SRU-HvJ-1986-3

Hof van Justitie

28 november 1986, G.R. 12237

(Mrs. R.E.Th. Oosterling, S. Gangaram Panday, J.R. von Niesewand)

C. Kersten en Co. N.V., rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Steenbakkerijstraat no. 27, advokaat Mr. W. Lim A Po, appellant ten principale tevens incidenteel geïntimeerde,

tegen

[geïntimeerde], wonende te [district], advokaat Mr. R.J. Blufpand, geïntimeerde ten principale tevens incidenteel appellant,

De waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, respectievelijk van 2 maart 1982, 6 december 1983 en 3 juli 1984 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de griffier van het Eerste Kanton van 13 juli 1984, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat hij de navolgende vordering wenst in te stellen tegen C. Kersten en Co. N.V., rechtspersoon, gevestigd te Paramaribo, alwaar zij kantoor houdt aan de Steenbakkerijstraat no. 27, en wel op de navolgende gronden:

2. Tussen eiser en gedaagde heeft een arbeidsrelatie bestaan, welke aanving met de indiensttreding van eiser bij gedaagde op 1 november 1958 en welke de afgelopen 22 jaar ononderbroken heeft voortgeduurd, totdat deze relatie op onregelmatige wijze door gedaagde werd beëindigd op 11 december 1980.

Tot deze datum was eiser tewerk gesteld als Chef Onderdelenvoorziening van City Garage N.V., een bedrijf dat tot het C.K.C.-concern behoort. Eiser ’s laatst verdiende salaris aldaar bedroeg f.1400,– per maand.

3. De onregelmatige beëindiging die onderwerp vormt van de onderhavige vordering, heeft plaatsgevonden op de navolgende wijze en onder de navolgende omstandigheden:

a. Op 9 december 1980 werd eiser tezamen met de heer [naam 1], Bedrijfsleider van City Garage N.V. bij de President-Direkteur van gedaagde ontboden voor een werkbespreking.

Tijdens dit onderhoud deelde de President-Direkteur aan eiser en diens Chef mede, dat in verband met de onbevredigende gang van zaken bij de Onderdelenvoorziening, hij besloten had de staffunktionaris [naam 2], tewerk gesteld bij het nevenbedrijf Surmac, te belasten met de algehele supervisie over de aktiviteiten van City Garage N.V. Daarbij zou voortaan eiser rechtstreeks aan de heer [naam 2] en deze rechtstreeks aan de President-Direkteur rapporteren.

In de gelegenheid gesteld op deze reorganisatiemaatregelen te reageren, heeft de heer [naam 1] na een uiteenzetting omtrent de gang van zaken bij de door hem geleide bedrijven, geconcludeerd dat bij doorvoering van dergelijke reorganisatiemaatregelen de materiële inhoud van zijn funktie niet langer in overeenstemming zou zijn met zijn formele verantwoordelijkheden.

Eiser heeft in aansluiting op hetgeen door zijn Chef werd gesteld volstaan met de mededeling, dat hij zich aansloot bij diens zienswijze.

De President-Direkteur heeft daarop aan beide werknemers gevraagd hun standpunt op schrift te stellen, waarna de werkbespreking, die circa 10 tot 15 minuten duurde, werd beëindigd.

b. In de daaropvolgende dagen werd namens de leiding bij herhaling en met zekere druk gevraagd naar de schriftelijke standpuntbepaling. Eiser en zijn Chef, argwanend geworden door de op hen uitgeoefende druk, hebben medegedeeld dat zij niet zonder meer bereid waren schriftelijk te reageren, doch er behoefte aan hadden zich door een terzake deskundige te doen adviseren.

c. Op 11 december 1980 werden eiser en de heer [naam 1], die zich toen nog steeds beraadden over de gevorderde schriftelijke standpuntbepaling, wederom bij de President-Direkteur ontboden, die hun onder referte aan het onderhoud van 9 december mededeelde, dat zij bij die gelegenheid hun ontslag hadden aangevraagd, welke ontslagaanvrage door hem namens gedaagde hierbij werd aanvaard en deswege de relatie als beëindigd werd beschouwd.

Eiser alsook de heer [naam 1] hebben dadelijk betwist en ontkend dat zij ontslag zouden hebben aangevraagd, onder herhaling van hetgeen zij bij die gelegenheid hebben gesteld.

d. De betwisting werd door de President-Direkteur terzijde geschoven en eiser en de heer [naam 1] werd opgedragen hun verantwoordelijkheden over te dragen onder afgifte van alle onder hun berusting zijnde financiële en overige bescheiden, sleutels, en dergelijke, welke overdracht plaatsvond ten overstaan van het Hoofd der Financiële Administratie. Tevens werd hun procuratie ingetrokken en werd de betrokkenen na vervulling van de formaliteiten, strekkende tot overdracht, aangezegd de bedrijfsfaciliteiten te verlaten.

Op diezelfde dag werd namens gedaagde aan de medewerkers medegedeeld, dat de relatie met eiser alsook met de heer [naam 1], beëindigd was.

4. Eiser is van mening dat gedaagde, door te handelen als vorenomschreven, ondubbelzinnig de wens te kennen heeft gegeven de arbeidsrelatie op 11 december 1980 met onmiddellijke ingang te beëindigen en aan dit voornemen ook daadwerkelijk uitvoering heeft gegeven, weswege de relatie dan ook is geëindigd. Nu zulks is geschied in afwezigheid van dringende aan eiser onverwijld medegedeelde redenen, zonder dat de bij wet voorgeschreven opzeggingstermijn van in casu 6 maanden te rekenen vanaf 1 januari 1981 in acht werd genomen, is de beëindiging onrechtmatig.

5. In aanmerking genomen de duur van het dienstverband – 22 jaren –, de beperkte mogelijkheden voor verwerving van een adekwate funktie elders, de afwezigheid van deugdelijke motieven voor de beëindiging, is dit ontslag niet alleen onrechtmatig, maar ook zeer kennelijk onredelijk.

De belangen van gedaagde bij een beëindiging zijn onevenredig aan de belangen van eiser, mede in aanmerking genomen het feit, dat gedaagde in het geheel geen afvloeiingsregeling heeft aangeboden.

6. De schadevordering van eiser valt in 2 componenten uiteen, te weten:

– Schadevergoeding terzake van beëindiging onder het niet in acht nemen van de door de wet voorgeschreven bepalingen inzake opzegging en beëindiging, anders dan wegens dringende redenen;

– Schadevergoeding terzake kennelijk onredelijk ontslag.

7. De hiervoor bedoelde schadevergoedingen kunnen op basis van de voor eiser ten tijde van het ontslag geldende arbeidsvoorwaarden als volgt worden begroot:

A. Terzake de niet inachtneming van de wettelijke termijnen:

Salaris: vanaf 1-12-1980 t/m 30-6-1981

7 x f.1400,– Sf.9.800,–

Autotoelage: Sf. 50,– per maand Sf 350,–

Saldo vakantie over 1980: 10 dagen

(binnenlands verlof) Sf. 560,–

Vakantie over 1980: 40 dagen

(buitenlands verlof) Sf.2.240,–

Vakantietoelage over 1980 naar rato van 90% van 1 maand salaris Sf.1.260,–

Reiskostenvergoeding buitenlands verlof 50% van 4 tickets

PMB/ASD á Sf.1838,– Sf.3.676,–

Gratificatie: 1 maand salaris Sf.1.400,–

Kerstgratificatie: 1 maand salaris Sf.1.400,–

Compensatie medische voorziening gekapitaliseerd op basis van

10% over een periode van 6 maanden …………………………………….. Sf. 840,– +

Sf.21.526,–

B. Terzake van het kennelijk onredelijk ontslag:

Gelet op leeftijd, staat van dienst, herplaatsingsmogelijkheden en de wijze waarop eiser ontslagen werd, is een vergoeding gelijk aan 30 maanden basissalaris ad f.1400,– redelijk en billijk te achten f. 42.000,–;

8. In mindering op het verschuldigde werd door gedaagde bereids en onder voorbehoud van rechten voldaan het bedrag groot Sf. 4.000,–.

9. Ondanks herhaalde en dringende aanmaningen weigert gedaagde het saldo der door hem gevorderde bedragen in der minne te voldoen, zodat eiser zich thans genoodzaakt ziet zulks in rechte te vorderen;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat gedaagde zal worden veroordeeld om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad aan eiser te betalen:

A. de som van f.17.526,– (zeventien duizend vijfhonderd zesentwintig gulden) terzake van de opzegging zonder inachtneming van de wettelijke opzegtermijn, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% ’s jaars ingevolge artikel 1615r Burgerlijk Wetboek vanaf 11 december 1980, zijnde de dag van het ontslag, tot aan die der algehele voldoening;

B. de som van f.42.000,– (twee en veertig duizend gulden) terzake van het kennelijk onredelijk ontslag, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% ’s jaars vanaf de dag der rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;

C. Eiser zal worden vergund gedaagde op verkorte termijn te doen dagvaarden;

D. Gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van dit geding;

Overwegende, dat C. Kersten en Co. N.V. als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiser in zijn vordering niet zal worden ontvangen, althans deze hem zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna nadere stukken hebben gewisseld, hebbende de gemachtigden van partijen tevens producties overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusies tot uitlating producties hebben genomen, waarbij de gemachtigde van eiser tevens een productie heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd, waarover de gemachtigde van gedaagde zich bij schriftelijke conclusie heeft uitgelaten;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 30 maart 1982 op de daarin opgenomen gronden een comparitie van partijen heeft gelast;

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen de heer [naam 3], direkteur van gedaagde en de heer [naam 1], die hebben verklaard gelijk in vorenaangehaald – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ten dage voor het nemen van een conclusie na gehouden comparitie van partijen zijdens partijen bepaald geen conclusie is genomen, omdat partijen in termen van schikking verkeerden;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating schikking zijdens partijen bepaald, de gemachtigde van eiser de Kantonrechter heeft medegedeeld, dat geen schikking is bereikt en vonnis heeft gevraagd, waarmee de gemachtigde van gedaagde accoord is gegaan;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 6 december 1983 op de daarin opgenomen gronden:

Gedaagde heeft toegelaten, haar voor zover nodig ambtshalve heeft bevolen om door alle middelen rechtens, meer speciaal door getuigen, te bewijzen:

”hetgeen door haar gesteld is in de derde alinea onder A en de vierde alinea van haar conclusie van antwoord”;

Overwegende, dat gedaagde in de enquête geen getuigen heeft doen horen, waarna de Kantonrechter de enquête aan haar zijde ambtshalve gesloten heeft verklaard;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusies na niet gehouden enquête hebben genomen;

hebbende de gemachtigde van gedaagde tevens een productie overgelegd, waarvan de inhoud eveneens hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van eiser bij mondelinge conclusie tot uitlating over de door de gedaagde overgelegde productie heeft gepersisteerd bij zijn stellingen en vonnis heeft gevraagd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 3 juli 1984 op de daarin opgenomen gronden:

gedaagde heeft veroordeeld om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van f.30.000,– (dertig duizend gulden), vermeerderd met de wettelijke interessen hierover ad 6% per jaar vanaf 5 maart 1981 tot aan de dag der algehele voldoening;

dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. 93,25 (drie en negentig 25/100 gulden);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal van 13 juli 1984 C. Kersten en Co. N.V. in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 3 juli 1984;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Derryl Errol Hew A Kee van 26 juli 1984 aan partij [geïntimeerde] aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, waarbij tevens is betekend een memorie van grieven;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Soekdew Hoebba van 23 januari 1985 aan partij C. Kersten en Co. N.V. is betekend een memorie van antwoord in de hoofdzaak tevens van incidenteel appèl genomen door partij [geïntimeerde];

Overwegende, dat bij exploit van laatstgenoemde deurwaarder van 23 januari 1985 aan partij [geïntimeerde] is betekend een memorie van antwoord in het incidenteel appèl genomen door partij C. Kersten en Co. N.V.;

Overwegende, dat uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op 20 juni 1986, daarna op 18 juli 1986, vervolgens op respectievelijk 1 augustus 1986 en 17 oktober 1986 en tenslotte op heden;

Ten aanzien van het recht

In het principaal appèl:

Overwegende, dat het appèl tegen het vonnis d.d. 3 juli 1984 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken, tijdig is ingesteld;

Overwegende, dat appellante tegen het vonnis d.d. 6 december 1983 de navolgende grieven heeft ontwikkeld, luidende:

1. Ten onrechte heeft de Kantonrechter appellante belast met het bewijs, dat geïntimeerde de dienstbetrekking met appellante had opgezegd. Geïntimeerde heeft immers aan zijn vordering ten grondslag gelegd, dat appellante de dienstbetrekking met hem zou hebben opgezegd, althans beëindigd. Ingevolge het bepaalde in artikel 1886 Burgerlijk Wetboek had dan ook de Kantonrechter geïntimeerde met het bewijs daarvan moeten belasten, nu appellante de opzegging harerzijds gemotiveerd had betwist. Artikel 1886 Burgerlijk Wetboek geeft immers een uitdrukkelijk en expliciete bewijslastverdeling op grond dat deze in overeenstemming is met de redelijkheid en billijkheld als beginselen van een goede procesorde (zie Asser-Anema-Verdam pgs. 88 e.v.; vergelijk ook Pitlo; Bewijs en Verjaring, pg. 36, alsmede H.R. 29 januari 1960, N.J. 1960 no. 133 en voorts de conclusie van de G. Hoef bij en de noot van Rutten onder dat arrest). De Kantonrechter had dan ook niet op grond van redelijkheid en billijkheid, doch in strijd met voormeld wetsartikel mogen besluiten tot het belasten van appellante met vorenbedoeld bewijs (Verg. de A.G. Hoef t.a.p.;“de rechter mag nimmer de wettelijke bewijslastverdeling rechtstreeks negeren”);

2. Ten onrechte heeft de Kantonrechter niet aangenomen op welke omstandigheden met betrekking tot de beëindiging van het tussen partijen aangegane dienstverband het redelijk en billijk zou zijn, dat appellante met het bewijs der beëindiging zijdens geïntimeerde werd belast, zodat terzake die beslissing niet naar de eis der wet met redenen is omkleed en mitsdien ook daarom niet in stand kan blijven;

3. Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen, dat appellante een aanbod van bewijs der beëindiging door geïntimeerde zou hebben gedaan. Appellante heeft in het 4e sustenu van haar conclusie van antwoord slechts gesteld dat zij “van mening is en dat ook kan bewijzen, dat geïntimeerde zelf zijn ontslag had gevraagd”, hetgeen een zuiver feitelijke stelling inhield, ter staving van haar betwisting van geïntimeerdes stellingen. De Kantonrechter had daaruit dan ook nimmer mogen afleiden, dat appellante daarmede een formeel bewijsaanbod had gedaan en zich procesrechtelijk die positie bewust had toebedeeld;

Overwegende, dat appellante tegen het vonnis d.d. 3 juli 1984 de navolgende grieven heeft aangevoerd:

A. Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen, dat geïntimeerde ter comparitie van partijen niet erkend zou hebben, dat hij bij een onderhoud met gedaagde ’s directeur duidelijk gezegd heeft dat zijn functie werd uitgehold en dat dan maar een ander zijn plaats moest innemen. Geïntimeerde heeft die erkenning wel gedaan. In het feit, dat hij die erkenning alstoen rectificeerde had de Kantonrechter geen betekenis mogen toekennen, aangezien voormelde erkenning vooreerst overeenstemde met hetgeen door appellante ’s directeur terzelfde comparitie was verklaard en voorts omdat het duidelijk was dat geïntimeerde er onder uit probeerde te komen, dat hij zelf zijn ontslag had aangeboden, zoals hij dat reeds eerder op 11 december 1980 had gedaan;

B. Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen, dat appellante uit de door geïntimeerde geuite stelling bij het onderhoud met haar directeur niet de conclusie had mogen trekken, gelet op het dienstverband van 25 jaren en geïntimeerdes leeftijd, dat zulks een beëindiging van zijn dienstverband inhield. Geïntimeerde was zich vooreerst bewust van het feit, dat het vertrouwen van appellante in de uitoefening van zijn functie ernstig geschokt was. Voorts was geïntimeerde zich ervan bewust dat zoals hij dat stelde, zijn functie ”uitgehold” werd en dat mitsdien zijn status als bedrijfsleider in het gedrang kwam. Die omstandigheden zouden redelijkerwijs kunnen leiden tot het aanvragen van ontslag;

C. Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen, dat appellante niet mocht vasthouden aan het feit, dat volgens haar, geïntimeerde de dienstbetrekking met haar had opgezegd. Vooreerst was het vertrouwen van appellante in geïntimeerde geschokt door de wijze waarop hij zijn functie had uitgeoefend. Voorts had geïntimeerde bij het onderhoud met appellante ’s directeur een dergelijke obstinate houding aan de dag gelegd, dat er voor appellante geen enkele reden was om bij een dergelijke gezagsondermijnend optreden geïntimeerde nog langer te handhaven;

D. Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen, dat uit het gebeurde moet worden afgeleid, dat geïntimeerde door appellante was ontslagen zonder inachtneming van een opzeggingstermijn. Een dergelijke conclusie is toch geenszins gerechtvaardigd, aangezien appellante indien zij geïntimeerde werkelijk had willen ontslaan, niets haar dat belet kon hebben en appellante zich zeker niet in allerlei bochten zou hebben te wringen om dat te realiseren;

E. Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen, dat indien en voor zover geïntimeerde werkelijk door appellante is ontslagen – quod non – dit ontslag kennelijk onredelijk zou zijn geweest. Vooreerst merkt appellante daarbij op dat de Kantonrechter in het geheel niet heeft aangegeven waarom de gevolgen van het ontslag voor geïntimeerde onevenredig zouden zijn tot het belang van appellante bij beëindiging van het dienstverband. In de eerste plaats moet daaromtrent worden opgemerkt, dat de houding van geïntimeerde tegenover zijn superieuren een wel zeer obstinate houding is geweest. Immers appellante ’s directie had de bevoegdheid de aan geïntimeerde in het vooruitzicht gestelde maatregelen tot reorganisatie te nemen en geïntimeerde ’s reactie daarop was dan ook in strijd met de gezagsverhouding waarin hij tot appellante ’s directeuren stond.

In de tweede plaats moet worden gesteld, dat de doorlichting van de onderdelenvoorziening bij geïntimeerde ’s afdeling, waarover hij en de partsmanager, [geïntimeerde], de verantwoordelijkheid droegen, een ernstig wanbeleid aan het licht heeft gebracht, onder meer met betrekking tot locale aankopen bij derden;

F. Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen, dat aan geïntimeerde schadevergoeding toekwam en dat een bedrag van f.75.000,– redelijk en billijk was. Immers, vooreerst had de Kantonrechter in zijn oordeel behoren te betrekken de wijze van functie – uitoefening door geïntimeerde, alsmede de gronden welke uiteindelijk tot beëindiging der dienstbetrekking hebben geleid.

Voorts had de Kantonrechter in zijn oordeel moeten betrekken, dat geïntimeerde kort na zijn ontslag reeds mede-exploitant van een autoverhuurbedrijf was, met name ”Intercar” en contant drie nieuwe auto’s heeft gekocht, welke feiten door geïntimeerde zijn erkend althans niet weersproken.

Uit die feiten volgt nu, dat geïntimeerde er financieel niet op achteruit is gegaan, de Kantonrechter had dan ook nimmer tot een bedrag van f.75.000,– mogen komen en ook op die grond is voormeld vonnis mitsdien niet naar de eis der wet met redenen omkleed;

In het incidenteel appèl:

Overwegende, dat het appèl tegen het vonnis d.d. 3 juli 1984, door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken, tijdig is ingesteld;

Overwegende, dat appellant tegen voormeld vonnis twee grieven heeft ontwikkeld, luidende:

A. Ten onrechte heeft de Kantonrechter een bedrag van f.30.000,– als totale schadevergoeding toegewezen en dit bedrag billijk en redelijk geacht;

B. Ten onrechte heeft de Kantonrechter niet doen blijken of Hij het door appellant gevorderde bedrag van f.17.526,– minus betaald f.4.000,– toewijsbaar achtte en heeft toegewezen en derhalve ook niet heeft doen blijken of overwogen of dit gevorderde en/of toegewezen bedrag een rol heeft gespeeld en welke bij het bepalen van het globale eindbedrag;

Overwegende met betrekking tot de ten principale door partij Kersten aangevoerde grieven:

– dat de allesbeheersende vraag in het geding tussen partijen is de vraag of partij Kersten partij [geïntimeerde] heeft ontslagen of dat partij [geïntimeerde] zelf haar ontslag heeft aangeboden c.q. genomen;

Overwegende, dat de door partij Kersten aangevoerde grieven hierop betrekking hebben en op de bewijslastverdeling door de Kantonrechter in zijn vonnis van 6 december 1983 gemaakt;

Overwegende, dat de navolgende feiten op grond van de niet betwiste dingtalen en bescheiden, rechtens tussen partijen zijn komen vast te staan, de tussen partij [geïntimeerde] en partij C. Kersten en Co. N.V. bestaan hebbende arbeidsrelatie, aangevangen op 1 november 1958 en geëindigd op of omstreeks 11 december 1980, welke relatie mitsdien ononderbroken ruim 22 jaren heeft geduurd,

Overwegende, voorts, dat naar ’s Hoven oordeel uit de stellingen van partij Kersten in prima, is komen vast te staan, dat partij Kersten aan partij [geïntimeerde] ontslag heeft verleend c.q. gegeven;

– ter adstructie daarvan moge het navolgende dienen:

1) (vide 3e sustenu conclusie van antwoord in prima): Op 9 december 1980 heeft partij [geïntimeerde] ontslag genomen, dan wel de dienstbetrekking opgezegd. Dit door partij [geïntimeerde] aangeboden ontslag is door partij Kersten geaccepteerd. Over een afvloeiingsregeling moest nog gesproken worden.

Op 11 december 1980 stelt partij Kersten, dat partij [geïntimeerde] terug wenst te komen op haar ontslagaanvraag, doch dat partij Kersten dit van de hand wijst. Partij Kersten verleent aan partij [geïntimeerde] een week vrijstelling van dienst en stelt partij [geïntimeerde] in de gelegenheid om met het oog daarop haar – partij [geïntimeerde] – verantwoordelijkheden voorlopig over te dragen (zie pag. 3 conclusie van antwoord in prima).

2) Uit de brief van 19 december 1980 van partij Kersten aan partij [geïntimeerde] blijkt, dat het ontslag geen definitief karakter droeg (vide 3e sustenu onder C pag. 3 v.d. conclusie van antwoord in prima).

3) In het 4e sustenu van de conclusie van antwoord stelt partij Kersten, dat zij van mening is en dit ook kan bewijzen, dat partij [geïntimeerde] haar ontslag zelf heeft aangevraagd waaruit het Hof afleidt, dat partij Kersten er dus niet zeker van is, dat partij [geïntimeerde] haar ontslag heeft aangeboden.

4) Ter gelegenheid van de gehouden comparitie van partijen (26 april 1983) verklaart partij Kersten bij monde van Directeur [naam 3], dat partij [geïntimeerde] haar functie ter beschikking stelt van de firma, waaruit het Hof wederom afleidt, dat naar ’s Hoven oordeel, het ter beschikking stellen van een functie niet gelijk staat met ontslag aanvraging. Bij die comparitie van partijen heeft partij [geïntimeerde] overigens zijn ontslag aanvraging betwist. Voornoemde comparant [naam 3] was aanwezig bij de bespreking tussen de heren [naam 4], [naam 1] en [geïntimeerde] (vide brief van 19 december 1980 aan partij [geïntimeerde]).

5) In het 2e sustenu van de conclusie na niet gehouden enquête d.d. 8 mei 1984 stelt partij Kersten:

”gedaagde heeft terzake geen getuigen doen horen, doch wenst het volgende met klem te stellen. Eiser heeft ter comparitie van partijen uitdrukkelijk erkend, dat hij aan gedaagde ’s direkteur heeft gezegd, dat zijn functie werd uitgehold en dat dan maar een ander zijn plaats moest innemen.

Eiser heeft mitsdien duidelijk te kennen gegeven de uitholling van zijn functie te koppelen aan het feit, dat dan volgens hem een ander zijn plaats moest innemen.

Aangezien een uitholling van een bedrijfsleidersfunctie begrijpelijkerwijs aanleiding kan geven tot het nemen van ontslag, zelfs voor betrokkene een gewichtige reden tot beëindiging kan zijn, mocht gedaagde die uitlating als een opzegging der dienstbetrekking opvatten”;

Overwegende, dat partij Kersten blijkens al het voorgaande, haar stellingen dat partij [geïntimeerde] zelf haar ontslag heeft aangeboden, steeds heeft afgezwakt, terwijl deze naar ’s Hoven oordeel ook innerlijk tegenstrijdig zijn;

Overwegende, dat naar ’s Hoven oordeel een ontslagverzoek duidelijk en ondubbelzinnig moet zijn (zie v.d. Grinten par. 24 13e druk 1983 Arbeidsovereenkomstenrecht):

“Een ontslagaanvrage van de arbeider moet m.i. worden beschouwd als een aanbod aan de werkgever een overeenkomst tot beëindiging aan te gaan. Indien de werkgever het aanbod aanvaardt, is de overeenkomst totstandgekomen. De H.R. neemt aan dat de arbeider op zijn ontslagaanvrage kan terugkomen, zolang deze niet door de werkgever is aanvaard” (eind citaat);

Overwegende, dat toen partij [geïntimeerde] op 11 december 1980 in de visie van partij Kersten op haar ontslagaanvrage terugwenste te komen, was die aanvrage blijkens de brief van partij Kersten van 19 december 1980, door haar nog niet geaccepteerd (vide brief van 19 december 1980);

Overwegende, dat het Hof tot de conclusie is gekomen, dat partij [geïntimeerde] geen ontslag heeft aangevraagd, omdat zij geen wilsverklaring gericht op de beëindiging van de dienstbetrekking heeft afgelegd;

Overwegende, dat ook de kwestie van de eventuele afvloeiingsregeling hierop wijst; partijen zouden de dienstbetrekking beëindigen als zij daarover overeenstemming zouden bereiken, hetgeen niet is geschied;

Overwegende, dat naar ’s Hoven oordeel partij Kersten partij [geïntimeerde] heeft ontslagen en daarbij de opzegtermijn niet in acht heeft genomen;

Overwegende, dat de door de Kantonrechter bij interlocutoir vonnis van 6 december 1983 verstrekte bewijsopdracht, na de gehouden comparitie van partijen, dan ook overbodig was en de grief hiertegen terecht is aangevoerd;

Overwegende, dat het Hof, in aanmerking genomen de duur van het dienstverband – ruim 22 jaren –, dit ontslag tevens kennelijk onredelijk acht, zijnde toch geen redenen opgegeven, die dit ontslag zouden rechtvaardigen;

Overwegende, dat de door appellante aangevoerde grieven met uitzondering van de grief met betrekking tot de verstrekte bewijsopdracht dan ook falen;

Overwegende, met betrekking tot de bij het incidenteel appèl aangevoerde grieven:

– dat het aan partij [geïntimeerde] gegeven ontslag naar ’s Hoven oordeel, onregelmatig is en tevens kennelijk onredelijk;

– dat de Kantonrechter de toe te wijzen schadebedragen gesplitst diende te houden, nu de grondslagen daartoe verschillend zijn;

Overwegende, dat het Hof de gevorderde som wegens onregelmatig ontslag ad f.21.526,– toewijsbaar acht, m.d.v, dat het Hof de post, compensatie medische voorzieningen zal stellen op 5% zodat het bedrag van f.21.526,– dient te worden verminderd met f.420,– en het bereids ontvangen bedrag van f.4.000,–;

– dat wegens onregelmatig verleende ontslag derhalve voor toewijzing in aanmerking komt de som van f.17.106,– (f.21.526,– minus f.420,– en f.4.000,–);

Overwegende, dat het Hof het bedrag wegens kennelijk onredelijk verleend ontslag naar redelijkheid en billijkheid gelet op de omstandigheden als voormeld van het onderhavige geval, zal bepalen op het salaris voor de tijd van 22 maanden voor elk dienstjaar 1 maand, opleverende een bedrag van 22 x f.1400,– f.30.800,–;

Overwegende, dat de rente over voormeld bedrag van f.30.800,– evenwel verschuldigd is sedert de dag van de uitspraak, nu het betreft schadevergoeding die door de rechter volgens artikel 1615r Surinaams Burgerlijk Wetboek kan worden toegewezen (vgl. De Praktijkgids, 1981, p. 181);

Rechtdoende in hoger beroep

In het principaal appèl:

Verklaart appellante niet ontvankelijk in het door haar ingesteld appèl;

Veroordeelt appellante in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en begroot op ¦. nihil

In het incidenteel appèl:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, gewezen tussen partijen en uitgesproken op 3 juli 1984, waarvan beroep en het interlocutoir vonnis van 6 december 1983;

En opnieuw rechtdoende

Veroordeelt partij Kersten om aan partij [geïntimeerde] tegen behoorlijke kwijting te betalen de sommen van:

a. f.17.106,– (zeventien duizend eenhonderd en zes gulden) wegens onregelmatig aan partij [geïntimeerde] verleend ontslag, vermeerderd met de wettelijke rente hierover ad 6% per jaar vanaf 5 maart 1981 tot aan de dag der algehele voldoening;

b. f.30.800,– (dertig duizend en achthonderd gulden) vergoeding wegens aan partij [geïntimeerde] kennelijk onredelijk verleend ontslag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover ad 6% ’s jaars vanaf 28 november 1986 tot aan de dag der algehele voldoening;

Veroordeelt partij Kersten in de proceskosten in beide instanties aan de zijde van partij [geïntimeerde] gevallen:

– in eerste aanleg begroot op f.93,25

– in hoger beroep begroot op f.100,–

met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van f.100,–;

bepalende het Hof het salaris van de advokaat van partij Kersten eveneens op f.100,–;

Wijst af het meer of anders gevorderde.

SRU-HvJ-1998-1

H.M.

A – 381.

[verzoeker], wonende te [district], aan [adres], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo, aan de Gravenstraat no.122a, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.S.MARICA, advo­kaat,

verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name Het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, ten deze vertegenwoordigd wordende door de heer Procureur-Gene­raal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhou­dende te zijne Parkette te Paramaribo aan de Graven­straat nr.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.Dr.­C.D.OOFT, advokaat,

verweerder,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij ver­zoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellen­de:

1. Verzoeker wenst de hiernavolgende vordering in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name Het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, ten deze vertegenwoordigd wordende door de heer Procu­reur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te zijne Parkette te Paramaribo aan de Gravenstraat nr.3, gedaagde;

2. Verzoeker is ambtenaar in vaste dienst in de zin van de Personeelswet en was laatstelijk te werk gesteld als direkteur van de eenvoudige Technische School;

3. Bij resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 7 mei 1996, Bureau [nummer 1] is verzoeker ontslagen als ambtenaar in dienst van de Staat welk ontslag is ingegaan op 11 april 1997, zijnde deze dag de dag volgende op die, waarop het besluit hem ter kennis is gebracht. Verzoe­ker heeft vermeld besluit per aangetekend schrijven ontvangen op 10 april 1997 en overlegt deze ten proces­se met het verzoek de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen. Verzoeker acht het bedoeld besluit te zijnen opzichte vatbaar te zijn voor nietig verklaring en wel op de navolgende gronden.

a. Het bij voormelde resolutie genomen besluit grijpt in, in de rechten van verzoeker en derhalve niet had mogen worden genomen zonder hem in de gelegenheid te stellen zijn belangen te bepleiten bij de gedaagde.

In de overwegingen 5 tot en met 7 stelt de gedaagde dat de verzoeker in de gelegenheid werd gesteld om naar een andere betrekking om te zien, dat de verzoeker geen gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dat ver­zoeker tot 2 maal werd uitgenodigd voor een gesprek. Verzoeker ontkent met klem al het gestelde in de over­wegingen 5 tot en met 7 van voormelde resolutie. Ver­zoeker heeft in de Kort Geding zaak bekend onder A.R.N­o.960005 zelf gevraagd tot hervatting van zijn diensten in een funktie in overeenstemming met zijn opleiding en ervaring. Dit laatste werd hem echter door de Kanton­rechter geweigerd wegens geen recht hebben op arbeid, doch wel op zijn salaris en overige emolumenten. De gedaagde heeft geen gebruik willen maken van verzoekers diensten alstoen en thans ook niet ondanks het feit dat de verzoeker alstoen reeds zijn diensten aan de gedaag­de aanbood en thans nog steeds bereid is de bedongen arbeid voor de gedaagde te verrichten. Verzoeker is van oordeel dat de gedaagde hem niet kan verplichten om te zien naar een andere betrekking buiten het staatsappa­raat. Verzoeker die van huisuit leerkracht is, moet worden aangemerkt als te zijn een gespecialiseerde aangezien hij te werk was gesteld op een Technische School vanwege zijn genoten technische opleiding als leerkracht en aangezien alle technische scholen onder het regiem van de Staat vallen, is zulk een verplich­ting onredelijk bezwaarlijk. Dit klemt des te meer aangezien de schorsing van rechtswege per 9 februari 1990 is beëindigd en het dienstverband tussen verzoeker en de gedaagde per die zelfde datum is hervat en ver­zoeker niet de gelegenheid heeft gehad zijn werkzaamhe­den van weleer te hervatten;

b. Aan verzoeker is nooit de uitnodiging gedaan betrekkelijk een gesprek. De gedaagde heeft in de Kort Geding zaak zoals reeds aangehaald deze stelling niet eens summierlijk kunnen bewijzen. In de periode februa­ri 1990 tot en met juli 1994 heeft de gedaagde Stil gezeten en na de periode is de gedaagde overgegaan tot blokkering van verzoekers salaris. Dit onbehoorlijk bestuur als te zijn de gedragingen van de gedaagde kan in een rechtstaat als ten onzent niet worden getole­reerd aangezien deze gedraging rechtsonzekerheid schept voor verzoeker als ambtenaar en alle andere ambtenaren;

c. Nadat de Rechter in Kort Geding op 9 februari 1996 de gedaagde heeft veroordeeld om de verzoeker zijn salaris uit te betalen blijkt pas dat de verzoeker wegens het onvoldoende waarborgen voor betrouwbaarheid dient te worden ontslagen ingevolge artikel 69 lid 2 sub c van de personeelswet. Het heeft dus 7 jaren geduurd eer de gedaagde tot zulk een stelling is geko­men. Gelet op de lengte van de periode n.l.7 jaren is ook deze overweging onredelijk bezwaarlijk;

4. Verzoeker concludeert uit het vorenstaande dat de gronden van het besluit van de gedaagde om hem te ontslaan ondeugdelijk zijn en dat er sprake is van onbehoorlijk bestuur. De litigieuze beschikking geen stand kan houden en derhalve dient te worden vernie­tigd. Dit laatste klemt des te meer nu de gedaagde in de Kort Geding zaak bekend onder A.R.No.97-1259 te kennen heeft gegeven verzoeker uit te betalen tot 14 april 1997 en hem voorheen geen verwijten zijn gemaakt, althans hem niet bekend waren;

5. Zoals de kaarten nu liggen zal verzoeker ingevolge de mededeling van de gedaagde in de zaak bekend onder A.R.No.97-1259 tot en met 14 april 1997 zijn salaris ontvangen en daarna niet meer. Dit laatste betekent dat de verzoeker schade zal lijden doordat de gedaagde zal nalaten die handelingen te verrichten waardoor aan hem zijn salaris niet zal worden uitbetaald totdat oprecht­matige wijze de dienst betrekking tussen partijen bestaande zal worden beëindigd. Ook deze gedraging van de gedaagde is onbehoorlijk bestuur, aangezien geen gronden aanwezig zijn;

6. Verzoeker is van oordeel dat hij op grond van al het vorenstaande meer speciaal vanwege het onbehoorlijk bestuur van de gedaagde en wel zodanig dat de gedaagde het heeft gepresteerd om aan de verzoeker uit te reiken een ongetekende en ongestempelde resolutie, recht en belang heeft bij een vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard de Resolutie van de President van de Repu­bliek Suriname d.d. 7 mei 1996, [nummer 1];

b. de gedaagde zal worden veroordeeld om die hande­lingen te verrichten waardoor aan de verzoeker alsnog zijn salaris met bijkomende emolumenten wordt uitbe­taald over de periode 15 april 1997 totdat op regelma­tige wijze de dienst betrekking tussen partijen be­staande zal zijn beëindigd, Kosten rechtens;

Overwegende, dat van DE STAAT SURINAME binnen de wettelijk gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnen gekomen, waarbij hij als verweer heeft aangevoerd:

1. Gedaagde ontkent en betwist alhetgeen verzoeker in zijn Inleidend Rekest naar voren heeft gebracht, voor zover niet woordelijk en uitdrukkelijk door hem (gedaa­gde) is erkend, onder aanbod van bewijs zijner stellin­gen door alle middelen rechtens, indien en voor zover de bewijslast op hem zou mogen rusten;

2. Gedaagde kan erkennen, dat verzoeker gewezen ambtenaar is, die bij Resolutie d.d. 7 mei 1996 [nummer 2] – door verzoeker eerder overgelegd ter kennisneming van Uw Hof van Justitie -, werd ontslagen. Dit ontslag is ook ingegaan op de dag dat het terzake diend afschrift van de Resolutie verzoeker bereikte via een aangetekend stuk, t.w. op 8 (acht) april 1997. Het ontslag is dus niet ingegaan op 11 april 1997, zoals verzoeker stelt in zijn 3de sustenu (1e alinea), maar op 8 april 1997.

Het bewijs van dit aangetekend stuk wordt hierbij ter kennisneming van Uw Hof gevoegd, met verzoek het­zelve als hier geinsereerd en van dit verweer deel uitmakende, te willen beschouwen;

Gedaagde wil echter opmerken, dat 3 maal toe door boden van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en van Onderwijs, het afschrift van deze Resolutie ten huize van verzoeker aan [adres] is gebracht, maar dat de bewoners steevast mededeelde, dat verzoeker daar niet langer woont. Het aangetekend stuk werd echter ook geadresseerd op [adres], en kwam goed terecht, omdat verzoeker wel aldaar zijn woon­plaats heeft;

3. Ten aanzien van de opmerking van verzoeker in zijn 6e sustenu, dat de Resolutie niet zou zijn getekend (ongetekend en ongestempeld), merkt gedaagde op, dat aan verzoeker een afschrift van de Resolutie is toege­zonden met vermelding dat de resolutie ”WAS GETEKEND”, door de PRESIDENT en mede-ondertekend, door de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling S.O.HIWAT;

4. Verzoeker stelt in zijn 2de sustenu Inleidend Rekest, dat hij ”laatstelijk” was aangesteld in dienst als Direkteur van de Eenvoudige Technische School. Dit is juist, met dien verstande dat onder ”laatstelijk” moet worden verstaan ”Voor het laatst”, en wel in het jaar 1989, toen hij op 12 december 1989, blijkens zijn personeelsdossier, door de Procureur-Generaal in verze­kering werd gesteld wegens o.a. verdenking van strafba­re handelingen ingevolge de artikelen Wetboek van Strafrecht 278 jo 72 en/of 386 jo. artikel 73, alsmede verdacht van valsheid in geschrifte, zoals blijkt uit de terzake gedane mededelingen van de Wnd.,Procureur-Generaal, Mevr.Mr.H.ROZENBLAD.

Na 12 december 1989 is verzoeker niet meer in dienst van de STAAT geweest. Hem werd de gelegenheid gegeven, i.p.v. te verschijnen voor de Strafrechter, wegens ”overtreding van een Economisch Delict”, te transigeren, nadat verzoeker schuld heeft bekend op het alsdan gemaakte terzake dienende formulier;

Het bevoegd gezag op het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling is vanaf 1989 met verzoeker in onderhandeling geweest om hem elders te werk te stel­len, dan binnen het onderwijs, waar vooral de handelin­gen die tot vervolging van verzoeker hebben geleid, verwijderen uit het onderwijs noodzakelijk maakten. Er is niet besloten terstond tot ontslag over te gaan wegens o.a.PLICHTSVERZUIM.

Verzoeker is daarenboven – op eigen verzoek – de vrijheid gelaten te werken naar plaatsing op het Minis­terie van Openbare Werken, waar hij, gelet op zijn ervaringen, goed te werk zou kunnen worden gezet. Daarom bleef het ontslag zo lang uit.

Het mocht niet baten. Verzoeker kwam niet terug, maar bleef enkele jaren zonder arbeid te verrichten zijn salaris met emolumenten toucheren, totdat zijdens het Ministerie zijn salaris werd geblokkeerd, echter zonder een daarvoor noodzakelijke beschikking (of besluit) te slaan en verzoeker daarvan in kennis te stellen.

In het Kort Geding Ar.97-1259, zelf door verzoeker aangehaald in zijn Inleidend Rekest, werd dit verzuim gecorrigeerd en kreeg verzoeker zijn salaris plus emolumenten met terugwerkende kracht tot 10 april 1997.

Partijen bereikten hierover ten overstaan van de Kortgedingrechter overeenstemming. De ingangsdatum van het inmiddels gegeven ontslag, stond op 8 april 1997;

Ook nu weer deed zich het probleem voor dat ver­zoeker op het [adres] nooit te vinden was, hoewel hij daar woonde en nog woont.

Het gevolg van deze onzekere toestand was onder meer, dat verzoeker tot tweemaal toe werd opgeroepen om over het ontslag en/of plaatsing in een andere dienst, te komen overleggen met het Ministerie van Onderwijs. Tot tweemaal toe werd een brief aan hem verzonden. Verzoeker verscheen geen van beide keren, met als resultaat o.a.:

a. dat verzoeker niet de gelegenheid kreeg een ver­weerschrift op te stellen;

b. dat over herplaatsing niet kon worden overlegd met verzoeker, die inmiddels naar algemeen bekend is, op de haven optreedt als INKLAARDER en dit werk regelmatig verricht voor importeurs.

Fotokopie van de 2 brieven, d.d. 13 oktober en 22 oktober 1993 worden hier ter kennisneming van Uw Hof van Justitie ingesloten, met verzoek, deze als in dit rekest geinsereerd te willen beschouwen. Op grond van dit bovenstaande, wordt dan ook door gedaagde tegenge­sproken, dat het aan de schuld van gedaagde zou liggen, of aan onbehoorlijk bestuur, dat het ontslag uiteinde­lijk toch moest worden, zoals het nu luidt. De motive­ring daarin is dan ook niet onjuist en geeft geen goede grond om dientengevolge, en zoals gevorderd door ver­zoeker, tot geheel of gedeeltelijke vernietiging door het Hof van Justitie over te gaan;

6. Anders dan verzoeker doet voorkomen werkt het ontslag niet terug en is de stopzetting van de uitbeta­ling van zijn salaris niet onrechtmatig, mede op grond waarvan de Kortgeding Rechter dan ook de vordering van verzoeker om aan werk geholpen te worden, heeft moeten afwijzen wegens – zoals verzoeker zelf meedeelt in zijn 3de sustenu, 3e alinea ”geen recht op arbeid”. Zijn salaris en emolumenten heeft verzoeker inmiddels ont­vangen, over de gehele periode waarin die waren geblok­keerd, tot de ingangsdatum van het ontslag;

7. Gedaagde kan erkennen, dat dát deel van de motive­ring van het ontslagbesluit, n.l.”onvoldoende waarbor­gen voor betrouwbaarheid” (zie 9de alinea van de ”OVER­WEGINGEN” en 3e sustenu Inleidend Rekest van verzoeker) niet zo daadkrachtig is om het ontslag te ondersteunen. Maar de niet altijd juridisch of administratiefrechte­lijk onderbouwde ambtenaren die voor de redaktie moeten zorgen, kwamen wel onder die indruk, gelet op het vergrijp van verzoeker op de Eenvoudige Technische School en daarna op de onbetrouwbaarheid van verzoeker, om de administratie in staat te stellen haar werk goed te doen.

Met het bekende plichtsverzuim kon worden vol­staan, een begrip dat, gelet op de in de Personeelswet bekende opvatting van plichtsverzuim, zonder meer in de plaats van het moeilijker te bewijzen ”onbetrouwbaar­heid” volledig – naar de mening van gedaagde – een eventuele onvoldragen – zijn van de motivering, kan vervangen. De overwegingen dragen overigens, ieder afzonderlijk en tesamen, wel het ontslag dat als tucht­straf aan verzoeker is opgelegd. Een tuchtstraf, waar verzoeker zich reeds bij had neergelegd, ten dage dat het Kort Geding werd beslecht ten overstaan van de Kortgedingrechter op 9 februari 1996;

8. Verzoeker is te laat met de indiening van zijn rekest op 9 april 1997. Verzoeker ontving zijn ontslag­besluit op 8 mei en heeft op 9 mei 1997 ter Griffie van het Hof van Justitie zijn rekest ingediend. Deze om­standigheid is grondslag voor het niet ontvankelijk verklaren door Uw Hof van Justitie van verzoeker, wegens strijd met de vorm- vereisten van de Personeels­wet;

9. Gedaagde spreekt ook ten stelligste tegen dat hij zich in de zaak van verzoeker schuldig zou hebben gemaakt aan schending van enig Beginsel van Behoorlijk Bestuur, c.q. aan enig onrechtmatige handeling. Nergens is door verzoeker geconcretiseerd, welk beginsel ge­schonden zou zijn, op grond waarvan onrechtmatig zou zijn gehandeld;

Overwegende, dat hij op deze gronden heeft gecon­cludeerd:

dat verzoeker op de grondslagen van dit verweer als hierboven weergegeven, hetzij niet ontvankelijk zal worden verklaard, hetzij de vordering niet zal worden toegewezen, wegens gebrek aan bewijs, wegens ongegrond­heid, althans wegens te vage aanduiding daarvan en in strijd met wet en recht;

Overwegende, dat ingevolge’s Hofs beschikking van 4 juli 1997 in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde advokaat Mr.S.Marica en advokaat Mr.Dr.C.D.Ooft, gemachtigde van verweerder, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen- proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ten dage voor conclusie na gehou­den verhoor van partijen zijdens verzoeker bepaald, de gemachtigde van verzoeker een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie – onder overlegging van een produktie – heeft genomen;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder hierna – onder overlegging van een produktie – een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker vervolgens een eveneens – hier als geinsereerd aan te merken – schriftelijke conclusie tot uitlating produk­tie heeft genomen;

Overwegende, dat partijen tenslotte vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 23 januari 1998, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker op gronden in het inleidende verzoekschrift vermeld onder meer vordert:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard de Resolutie van de President van de Repu­bliek Suriname d.d. 7 mei 1996, bureau [nummer 1];

b. de gedaagde zal worden veroordeeld om die hande­lingen te verrichten waardoor aan de eiser alsnog zijn salaris met bijkomende emolumenten wordt uitbetaald over de periode 15 april 1997 tot dat op regelmatige wijze de dienst betrekking tussen partijen bestaande zal zijn beëindigd, Kosten rechtens;

Overwegende, dat De Staat Suriname bij verweer­schrift onder meer heeft aangevoerd dat de grondslag van het gegeven ontslag namelijk ”onvoldoende waarbor­gen voor betrouwbaarheid”, dit motiverende gesteld heeft dat verzoeker een strafbaar feit had begaan en was gearresteerd waardoor hij geschorst was, voorts door het Ministerie van Onderwijs hem voorstellen zijn gedaan om elders te werk gesteld te worden vanwege het specifiek beroep dat verzoeker uitoefende, hij was n.l. leerkracht, zijn verdere handhaving door dit gebeuren in de weg stond.

Voorts verzoeker, hoewel hij nog steeds woonachtig is aan [adres], zich onvindbaar heeft gemaakt voor zijn werkgever;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat nu het strafbaar feit door verzoeker is erkend en hij niet gemotiveerd ontkent slecht contact met zijn werkgever te hebben gehad en aangezien niet gezegd kan worden dat bij de besluitvorming elk redelijk belang van verzoeker is veronachtzaamd, het door De Staat Suriname gevoerde verweer als juist gedaan dient te worden aangemerkt, zodat het Hof het gedane verzoek dient te weigeren;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Wijst verzoeker’s vorderingen af;

Aldus gewezen door de heren: Mr.A.C.VELDEMA, Fungerend-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openba­re terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 20 maart 1998, in tegenwoordigheid van Mr.A.CHARAN, Fungerend-Griffier.

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.K.BRANDON namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.S.MA­RICA en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemach­tigde advokaat Mr.Dr.C.D.OOFT, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1986-2

Hof van Justitie

12 december 1986, G.R. 12425

(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand, E.S. Ombre)

N.V. Energie Bedrijven Suriname, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Noorderkerkstraat 2-6, advocaat Mr. W. Lim A Po, appellant,

tegen

[geïntimeerde], wonende te [district], advocaat Mr. C.A. Calor, geïntimeerde,

De waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, respectievelijk van 16 september 1985 en 11 november 1985 tussen partijen gewezen;

2. het proces verbaal van de griffier van het Eerste Kanton van 21 november 1985, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat eiser de navolgende vordering in Kort Geding wenst in te stellen tegen de N.V. Energie Bedrijven Suriname, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Noorderkerkstraat 2-6, gedaagde;

2. dat eiser in juni 1969 in dienst trad van de N.V. Ogem; die in december 1971 belast werd met de statutaire Directievoering over de N.V. E.B.S;

3. dat eiser in december 1971 benoemd werd als vertegenwoordiger van de statutaire direktie van de N.V. Energie Bedrijven Suriname, en belast werd met de functie van Direkteur van de N.V. Energie Bedrijven Suriname;

4. dat gedaagde bij schrijven van de Raad van Commissarissen de dato 17 januari 1985 [referentienummer 1], welk schrijven hierbij in fotokopie als produktie I wordt overgelegd, de dienstbetrekking met eiser met ingang van 17 juli 1985 heeft opgezegd. Bovendien werd eiser met ingang van 17 januari 1985 op non-actief gesteld;

De reden die gedaagde opgaf voor het ontslag is dat er een duidelijke onverenigbaarheid van visie zou bestaan tussen eiser als direkteur en de Raad van Commissarissen en de Aandeelhouders omtrent de Maatschappelijke Rolvervulling van de N.V. E.B.S. en het in dat kader te voeren beleid en dat als gevolg daarvan geen doeltreffende samenwerking mogelijk zou zijn tussen eiser als Direkteur enerzijds en de Raad van Commissarissen alsmede de aandeelhouders anderzijds;

5. dat gedaagde geen ontslagvergunning van de Minister van Arbeid terzake heeft gekregen (S.B. 1983 no. 10 prod.II) en ingevolge Decreet E 39A Artikel 1 – welk Decreet hierbij in fotokopie als produktie III wordt overgelegd – de ontslagaanzegging aan eiser per 17 juli 1985 derhalve van rechtswege als opgeschort moet worden beschouwd;

6. dat eiser hierbij als produktie no. IV overlegt het schrijven van het Ministerie van Arbeid Sociale Zaken en Volkshuisvestiging, de dato 20 augustus 1985 [referentienummer 2] waaruit blijkt dat tot die datum aan gedaagde geen ontslagvergunning is verleend;

7. dat gedaagde conform het in het 4e “dat” gestelde heeft gehandeld en eiser tot 17 juli 1985 zijn salaris + emolumenten tezamen het equivalent bedragende van f.14.222,– per maand heeft betaald;

8. dat eiser bij schrijven van gedaagde de dato 1 augustus 1985 [referentienummer 3] – welk schrijven hierbij in fotokopie als produktie V wordt overgelegd – werd bericht dat per 17 juli 1985 de uitbetaling van zijn salaris werd stopgezet;

9. dat voormelde handelswijze van gedaagde niet alleen in strijd is met de wet (Decreet E 39 A), immers zoals reeds gesteld het ontslag aan eiser van rechtswege als opgeschort dient te worden beschouwd, doch ook met de zorgvuldigheid welke gedaagde in het maatschappelijk verkeer ten aanzien van eiser betaamt, met gedaagde ’s schuld daaraan;

10. dat eiser in ernstige financiële problemen dreigt te geraken nu gedaagde in gebreke is gebleven hem zijn salaris vanaf 17 juli 1985 uit te betalen;

11. dat eisers vordering derhalve een spoedeisend karakter heeft welke een behandeling in Kort Geding rechtvaardigt;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis in Kort Geding, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde zal worden veroordeeld:

a. om bij wege van voorschot tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen diens salaris + emolumenten vanaf 17 juli 1985 tot heden naar rato van f.14.222,– (veertienduizend tweehonderd twee en twintig gulden) per maand althans een zodanig bedrag als de Kantonrechter in goede Justitie zal vaststellen;

b. om maandelijks tegen behoorlijk bewijs van kwijting te rekenen vanaf heden bij wege van voorschot aan eiser te betalen diens salaris ad f.14.222,– (veertienduizend tweehonderd twee en twintig gulden) althans en zodanig bedrag als de Kantonrechter in goede Justitie zal vaststellen;

Overwegende, dat de N.V. Energie Bedrijven Suriname als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiser in zijn vordering niet zal worden ontvangen, althans deze hem als ongegrond en onbewezen zal worden ontzegd;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 16 september 1985 op de daarin opgenomen gronden een comparitie van partijen heeft gelast;

Overwegende, dat ter bevolen comparitie van partijen, partijen in persoon tevens bijgestaan door hun respectieve gemachtigden zijn verschenen en hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd, waarna de Kantonrechter de verdere behandeling der zaak heeft aangehouden voor overlegging produkties zijdens gedaagde;

Overwegende, dat nadat de gemachtigde van gedaagde een conclusie tot overlegging produkties had genomen, de Kantonrechter bij vonnis van 11 november 1985 op de daarin opgenomen gronden gedaagde heeft bevolen om aan eiser bij wege van voorschot vanaf 17 juli 1985 tot aan de richtige beëindiging van de dienstbetrekking met eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag van f.14.222,– (veertien duizend tweehonderd twee en twintig gulden) per maand;

dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.65,– (vijf en zestig gulden);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal van 21 november1985 de N.V. Energie Bedrijven Suriname in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 11 november 1985;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Mohamed Raoef Gaffar van 3 december 1985 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden;

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat het appél tegen het vonnis de dato 11 november 1985 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in Kort Geding tussen partijen gewezen en uitgesproken, tijdig is ingesteld;

Overwegende, dat appellante tegen het beroepen vonnis drie grieven heeft ontwikkeld, luidende:

A. Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen, dat de dienstbetrekking tussen geïntimeerde en appellante een arbeidsverhouding is in de zin van artikel 1613 a Burgerlijk Wetboek en dat op grond daarvan ten aanzien van geïntimeerde de normale ontslagregels, zoals weergegeven in het Burgerlijk Wetboek en in het Decreet Ontslagvergunning in acht behoorden worden genomen;

B. Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen, dat appellante geen ontslagvergunning had zulks in strijd met appellante ’s stellingen, zoals uiteengezet bij conclusie van dupliek in prima sub 4 en bij conclusie van antwoord in het incident in prima d.d. 14 oktober 1985.

C. Kennelijk is de Kantonrechter tot voormelde beslissing gekomen, aangezien hij in zijn vonnis overweegt, dat appellante de ontslagvergunning niet op de juiste wijze en bij het daartoe bevoegde orgaan van de Staat zou hebben aangevraagd, zulks evenwel ten onrechte.

Ten onrechte heeft de Kantonrechter beslist, dat appellante aan geïntimeerde maandelijks een bedrag van f.14.222,– behoorde te voldoen;

hebbende appellante, naar uit haar pleitnota blijkt, voormelde grieven duidelijk toegelicht, wordende die toelichting als in dit vonnis letterlijk herhaald en geïnsereerd aangemerkt;

Overwegende, dat het Hof termen aanwezig acht de grieven A en B thans tegelijk aan een bespreking te onderwerpen;

Overwegende, dat in rechtspraak en literatuur algemeen wordt aangenomen, dat de rechtsverhouding tussen de naamloze vennootschap en haar bestuurder (directeur) beheerst wordt door de bepalingen van de arbeidsovereenkomst (zie Van der Heyden – Van der Grinten, Handboek; negende druk no. 245, blz. 430; Van der Grinten, Arbeidsovereenkomstenrecht blz. 15);

dat ook in de wetgeving een aanknopingspunt is te vinden voor deze zienswijze (zie art.108 K)

dat deze regeling zinloos zou zijn, wanneer een bestuurder geen arbeider was;

Overwegende, dat nu, naar tussen partijen rechtens vaststaat, geïntimeerde tegen loon werkzaam was, hij arbeider in dienst van appellante was;

dat deze rechtsbetrekking tot appellante onder meer betekende, dat de artikelen 1613a e.v., Burgerlijk Wetboek van toepassing waren, nu daarvan in het Wetboek van Koophandel niet blijkt te zijn afgeweken;

Overwegende, dat naar luid van artikel 2 van het “Decreet Ontslagvergunning’’, het een werkgever verboden is de dienstbetrekking van de werknemer te beëindigen zonder ontslagvergunning, verleend door of namens de Minister. Ingevolge artikel 6 van voormeld decreet, is het de werkgever toegestaan om, indien een ontslagvergunning aan de werkgever is verleend, de betreffende dienstbetrekking op te zeggen met inachtneming van de wettelijke opzeggingstermijn;

dat naar uit de toelichting van artikel 6 blijkt, de werkgever de dienstbetrekking pas rechtmatig kan opzeggen, na verkrijging van de ontslagvergunning. Na dit tijdstip kan de van toepassing zijnde opzeggingstermijn ingaan;

Overwegende, dat nu niet is gebleken van enig besluit, ingevolge hetwelk artikel 6 van het “Decreet Ontslagvergunning” niet van toepassing is op de verhouding tussen de directeur en de vennootschap, het Hof het er voor houdt, dat gemelde wettelijke bepaling van toepassing was op de dienstbetrekking tussen partijen;

Overwegende dat, naar uit een door de Raad van Commissarissen van appellante aan geïntimeerde verzonden brief de dato l7 januari 1985 blijkt, de dienstbetrekking tussen partijen met ingang van 17 juli 1985 is opgezegd;

Overwegende, dat naar uit de zich in het procesdossier bevindende gedingstukken blijkt, heeft de Raad van Commissarissen van appellante bij schrijven de dato 17 januari 1985, aan de Minister van Sociale Zaken Arbeid en Volkshuisvesting gericht, de Minister verzocht aan appellante vergunning te verlenen de dienstbetrekking met geïntimeerde te beëindigen;

Overwegende, dat uit vorenaangehaalde overwegingen blijkt, dat toen appellante de dienstbetrekking aan geïntimeerde opzegde, de appellante niet in het bezit was van de vereiste ontslagvergunning, als bedoeld in artikel 6 van het “Decreet Ontslagvergunning’’

Overwegende, dat de consequentie van een en ander was, dat de gedane opzegging als in strijd met gemelde wettelijke bepaling van rechtswege nietig was;

Overwegende, dat de dienstbetrekking en de loonaanspraken dan ook bleven voortduren;

Overwegende, dat zowel grief A als grief B op grond van al het hiervoren overwogene als ongegrond te worden verworpen;

Overwegende, dat nu appellante zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft ontkend, dat geïntimeerdes salaris f.14.222,– per maand bedroeg en geïntimeerde zijn betwiste stelling niet nader heeft uiteengezet en toegelicht, acht het Hof het thans noodzakelijk een comparitie van partijen te gelasten teneinde daaromtrent te worden geïnformeerd;

Overwegende, dat het Hof grief C na de gehouden inlichtingencomparitie zal bespreken;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

Rechtdoende in hoger beroep in Kort Geding

Gelast partijen ambtshalve in persoon, desgewenst vergezeld van haar advokaten om ter terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 13 februari 1987 des voormiddags te half negen uur te verschijnen tot het verstrekken van inlichtingen;

Bepaalt, dat deze comparitie van partijen zal worden gehouden ten overstaan van een Rechter-Commissaris als hoedanig hierbij wordt benoemd Mr. R.E.Th. Oosterling, waarnemend-President van dit Hof;

Houdt elke verdere uitspraak aan.

SRU-HvJ-2017-17

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van:

[eiser],

wonende te [district],

eiser, hierna aangeduid als [eiser],

gemachtigde: voorheen mr. S.R. Heijmans, advocaat, die zich op 07 januari 2015 als gemachtigde heeft onttrokken, thans mr. E.D. Esajas, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,

meer in het bijzonder het Ministerie van Financiën,

zetelende te Paramaribo,

verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,

gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit als vervolg op het op 04 juli 2014 tussen partijen gewezen tussenvonnis.

1. Het verdere procesverloop

1.1 Na het op 04 juli 2014 tussen partijen gewezen tussenvonnis heeft de Staat geen conclusie genomen, en heeft vonnis gevraagd.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bij vervroeging bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling van het geschil

2.1 Het hof volhardt bij de inhoud van de respectievelijk op 18 maart 2011 en 04 juli 2011 tussen partijen gewezen tussenvonnissen.

2.2 Het hof heeft reeds in het op 18 maart 2011 tussen partijen gewezen tussenvonnis overwogen dat [eiser] geen belang meer heeft bij vordering tot nietigverklaring van het aan hem gegeven ontslag en zal hij daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering ter zake.

2.3 Bij het op 18 maart 2011 tussen partijen gewezen tussenvonnis is [eiser] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten omtrent de vraag of hij zijn vordering tot wedertewerkstelling wenst te handhaven. [eiser] heeft bij akte tot uitlating d.d. 01 april 2011 duidelijk kenbaar gemaakt dat hij deze vordering blijft handhaven. Ter zake stelt het hof voorop dat in artikel 79 van de Personeelswet een limitatieve opsomming is gegeven van de vorderingen waarover het hof mag oordelen. Daar een vordering tot wedertewerkstelling niet valt onder de limitatieve opsomming, zal het hof zich onbevoegd verklaren om van deze vordering kennis te nemen.

2.4 Bij tussenvonnis d.d. 04 juli 2011 is de Staat in de gelegenheid gesteld om een productie over te leggen waaruit blijkt dat de betaling van het bedrag ad SRD 65.221,18 op de bankrekening van [eiser] zou zijn overgemaakt. Dit, naar aanleiding van de stelling van [eiser] bij nadere conclusie d.d. 15 juli 2011 dat de Staat slechts een bedrag groot SRD 31.875,58 op zijn rekening bij de Finabank heeft gestort. De Staat heeft nagelaten de productie over te leggen en heeft in stede daarvan gevraagd om vonnis te wijzen. Het hof zal daarom overgaan tot het wijzen van een eindvonnis in de onderhavige zaak en zal het ervoor moeten houden dat de Staat slechts het bedrag ad SRD 31.875,58 op de bankrekening van [eiser] heeft gestort en dus nog het verschil ad SRD 33.345,60 als vergoeding van schade op de bankrekening van [eiser] dient te storten. Derhalve zal de Staat daartoe worden veroordeeld, hetgeen betekent dat de vordering tot betaling van vergoeding van schade zal worden toegewezen tot het hiervoor vermelde bedrag.

2.5 Voor wat betreft het onderdeel betreffende de vordering tot betaling van de wettelijke verhoging, heeft het hof reeds onder 3.3.3 van het op 18 maart 2011 tussen partijen gewezen tussenvonnis, waarbij het hof volhardt bij de inhoud van dat tussenvonnis, overwogen dat zij onbevoegd is van dit onderdeel kennis te nemen en heeft zij zich reeds ter zake onbevoegd verklaard.

2.6 De gevorderde proceskosten zullen worden afgewezen omdat gevorderde niet valt onder de limitatieve opsomming van artikel 79 Personeelswet van hetgeen bij het Hof van Justitie als ambtenarenrechter kan worden gevorderd.

3. De beslissing

Het hof:

3.1 Verklaart [eiser] niet ontvankelijk in de vordering tot vernietiging van het aan hem gegeven ontslag.

3.2 Verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vordering tot wedertewerkstelling en van de vordering tot betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 1614q BW.

3.3 Veroordeelt de Staat om aan [eiser] te betalen het bedrag ad SRD. 33.345,60 (Drieendertigduizend Driehonderd en Vijfenveertig Surinaamse Dollar en Zestig Surinaamse dollarcent), zijnde het saldo bedrag aan vergoeding van schade dat nog niet door de Staat op de bankrekening van [eiser] is gestort.

3.4 Verklaart hetgeen hiervoor onder 3.3 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

3.5 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu
en mr. S.S.S. Wijnhard, Leden en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 17 november 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. S.M.M. Chu

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen mr. C.S. Djajadi namens advocaat mr. E.D. Esajas, gemachtigde van verzoeker terwijl verweerder noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

 

SRU-HvJ-1999-3

M.R.S.

GENERALE ROL No.14034

[appellant], wonende aan [adres 1] in [district], voor wie als gemachtigde optrad Mr.J.C.P.NANNAN PANDAY, die thans vervangen wordt door Mr.H.MATAWLIE, advokaat,

appellant in Kort Geding,

t e g e n

[geintimeerde], rechtspersoon, gevestigd te [district] en kantoorhoudende aan [adres 2 boven, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.BAARH, advokaat

geintimeerde in Kort Geding,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegd vonnis in Kort Geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 22 mei 1997 tussen partijen gewezen;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 2 juni 1997, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advocaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geintimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. Eiseres wenst de volgende vordering in Kort Geding in te stellen tegen [appellant], wonende aan [adres 1] in [district], gedaagde;

2.Eiseres heeft op de openbare veiling d.d. 18 oktober 1996, gehouden ten overstaan van Notaris Ramdew Ramautar gekocht: het recht van grondhuur ter uitoefening van de tuinbouw voor de duur van veertig jaren op het perceelland, groot 1.9284 ha, gelegen in [district] aan [adres 1], bekend als serie [nummer] van de [plaats] en aangeduid op de uitmetingskaart van de Landmeter in Suriname P.W.Kalk, Lcs, de dato 24 juli 1989 door de figuur ABCD, blijkende het vorenstaande uit:

a. een verklaring van voornoemde Notaris dd. 22 oktober 1996.

b. een hypothecair uittreksel d.d. 3 maart 1997. De inhoud van de vorenvermelde bescheiden die hierbij worden vergelegd, wordt hier als letterlijk herhaald en geinsereerd beschouwd.

3.De enige reden waarom eiseres ertoe is overgegaan het litigieuze recht van rondhuur te kopen is gelegen in het feit dat eiseres een woning dringend nodig heeft om haar aktiviteiten te ontplooien maar bovenal om haar voorzitter te huisvesten.

4.Gedaagde was eigenaar van het recht van grondhuur als Sub 2 omschreven maar wegens wanbetaling van zijn schulden, is het litigieuze grondhuurrecht op de openbare veiling verkocht.

5.Tussen eiseres als eigenaar en de gedaagde bestaat geen enkele rechtsrelatie die aan gedaagde een titel zou kunnen verschaffen om zich op het onder punt 2 vermelde onroerend goed te bevinden waardoor gedaagde zonder recht of titel het perceelland occupeert en alzo inbreuk maakt op het eigendomsrecht van eiseres op het recht van grondhuur.

6.Eiseres is niet gehouden deze inbreuk te gedogen en zij heeft een spoedeisend belang bij een onverwijlde voorziening bij voorraad.

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis in Kort Geding, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde ter zake voorschreven zal worden veroordeeld om binnen eenmaal 24 uren na dit vonnis, het onderhavige perceelland, waarvan eiseres het recht van grondhuur heeft, te ontruimen en te verlaten met allen en alles wat zich van zijnentwege daarop mocht bevinden met machtiging op eiseres, indien gedaagde ingebreke mocht blijven met de uitvoering van dit vonnis, de uitvoering zelf te bewerkstelligen desnoods met behulp van de sterke arm, met veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 3 april 1997 de gemachtigden van partijen de zaak mondeling hebben bepleit en hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakt hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ten dage voor overlegging statuten zijdens eiseres bepaald, de gemachtigde van eiseres deze heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens gedaagde bepaald de gemachtigde van gedaagde een schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 22 mei 1997 op de daarin opgenomen gronden:

gedaagde heeft veroordeeld binnen EEN MAAND na betekening van dit vonnis het perceelland groot 1.9284 ha, gelegen in [district], aan [adres 1], bekend als serie [nummer] van de [plaats] en aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter P.W.Kalk, Lcs., de dato 24 juli 1984 door de figuur ABCD te ontruimen en te verlaten met allen en alles wat zich van zijnentwege daarop mochten bevinden; met machtiging op eiseres om, indien gedaagde ingebreke mocht blijven met de uitvoering van dit vonnis, zulks zelfs te bewerkstelligen, desnoods met behulp van de Sterke Arm;

dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren heeft verklaard;

gedaagde heeft verwezen in de kosten van dit proces, aan eiseres haar zijde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.4.581,75 (VIERDUIZEND VIJFHONDERD EN EEN EN TACHTIG 75/100 GULDEN);

het meer of anders gevorderde heeft geweigerd;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 22 mei 1997;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Ch.Balgobind van 17 februari 1998 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep

voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat advokaat Mr.Nannan Panday per brief gedateerd februari 1998 zich als gemachtigde van appellant aan de zaak heeft onttrokken;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 5 maart 1999, doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het hoger beroep tijdig is ingesteld;

Overwegende, dat uit de, in zoverre niet betwiste, stukken van het geding in eerste aanleg het volgende blijkt:

–geintimeerde heeft als eiser een ontruimingsvordering ingesteld tegen [appellant] (onderstreping door het Hof);

-bij exploit van deurwaarder D.Hieralal d.d.12 maart 1997 is [appellant], wonende aan [adres 1] in [district], ”ten rechte geheten [naam 1], wonende aan [adres 3] in [district],” opgeroepen om op de eerstdienende dag ter terechtzitting te verschijnen;

-op voormelde rechtsdag is [appellant], vertegenwoordigd door advocaat Mr. J.C. Nannan Panday, ter terechtzitting verschenen;

Overwegende, dat uit de appèlverklaring blijkt dat Mr. Nannan Panday hoger beroep heeft ingesteld namens [appellant], terwijl de appellant zich in het onderhavig hoger beroep bedient van de naam [appellant];

Overwegende, dat het Hof uit de in hoger beroep door appellant geponeerde, en in zoverre niet betwiste, stellingen begrijpt dat [appellant] en [naam 1] twee geheel verschillende personen zijn;

Overwegende, dat appellant als grief heeft aangevoerd dat hij ten onrechte door de Kantonrechter is veroordeeld;

Overwegende, dat het Hof begrijpt dat appellant van oordeel is dat, door de vermelding in het exploit dat hij ten rechte [naam 1] was geheten, het exploit in strijd met het bepaalde in artikel 7 lid sub 2o (lees kennelijk: artikel 7 eerste lid sub 3o) van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (afgekort Rv.) en derhalve nietig is;

Overwegende, dat geintimeerde heeft aangevoerd dat, nu Mr. Nannan Panday zich als gemachtigde van appellant had gesteld, alle gebreken die aan het exploit mochten kleven van rechtswege waren opgeheven;

Overwegende, dat het exploit de naam van de geëxploiteerde, te weten [appellant], bevat en dat de vermelding in het exploit dat [appellant] die ten rechte [naam 1] is geheten – welke vermelding onjuist is gebleken – daarin geen verandering bracht;

Overwegende, dat derhalve geen sprake is van strijd met artikel 7 eerste lid sub 3o Rv.;

Overwegende voorts, dat het bepaalde in artikel 120 Rv., gelet op de aard van een dergelijk geding, ook in kort geding van toepassing is;

Overwegende, dat de exceptie van nietigheid van het exploit, dat voor het eerst in hoger beroep wordt gedaan, dan ook als vervallen moet worden aangemerkt;

Overwegende, dat appellant in zijn pleitnota onder meer heeft geconcludeerd dat [naam 2] en [naam 3] (lees kennelijk: [naam 2]) in hun oorspronkelijke toestand worden hersteld;

Overwegende, dat het Hof begrijpt dat appellant deze conclusie grondt op het feit dat, naar hij beweert, het beroepen vonnis tegen genoemde personen is geëxecuteerd;

Overwegende, dat, ook indien dit laatste juist is, het beroepen vonnis hierdoor niet wordt aangetast en bedoeld feit niet kan leiden tot vernietiging van dat vonnis;

Overwegende, dat, zoals geintimeerde heeft aangevoerd, appellant er ten onrechte van uitgaat dat de Kantonrechter het beroepen vonnis niet uitvoer bij voorraad heeft verklaard;

Overwegende, dat, gelet op al het voorgaande, het beroepen vonnis dient te worden bevestigd;

Overwegende, dat appellant als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten zal worden verwezen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt het vonnis, door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en op 22 mei 1997 uitgesproken, waarvan beroep;

Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot op f.750,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f.750,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op f.750,–.

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.OMBRE, fungerend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.K.PULTOO, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 9 APRIL 1999, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen de gemachtigde van appellant, advokaat Mr.A.R.Baarh terwijl de geintimeerde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

SRU-HvJ-2001-1

S.M.

A-358.

[verzoekster], wonende te [district] aan [adres], ten deze domicilie kiezende aan de wagenwegstraat no.41 ben.ten kantore van Mr.A.R.BAARH, advokaat,

verzoekster,

t e g e n

A. DE STAAT SURINAME, MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende ten Parkette aan de Gravenstaat no.3.

B. HET LANDSBEDRIJF ACADEMISCH ZIEKENHUIS PARAMARIBO, rechtspersoon, door wie tot hun beider gemachtigde is gesteld Mr.T. GANGARAM PANDAY, advokaat,

verweerders,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoire vonnissen respectivelijk van 6 juni 1996, 23 januari 1998, 2 juli 1999 en 19 november 1999 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de verzoeker in de enquete twee getuigen heeft doen horen, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende dat de gemachtigde van verweerder sub A in de contra-enquete geen getuigen heeft doen horen, terwijl de gemachtigde van verweerder sub B twee getuigen heeft doen horen, die hebben verklaard gelijk in de daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen processen-verbaal staan gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van partijen hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusies na gehouden contra enquete hebben genomen, waarna het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 15 juni 2001, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 19 november 1999 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat verzoekster ten einde het van haar verlangde bewijs te leveren, twee getuigen heeft doen horen te weten [naam 1] en [naam 2];

Overwegende, dat het hof de vraag of verzoekster het van haar verlangde bewijs geleverd heeft ontkennend beantwoordt, blijkende dat het bewijs geleverd heeft ontkennend beantwoordt, blijkende dat bewijs immers niet uit de verklaringen van genoemnde getuigen;

Overwegende, dat mitsdien tussen partijen niet is komen dat zij – verzoekster – enkele keren na april 1996 als hulpkracht in het Landsbedrijf Academisch Ziekenhuis tevergeefs door tussenkomst van de Personeelschef haar diensten heeft aangeboden;

Overwegen, dat het Hof verzoekster haar vordering als onbewezen aan haar zal ontzeggen;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Ontzegt aan verzoekster haar vordering;

Aldus gewezen door de heren Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.K.PULTOO en Mw.Mr.Drs.C.C.L.A. VALSTEIN-MONTOR, Leden en door de Vice-Presi­dent uitge­sproken ter openbare terecht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 20 JULI 2001, in tegenwoor­dig­heid van Mr.R.R.BRIJBHOKUN, Fungerend-Griffier.

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door haar gemachtigde, advokaat Mr. A.R.BAARH en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.T.GANGARAM PANDAY, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-2017-16

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING

in de zaak van:

A. N.V. CULTUURONDERNEMING NICKERIE (N.V. CON),

B.[naam]e.a.,

ten deze domicilie kiezende aan Frederik Derbystraat 13-13A te Paramaribo ten kantore van Sewcharan Advocaten,

verzoekers,

gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

YAMUNA N.V.

gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.E. Debipersad, advocaat,

spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, op de voet van artikel 272 van het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de navolgende beschikking uit.

Partijen worden hierna aangeduid als N.V. CON c.s. en YAMUNA N.V.

1 Het procesverloop

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

– het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 09 juli 2017;

– het proces-verbaal van het verhandelde in Raadkamer van het Hof van Justitie d.d. 26 juli 2017, inhoudende een toelichting op het verzoekschrift;

– de conclusie van antwoord met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 02 augustus 2017;

– de conclusie van repliek met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 08 augustus 2017;

– de conclusie van dupliek ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 14 augustus 2017.

1.2 Vervolgens is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1 Bij vonnis in het incident en in de hoofdzaak, uitvoerbaar bij voorraad, van 24 maart 2015, bekend onder A.R. no. 07-5354, heeft de kantonrechter in het Eerste Kanton in het incident de incidentele eisers niet-ontvankelijk verklaard in hun incidentele vordering alsmede veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van YAMUNA N.V. en N.V. CON gevallen en tot aan de uitspraak begroot op nihil. Voorts heeft de kantonrechter in het Eerste Kanton in de hoofdzaak de tussen partijen bestaand hebbende huurovereenkomst d.d. 01 augustus 1997 ontbonden en N.V. CON veroordeeld om aan YAMUNA N.V. te betalen:

– de som van € 80.000,- (tachtig duizend Euro) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 juli 2009 tot aan de algehele voldoening, alsmede om, om de zes maanden, voor het eerst op 29 juli 2010 aan YAMUNA N.V. te betalen het bedrag van € 40.000,- (veertig duizend Euro) totdat het bedrag van € 800.000.- (achthonderd duizend Euro) algeheel en volledig zal worden voldaan;

-buitengerechtelijke kosten ad. € 120.000,- (éénhonderd en twintig duizend Euro).

2.2 Tegen voormeld vonnis heeft N.V. CON c.s. hoger beroep ingesteld en de zaak is reeds in behandeling genomen.

3 Het geschil

3.1 N.V. CON c.s. vorderen:

de werking van voornoemd vonnis jegens hun te staken c.q. de tenuitvoerlegging ervan te staken, zolang in het hoger beroep niet is beslist, een en ander op straffe van een dwangsom.

3.2 In verband met de onderhavige vordering hebben N.V. CON c.s. aangevoerd dat zij ten onrechte veroordeeld zijn tot het betalen van voormelde bedragen en derhalve daartegen in hoger beroep zijn gegaan. N.V. CON c.s. vrezen dat het executeren van het vonnis met zich zal meebrengen dat zij zal ophouden te bestaan c.q. al haar bezittingen zal kwijtraken vanwege het feit dat YAMUNA N.V. niet in staat zal zijn om de geldelijke voorzieningen te treffen bij een later vernietigd besluit. Op grond hiervan zijn zij van mening dat de executie van het beroepen vonnis dient te worden gestaakt, totdat in hoger beroep zal zijn beslist.

3.3 YAMUNA N.V. heeft hiertegen verweer gevoerd, waarop voor zover nodig, nader zal worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1 Het hof stelt voorop dat in de onderhavige procedure in het kader van de executie geen ruimte is voor een beoordeling van die kwesties die in het beroepen vonnis aan de orde zijn gesteld.

4.2 Ingevolge artikel 272 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn N.V. CON c.s., wanneer buiten de gevallen bij wet voorzien de voorlopige tenuitvoerlegging van een vonnis bevolen is, bevoegd om bij afzonderlijk verzoekschrift aan het Hof van Justitie het verzoek te doen, dat de executie wordt gestaakt.

4.3 Uit de stellingen en weren van partijen is gebleken dat N.V. CON het rechtsmiddel van hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 24 maart 2015, bekend onder A.R. no. 07-5354, waarbij N.V. CON onder meer is veroordeeld om aan YAMUNA N.V. te betalen de som van € 80.000,- (Tachtigduizend Euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 juli 2009 tot aan de algehele voldoening, alsmede om, om de zes maanden, voor het eerst op 29 juli 2010 aan YAMUNA N.V. te betalen het bedrag van € 40.000 (Veertigduizend Euro) totdat het bedrag van € 800.000,- (Achthonderdduizend Euro) algeheel en volledig zal worden voldaan alsmede om aan YAMUNA N.V. te betalen de buitengerechtelijke kosten ad. € 120.000,- (Eenhonderd en twintigduizend Euro).

4.4 In afwachting van de behandeling van onderhavige verzoek, hebben N.V. CON c.s. in kort geding schorsing van de executie van het vonnis gevorderd totdat er in hoger beroep een beslissing wordt genomen in onderhavige zaak.

4.5 YAMUNA N.V. heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat het verzoek van N.V. CON c.s. moet worden afgewezen omdat de executie van het vonnis voortvloeit uit een op grond van artikel 55 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis weshalve het in deze dus wel een bij wet voorzien geval betreft waardoor het verzoek van N.V. CON c.s. een wettelijke grondslag ontbeert. Ter adstructie heeft YAMUNA N.V. overgelegd de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 21 april 2015, G.R. No. 15008.

4.6 Het hof in Raadkamer is van oordeel dat de verplichting tot betaling voortvloeit uit een op grond van artikel 55 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis. In deze betreft het dus wel een bij wet voorzien geval waardoor het verzoek een wettelijke grondslag ontbeert en derhalve het verweer van YAMUNA N.V. gegrond is.

4.7 Met betrekking tot de vraag of YAMUNA N.V. misbruik maakt van haar executie recht door het vonnis nu reeds te executeren in afwachting op de behandeling in hoger beroep, overweegt het hof in Raadkamer dat er van misbruik van het recht van executie van een vonnis sprake is indien de executant (i) zijn bevoegdheid uitoefent met geen ander doel dan om een ander te schaden of (ii) met een ander doel dan waarvoor zij verleend is, dan wel (iii) dat hij, in aanmerking nemend de onevenredigheid bij het belang bij de uitoefening en het belang dat daarbij wordt geschaad, in redelijkheid niet tot uitoefening van zijn bevoegdheid had kunnen komen. (zie Gerechtshof Amsterdam 16 april 2013, 200.100.250/01 KG). Het hof in Raadkamer is van oordeel dat het gebruik maken van het executie recht van YAMUNA N.V. niet ertoe leidt dat er sprake is, althans dat die handeling van haar aangemerkt moet worden als misbruik van recht.

4.8 N.V. CON c.s. voeren aan dat er reeds twee oude executoriale beslagen rusten op de percelen van N.V. CON die dateren van 1989 en 1995 van dezelfde schuldeiser, te weten Manglie’s Rijstbedrijf N.V. en dat YAMUNA N.V. in strijd handelt met de wet door Manglie’s Rijstbedrijf N.V. niet in kennis te stellen van haar voornemen om tot openbare verkoop over te gaan. Immers zou aan Manglie’s Rijstbedrijf N.V. eerst het recht daartoe toekomen.

4.9 Naar het oordeel van het hof in Raadkamer maakt YAMUNA N.V. gebruik van een wettelijke bevoegdheid, het vonnis van kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 24 maart 2015, bekend onder A.R. no. 07-5354, om tot executie over te gaan.

4.10 Gelet op de vrees die bij N.V. CON c.s. bestaat, dat het executeren van het vonnis met zich zal meebrengen dat zij zal ophouden te bestaan c.q. al haar bezittingen zal kwijtraken vanwege het feit dat YAMUNA N.V. niet in staat zal zijn om de geldelijke voorzieningen te treffen bij een later vernietigd besluit, overweegt het hof in Raadkamer dat uit het verhandelde in raadkamer en de overgelegde bescheiden N.V. CON niet heeft aangevoerd althans op geen enkele wijze heeft aangegeven op welke manier zij aan de veroordeling c.q. verplichting tot betaling wil voldoen.

4.11 Het hof in Raadkamer komt tot de slotsom dat nu het onderhavige verzoek een wettelijke grondslag ontbeert en N.V. CON c.s. voor het overige geen gronden heeft aangevoerd die ertoe kunnen leiden dat de tenuitvoerlegging van het vonnis redelijkerwijs moet worden gestaakt, is het hof in Raadkamer dan ook van oordeel dat het belang van YAMUNA N.V. om het vonnis onmiddellijk ten uitvoer te leggen zwaarder dient te wegen dan het belang van N.V. CON c.s. om niet te hoeven betalen voordat in het hoger beroep uitspraak is gedaan. Het verzoek van N.V. CON c.s. wordt dan ook afgewezen.

4.12 N.V. CON c.s. wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van het geding.

5. BESCHIKKENDE:

Het Hof:

5.1 Wijst het verzoek af;

5.2 Veroordeelt N.V. CON c.s. in de proceskosten, aan de zijde van YAMUNA N.V. gevallen en tot op heden begroot op nihil.

Aldus gegeven in Raadkamer van het Hof van Justitie op vrijdag 3 november 2017 door: mr.R.G. CHATTERPAL, Fungerend-President, mr. D.G.W. KARAMAT ALI, Lid en mr. I. SONAI, Lid-Paatsvervanger in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mevr. N.N. AMATKARIJO LL.B.

w.g. N.N. Amatkarijo w.g. R.G. Chatterpal

w.g. D.G.W. Karamat Ali

w.g. I.Sonai

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-1997-7

GENERALE ROL NO.13635.

N.V.ALGEMENE BEWAKINGSDIENST SURINAME, rechtsper­soon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, voor wie als gemach­tigde op­treedt Mr.E.­C.M.HOO­PLOT, advo­kaat,

appellante in conven­tie

t e g e n

N.E.N.SCHADEVERZEKERING N.V., rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Mr.F.H.R.Lim A Postraat no.32, voor wie als ge­machtig­de op­treedt, Mr.P.E.BEMMEL, advokaat,

geïntimeerde in con­ven­tie,

De fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegde vonnis van de Kanton­rech­ter in het Eerste Kanton 16 april 1991 tussen partijen gewe­zen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 3 mei 1995, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat N.V.ALGEMENE BEWAKINGSDIENST SURINAME als eisen­de partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daar­bij stellende:

1. Dat eiseres de navolgende vordering wenst in te stel­len tegen: N.E.N.SCHADEVERZEKERING N.V., rechtsper­soon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Mr.F.H.R.Lim A Postraat no.32;

2. Dat blijkens de hierbij in fotokopie overgelegde overeenkomst d.d. 8 december 1987, waarvan verzocht wordt de inhoud daarvan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen, eiseres aan gedaagde bewaking- c.q. beveiligingsdiensten heeft verleend, gelijk door gedaagde van de voormelde diensten gebruik is gemaakt;

3. Dat gedaagde de voormelde overeenkomst bij schrij­ven van 24 februari 1989 ingaande 1 maart 1989 heeft opgezegd;

4. Dat blijkens artikel 9 van de litigieuze overeen­komst gedaagde een opzeggingstermijn van tenminste drie maanden in acht diende te nemen voor het opzeggen c.q. beëindigen van de voormelde overeenkomst, hebbende gedaagde op 24 februari 1989 de voormelde overeenkomst, en zulks in strijd met artikel 9 aan eiseres opgezegd en eenzijdig beëindigd zonder dat eiseres daarmede heeft ingestemd, weshalve gedaagde zich aan wanpresta­tie heeft schuldig gemaakt;

5. Dat de voormelde overeenkomst mitsdien heeft voortgeduurd enwel tot 31 mei 1989 zijnde gedurende de periode die gedaagde in acht moet nemen bij een rechts­geldige opzegging, hebbende eiseres gedurende gemelde periode krachtens de voormelde overeenkomst ten behoeve van gedaagde bewakers beschikbaar gesteld, c.q. gehou­den, overwelke periode gedaagde derhalve onverkort aan eiseres bewakingsvergoeding verschuldigd is;

6. Dat gedaagde in strijd met de voormelde overeen­komst in gebreke is gebleven aan eiseres de bewakings­vergoeding over de periode 1 maart 1989 t/m 31 mei 1989 te voldoen, bedragende deze vergoeding alsvolgt:

– over de maand maart 1989 : f.5.820,–

– over de maand april 1989 : f.5.400,–

– over de maand mei 1989 : f.5.730,–

————

totaal : f.16.950,–

van welk bedrag geen betaling is te komen ondanks herhaalde aanmaningen in der minne;

7. Dat voorts ingevolge artikel 11 van de voormelde overeenkomst gedaagde eveneens gehouden is de buitenge­rechtelijke kosten tot inning te voldoen, wordende dit bedrag beperkt tot het honorarium van eiseres raadsman ad f.2.000,–;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van f.18.950,– vermeerderd met de wettelijke rente hierover ad 6% per jaar vanaf de dag der indiening van dit verzoekschrift tot aa n die der algehele voldoening. Voorst gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van het geding, Kosten rechtens;

Overwegende, dat N.E.N.SCHADE VERZEKERING N.V. als gedaagde partij in eerste aanleg voor antwoord in conventie heeft gezegd:

1. Dat zij ontkent en betwist al hetgeen in het navolgende niet uitdrukkelijk door haar wordt erkend onder aanbod van bewijs harer stellingen door alle middelen rechtens, meer speciaal door getuigen;

2. Gedaagde kan bevestigen op 8 december 1987 met eiseres schriftelijk te zijn overeengekomen dat op haar risico adres aan de Lim A Po straat 28-30 in opdracht van eiseres per week van maandag tot en met vrijdag een (1) gewapende en een (1) ongewapende bewaker van 07.00 – 19.00 uur; van 19.00 – 07.00 uur twee (2) ongewapende bewakers en op zaterdag- zon en feestdagen 1 x 24 uur twee (2) ongewapende bewakers aldaar de wacht zullen doen. Het en ander tegen de vergoeding als tussen partijen overeengekomen;

3. Het door eiseres gestelde in het e ”dat” van het inleidend rekest als zou op basis van het geen met haar gedaagde werd overeengekomen d.d. 8 december 1987 bewaking- c.q. beveiligingsdiensten heeft verleend is in strijd met de waarheid en raakt dat juist de kern van de zaak waar het in deze omgaat;

4. De permanente bewaking van haar gedaagde risico adres waartoe eiseres zich verbonden had is gebleken darmate slecht te zijn geweest dat door de bewakers van eiseres niet eens was opgemerkt dat tijdens de wacht­diensten van 19.00 – 07.00 uur; van 7 op 8 december 1988 2 glazen ruiten aan de westzijde van het risico object waren ingeslagen en uit haar gedaagdes kantoor goederen zijn weggedragen. Het rapport dat bij elke wachtdienst door de bewakers in dienst van eiseres moet worden ingevuld en waarin vermeld moet worden hetgeen gedurende de wachtdienst van 7 op 8 december 1988 heeft plaats gehad maakt hoegenaamd geen melding van de inbraak en werd de inbraak door gedaagde zelf geconsta­teerd. Naar aanleiding van dit voorval en het regelma­tig voorkomen van verzuimen en of afwezigheid van de bewakers op het risico adres van gedaagde werd eiseres bij schrijven d.d. 08 december 1989 omtrent het een en ander in kennis gesteld met het verzoek zich terzake te verwarren;

5. Zij eiseres heeft niet minder dan zes (6) weken nodig gehad om middels een ongedagtekend rapport te reageren op de inbraak bij haar gedaagde op 08 december 1988 en moet het heten ”dat de bewakers zich ietswat verkeken hebben op die ruit, daar trouwens die ruit 4 meters boven de begane grond is en men niet gemakkelijk iets van zo’n hoogte zal kunnen waarnemen”.

De ruit in kwestie is slechts 1 1/2 m boven de grond. De brief d.d. 08 december 1988 alsmede het ongedagte­kend verweerschrift van eiseres worden hierbij overge­legd met het eerbiedig verzoek aan de Rechter de inhoud daarvan als letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen (zie prod.no 1 en 2);

Ondanks de jegens haar gedaagde gepleegde wanpres­tatie en haar eiseres bevestiging daaromtrent is zij eiseres niet bereid de door gedaagde geleden schade groot Sf.5.430,– (VIJFDUIZEND VIERHONDERD EN DERTIG GULDEN) te vergoeden, terwijl de gelden schade op deugdelijke wijze door de wachters van eiseres was gepresteerd de inbraak en de daarop volgende diefstal voorkomen hadden kunnen worden en zij eiseres gehouden is de door gedaagde geleden schade te vergoeden welke bedrag zij in Reconventie zal vorderen;

7. Gedaagde kan bevestigen dat zij bij schrijven d.d. 24 februari 1989 met ingang van 01 maart 1989 wegens de jegens haar door eiseres gepleegde wanpresta­tie waardoor zij schade heeft geleden en nog lijdt de overeenkomst met eiseres werd opgezegd. De door eiseres gepleegde en door haar bevestigde wanprestatie jegens gedaagde waardoor vast staat dat het aan eiseres schuld te wijten is dat gedaagde schade lijdt, zonder lijdt daarbij op enigerlei wijze zekerheid te verschaf­fen en afdoende maatregelen in vooruitzicht te stellen met betrekking tot de bewaking van haar gedaagdes risico object, opdat herhaling zal worden voorkomen – rechtvaardigde geenszins de continuering van de over­eenkomst. Artikel 9 van bedoelde overeenkomst kan slechts van toepassing zijn bij een normale – regelma­tige beëindiging van de overeenkomst en kan daarop onder gegeven omstandigheden geen beroep worden gedaan. Uiteraard is dan ook geen beroep mogelijk op artikel 11 van meergenoemde overeenkomst ten aanzien van de buiten gerechtelijke kosten die hoegenaamd niet ver­schuldigd zijn;

8. Gedaagde ontkent dat na een (1) maart 1990 ten hare behoeve op het risico adres bewakers van eiseres aanwezig waren c.q. deze ter beschikking zijn gehouden en is zij gedaagde aan haar eiseres terzake ook niets verschuldigd; en voor eis in reconventie heeft gesteld:

1. Dat bij schriftelijke overeenkomst d.d. 8 december 1987 met gedaagde werd overeengekomen dat op het risico adres van eiseres aan de Lim A Postraat 28-30 van maandag tot en met vrijdag een (1) gewapende en een (1) ongewapende bewaker van 07.00 – 19.00 uur; van 19.00 – 07.00 uur twee (2) ongewapende bewakers en op zaterdag­zon en feestdagen 1 x 24 uur TWEE (2) ongewapende bewakers aldaar de wacht zullen doen. Het een en ander tegen vergoeding als tussen partijen overeengekomen;

2. Dat op voormeld risico adres van eiseres in de avondnacht van 7 en 8 december 1989 aan de westzijde van het object 2 glazen ruiten werden ingeslagen en uit haar eiseres kantoor goederen werden weggedragen en zij eiseres dien ten gevolge schade lijdt bestaande uit:

Herstel kosten twee glazen ramen Sf.3.390,–

1 Weegschaal (speciale) Sf.1.500,–

Zegels Sf. 300,–

2 Scharen Sf. 150,–

————-

Sf.5.340,–

(VIJFDUIZEND DRIE HONDERD EN VEERTIG GULDEN) (zie prod. no.3);

3. dat de bewakers in dienst van gedaagde niets van de inbraak op de avond/nacht van 7 op 8 december 1988 hebben gemerkt terwijl er glazen ruiten werden ingesla­gen en een dergelijke inbraak zich nier geruisloos kan voltrekken. De inbrekers konden even ongemerkt het risico object verlaten met medeneming van de eerder vermelde goederen;

4. Dat de inbraak en de daarop volgende diefstal het gevolg is geweest van de jegens eiseres door gedaagde gepleegde wanprestatie en het aan haar gedaagdes schuld te wijten is dat zij eiseres schade lijdt vermits gedaagde in strijd met hetgeen tussen partijen werd overeengekomen vermits zij gedaagde op het risico adres van haar eiseres aan de Lim A Postraat no.,28-30 op de bewuste avond/nacht van 7 en 8 december 1988 geen bewakers heeft gehad, dan wel dat de aanwezige ”bewa­kers” in dienst van gedaagde hebben nagelaten te doen waartoe zij op basis van hetgeen met gedaagde was overeengekomen verplicht waren te doen. In ieder geval kon de diefstal worden voorkomen indien de bewakers in dienst van gedaagde op adequate wijze het risico object hadden bewaakt;

5. dat de tussen partijen aangegane overeenkomst juist strekt tot bewaking van haar eigendommen op het risico adres en van haar eiseres onder de omstandighe­den als voorschrevenen niet kan worden gevergd dat zij ondanks de jegens haar gepleegde wanprestatie en de door haar geleden schade de overeenkomst doet voortdu­ren met in achtneming van een opzeggingstermijn als vastgesteld in de overeenkomst;

6. Dat gedaagde weigert de schade ad sf.5.340,– in der minne aan eiseres te voldoen en zij recht en belang heeft de door haar gelden schade in rechte te vorderen;

Overwegende, dat op deze gronden is geconcludeerd:

voor antwoord in conven­tie:

dat eiseres vordering haar zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en/of onbewezen met veroordeling van eiseres in de kosten gevallen aan de zijde van gedaag­de;en voor eis in reconventie:

dat voor recht zal worden verklaard dat zij op grond van de jegens haar gepleegde wanprestatie niet langer gehouden was aan de opzeggingstermijn van 3 maanden als vermeld in de overeenkomst d.d. 8 augustus 1987 en bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gedaagde zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te betalen de door haar geleden schade ad Sf.5.340,– (VIJFDUIZEND DRIE HONDERD EN VEERTIG GULDEN) verhoogd met de wettelijke rente daar­over ad 6% ’s jaars vanaf de datum van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening toe.

Voorst dat gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten gevallen aan de zijde van eiseres;

Overwegende, dat de eisende partij in conven­tie een als ingelast te beschouwen conclusie van re­pliek heeft doen nemen en als gedaagde partij in recon­ventie voor antwoord heeft gezegd:

1. Gedaagde ontkent en betwist al hetgeen in het navolgende door haar niet woordelijk en uitdrukkelijk wordt erkend en de Rechter om alhetgeen haar in con­ventie is aangevoerd hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen.

2. Dat gedaagde het 2e dat van Eis ontkent en be­twist. Gedaagde ontkent en betwist dat eiseres schade heeft geleden en dat zulks aan haar schuld is te wij­ten.

Voorts ontkent gedaagde dat de gepretendeerde schade-qoud non est- ad f.5.430,– of welk ander bedrag dan ook bedraagt.

3. Dat gedaagde met klem ontkent dat in de nacht van 7 op 8 december 1988 een inbraak heeft voltrokken. In ieder geval is geen sprake van enige inbraak tijdens de diensturen van gedaagde. Noch zijn goederen toebeho­rende aan eiseres weggedragen c.q. ontvreemd.

4. dat het 4e t/m 6e dat van Eis in reconventie onjuist is hebbende immers gedaagde steeds op deugde­lijke wijze gepresteerd, ook in de nacht van 7 op 8 december 1988.

5. Dat integendeel eiseres zich aan wanprestatie heeft schuldig gemaakt door de litigiueze overeenkomst in strijd met het overeengekomene te beëindigen. Zijnde gedaagde voorts nooit in gebreke gesteld.

6. Dat gedaagde geen kennis draagt van ontvreemding van goederen van eiseres en heeft daarvan ook geen schuld.

7. Dat gedaagde zonder enige onverplichte bewijslast op zich te nemen haar posita te bewijzen aanbiedt;

Overwegende, dat gedaagde in reconventie op deze gron­den voor antwoord in reconventie heeft geconclu­deerd:

dat eiseres in haar vordering niet ont­vankelijk zal worden verklaard c.q. deze aan haar zal worden ontzegd, alszijnde ongegrond en onbewezen;

en als eiser in conventie voor repliek in conventie heeft gepersisteerd bij zijn conclusie van eis;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclu­sies van dupliek in conventie en van repliek en dupliek

in reconventie, welke geacht moeten worden te dezer plaatse te zijn ingevoegd, haar stellingen nader hebben toege­licht en verdedigd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 16 april 1991 heeft overwogen:

In conventie en in reconventie:

1. dat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of niet gemotiveerd betwist en deels mede gestaafd door de overgelegde, niet betwiste, produkties rechtens vaststaat;

a. dat partijen op 8 december 1997 zijn overeengeko­men dat eiseres in conventie, tevens gedaagde in recon­ventie, nader te noemen ABS, met ingang van 7 december 1987 en tot ”nader stopzetting” bewaking- casu quo beveilingswerkzaamheden zou uitvoeren ten behoeve van gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie, nader te noemen NEN, en wel op het risico-adres Lim A Postraat 28-30;

b. dat van maandag tot en met vrijdag, zaterdag, zondag en feestdagen gedurende 1 x 24 uur twee bewakers aanwezig dienen te zijn;

c. dat ingevolge de op voormelde overeenkomst toepas­selijke algemene voorwaarden een opzeggingstermijn van drie maanden in acht diende te worden genomen;

d. dat NEN op 8 december 1988 aan ABSW een brief met de volgende inhoud heeft geschreven: ”Hiermede berich­ten wij U dat Wij hedenochtend hebben gemerkt dat 2 glazen ruiten aan de West-zijde van ons kantoorgebouw zijn ingeslagen en daarvan in het rapport van de bewa­kers geen melding is gemaakt. Ook berichten wij U dat dinsdagavond omstreeks 08.00 uur geen bewakers op het terrein te bespeuren was. Eerst omstreeks 08.45, toen ondergetekende het kantoor weer verliet, kwam er

een geüniformeerde bewaker bij ons kantoorgebouw aan, die op mijn vraag waar de bewakers zijn, zich verbaasde dat er niemand anders ter plaatse was. Nog in gesprek met bedoelde geüniformeerde bewaker, kwam er een ander geüniformeerde persoon aan, die werd voorgesteld als zijn compagnon, die zich ”even verwijderd had om een soft-drink in de buurt te kopen”.

Gelet op het voorgaande, betwijfelen wij ten zeerste de ernst en effectiviteit van Uw dienst verlening en verzoeken U ons ommegaand Uw verweer te doen toekomen.

e. dat ABS na zes weken middels een ongedagtekend rapport op voormelde brief heeft gereageerd;

f. dat NEN bovenbedoelde overeenkomst bij brief d.d. 24 februari 1989 met ingang van 1 maart 1989 heeft opgezegd wegens de jegens haar gepleegde wanprestatie;

In conventie voorts:

dat ABS aan NEN verwijt wanprestatie te hebben gepleegd door de overeengekomen opzeggingstermijn niet in acht te nemen en voorts vergoeding vordert van de beweerdelijk als gevolg van vorenbedoelde wanprestatie geleden schade;

dat NEN de vordering heeft bestreden;

dat NEN van oordeel is dat gelet op de in de brief van 8 december 1988 vermelde omstandigheden en het feit dat ABS op generlei wijze zekerheid heeft verschaft of afdoende maatregelen in het vooruitzicht heeft gesteld om herhaling van die omstandigheden te voorkomen, van haar niet worden verwacht dat zij de overeenkomst continueerde;

dat ABS heeft betwist dat de in de brief van 8 december 1988 bedoelde inbraak heeft plaatsgevonden, evenwel zonder haar betwist met feiten te onder bouwen;

dat blijkens het hierboven bedoelde ongedagtekend rapport, opgemaakt door [naam 1] en [naam 2], voornoemde personen in opdracht van de President-Direk­teur van ABS en in verband met eerder genoemde brief hun opwachting hebben gemaakt bij de heer Meeuw A Sing van NEN;

dat uit vooFrmeld rapport niet blijkt dat voornoem­de personen de inbraak hebben betwist;

dat de betwisting van ABS derhalve als niet gemo­tiveerd en tardief terzijde zal worden gelegd en als rechtens vaststaand zal worden aangenomen dat gedurende de wachtdienst van 7 op 8 december 1988 twee glazen ruiten aan de West-zijde van NEN’s kantoorgebouw zijn ingeslagen;

dat voorts als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans niet gemotiveerd betwist rechtens vast­staat:

dat de bewakers geen melding van boven bedoelde inbraak hebben gemaakt;

dat op dinsdag avond (6 december 1988) te om­streeks 8 uur geen bewakers op het te bewaken terrein aanwezig waren en pas driekwartier daarna een bewaker daar aankwam, korte tijd daarna gevolgd door een ande­re, van wie werd beweerd dat hij zich ”even” had ver­wijderd om een soft-drink te kopen;

dat ABS geen zekerheid heeft verschaft of afdoende maatregelen in het vooruitzicht heeft gesteld om het gebeurde te voorkomen;

dat ABS onder voormelde omstandigheden niet te goeder trouw handelt door NEN te willen houden aan de overeengekomen opzegtermijn;

dat de Kantonrechter daarbij er tevens rekening mee gehouden dat de schade die ABS zou kunnen lijden door het niet in acht nemen van de opzegtermijn niet noodza­kelijkerbewijs groter is dan en, in bepaalde omstandig­heden, vele malen wordt overtroffen door de schade die NEN zou kunnen lijden door het onbewaakt laten van haar kantoorgebouw;

dat de vordering van ABS mitsdien als ongegrond dient te worden ontzegt;

dat ABS als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten zal worden verwezen;

In reconventie voorts:

dat de Kantonrechter hier overneemt hetgeen in conventie is overwogen met betrekking tot de inbraak in de nacht van 7 op 8 december 1988;

dat nu ABS de beweerdelijk als gevolg van voormel­de inbraak door NEN geleden schade heeft betwist, laatstgenoemde die schade dient te bewijzen;

Overwegende, dat de kantonrechter op deze gronden:

In conventie:

Eiseres haar vordering heeft ontzegd;

Haar in de proceskosten heeft veroordeeld aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.nihil;

In reconventie:

Eiser heeft toegelaten voor zover nodig ambtshalve heeft bevolen om door alle middelen rechtens meer speciaal door getuigen te bewijzen:

”de in het 2e ”dat” van de conclusie van wedereis gestelde schade”.

Iedere verdere uitspraak heeft aangehouden;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-ver­baal N.V.ALGEMENE BEWAKINGSDIENST SURINAME, eiseres in conventie in hoger beroep is gekomen van voormeld eind­vonnis van 16 april 1991;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R.KAPPEL d.d. 13 november 1995 aan geïntimeerde aanzeg­ging van het inge­stelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat ten dage voor pleidooi peremptoir bepaald de gemachtigden van partijen recht op stukken hebben gevraagd, waarna het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 2 mei 1997, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

In conventie:

Overwegende, dat de appellante tijdig in hoger beroep gekomen is van de beslissing van de Kantonrech­ter in het Eerste kanton d.d. 16 april 1991;

Overwegende, de appellante geen grieven tegen het aangevochten vonnis aangedragen heeft, doch dat partij­en recht op stukken gevraagd hebben, hetgeen betekend dat partijen door de hogere Rechter beoordeeld wensen te hebben of de eerste Rechter op de in eerste aanleg gebleken feiten het recht op de juiste wijze toegepast heeft;

Overwegende, dat het Hof evenwel van een misslag van de eerste Rechter bij de beslissing in deze zaak niet gebleken is, weshalve het vonnis, waarvan beroep, zal worden bevestigd, met veroordeling van de appellan­te als in de in het ongelijke gestelde partij in de gedingkosten.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

In conventie:

Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken op 16 april 1991, waarvan beroep:

Veroordeelt appellante in de gedingkosten in hoger geroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en be­groot op f……..

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f….

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellante eveneens op f……………..

Aldus gewezen door de heren Mr.S.G­ANGARAM PANDAY, funge­rend-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de fungerend-Presi­dent uitge­sproken ter openba­re terecht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 20 JUNI 1997, in tegenwoor­dig­heid van Mr.Drs.C.C.L.A.VALSTEIN-MONTNOR, fungerend-Griffier.

Partijen, appellante vertegenwoordigd door haar gemachtigde, advo­kaat Mr.E.C.M.HOOPLOT en geintimeerde vertegen­woor­digd door advokaat Mr.S.MANGROELLAL namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.P.E.BEMMEL, zijn bij de uit­spraak ter terecht­zitting ver­sche­nen.

SRU-HvJ-2014-1

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[eiser],

wonende te Paramaribo,

eiser, hierna aangeduid als “[eiser]”,

gemachtigde: mr. S.R. Heijmans, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,

meer in het bijzonder het Ministerie van Financiën,

zetelende te Paramaribo,

verweerster, hierna aangeduid als “de staat”,

gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit als vervolg op het op 18 maart 2011 tussen partijen gewezen tussenvonnis.

Het verder procesverloop

1.1 Het verder procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

– de akte tot uitlating zijdens [eiser] d.d. 1 april 2011;

– de nadere conclusie tot uitlating zijdens de Staat d.d. 6 mei 2011, met een productie;

– de akte uitlating productie zijdens [eiser] d.d. 15 juli 2011.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De verdere beoordeling van het geschil

4.1 Bij tussenvonnis d.d. 18 maart 2011 [eiser] in de gelegenheid is gesteld zich uit te laten over het standpunt van de Staat dat inmiddels het volledige salaris aan [eiser] is uitbetaald.
[eiser] heeft bij akte tot uitlating d.d. 1 april 2011 gesteld dat hij vanaf de dag van ontslag geen salaris van de Staat heeft ontvangen.
De Staat heeft hierop bij nadere conclusie tot uitlating d.d. 6 mei 2011 aangevoerd dat de bezoldiging en vakantie-uitkering over de periode 1 oktober 2007 tot en met 12 maart 2011 ten bedrage van SRD 65.221,18 is gestort op de rekening van [eiser] bij de Finabank onder [nummer].
[eiser] heeft vervolgens bij akte uitlating productie d.d. 15 juli 2011 erkend dat een bedrag groot SRD 31.875,58 is gestort op zijn rekening bij de Finabank. Hij heeft daarbij aangegeven dat hem geen jaaropgaven zijn verstrekt, zodat de opbouw van het bedrag ad SRD 65.221,18 voor hem onduidelijk is.

4.2 Het Hof overweegt dat [eiser] er aanspraak op maakt dat het duidelijk wordt gemaakt hoe het aan hem uit te keren bedrag is opgebouwd en welk netto-bedrag op zijn rekening moet worden overgemaakt. Daarenboven is deze informatie vereist voor de beoordeling van de door [eiser] ingediende vordering. De Staat zal derhalve in de gelegenheid worden gesteld deze duidelijkheid te verschaffen middels het overleggen van een akte.

4.3 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

Het Hof:

5.1 Stelt de Staat in de gelegenheid om zich op de rolzitting van vrijdag 1 augustus 2014 bij akte uit te laten over de door [eiser] gestelde uitbetaling van SRD 31.875,58 onder overlegging van een overzicht betreffende de opbouw van de door de Staat aangevoerde betaling van SRD 65.221,18, alsook een productie waaruit de betaling van laatstgenoemd bedrag kan blijken.

5.2 Houdt iedere verdere beslissing aan.
Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu, Lid en
mr. S.S.S. Wijnhard, Lid-Plaatsvervanger en w.g. D.D. Sewratan

door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 4 juli 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g.S.C.Berenstein w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. E.D. Esajas namens advocaat mr. S.R. Heijmans en verweerder vertegenwoordigd door advocaat mr. C.A. Meijnaar namens advocaat mr. A.R. Baarh, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie

mr. M.E. van Genderen-Relyveld.

 

SRU-HvJ-1971-3

Hof van Justitie

26 november 1971, G.R. 9668

(Mrs. W.J.J. Koole, O.E.G. van der Geld, Dr. L.Th. Waaldijk)

 

[appellant], wonende te [district], advocaat H.J. Kensenhuys, appellant,

tegen

[geïntimeerde], wonende op de hoek van de [straat 1] en [adres 1], advocaat G.J.C. van der Schroeff, geïntimeerde;

De President spreekt in deze zaak in naam der Koningin het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. de in afschrift overgelegde vonnissen d.d. 17 september 1970 en 19 Januari 1971 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton dd. 29 januari 1971 bevattende het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

dat verzoeker de navolgende vordering wenst in te stellen tegen [geïntimeerde], wonende op de hoek [straat 1]/[adres 1], verweerder;
dat verzoeker aan verweerder heeft verhuurd, gelijk deze van verzoeker heeft gehuurd het benedenhuis dienende als café-restaurant gelegen te [district] aan [adres 2] tegen de prijs, zoals vastgesteld blijkens hierbij in fotokopie overgelegde beschikking van de Distrikts-Kommissaris van [district] [datum], van ƒ 80,87 per maand;
dat verzoeker eveneens aan verweerder heeft verhuurd gelijk deze van verzoeker heeft gehuurd het bovenhuis van hetzelfde huis, gelegen te [district] aan [adres 2] tegen de bij dezelfde beschikking van de Distrikts-Kommissaris van [district] vastgestelde prijs van ƒ 67,37 per maand;
dat verzoeker van verweerder de huur van voormelde beneden- en bovenhuis bij herhaling heeft opgezegd;
dat verzoeker vooral het benedenhuis voor eigen gebruik dringend nodig heeft;
dat verweerder op de hoek van de [straat 1] en [straat 2] een café-restaurant exploiteert, waarin verweerder het bedrijf aan [adres 2] ben. heel gemakkelijk kan onderbrengen;
dat verweerder evenwel weigert het gehuurde te ontruimen en ter vrije beschikking van verzoeker te stellen;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

PRIMAIR: de huurovereenkomsten bestaande tussen partijen betreffende het beneden- en bovenhuis gelegen te [district] aan [adres 2] ontbonden zullen worden verklaard; met veroordeling9 van verweerder om binnen een door de Kantonrechter te bepalen termijn het benedenhuis en het bovenhuis gelegen te [district] aan [adres 2] met al wie of wat van zijnent wege zich daarin mocht bevinden te ontruimen, te verlaten en met afgifte der sleutels ter vrije beschikking te stellen van verzoeker; met machtiging op verzoeker om indien verweerder in gebreke mocht blijven aan het vonnis te voldoen, de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de sterke macht;

SUBSIDIAIR: de huurovereenkomst bestaande tussen partijen betreffende het benedenhuis van het huis gelegen te [district] aan [adres 2] ontbonden zal worden verklaard; met veroordeling van verweerder om binnen een door de Kantonrechter te bepalen termijn het benedenhuis gelegen te [district] aan [adres 2] met al wie of wat van zijnent wege zich daarin mocht bevinden te ontruimen, te verlaten en met afgifte der sleutels ter vrije beschikking te stellen van verzoeker; met machtiging op verzoeker om indien verweerder in gebreke mocht blijven aan het vonnis te voldoen, de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de sterke macht, kosten rechtens;

Overwegende, dat [geïntimeerde] als gedaagde partij in eerste aanleg voor antwoord heeft gezegd:

dat gedaagde erkent van eiser te hebben gehuurd het pand staande en gelegen te [district] aan [adres 2] tegen een huurprijs van ƒ 151,79;

dat gedaagde ten stelligste ontkent dat 2 huurovereenkomsten zijn gesloten zoals eiser heeft beweerd in het inleidend rekest;

dat eiser inderdaad in 1964 (Zie A.R. 1481) een soortgelijke vordering heeft aanhangig gemaakt maar omdat er geen huur achterstand was werd eiser niet ontvankelijk verklaard (vonnis 26 Januari 1965);

dat het beslist onjuist is dat eiser het benedenhuis voor eigen gebruik dringend nodig heeft en wel omdat eiser een zaak heeft aan [adres 2] ben. en een andere pand heeft aan de [straat 3];

dat de opzegging van het beneden en bovenhuis sinds het vorige vonnis niet heeft plaats gevonden;

dat daarenboven de moeder van gedaagde en ander naaste familieleden n.l. broers en zusjes in deze woning verblijven met goedvinden van eiser en gedaagde een uitdrukkelijk beroep doet op de huurbescherming, voor zover nodig;

dat er één huurovereenkomst is voor het gehele pand, en geen twee overeenkomsten;

dat de huurovereenkomst niet gesplitst kan worden;

Overwegende, dat de gedaagde partij op deze gronden voor antwoord heeft geconcludeerd:

dat eiser in zijn vordering niet zal worden ontvangen, althans deze hem zal worden ontzegd als ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek, welke geacht moeten worden te dezer plaatse te zijn ingelast, haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis dd. 17 september 1970 een comparitie van partijen heeft gelast, waarbij partijen in persoon hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte -als hier ingevoegd te beschouwen- proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis d.d. 19 Januari 1971 op te dezer plaatse als ingevoegd te beschouwen gronden;

eiser diens vordering heeft ontzegd en hem heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op ƒ 40,55 (Veertig 55/100 gulden);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis d.d. 19 Januari 1971;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder A.Ch. Chr. Slaterus dd. 20 mei 1971 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden;

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat appellant heeft gesteld, dat hij van het pand [adres 2] te [district] het benedenhuis als café-restaurant voor ƒ 80,87 en het bovenhuis als woning voor ƒ 67,37, alles per maand, aan geïntimeerde heeft verhuurd;

Overwegende, dat geïntimeerde heeft erkend het gehele door appellant bedoelde pand van hem in huur te hebben tegen een huurprijs van ƒ 151,79 per maand;

Overwegende, dat dit laatste bedrag weliswaar ƒ 3,55 per maand hoger is dan de som van de door appellant genoemde bedragen, doch deze controverse in dit geding geen rol speelt, omdat geen betaling van huur is gevorderd;

Overwegende, dat de vraag of in casu van een dan wel van twee huurovereenkomsten sprake is, waarover partijen van mening verschillen, onder de hierna te overwegen omstandigheden evenmin ter zake doet nu vaststaat, dat geïntimeerde het gehele pand van appellant in huur heeft en niet is betwist dat het bovenhuis voor bewoning en het benedenhuis voor het uitoefenen van een bedrijf is verhuurd;

Overwegende, dat als door geïntimeerde niet weersproken verder vaststaat, dat de huur van het beneden- en bovenhuis is opgezegd;

Overwegende, dat geïntimeerde tegen toewijzing van appellants vorderingen heeft aangevoerd, dat nu in het gehuurde een woning is begrepen, hij gerechtigd is zich op huurbescherming te beroepen;

Overwegende, dat appellant daartegen heeft gesteld, dat het beroep op huurbescherming niet opgaat, omdat geïntimeerde het bewuste bovenhuis niet zelf feitelijk bewoont;

Overwegende omtrent dit geschilpunt:

dat geïntimeerde ter comparitie van partijen in prima heeft verklaard niet zelf in het bovenhuis te wonen, maar dit door anderen te laten bewonen, exploiterende hij wel zelf in het benedenhuis een restaurant;

dat nu geïntimeerde niet zelf de bovenwoning bewoont, – zelfs al zou een huurovereenkomst met betrekking tot het boven- en benedenhuis zijn gesloten – van een eenheid tussen de huur van die bovenwoning en van het in het benedenhuis geëxploiteerde restaurant, welke zou medebrengen, dat geïntimeerde als huurder van het benedenhuis gerechtigd zou zijn zich te beroepen op de huurbescherming, welke hem als huurder van de bovenwoning zou toekomen, geen sprake kan zijn, hebbende geïntimeerde die eenheid verbroken door het feitelijk genot van het bovenhuis vrijwillig aan anderen af te staan;

Overwegende, dat mitsdien geïntimeerde beroep op huurbescherming voor wat betreft het benedenhuis moet worden verworpen, geldende voor de huur van zakenpanden onder voormelde omstandigheden geen huurbescherming;

Overwegende, dat appellants subsidiaire vordering mitsdien onder vernietiging van het beroepen vonnis, voor toewijzing gereed ligt;

Overwegende, dat waar appellant voor wat betreft het bovenhuis geen gronden heeft gesteld en te bewijzen aangeboden, welke tot verwerping van het beroep op huurbescherming met betrekking tot deze woning zouden moeten leiden, zijn primaire vordering moet worden afgewezen;

Rechtdoende in hoger beroep:

Vernietigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 19 Januari 1971 tussen partijen gewezen, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende:

Wijst af appellants primaire vordering;

Verklaart ontbonden de tussen partijen bestaande huurovereenkomst voor wat betreft het benedenhuis van het pand gelegen te [district] aan [adres 2];

Veroordeelt geïntimeerde om binnen vier maanden na betekening van dit vonnis genoemd benedenhuis met al hetgeen zich daarin van zijnentwege bevindt te ontruimen en dit onder afgifte der sleutels ter vrije beschikking van appellant te stellen;

Machtigt appellant om bij gebreke van dien deze ontruiming zelf te bewerkstelligen, desnoods met behulp van de sterke macht;

Compenseert de in beide instanties gevallen proceskosten in dier voege dat iedere partij de hare draagt;