijze gehandeld, waarbij doelbewust misbruik is gemaakt van hun positie. Verdachte heeft zijn functie benut om op geraffineerde wijze controle te omzeilen en andere belangen te dienen. De verdachte was werkzaam als governor van de Centrale Bank van Suriname en had hij een verantwoordelijke functie.
Verdachte en zijn mededaders hadden slechts oog voor hun eigen financieel gewin en hebben daarbij geen rekening gehouden met de gevolgen van hun handelen voor de Staat Suriname. Het vertrouwen dat de samenleving had in verdachte, zijnde de governor van de Centrale Bank van Suriname, is ernstig aangetast. Juist van deze personen wordt verwacht dat zij integer zijn en zich inzetten voor de belangen van de staat. In de visie van het Hof levert een dergelijke vorm van georganiseerde misdaad een aanzienlijk schadelijke vorm van criminaliteit op. Het Hof rekent het de verdachten zwaar aan.
Met betrekking tot het gevorderde bevel tot gevangenneming van de verdachte door de vervolgingsambtenaar overweegt het Hof dat dit onderdeel van het gevorderde zal worden verworpen. De vervolgingsambtenaar heeft immers geen gronden aangevoerd die een bevel tot gevangenneming in deze fase van de behandeling van de strafzaak in hoger beroep zouden kunnen schragen. Voor zover de vervolgingsambtenaar ervan is uitgegaan dat de verdachte naar aanleiding van het requisitoir en de door haar voorgestelde straf terstond in voorlopige hechtenis diende te worden genomen, heeft de vervolgingsambtenaar verzuimd de daartoe benodigde gronden aan te voeren. Evenmin is het het Hof ambtshalve gebleken dat de noodzaak daartoe aanwezig was. In het geval dat de vervolgingsambtenaar het standpunt heeft gehuldigd dat bij een veroordeling met strafoplegging in hoger beroep de gevangenneming van de verdachte aan de veroordeling dient te worden gekoppeld, ziet het Hof de noodzaak daarvan niet in. In casu betreft het een vonnis van het Hof rechtsprekend in hoogste instantie waartegen er geen gewoon rechtsmiddel openstaat waardoor het vonnis kracht van gewijsde heeft verkregen en voor tenuitvoerlegging vatbaar is. Ingevolge het systeem van de wet ligt het op de weg van de vervolging om in het natraject van het uitgesproken vonnis tot ten- uitvoerlegging daarvan conform de toepasselijke wettelijke bepalingen over te gaan.
De persoon van de verdachte en zijn omstandigheden
Wat betreft de persoon van de verdachte heeft het Hof in het bijzonder gelet op de inhoud van de Staat van inlichtingen, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.
De verdachte is tijdens de behandeling van de zaak in hoger beroep op basis van humanitaire gronden in vrijheid gesteld. Het Hof heeft daarbij de medische toestand van verdachte mede in acht genomen.
Gelet op de hiervoor besproken aard en ernst van de feiten, en de rol van de verdachte in het geheel, is het Hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. Deze straf dient de verdachte en anderen duidelijk te maken dat met name corruptie niet ongestraft kan blijven. Het Hof zal bij het bepalen van een passende strafmaat rekening houden met het feit dat de verdachte zich in deze zaak geruime tijd op vrije voeten bevindt. Indachtig al het voorgaande zal het Hof aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren opleggen, hetwelk het Hof passend en geboden acht. Het beroepen vonnis zal derhalve op dit punt worden vernietigd.
Beslag
Het Hof is van oordeel dat het in beslag genomen onroerend goed te weten Orion Capital Investments N.V. gevestigd aan de [adres] te [plaats] (kadastraal bekend als het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot éénduizend tweehonderd vier en tachtig vierkante meters, gelegen te [perceelomschrijving], toebehoort aan de rechtspersoon casu quo haar bestuurders en aan hen moet worden teruggegeven, nu niet is komen vast te staan dat dit onroerend goed vatbaar is voor verbeurverklaring ingevolge het bepaalde in artikel 50a van het Wetboek van Strafrecht. Het beroepen vonnis zal derhalve op dit punt worden vernietigd.
De toepasselijke wettelijke bepalingen
Gezien de voormelde wetsartikelen, alsmede de artikelen 9, 11, 38, 40, 44, 50 a, 54e lid 1, 72, 82, 127, 278, 423 en 424 van het Wetboek van Strafrecht; artikel 13 juncto artikel 17 van de Anti-corruptiewet, en artikel 35 a van de Wet van 20 mei 2005, inhoudende nadere wijziging van de Bankwet 1956, zoals deze luidt na wijziging laatstelijk bij decreet van 8 november 1986 (S.B. 1986 no. 73) en artikel 1b van de Wet Strafbaarstelling Money Laundering, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van de bewezenverklaarde feiten.
Beslissing:
Het Hof van Justitie:
Rechtdoende in hoger beroep
Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton op
31 januari 2022 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep, onder aanvulling van gronden en met uitzondering van de opgelegde gevangenisstraf en de verbeurdverklaring zoals eerder vermeld. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd.
Vernietigt het vonnis ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en de verbeurdverklaring
en
Opnieuw rechtdoende in hoger beroep:
-veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren;
-beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak, te weten vanaf 6 februari 2020 tot en met 7 november 2022 in voorarrest doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.
Verbetert het dictum van het beroepen vonnis van de Kantonrechter met betrekking tot de ontnemingsmaatregel in dier voege dat dit als volgt komt te luiden:
-legt aan de verdachten Van Trikt en Angnoe de verplichting op tot betaling van het bedrag groot Euro 625.000,- (zeshonderdvijfentwintigduizend euro) op grond van artikel 54e lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, des de een betalende, de ander zal zijn bevrijd, aan de Staat.
Verbeurdverklaring
-Gelast de teruggave van het inbeslaggenomen onroerend goed te weten Orion Capital Investments N.V. gevestigd aan de [adres] te [plaats] (kadastraal bekend als het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot éénduizend tweehonderd vier en tachtig vierkante meters, gelegen te [perceelomschrijving], aan de rechthebbende(n).
Aldus gewezen door: A. Charan, Fungerend – President, S. Punwasi en mr. D. Nanhoe, rechters, bijgestaan door mr. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh, fungerend – griffier en uitgesproken door de fungerend – president voornoemd op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van maandag 19 januari 2026 te Paramaribo.
w.g. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh
w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. D. Nanhoe
Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. E.M. Ommen – Dors, Substituut Griffier)