- Instantie Hof van Justitie
- Zaaknummer 2026H00004
- Uitspraakdatum 27 januari 2026
- Publicatiedatum 02 april 2026
- Rechtsgebied Civiel recht
-
Inhoudsindicatie
Het Hof overweegt dat in casu door de houtexporteurs wordt gesteld dat er sprake is van een bestendig gebruik. Het zou dan betreffen een bestendig gebruik door een overheidsorgaan waarbij de houtexporteurs erop zouden mogen vertrouwen dat de handelingen die werden gepleegd, namelijk het in strijd met de waarheid vermelden van een houtsoort op de fytosanitaire certificaten met als doel dat niet toegestane houtsoorten konden worden ingeklaard in India, zouden worden voortgezet. Aan de orde is derhalve de vraag of er sprake was van een “bestendige gedragslijn” van een bestuursorgaan waardoor bij een burger/bedrijf een gerechtvaardigd vertrouwen is ontstaan dat de gedragslijn zou worden voortgezet.
Vooropgesteld moet worden dat de grondslag voor de binding van bestuursorganen aan bestendige gedragslijnen wordt gevonden in het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. De gedragingen van een bestuursorgaan die kunnen worden aangemerkt als bestendige gedragslijnen betreffen in de praktijk bijvoorbeeld communicatie methoden, zoals het toestaan van digitale aanvragen terwijl dat eigenlijk nog niet formeel is geregeld in de procedureregels, of het hanteren van een termijn terwijl er eigenlijk nog geen termijnen zijn vastgesteld in de regelgeving. In de praktijk is ook de zienswijze dat bestendige gedragslijnen van bestuursorganen na niet al te lange tijd moeten worden vastgelegd zodat het publiek daarvan, indien nodig, kennis kan nemen.
Gedragingen zoals het doen van valse opgaven op fytosanitaire certificaten, met als bedoeling die certificaten in een ander land te doen gebruiken zodat in het importerend land de houtlading wordt ingeklaard, terwijl het eigenlijk om houtsoorten gaat die in dat land niet mogen worden ingevoerd, kunnen niet worden aangemerkt als gedragingen die zouden moeten leiden tot een conclusie dat er sprake is van een bestendige gedragslijn van een bestuursorgaan. Immers, dat is niet een gedraging die de rechtszekerheid dient. Het betreft een gedraging in strijd met het recht, waaronder het bestuursrecht, doch ook in strijd met de internationale verdragen die in casu van toepassing zijn. In de regelgeving rond die verdragen is expliciet en terecht, opgenomen dat de certificaten naar waarheid opgemaakt moeten zijn.
Naar het oordeel van het Hof kan het niet als onrechtmatig worden aangemerkt als de Staat ertoe overgaat aan de bedrijven bekend te maken dat de regels zullen worden nageleefd. Nu de houtexporteurs zich er terdege van bewust zijn dat het vermelden van de benaming Mora Roundlogs in strijd is met de regelgeving van zowel Suriname als India, bedoeld is om verboden houtsoorten te importeren in India, en eerder reeds door de Staat is aangekondigd dat zulks niet zal worden voortgezet, hebben zij er terdege rekening mee te houden dat het valselijk vermelden van de benaming Mora Roundlogs zal worden stop gezet. Van een (strijd met een) gerechtvaardigd vertrouwen is naar dezerzijds oordeel dan ook geen sprake.
Houtexport; Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; Fytosanitaire certificaten; bestuursrecht;
Uitspraak
2026H00004
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
VONNIS
In de zaak van
DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
gevestigd te Paramaribo te diens Parkette aan de Limesgracht no. 92,
appellante, hierna te noemen “de Staat”,
gemachtigden: mr. D. Jairam en S. Nanda LLB, verbonden aan het Bureau Landsadvocaat,
tegen
A. PINNACLE TIMBER PRODUCTS N.V.,
B. GREEN WOOD WORLD N.V.,
C. HARMONY TIMBER N.V.,
D. WINTRIP INTERNATIONAL N.V.,
E. BAKHUIS FOREST N.V.,
F. ATLANTIC ASIA RESOURCES N.V.,
geïntimeerden, hierna te noemen “de houtexporteurs”,
geïntimeerden sub A, D, E en F, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo en geïntimeerden sub B en C gevestigd en kantoorhoudende in het district Wanica,
gemachtigden: mr. drs. S. Boedhoe en mr. J.M. Nibte, advocaten,
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 31 december 2025 (Civarnummer 202504949) tussen de houtexporteurs als eisers en de Staat als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.
Het procesverloop in hoger beroep
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:
- het proces-verbaal van 9 januari 2026 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat de Staat tegen genoemd vonnis op 9 januari 2026 hoger beroep heeft ingesteld;
- het proces-verbaal van de zitting van 15 januari 2026 tijdens welke zitting het pleidooi is gehouden en de tijdens het pleidooi overgelegde pleitnotities en producties;
- het proces-verbaal van de zitting van 23 januari 2026 tijdens welke zitting het antwoordpleidooi, het repliekpleidooi en het dupliekpleidooi is gehouden en de tijdens het antwoordpleidooi overgelegde pleitnotities en producties, en verder de tijdens het repliek pleidooi en dupliek pleidooi overgelegde producties en de uitlating daarover;
- het proces-verbaal van de tijdens de zitting van 23 januari 2026 gehouden comparitie van partijen.
De uitspraak is bepaald op heden.
De ontvankelijkheid van het hoger beroep.
- Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld. Het beroepen vonnis is immers op 31 december 2025 uitgesproken en de Staat heeft op 9 januari 2026 hoger beroep aangetekend. Dat is binnen de in de wet gestelde termijn.
- De houtexporteurs hebben als meest verstrekkende verweerpunt in hoger beroep aangevoerd dat de Staat niet-ontvankelijk verklaard moet worden in zijn hoger beroep omdat hij er geen belang bij heeft. Zij voeren daartoe aan dat het vonnis al ten uitvoer is gelegd, hetgeen tot een onomkeerbare situatie heeft geleid. De fytosanitaire certificaten zijn al uitgereikt en gebruikt bij de export van het hout vanuit Suriname en het inklaren daarvan in India. Dat kan niet teruggedraaid worden. Een andersluidende uitspraak zal geen gevolgen daarvoor hebben. Om die reden heeft de Staat geen enkel belang bij het appèl. De Staat maakt misbruik van het procesrecht door appèl aan te tekenen terwijl het juridisch belang ontbreekt.
- De Staat heeft op dit verweer gereageerd waarbij hij aanvoerde dat hij wel belang heeft bij het hoger beroep. Hij beroept zich op de herstelfunctie van het hoger beroep en wenst in hoger beroep alsnog het juiste verweer te voeren. Voorts stelt hij dat hij ten onrechte is veroordeeld tot het afgeven van fytosanitaire certificaten met daarop een valse opgave van de houtsoort. Dat moet door het Hof worden vastgesteld, zodat het kan worden gecorrigeerd.
- Het Hof overweegt met betrekking tot dit verweerpunt dat, afgezien van het belang dat de Staat terecht stelt te hebben, in het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (artikel 260) is opgenomen dat partijen bevoegd zijn hoger beroep in te stellen tegen een in eerste aanleg gewezen vonnis. Zo heeft ook de Staat er recht op om gebruik te maken van het rechtsmiddel van hoger beroep indien hij het niet eens is met de beslissing in eerste aanleg.
- Daarnaast wijst het Hof op één van de belangrijkste doelen van het hoger beroep namelijk het doel om hetgeen in eerste aanleg naar de mening van een partij fout is gegaan, te herstellen, de herstelfunctie van het hoger beroep. De Staat heeft in zijn hierna te bespreken eerste grief aangehaald dat het bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg zodanig is verlopen dat hij zeer in zijn verdediging is geschaad. Hij heeft aangevoerd dat hij geen verweer kon voeren omdat hij niet voldoende tijd had om alle documentatie waarvan hij zich wilde bedienen, te verzamelen. Hij st elde dat hij slechts een algemene reactie kon geven op stellingen en verder geen verweer kon voeren. Hij wenst derhalve in hoger beroep de gelegenheid te hebben om zijn verdediging op een juiste wijze te voeren.
- Het Hof gaat op grond van het voorgaande voorbij aan dit verweerpunt van de houtexporteurs.
- De Staat is ontvankelijk in het door hem aangetekend hoger beroep.
De feiten, de vordering en de beslissing in eerste aanleg
8. De houtexporteurs exporteren reeds jaren structureel rondhout naar India. Voor de utivoer van hout naar India is het fytosanitair certificaat essentieel en onmisbaar.
9. Zonder een door de Staat afgegeven fytosanitair certificaat is het voor de houtexporteurs niet mogelijk om een Certificaat van Oorsprong te krijgen van de Kamer van Koophandel en Fabrieken. Dit document is nodig voor internationale handel en inklaringen in India.
10.De houtexporteurs hebben in eerste aanleg primair gevorderd dat de Staat werd veroordeeld om binnen 24 uur na betekening de fytosanitaire certificaten af te geven voor alle reeds uitgevoerde en toendertijd onderweg zijnde houtladingen bestemd voor India. Ook werd gevorderd dat de kantonrechter bepaalt dat de certificaten conform het jarenlang gevoerde en bestendige gebruik, worden afgegeven onder de benaming “Mora Roundlogs”, alles op straffe van een dwangsom van SRD 5.000.000,= per uur voor elk uur dat de Staat weigerachtig is om gevolg te geven aan de veroordeling.
11. Subsidiair hebben de houtexporteurs gevorderd dat de Staat wordt veroordeeld om de ‘grace-period’ voor de houtexporteurs om de benaming “Mora Roundlogs” te gebruiken, te verlengen tot 15 januari 2026, op straffe van een dwangsom. Verder vorderden de houtexporteurs dat de Staat werd veroordeeld in de proceskosten en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.
12. De houtexporteurs legden aan hun vordering ten grondslag dat door de Staat gedurende langere periode een consistent, kenbaar en ononderbroken beleid is gevoerd, waarbij aan de houtexporteurs fytosanitaire certificaten zijn afgegeven voor de export van rondhout naar India, onder de benaming “Mora Roundlogs”. Deze langdurige en consequente praktijk kan als bestendig gebruik worden gekwalificeerd en heeft bij de houtexporteurs een gerechtvaardigd vertrouwen doen ontstaan dat ook bij voortzetting van hun reguliere exportactiviteiten, zoals bij alle voorgaande exporten, door de Staat wederom de vereiste fytosanitaire certificaten zouden worden verstrekt.
13. Verder stelden de houtexporteurs in hun grondslag dat zij hun bedrijfsvoering, internationale contracten en financiële verplichtingen aantoonbaar hebben afgestemd op dit bestendig overheidsoptreden. Zij mochten er dan ook redelijkerwijs op vertrouwen dat de Staat dit beleid niet plotseling, zonder voorafgaande aankondiging, zou wijzigen.
14. De kantonrechter heeft de vordering toegewezen en de Staat gelast om binnen 24 uur na betekening van het vonnis de fytosanitaire certificaten af te geven onder de benaming “Mora Roundlogs”, op straffe van een dwangsom van SRD 1.000.000,= per uur voor elke keer dat de Staat weigerachtig is om aan de veroordeling gevolg te geven.
De grieven en het antwoord op de grieven
15. De Staat heeft – samengevat en voor zover van belang – de volgende grieven tegen het vonnis aangevoerd:
Grief 1: de Staat heeft van de kantonrechter onvoldoende tot geen tijd gehad om kennis te nemen van de vordering en toegang te krijgen tot zijn verdedigingsmiddelen om een behoorlijk verweer te voeren, terwijl elke partij recht heeft op een eerlijk proces.
Grief 2: ten onrechte heeft de kantonrechter de Staat veroordeeld om de fytosanitaire certificaten af te geven, omdat de houtexporteurs geen aanvraag hebben ingediend voor de fytosanitaire certificaten voor de lading van het schip MV Odelmar. Omdat zij geen aanvraag hadden ingediend konden zij zich er ook niet op beroepen dat er sprake is van een weigering om de fytosanitaire certificaten af te geven.
Grief 3: ten onrechte heeft de kantonrechter in de beoordeling in het vonnis gesteld dat de lading hout van de houtexporteurs als bestemming had India en dat de Staat enige aanvraag van hen met betrekking tot deze lading hout heeft afgewezen. De Staat kan aantonen dat de lading hout op het schip MV Odelmar, waarvoor een verzoek was gedaan om het te laten vergassen, China als bestemming had en niet India. Ook is na de aanvraag voor het vergassen, nimmer een verzoek gedaan voor het verstrekken van een fytosanitair certificaat, zodat er ook geen sprake was van een weigering om het fytosanitair certificaat af te staan.
Grief 4: ten onrechte heeft de kantonrechter in zijn beslissing onder 5.2 opgenomen dat de Staat “conform het jarenlang gevoerde en bestendige gebruik” de fytosanitaire certificaten moet afgeven op naam van “Mora Roundlog”.
In casu betreft het een situatie waarbij jarenlang op de fytosanitaire certificaten een valse houtsoort werd aangegeven, namelijk Morahout of zoals het werd vermeld “Mora – roundlog”. De wetenschappelijke naam van Morahout is Maclura Tinctoria. Deze houtsoort werd valselijk vermeld omdat de houtsoorten die daadwerkelijk werden verscheept en ingevoerd in India, houtsoorten waren die volgens de Indiase importregels verboden waren. Teneinde de verboden houtsoorten toch India binnen te kunnen smokkelen werd de naam van een houtsoort op de certificaten vermeld die volgens de Indiase regelgeving wel mocht worden ingevoerd. Morahout mag wel ingevoerd worden in India.
Deze werkwijze is jarenlang gehanteerd door een functionaris van de afdeling belast met de verstrekking van fytosanitiare certificaten, doch komt neer op vervalsing van de certificaten en kan niet worden aangemerkt als een bestendig gebruikelijk beding of een normale bestuursrechtelijke handeling. Om die reden is reeds in 2022 met de houtsector afgestemd over het bestuursbesluit inhoudend dat deze werkwijze zal worden stopgezet.
In plaats van de werkwijze aan te merken als een bestendig gebruikelijk beding moet het worden aangemerkt als het jarenlang plegen van het misdrijf van vervalsing en het overtreden van de regels, namelijk de regels van Suriname en de regels van India. Ook staan de geloofwaardigheid en de reputatie van de Staat als lid van de IPPC op het spel in deze.
Grief 5: ten onrechte heeft de kantonrechter de vordering van de houtexporteurs spoedeisend geacht. Immers, de houtexporteurs noemden in hun vordering een lading die in de haven van India voor anker lag, terwijl het een lading betrof die volgens de officiële documenten China als bestemming had. De houtexporteurs hebben misbruik gemaakt van het procesrecht, door de vordering met voorkennis in te stellen op een moment dat het voor de Staat onmogelijk zou worden om zijn belangen te kunnen behartigen.
Grief 6: ten onrechte stelt de kantonrechter dat de Staat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden met de bekendmaking van 27 oktober 2025. Die bekendmaking is geen nieuwe regeling, doch een reminder naar de houtexporteurs om zich te houden aan de regels. Reeds vanaf 2022 wees de Staat de houtexporteurs erop dat zij zich aan de regels moeten houden. De bekendmaking van 27 oktober 2025 is niet bedoeld om de houtexporten te beperken, maar juist om de voortzetting daarvan te garanderen.
Ook is door de Staat gesteld dat de houtexporteurs in casu niet geschaad kunnen zijn door de bekendmaking van 27 oktober 2025, omdat zij met betrekking tot de lading voor het schip de MV Odelmar bij schrijven van 28 november 2025 hebben aangegeven dat de lading vergast moet worden en dat de bestemming China is. Het verzoek voor vergassing is op 28 november 2025 gedaan en de boomstammen zijn vergast op 28 november 2025 met als bestemming China. Het voorgaande houdt in dat er een overeenkomst moet zijn met een Chinese koper van ná de datum van de betreffende bekendmaking. Hierdoor stond de bekendmaking niet in de weg aan de aanvraag van de fytosanitaire certificaten voor de vergaste lading hout op de MV Odelmar.
Grief 7: ten onrechte heeft de kantonrechter de Staat veroordeeld om de fytosanitaire certificaten af te geven voor India, omdat de houtexporteurs na de vergassing nimmer fytosanitaire certificaten hebben aangevraagd voor de betreffende lading.
Grief 8: ten onrechte heeft de kantonrechter de Staat veroordeeld om certificaten af te geven onder de naam Mora Roundlogs, omdat blijkens de lijst van de SBB in de lading van het schip de MV Odelmar geen Mora rondhout aanwezig was, doch houtsoorten waarvan het verboden is die in India te importeren.
Grief 9: ten onrechte heeft de kantonrechter de Staat veroordeeld in de proceskosten en het gemachtigdensalaris. Immers, Suriname kent geen verplichte proces vertegenwoordiging. Het verzoek voor rechtsbijstand van een advocaat is een eigen keuze van de houtexporteurs en zij zullen daar zelf voor moeten betalen.
16. De houtexporteurs hebben geantwoord op de grieven. Op dit antwoord komt het Hof, voor zover van belang, hierna terug.
Vordering in hoger beroep
17. De Staat vraagt dat het Hof op grond van de grieven, het vonnis van de kantonrechter vernietigt en, opnieuw rechtdoende, de vordering van de houtexporteurs afwijst.
18. De Staat heeft na de opsomming van de grieven een vordering opgenomen in de pleitnota waarin wordt gevorderd:
- dat de ter uitvoering van het vonnis uitgegeven fytosanitaire certificaten worden vernietigd dan wel nietig verklaard;
- dat voor recht wordt verklaard dat bij de behandeling van de aanvragen voor fytosanitaire certificaten de Staat zich strikt dient te houden aan de bepalingen van de Plantenbeschermingswet (SB 2020 no. 78), de Plant Protection Acts van de importerende landen en de bepalingen van de IPPC en zijn uitvoeringsbesluiten;
- dat het de houtexporteurs wordt verboden op fytosanitaire aanvraagformulieren andere houtsoorten te vermelden dan aangegeven op de loglijsten van de SBB;
- dat het de houtexporteurs wordt verboden om gezaagd of stammen hout, ongeacht bootladingen of containerladingen, zonder een geldig fytosanitair certificaat uit te voeren van de officiële plaatsen van uitvoer in Suriname;
- aan de gevorderde verboden een dwangsom te verbinden en voorts
- de houtexporteurs te veroordelen in de kosten van het geding.
19. De houtexporteurs hebben op de onder punt 18 vermelde vordering gereageerd waarbij zij aanvoerden dat het niet mogelijk is om in hoger beroep een nieuwe vordering in te stellen. Zij vragen dat het Hof deze nieuwe vordering niet beoordeelt.
De beoordeling van de in de pleitnota opgenomen vordering
20. Het Hof overweegt met betrekking tot de hiervoor onder punt 18 vermelde vordering dat deze vordering, alhoewel de Staat de vordering geen reconventionele vordering heeft genoemd, moet worden aangemerkt als een reconventionele vordering die in hoger beroep is ingesteld. Ingevolge artikel 280 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan in hoger beroep geen eis in reconventie worden ingesteld. Het Hof zal om die reden de Staat niet-ontvankelijk verklaren in dat gevorderde en dat gevorderde dan ook niet verder bespreken.
De beoordeling van de grieven
21. Grieven 1 en 5
De houtexporteurs hebben tegen de grieven aangevoerd dat de kantonrechter bij het verlenen van rechtsingang op deugdelijke wijze heeft vastgesteld dat er een spoedeisend belang is, gelet op de aankomst van het schip met rondhout uit Suriname in de haven van India. De houtexporteurs hebben het verzoekschrift tijdig betekend aan de Staat voor de behandeling op de zitting. Dat de Staat minimaal bezet was op de dag van de behandeling van het kort geding treft geen doel. Bij kortgedingzaken gelden er geen strikte termijnen en is de behandeling afhankelijk van de spoedeisendheid van de zaak.
22. Het Hof is van oordeel dat, gelijk de houtexporteurs aanvoeren, het bij kortgedingzaken kan voorkomen dat er gelijk op de dag van de eerste behandeling moet worden afgepleit en dat een partij daardoor weinig tijd heeft om het pleidooi voor te bereiden. In deze zaak was door de houtexporteurs aangegeven dat het schip op 1 januari 2026 zou aankomen in de haven en dat zij op die dag de fytosanitaire certificaten nodig zouden hebben. Het is dan ook juist van de kortgedingrechter dat die heeft geoordeeld dat er gelijk moest worden afgepleit en er op 31 december 2025 een beslissing moest volgen. De grieven van de Staat dat de zaak niet met die spoedeisendheid behandeld had mogen worden, en dat dat in strijd zou zijn geweest met een eerlijk proces, zijn daarom niet gegrond. Die grieven worden verworpen.
23. Grieven 2, 3, 4, 7 en 8
Het Hof bespreekt de grieven 2, 3, 4, 7 en 8 gezamenlijk vanwege de onderlinge samenhang.
De houtexporteurs hebben tegen deze grieven – kort weergegeven – aangevoerd dat de Staat ten onrechte het geschil probeert te brengen in een strafrechtelijke sfeer. Dat is onjuist. Er is geen sprake van strafbare feiten gepleegd door de houtexporteurs en de kortgedingrechter is niet het forum om strafrechtelijke kwalificaties aan handelingen te geven. De Staat heeft jarenlang zelf de certificaten afgegeven met daarop de vermelding “Mora Roundlog”, welke certificaten internationaal werden geaccepteerd en de Staat had geen enkele reden om plotseling het beleid te wijzigen. Er zijn geen valse namen op de certificaten geplaatst doch een vermelding die het probleem dat de houtexporteurs hadden oploste in aanloop naar de structurele oplossing, namelijk uitbreiding van de lijst van India van houtsoorten die mogen worden geïmporteerd. Er is gedurende de periode dat naar de oplossing werd gezocht regelmatig overleg geweest met de autoriteiten en de ambassadeur van India hierover. Echter hebben de houtexporteurs nog niets vernomen. In de tussentijd was een “grace-period” afgesproken waarin de vermelding “Mora Roundlog” mocht worden vermeld bij de aanvraag voor het certificaat en deze vermelding door de Staat werd geplaatst op de certificaten. Ook na het verloop van de “grace-period” in februari 2023, is er aan meegewerkt dat de vermelding “Mora Roundlog” toch nog op de certificaten werd geplaatst.
Het is juist de nalatigheid van de Staat geweest, die niet met een oplossing kwam, hetgeen ertoe heeft geleid dat de houtexporteurs genoodzaakt waren de vermelding “Mora Roundlog” te gebruiken bij de verschepingen van het hout. Na een lange periode van wachten op een oplossing heeft de Staat in oktober 2025 aan de houtexporteurs een bekendmaking gestuurd dat in het vervolg de juiste houtsoorten moeten worden vermeld op de aanvragen voor de fytosanitaire certificaten. Door deze brief zijn de houtexporteurs in een probleem gekomen, waardoor zij niet de juiste export documenten konden krijgen, terwijl al voorbereidingen waren getroffen voor een verscheping naar India. Ondanks veel pogingen om het probleem met overleg op te lossen, is er geen oplossing gekomen. Omdat de MV Odelmar vanwege het getij op 29 november 2025 moest vertrekken, hebben zij op 28 november 2025 de bestemming van het rondhout gewijzigd van India naar China, teneinde de vergassing te laten plaatsvinden. Op 25 december 2025 is er overleg geweest met het Hoofd van de afdeling Inspectie van het ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij en zijn de aanvraagformulieren voor de verkrijging van de fytosanitaire certificaten via email verzonden. Er waren afspraken met de Staat om op 26 december 2025 de hard copy’s van de aanvragen in te dienen, waarna op dezelfde datum de certificaten zouden worden verstrekt. Daarbij zouden de benamingen conform de SBB lijsten worden gebruikt. Omdat de Staat tijdens het overleg weigerachtig bleef om de certificaten te verstrekken onder de naam Mora Roundlogs, waren zij akkoord gegaan met de vermelding van de namen volgens de SBB lijsten. Nadat bleek dat de koper in India niet akkoord ging met certificaten waarin de namen volgens de SBB lijsten waren vermeld, hebben zij de aanvraag die gemaild was op 25 december 2025 laten aanhouden en waren zij genoodzaakt op 29 december 2025 een vordering in kort geding in te stellen. Zij zouden namelijk grote verliezen lijden omdat het schip óf met de lading terug zou moeten keren naar Suriname, óf 3 tot 4 weken voor anker zou moeten liggen en de demurragekosten US$ 16.500,00 per dag bedragen. De houtexporteurs voeren aan dat de kantonrechter terecht heeft overwogen dat het bestendig gebruik gehanteerd diende te worden en dat de certificaten afgegeven moesten worden met vermelding van de houtsoort “Mora Roundlog”.
24. Het Hof overweegt met betrekking tot de vijf grieven alsvolgt.
Uit de verklaringen van de Staat en de houtexporteurs en de overgelegde producties is het volgende aannemelijk geworden:
- De regelgeving van India ten aanzien van houtsoorten die mogen worden ingevoerd is bekend bij de Staat, bij de houtexporteurs en bij de importeur in India die het hout van de houtexporteurs koopt. Van alle houtsoorten die Suriname uitvoert staan slechts vier houtsoorten op de lijst van toegestane houtsoorten van India, waaronder Morahout, zoals op de certificaten vermeld “Mora Roundlog”. De houtexporteurs exporteren echter geen Morahout naar India. Zij exporteren andere houtsoorten naar India, namelijk houtsoorten die niet zijn toegestaan, waaronder Wanahout en Copiehout.
- Om toch het hout te kunnen uitvoeren en in India te kunnen invoeren hebben de houtexporteurs en de importeurs van India – kennelijk een aantal jaren geleden – afgesproken dat op de exportdocumenten valselijk de houtsoort Mora zou worden vermeld zodat er geen problemen ontstaan bij de inklaring.
- Uit de verklaringen afgelegd in hoger beroep en de documenten overgelegd in hoger beroep is komen vast te staan dat in 2022 de autoriteiten maatregelen hebben aangekondigd om te voorkomen dat op de documenten benodigd voor de export een andere houtsoort wordt vermeld dan de houtsoort die daadwerkelijk wordt geëxporteerd naar India. Dat blijkt onder andere uit de brief van 29 augustus 2022 (productie 6 bij pleitnota) afkomstig van de waarnemend Directeur Landbouwkundig Onderzoek, Afzet en Verwerking, de heer Anand Ramkisoensing MSc., gericht aan de houtexporteurs die naar India exporteren.
- In deze brief is opgenomen dat aan de inspecteurs van de Plantbescherming en Kwaliteitskeuringen is gerapporteerd dat verschillende soorten hout worden geëxporteerd naar India onder de – onjuiste – naam Mora. De waarnemend Directeur heeft in betreffend schrijven onder de aandacht gebracht dat in de IPPC (het verdrag dat betrekking heeft op de bescherming van planten) en de regelgeving voortvloeiend uit dat verdrag is opgenomen dat de wetenschappelijke namen van de houtsoorten moeten worden vermeld op het fytosanitair certificaat. Ook is in deze brief vermeld dat voor het certificaat de originele lijst van houtsoorten moeten worden overgelegd van de SBB, waarin de wetenschappelijke namen van de houtsoorten zijn vermeld. De maatregelen zouden onmiddellijk na een grace-period van zes maanden ingaan en wel per 26 februari 2023. De grace-period was ingebouwd om te voorkomen dat de houtexporteurs verliezen zouden lijden.
- Op 27 oktober 2025 is een bekendmaking uitgegaan naar alle houtexporteurs waarin is opgenomen dat de reeds geldende regels en procedures voor de export van hout strikt zullen worden nageleefd en gehandhaafd door de afdeling. Deze bekendmaking hield onder andere in dat de juiste naam van de houtsoort moet worden opgenomen in de export stukken en dat de namen van de houtsoorten overeen moeten komen met de houtsoorten genoemd op de bijgevoegde SBB lijst.
- Op 28 november 2025 hebben de houtexporteurs een aanvraag gedaan om een lading hout voor het schip MV Odelmar te doen vergassen (de technische term voor vergassen is “fumigeren”) welke lading China als bestemming had. De bestemming van China hadden zij bewust op het verzoek voor vergassing geplaatst omdat de houtsoorten die op de SBB lijsten stonden wel naar China geëxporteerd mogen worden, maar niet naar India. De lading betrof echter een lading die zou worden verscheept naar India.
- De lading is vergast waarna de lading op de MV Odelmar is geladen en richting India is verscheept en wel zonder bestemmingswijziging. De houtexporteurs hadden echter voor de verscheping en inklaring in India fytosanitaire certificaten nodig. Die hadden zij nog niet. Volgens de houtexporteurs konden zij deze certificaten ook niet aanvragen vanwege de maatregel vervat in de bekendmaking van 27 oktober 2025. Immers, als zij bij de aanvraag voor de fytosanitaire certificaten de houtsoorten zouden vermelden die daadwerkelijk op het schip waren geladen, zouden zij die certificaten niet kunnen gebruiken voor de inklaring in India, omdat de import van die houtsoorten in India verboden is. Aan de andere kant was de Staat niet willig om de certificaten uit te reiken onder de naam Mora Roundlogs, omdat de lading geen Mora rondhout betrof.
- De houtexporteurs hebben toen een aantal keren overleg gevoerd met de autoriteiten om na te gaan of toch gewerkt kon worden met de naam “Mora Roundlogs”, doch er kwam geen oplossing.
- Op 24 december 2025 hebben de houtexporteurs naar de afdeling die gaat over de verstrekking van de fytosanitaire certificaten, de afdeling Plantenbescherming en Kwaliteitskeuringen, naar de heer Samuel, appberichten gestuurd. (zie productie 12 bij repliek). In deze appberichten werd gecommuniceerd over het indienen van de aanvraag voor fytosanitaire certificaten voor de lading rondhout die onderweg was naar India. Het schip zou rond 1 januari 2026 in India aankomen, dus waren zij onder tijdsdruk.
- Uit de appberichten blijkt dat de houtexporteurs op 25 december 2025 ter verificatie documenten via de mail hebben opgestuurd naar de heer Samuel en naar de afdeling. De stukken hadden betrekking op de lading waarbij melding was gemaakt van de houtsoorten die daadwerkelijk op het schip waren geladen, waarbij de SBB lijst was gevoegd. De heer Samuel heeft via de app doorgegeven dat de documenten voor de aanvraag in hard copy gestuurd kunnen worden de volgende dag, zodat de aanvraag kon worden behandeld. De heer Samuel heeft ter zitting verklaard dat hij van plan was zijn team op 26 december 2025 de aanvraag te laten afhandelen op grond van de houtsoorten genoemd op de SBB lijsten.
- Uit het appbericht van 26 december 2025 blijkt dat de vertegenwoordiger van de houtexporteurs op die dag aan de heer Samuel te kennen heeft gegeven dat er een probleem is. Het probleem was dat de importeur uit India had aangegeven dat er geen fytosanitair certificaat moet worden afgegeven met daarop vermeld de houtsoorten die daadwerkelijk op het schip zijn geladen. De importeur van India gaf aan dat de lading zou worden geweigerd als de werkelijke houtsoorten zouden worden vermeld op de fytosanitaire certificaten. De importeur gaf aan dat op de fytosanitaire certificaten alleen “Morahout” moet staan. Verder gaf de importeur aan dat als de werkelijke houtsoorten op de certificaten staan, de lading niet kan worden ingeklaard. Dit zou met zich meebrengen dat demurrage kosten van USD 16.500,= per dag zouden moeten worden betaald of het schip weer met de lading zou moeten vertrekken naar Suriname.
- Uit het appbericht van betreffende importeur dat is gedeeld met de heer Samuel blijkt dat de importeur uit India de houtexporteurs dringend aanspoorde om de zaak goed op te lossen en dat de importeur voorstelde om deze kwestie aan de Surinaamse rechter voor te leggen om zodoende een fytosanitair certificaat te verkrijgen op naam van “Morahout” alleen. De importeur van India appte: “Please work this out seriously – or take up the matter thru Suriname court to get the waiver for cargo loaded on this vessel for the phytosanitary certificates issued as Mora logs only. …… We need to get the certs issued as Mora Logs only. Please let us have your decision on above – as vessel demurrage will start once vessel reaches Kandla port on 1st January.”
- Tijdens een telefoongesprek en app communicatie heeft de vertegenwoordiger van de houtexporteurs op 26 december 2025 aan de heer Samuel doorgegeven dat de aanvraag voor de fytosanitaire certificaten wordt aangehouden.
- Op 29 december 2025 is het kort geding ingediend en op 30 december 2025 is de zaak behandeld. Op 31 december 2025 is de Staat veroordeeld om de certificaten af te geven voor Morahout waarbij een dwangsom is vastgesteld van SRD 1.000.000,= per uur.
- De Staat heeft na de betekening van het vonnis de certificaten afgegeven met als houtsoort vermeld “Mora Roundlog”. Na het vonnis hebben de houtexporteurs in verband met de uitvoering van het vonnis formeel de aanvragen ingediend voor de fytosanitaire certificaten met daarop als aanduiding Morahout voor de houtsoorten die zijn ingeladen op het schip MV Odelmar met als bestemming India.
25. Het Hof overweegt dat uit de hiervoor opgesomde feiten blijkt dat er, gelijk de Staat stelt, door de houtexporteurs voorafgaand aan de vordering in eerste aanleg geen aanvraag is ingediend voor fytosanitaire certificaten voor de houtsoort Mora, voor de lading van het schip MV Odelmar die eind november 2025 werd klaargemaakt voor verscheping naar India. Reeds om die reden is de grondslag van de vordering van de houtexporteurs niet komen vast te staan. De grondslag was immers dat de Staat heeft geweigerd om fytosanitaire certificaten af te geven voor Mora Roundlog voor de lading van het schip MV Odelmar dat naar India was vertrokken en rond 1 januari 2026 aan zou komen.
26. Daarnaast overweegt het Hof dat de Staat in dit geding wordt verweten dat hij in zijn bekendmaking van 26 oktober 2025 heeft aangegeven dat bij aanvragen voor fytosanitaire certificaten de regels moeten worden nageleefd en een SBB lijst moet worden gevoegd met daarop aangegeven om welke houtsoorten het gaat. De houtexporteurs achten deze bekendmaking in strijd met een “bestendig gebruik” en onrechtmatig.
27. Het Hof overweegt dat in casu door de houtexporteurs wordt gesteld dat er sprake is van een bestendig gebruik. Het zou dan betreffen een bestendig gebruik door een overheidsorgaan waarbij de houtexporteurs erop zouden mogen vertrouwen dat de handelingen die werden gepleegd, namelijk het in strijd met de waarheid vermelden van een houtsoort op de fytosanitaire certificaten met als doel dat niet toegestane houtsoorten konden worden ingeklaard in India, zouden worden voortgezet. Aan de orde is derhalve de vraag of er sprake was van een “bestendige gedragslijn” van een bestuursorgaan waardoor bij een burger/bedrijf een gerechtvaardigd vertrouwen is ontstaan dat de gedragslijn zou worden voortgezet.
28. Vooropgesteld moet worden dat de grondslag voor de binding van bestuursorganen aan bestendige gedragslijnen wordt gevonden in het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. De gedragingen van een bestuursorgaan die kunnen worden aangemerkt als bestendige gedragslijnen betreffen in de praktijk bijvoorbeeld communicatie methoden, zoals het toestaan van digitale aanvragen terwijl dat eigenlijk nog niet formeel is geregeld in de procedureregels, of het hanteren van een termijn terwijl er eigenlijk nog geen termijnen zijn vastgesteld in de regelgeving. In de praktijk is ook de zienswijze dat bestendige gedragslijnen van bestuursorganen na niet al te lange tijd moeten worden vastgelegd zodat het publiek daarvan, indien nodig, kennis kan nemen.
29. Gedragingen zoals het doen van valse opgaven op fytosanitaire certificaten, met als bedoeling die certificaten in een ander land te doen gebruiken zodat in het importerend land de houtlading wordt ingeklaard, terwijl het eigenlijk om houtsoorten gaat die in dat land niet mogen worden ingevoerd, kunnen niet worden aangemerkt als gedragingen die zouden moeten leiden tot een conclusie dat er sprake is van een bestendige gedragslijn van een bestuursorgaan. Immers, dat is niet een gedraging die de rechtszekerheid dient. Het betreft een gedraging in strijd met het recht, waaronder het bestuursrecht, doch ook in strijd met de internationale verdragen die in casu van toepassing zijn. In de regelgeving rond die verdragen is expliciet en terecht, opgenomen dat de certificaten naar waarheid opgemaakt moeten zijn.
30. Op grond van het voorgaande gaat het beroep van de houtexporteurs op een bestendige gedragslijn niet op en acht het Hof de grieven 2, 3, 4, 7 en 8 gegrond. Het vonnis kan daardoor niet in stand blijven.
31. Grief 6.
De houtexporteurs hebben op deze grief aangevoerd dat zij erbij blijven dat het onrechtmatig is van de Staat dat hij op 26 oktober 2025 bekend heeft gemaakt dat hij de regels zal naleven.
32. Het Hof overweegt dat uit de stellingen van partijen blijkt dat de Staat in 2022 kennis heeft genomen van het feit dat er valse opgaven werden gedaan teneinde de importen van verboden houtsoorten in India te verbergen. Over het feit dat de Staat in 2022 ervoor heeft gekozen om die gedragingen nog zes maanden voort te laten gaan zullen de meningen verdeeld zijn.
Naar het oordeel van het Hof kan het niet als onrechtmatig worden aangemerkt als de Staat ertoe overgaat aan de bedrijven bekend te maken dat de regels zullen worden nageleefd. Nu de houtexporteurs zich er terdege van bewust zijn dat het vermelden van de benaming Mora Roundlogs in strijd is met de regelgeving van zowel Suriname als India, bedoeld is om verboden houtsoorten te importeren in India, en eerder reeds door de Staat is aangekondigd dat zulks niet zal worden voortgezet, hebben zij er terdege rekening mee te houden dat het valselijk vermelden van de benaming Mora Roundlogs zal worden stop gezet. Van een (strijd met een) gerechtvaardigd vertrouwen is naar dezerzijds oordeel dan ook geen sprake. Ook die grief is daarom gegrond.
33. Grief 9 behoeft geen bespreking meer nu de grieven 2, 3, 4, 6, 7 en 8 gegrond zijn en het vonnis zal worden vernietigd.
34. Het Hof zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn. De houtexporteurs zullen worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de Staat gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op de gemachtigdenkosten in eerste aanleg en in hoger beroep.
De beslissing in hoger beroep
Het Hof:
- Vernietigt het door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 31 december 2025 bekend onder Civarnummer 202504949, waarvan beroep;
en opnieuw rechtdoende:
- Wijst af de vordering van de houtexporteurs;
- Wijst af het gevorderde van de Staat in reconventie;
- Veroordeelt de houtexporteurs, des de één betalend de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten aan de zijde van de Staat gevallen in eerste aanleg en in hoger beroep en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 17.500,= (zeventienduizend en vijfhonderd Surinaamse dollar).
Dit vonnis is gewezen door mr. S.S.S. Wijnhard, Fungerend-President, mr. J.M. Jensen en mr. A.C. Johanns, leden, en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op dinsdag 27 januari 2026, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mevr. S. Kesharie LLB.
w.g. S. Kesharie w.g. S.S.S. Wijnhard
Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen mevr. S. Nanda LLB en mr. D. Jairam, gemachtigde van appellante en advocaten mr. drs. S. Boedhoe en mr. J.M. Nibte, gemachtigden van geïntimeerden.
Voor afchrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld