SRU-HvJ-1998-8

H.M.

GENERALE ROL NO: 13575.

[appellant], wonende aan [adres], [district], voor wie als gemachtigde op­treedt, Mr.B.A.­HALFHI­DE, advokaat,

appellant,

t e g e n

[geïntimeerde], wonende te [woonplaats] in het [district] aan [adres], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.C.M.HOOPLOT, advokaat,

geïntimeerde,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien s’Hofs interlocutoire vonnissen respectie­velijk van 3 mei 1996 en 7 februari 1997 tussen partij­en gewezen en uitge­sproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in s’Hofs laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de door het Hof bevolen compari­tie van partijen niet is gehouden, doch dat ter te­rechtzitting van 20 maart 1997 tot deskundige werd benoemd de heer Ir.R.H.Goossen; hebbende hij een des­kundigenrapport overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna – hier als geinsereerd aan te merken – schrifte­lijke conclusies tot uitlating over het deskundigenrap­port hebben genomen;

Overwegende, dat het Hof bij rolbeschikking weder­om een comparitie van partijen heeft gelast, welke werd gehouden en voortgezet en waarbij zijn verschenen, Ir.R.H.Goossen en partijen in persoon bijgestaan door hun respectieve gemachtigden, advokaten Mr.B.A.Halfhide en Mr.E.C.M.Hooplot, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – processen-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partij­en – hier als geinsereerd aan te merken – schriftelijke conclusies na gehouden comparitie van partijen hadden genomen, partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 20 maart 1998, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar blijkt uit het daarvan opgemaakt proces-verbaal partijen hiermede accoord zijn gegaan, dat:

– alle tussen hen gesloten overeenkomsten van koop en verkoop betreffende de percelen, bekend onder num­mers 30, 31, 32, 33 en 34, allen gelegen in het [dis­trict] Commewijne en aan hen – partijen – genoegzaam bekend, en alle tussen hen lopende processen aangaande die overeenkomsten, worden beëindigd;

– [appellant] op zich neemt en zich mitsdien jegens [geïntimeerde] verbindt aan [geïntimeerde] te vergoeden het bedrag, gelijk aan de totale uitgaven berekend naar de huidige waarde van de uitgaven in het kader van de overeenkomsten tussen partijen;

– meergemelde uitgaven gewaardeerd worden door een deskundige, in overleg met partijen te benoemen;

– deze waardering overgelaten wordt aan de deskundi­ge, Ir.R.H.Goossen;

Overwegende, dat Ir.R.H.Goossen, na ter terecht­zitting van 20 maart 1997 te zijn benoemd en beëdigd, zijn bericht in juli 1997 heeft uitgebracht, op welk bericht hij ter terechtzit­ting van 23 januari 1998 terug gekomen is en verklaarde in verband hiermede:”In het rapport is aangegeven dat er een visloods zou worden gebouwd.

Op dit laatste kom ik dan terug en verklaar het volgen­de:” ter plaatse destijds aangekomen heb ik aangetrof­fen:

1. een woning van 12 x 18 m en is uitgebreid 6 x 9 m;

2. een houten loods voor de visvangst ten behoeve van het personeel. Deze loods is helemaal omheind met gaas”;

Overwegende, dat [appellant] zich bij conclusie de dato 9 januari 1998 over het door genoemde deskundi­ge uitge­bracht rapport uitlatend, voor zover ten deze van belang, heeft aange­voerd, dat met koersverschillen geen rekening gehouden mocht worden en dat indien gevolg zou worden gegeven aan het voorstel vervat in het rapport, [appellant]aan [geïntimeerde] ±Nf.1.000.0­00,– (Nederlands Courant) zou moeten beta­len, hetgeen [geïntimeerde]nimmer heeft uitgegeven en aangeboden heeft aan [geïntimeerde]te betalen het bedrag van Sf.3.298.870,65,–, hetwelk [geïntimeerde] heeft afgewezen;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat [appellant]zich niet te goeder trouw op vermag te beroepen, op het door haar gestelde als hiervoren aangehaald nu, naar uit het proces-verbaal van 4 maart 1997 blijkt, [appellant]zich jegens [geïntimeerde] verbonden had aan [geïntimeerde]te vergoeden het bedrag, gelijk aan de totale uitgaven berekend naar de huidige waarde van de uitgaven in het kader van de overeenkom­sten tussen partijen, wat met zich brengt dat met koersverschillen wel degelijk rekening moest worden gehouden;

Overwegende, dat [appellant], door zonder voorbe­houd van enig recht met [geïntimeerde] overeen te komen als in het proces-verbaal, eerder vermeld, gerelateerd, in ieder geval geacht moet worden niet langer belang te hebben bij het tegen het vonnis de dato 10 november 1992 ingesteld hoger beroep en daarin alsnog niet ontvankelijk verklaard dient te worden;

Overwegende, dat [appellant] de kosten van dit geding in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, zal moeten dragen;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Verklaart [appellant],alsnog niet ontvankelijk in zijn tegen het vonnis de dato 10 november 1992 ingesteld hoger beroep;

Veroordeelt appellant in de kosten aan de zijde van geïntimeerde op de procedure in hoger geroep geval­len, tot dusverre begroot op f……

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f…….

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant op f………

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.­WOLFF, Leden en door de Vice-President uitgespro­ken ter open­bare te­rechtzitting van het Hof van Justi­tie van VRIJ­DAG, 3 APRIL 1998, in tegenwoordigheid van Mr.A.CHARAN, funge­rend-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.H.E.STRUIKEN namens zijn gemach­tigde, advo­kaat Mr.B.A.HALFHIDE en geintimeerde verte­gen­woor­digd door advo­kaat Mr.H.BOLDEWIJN namens zijn gemach­tigde, advo­kaat Mr.E.C.M.HOOPLOT, zijn bij de uitspraak ter te­rechtzit­ting ver­sche­nen.

SRU-HvJ-1998-7

M.R.S.

GENERALE ROL NO. 13644.

[appellant], wonende te [district], voor wie als gemachtigde optreedt Mr.E.C.M.HOOPLOT, advokaat,

appellant in conventie,

t e g e n

SURINAAMSE BETONMORTEL MIJ, (N.V.SUBEMA), rechtsper­soon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Saramac­cas­traat no. 49-69, voor wie als gemachtigde optreedt Mr.H.MUN­GRA, advokaat,

geintimeerde in conven­tie,

De Vice-President spreekt in deze zaak in naam van de Repu­bliek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 21 november 1997 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in voor­meld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de door het Hof bevolen enquete niet is gehouden, waarna deze ambtshalve is gesloten;

Overwegende dat ten dage voor conclusie na niet gehou­den enqeute zijdens appellant bepaald, advokaat Mr.S.Mangroe­lal namens advokaat Mr.E.C.M.Hooplot verklaard heeft te persisteren en vonnis heeft gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 22 mei 1998, doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

in conventie:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 21 november 1997 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat nu appellant ofschoon hij daartoe ruim­schoots in de gelegenheid is gesteld, noch door getuigen noch op andere wijze het bewijs van het probandum heeft kunnen bijbrengen gaat het Hof aan de stellingen van appel­lant, dat er geen wachturen waren en dat, zo er wachturen waren, hij daaraan geen schuld heeft, als onbewezen voorbij;

Overwegende, dat de vordering van appellant terzake van onverschuldigde betaling van wachturen ten bedrage van Sf.397­,50 mitsdien niet voor toewijzing in aanmerking komt;

Overwegende, dat appellant terzake van onverschuldigd betaald overwerk slechts toekomt het bedrag van Sf.1102,50 tot de voldoening waarvan het Hof geïntimeerde zal veroorde­len;

Overwegende, dat op grond van het hiervorenoverwogene het vonnis waarvan beroep niet in stand kan blijven en behoort te worden vernietigd in voege als hierna te vermel­den;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

In conventie:

Vernietigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 10 augustus 1993 tussen partijen gewezen, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

Veroordeelt geïntimeerde om aan appellant te betalen de som van Sf.1102,50 met de interessen daarover ad 6% ’s jaars vanaf de dag der indiening van het verzoekschrift tot aan die der voldoening;

Veroordeelt geïntimeerde in de kosten aan de zijde van appellant op de procedure in hoger beroep gevallen en tot dusver begroot op Sf……….

met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van Sf….

bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geïnti­meerde eveneens op Sf……….

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.E.S.OMBRE en Mr.A.I.RAMNEWASH, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzit­ting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 19 JUNI 1998, in tegenwoordigheid van Mr.A.CHARAN, fungerend-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door zijn gemach­tigde, advokaat Mr.E.C.M.HOOPLOT, terwijl geintimeerde noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uispraak ter terecht­zitting is verschenen.

 

SRU-HvJ-2001-2

H.M.

GENERALE ROL NO.14026.

[appellant], gevolmachtigde van het Bestuur over de plantage [naam 1] ([dis­trikt]), wonende in [land] aan [adres] te [plaats], voor wie als gemach­tig­de op­treedt, Mr.A.JOHN, advo­kaat,

appellant,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, (met name het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen), in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie in Suriname, kantoorhoudende aan de Gravenstraat no.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt,

Mr.E.NAARENDORP, advokaat,

geintimeerde,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kanton­rech­ter in het Eerste Kanton van 27 juli 1993 en 28 februari 1995 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 30 maart 1995 waaruit blijkt van het in­stellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisen­de partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kan­ton­rechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daar­bij stellende:

1. dat eiser de navolgende vordering wenst in te

stellen tegen de STAAT SURINAME, (met name het Minis­terie van Natuurlijke Hulpbronnen), in rechte verte­genwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie in Suriname, kantoorhoudende aan de Graven­straat no.3 te Paramaribo, gedaagde;

2. dat, blijkens hiernevens overgelegde fc. kaart van de plantage [naam 1], door landmeter Esser te Paramaribo d.d. 19 april 1827, de plantage bestaat uit 4 percelen no.’s 317, 319, 321 en 325, benevens het achterland groot 1000 akkers en wel in eigendom, erfelijk allodiaal bezit, verkregen door de opwonenden, thans vertegenwoordigd door een Bestuur als zaakgelastigde;

3. dat door de Staat Suriname meerdere onrechtmatige daden tegen de eigenaren zijn gepleegd, althans een onrechtmatige daad te weten schending van de rechten op de grond, resulterende in schade, door onbehoor­lijk bestuur, waarbij de zorgvuldigheid in het maat­schappe­lijk ver­keer t.a.v. een anders persoon of goed niet in acht genomen is;

4. dat de Staat Suriname, zonder voorkennis van de eigenaren van meergenoemde plantage en ondanks her­haalde protesten, op het achterland aan de houthande­laar [naam 2] tot twee maal toe en wel op 30 september 1954 en 31 december 1964, steeds voor de tijd van 10 jaren een houtkoncessie heeft verleend – welke koncessies ten onrechte werden verleend;

5. dat in opgemelde perioden alle bruikbaar hout werd weggehaald waardoor de eigenaren, die zelve van de houtkap moesten leven, aanmerkelijke schade hebben geleden, voorlopig begroot op 100,– gld en naderhand vast te stellen bij staat – aangezien het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen bij herhaling weigert aan de eigenaren zowel eiser de nodige gegevens te ver­strekken inzake het afgevoerde hout, onder de mede­deling ”dat zulks van hoger hand (lees de Minister), verboden is”;

6. dat de Staat Suriname hierna is overgegaan tot verkaveling van het achterland, waardoor de totale fauna en flora vernietigd is, zonder dat enig aanwijs­baar staatsbelang kon worden aangetoond – vis en wild waarop de opwonenden aangewezen zijn, moeten zij nu ont­beren e.e.a. ook ten onrechte;

7. dat de toegangsweg van de plantage naar de markt te Paramaribo geblokkeerd werd over de kortste afstand en de Staat willekeurig over de grond heeft beschikt, zonder een poging tot minnelijke schikking en zonder de voorgeschreven onteigeningsprocedure in het alge­meen belang te hebben gevolgd – hetgeen ook een on­rechtmatige daad oplevert;

8. dat inzake het onder punt 6 en 7 gereleveerde, bij herhaling werd geprotesteerd en de eigenaren

stee­ds te horen kregen van de ambtenaren die met de behandeling waren belast, dat de nodige opmetingen noch (lees:nog) moesten worden verricht en alzo de zaak zou wor­den opgelost – doch tot heden is er niets gebeurd en zijn de eigenaren 1/3 deel van hun plantage kwijt;

9. dat de schade door grondverlies, evenzo voorlopig begroot op 100,– gld, naderhand vast te stellen bij staat enorm is – e.e.a. daar het Ministerie van Na­tuurlijke Hulpbronnen ook weigert het verkavelingsplan te overleggen en de gronden waarop dit berust toe te lichten, de eigenaren de toegang tot hun achterland hebben ontzegd en voorts niet bereid is tot enige medewerking tot oplossing van de gerezen geschillen;

10. dat aangezien de Staat niet bereid is tot enige medewerking of enige schikking, verzoeker zich thans genoodzaakt ziet zich tot de rechter te wenden – me­nende dat de geleden schade begroot en vergoed dient te worden;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gron­den heeft gevorderd dat:

a. -bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad op de minuut, gedaagde zal worden veroordeeld tegen behoor­lijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen de te­genwaarde van de geleden en nog te lijden schade, voorlo­pig begroot op 200,– gld. en nader vast te stellen bij de schadestaatprocedure;

b. -de Staat (Ministerie van Natuurlijke Hulpbron­nen) zal worden bevolen de akten betrekkelijk het afgevoerde hout te overleggen onder vermelding van soort, hoeveelheid en marktwaarde;

c. -de Staat (Ministerie van Natuurlijke Hulpbron­nen) zal worden bevolen inlichtingen te verschaffen over de toestand van het achterland en het verlies geleden inzake resterend, hout, vis, gevogelte e.a. bosprodukten ten bedrage van de marktwaarde;

d. -de schadestaat procedure zal worden bevolen ter vaststelling van het definitieve bedrag der totale schade op te maken bij staat;

e. -t.a.v. de nog te lijden schade een afkoopsom vast te stellen;

Voorts gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten dezer procedure;

Overwegende, dat De Staat Suriname als ge­daag­de partij in eerste aanleg bij conclu­sie van antwoord – onder overlegging van produkties – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vorde­ring heeft bestreden en daar­bij heeft geconcludeerd:

dat eiser in zijn vordering niet ontvankelijk verklaard zal worden, althans dat deze als zijnde niet bewezen aan hem zal worden ontzegd, Kosten rechtens – wordende de inhoud van de overgelegde produkties hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclu­sies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toege­licht en verdedigd, hebbende, de gemach­tigde van eiser tevens produkties overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrech­ter hierna bij vonnis van 27 juli 1993 op de daarin opge­nomen gron­den: alvorens verder te beslissen, een compa­ritie van par­tijen heeft gelast en iedere verdere uitspraak heeft aangehouden;

Overwegende, dat de door de Kantonrechter bevolen comparitie van partijen niet is gehouden, waarna hij deze gesloten heeft verklaard;

Overwegende, dat ten dage bepaald voor het ver­strekken van inlichtingen, de gemachtigden van partij­en vonnis hebben gevraagd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 28 februari 1995 op de daarin opgenomen gronden:

Eiser niet ontvankelijk heeft verklaard in zijn vordering;

Eiser heeft veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van ge­daagde gevallen en tot aan deze uit­spraak begroot op f.nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld pro­ces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voor­meld eind­vonnis van 28 februari 1995;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder D.TOEKIMIN van 26 januari 1998 aan geintimeerde aan­zeg­ging van het inge­stel­de hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aan­ge­zegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toege­licht en verdedigd, waarna vonnis is bepaald op heden.

OVERWEGENDE, TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

1. Het hoger beroep is tijdig ingesteld, zodat appel­lant daarin kan worden ontvangen.

2. Bij inleidend verzoekschrift heeft zich als eiser (thans appellant) aangediend [appellant], ”gevolmachtigde van het Bestuur over de plantage

[naam 1] ([distrikt])”.

3. Eiser’s vordering strekt, voor zoveel hier van belang en zakelijk weergegeven, ertoe om de Staat Suriname (gedaagde – thans geintimeerde) te veroorde­len tot vergoeding van schade op te maken bij staat en om genoemde gedaagde te bevelen nader in het verzoek­schrift genoemde akten en inlichtingen over te leggen respectievelijk te verstrekken. De vordering berust, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, hierop dat geintimeerde zich tegenover de eigenaren van de plantage onrechtmatig heeft gedragen (a) door zonder hun voorkennis aan een derde houtconcessies te verlenen waarbij alle bruikbare hout is weggehaald. (b) door het achterland te verkavelen waardoor de totale fauna en flora is vernietigd en (c) door de toegangsweg van de plantage naar de markt te Paramari­bo te blokkeren en alzo willekeurig over de grond te beschikken.

4. De Kantonrechter heeft eiser niet ontvankelijk verklaard in zijn vordering uit overweging dat zijn, eiser’s positie als slechts gemachtigde van het be­stuur over de plantage [naam 1] hem vreemd voorkwam en door eiser niet nader was aangegeven.

5. Uit de stellingen van appellant is op te maken dat de erfgenamen van de rechthebbenden op hogergenoemde plantage uit hun midden enkele personen als ”bestuur” hebben aangewezen teneinde hun belangen ”centraal” te doen behartigen; voorts, dat het ”bestuur” de hierbo­ven onder 2 genoemde [appellant] heeft gemachtigd om namens hem in dit rechtsgeding op te treden. Niet gesteld of gebleken is dat er sprake is van een rechtspersoon­lijkheid bezittende dan wel een niet-rechtspersoon­lijkheid bezittende vereniging van erfgenamen.

6. Partijen zijn verdeeld over de vraag of [appellant] in de door hem opgegeven hoedanigheid als procespartij kan optreden.

7. Uit het bepaalde in de artikelen 110 en 111 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering blijkt dat een vordering door een gemachtigde aanhangig kan worden gemaakt. Die gemachtigde kan echter niet, zoals hier het geval is, in rechte optreden voor een groep niet met name genoemde personen (in casu ”het bestuur”). Bovendien zal de gemachtigde moeten optreden namens de rechthebbende(n) op de vermeende vordering. In casu zijn dat volgens appellant’s stellingen de hierboven onder 5 genoemde erfgenamen en niet ”het bestuur”. Appellant is derhalve niet ontvan­kelijk in zijn vordering. Het beroepen vonnis zal, onder verbetering van gronden, worden bevestigd en appellant zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt onder verbetering van gronden het door de Kantonrechter tussen partijen gewezen en op 28 februari 1995 uitgesproken vonnis.

Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en be­groot op f.1.000,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f.1.000,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op f.1.000,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.OMBRE, Funge­rend-Presi­dent, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter open­bare te­recht­zit­ting van het Hof van Justitie van

VRIJ­DAG, 16 februari 2001, in tegenwoordigheid van

Mr.M.E.­VAN GENDE­REN-RELY­VELD, Substituut-Grif­fier.

w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.E.S.OMBRE

Bij de uitspraak ter terechtzitting is versche­nen advokaat Mr.J.M.NIBTE namens de gemachtigde van gein­timeerde advokaat Mr.E.NAARENDORP, terwijl ap­pel­lant noch in persoon noch bij gemachtigde is versche­nen.

SRU-HvJ-1998-6

H.M.

GENERALE ROL NO.13662.

[appellante], wonende te [district], voor wie als gemachtigde op­treedt, Mr.E.C.M.HOOPLOT, advokaat,

appellante,

t e g e n

[geintimeerde], wonende aan het [adres] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.H.R.LIM A PO, advo­kaat,

geintimeerde,

De Vice-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien s’Hofs interlocutoir vonnis van 16 mei 1997 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden compari­tie van partijen zijn verschenen, appellante in persoon bijgestaan door haar gemachtigde advokaat Mr.E.C.M.

Hoo­plot en geintimeerde in persoon bijgestaan door advokaat Mr.M.I.VOS namens advokaat Mr.H.R.LIM A PO, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ten dage voor conclusie na gehou­den comparitie van partijen zijdens partijen bepaald de gemachtigden van partijen hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusies hebben genomen;

Overwegende, dat partijen hierna vonnis hebben gevraagd waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 17 oktober 1997, doch na enige malen te zijn aange­houden, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussen­vonnis van 16 mei 1997 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat partijen ter inlichtingencompari­tie in per­soon verschenen hebben verklaard gelijk in het daarvan opge­maakte als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen proces-verbaal de dato 13 juni 1997 is gerelateerd;

Overwegende, dat, naar blijkt appellante aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, dat:

– zij reeds geruime tijd heeft moeten constateren dat geinti­meerde het gehuurde ernstig verwaarloost, de schutting heeft gebroken en het erf onder wied laat;

– geintimeerde voorts vanaf september 1992 de ver­schuldigde huursom niet betaalt en dus aan appellante ver­schuldigd is een bedrag van f.900,–;

Overwegende, dat als enerzijds gesteld en ander­zijds erkend rechtens tussen partijen vaststaat, dat appel­lante aan geinti­meerde heeft verhuurd gelijk geintimeerde van appellante heeft gehuurd het woonhuis gelegen aan het Paardenplein no.7 te Paramaribo voor de huurprijs van f.100,– per maand;

Overwegende, dat het Hof, voormelde aan appellante haar vordering ten grondslag gelegde feiten die geinti­meerde bovendien gemotiveerd heeft weersproken, bespre­kend, opmerkt dat appellante noch in prima noch in hoger beroep feiten waaruit ernstige verwaarlozing van het aan geintimeerde verhuurde voortvloeit heeft ge­noemd, wat zij had gemoeten weshalve haar terzake geponeerde stellin­gen als te vaag dienen te worden gepasseerd;

Overwegende, dat, naar luid van artikel 9 lid 2 van de Huurbe­schermingswet 1949 onder woning onder meer wordt verstaan ieder perceel met een of meer woonver­trekken;

Overwegende, dat het breken van de schutting en het onder wied laten van het erf op zich dan ook niet als onbehoorlijk ge­bruik van het verhuurde goed in de zin van artikel 4 sub a van de Huurbeschermingswet 1949 kunnen worden aangemerkt, nu zij niet vallen onder het begrip woning in de zin van artikel 9 lid 2 van de Huurbeschermingswet 1949;

Overwegende, dat het door appellante aan de Kan­tonrechter gemaakte verwijt in haar eerste grief dat hij ten onrechte voorbijgegaan is aan het gestelde in het 3e ”dat” van eis als grondslag van appellante haar vordering wat daarvan ook moge zijn haar dan ook niet vermag te baten en mitsdien faalt;

Overwegende, dat appellante ter op 13 juni 1997 gehouden comparitie van partijen onder meer verklaard heeft, dat zij geintimeerde nu ongeveer 7 tot 8 jaar geleden gezegd heeft dat zij aan haar appellante de huur niet hoefde te betalen; dat geintimeerde, nadat zij, appel­lante, haar geintimeerde, had medegedeeld dat zij niet meer hoefde te betalen, ook niet meer geweest is om de huur te brengen;

Overwegende, dat, naar uit voormelde verklaring blijkt, appellante geintimeerde in of omstreeks 1990 het betalen van de huur van het woonhuis aan het [adres] te [district], heeft kwijt gescholden;

Overwegende, dat appellante geintimeerde dan ook ten onrechte verweten heeft vanaf september 1992 de ver­schuldigde huursom ten bedra­ge van f.100,– niet te hebben betaald en jegens haar, appellante, gewanpresteerd heeft;

Overwegende, dat de tweede grief tegen het beroe­pen vonnis dat de Kantonrechter ten onrechte beslist heeft dat geintimeerde slechts een huurachterstand heeft van f.100,– nu niet is bewezen dat appellante van geintimeerde over de gevorderde periode huurbeta­ling heeft ontvangen omdat nergens uit de overgelegde post­wissel blijkt dat appellante voor ontvangst heeft gete­kend wat daarvan ook moge zijn, appellante eveneens niet vermag te baten en derhalve eveneens faalt;

Overwegende, dat ofschoon geen van de grieven gegrond is, het beroepen vonnis, niettemin niet in stand kan blijven en ver­nietigd dient te worden nu, naar in appel gebleken is, geintimeerde geheel ten onrechte veroordeeld is aan appellante te betalen de som van f.100,– vanaf mei 1994 tot dat de beschikking van de Distrikts-Commissaris van Paramaribo de dato 6 juli 1992 aan appellante bekend zal zijn gemaakt;

Overwegende, dat het Hof het beroepen vonnis dan ook zal ver­nietigen en aan appellante haar vordering geheel zal ontzeggen en haar de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen zal laten dragen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Vernietigt het door de Kantonrechter in het Kan­tongerecht in het Eerste Kanton op 21 februari 1995 gewezen vonnis, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

Ontzegt appellante alsnog haar vordering;

Veroordeelt haar in de kosten aan de zijde van geintimeerde op de procedure in hoger beroep gevallen tot dusver begroot op f.350,–;

Met inbegrip van het door haar gehouden pleidooi toege­kende salaris van f.350,–;

Bepalende het hof het salaris van de advokaat van appellante eveneens op f.350,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de Vice-President uitgespro­ken ter open­bare te­rechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJ­DAG, 23 januari 1998, in tegenwoordigheid van

Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advo­kaat, Mr.H.BOLDEWIJN namens haar gemachtigde advokaat, Mr.E.C.M.HOOPLOT en geintimeerde vertegenwoor­digd door haar gemachtigde advokaat, Mr.H.R.LIM A PO, zijn bij de uitspraak ter te­rechtzit­ting verschenen.

SRU-HvJ-1998-5

M.H.

A – 354.

[verzoeker], wonende te [district], aan [adres], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Grote Combéweg no.25-27 ten kantore van Mr.R.U.F.TRUIDE­MAN, advokaat,

verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name HET MINISTE­RIE VAN JUSTITIE EN POLITIE, ten deze verte­gen­woor­digd wordende door de Procu­reur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suri­na­me, te diens Parkette aan de Graven­straat no.3 te Paramari­bo, voor wie als gemach­tigde optreedt, Mr.C.D.OOFT, advo­kaat,

verweerder,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Repu­bliek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoire vonnissen van respec­tieve­lijk 4 april 1997 en 7 november 1997 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat verweerder in de enquête 6 getuigen heeft doen horen, die hebben verklaard gelijk in de daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – processen-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak aanvan­kelijk had bepaald op 22 mei 1998, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 7 november 1997 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat verweerder, ten einde het van hem ver­langde bewijs bij te brengen als getuigen heeft doen horen [naam 1], [naam 2], [naam 3], [naam 4], [naam 5] en [naam 6], wier verklaringen als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd worden aange­merkt;

Overwegende, dat het Hof op grond van die verklaringen, in onderling verband en samenhang be­schouwd, welke verklarin­gen bij gebreke van contra enquête niet zijn ontzenuwd en weerlegd, van oordeel is, dat verweerder geslaagd te achten is in de van hem verlangde bewijslevering, zijnde immers uit die verklaringen van genoemde getui­gen ondubbelzinnig gebleken van feiten en omstandighe­den waaruit kan worden afgeleid, dat verzoeker onvoldoende waar­borgen voor betrouw­baarheid heeft laten blijken;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat hem niet gebleken is, dat het aan verzoeker verleend ontslag in wanver­hou­ding staat tot de als bewezen aangenomen gedragingen van verzoeker;

Overwegende, dat aan verzoeker dan ook terecht door verweerder ontslag is verleend uit staatsdienst;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is dat verzoekers vordering hem dan ook als ongegrond en onbewezen dient te worden ontzegd;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENA­REN­ZAKEN:

Ontzegt aan verzoeker zijn vordering;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-Presi­dent, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PU­LTOO, Leden en door de Vice-Presi­dent uitge­spro­ken ter openba­re terechtzit­ting van het Hof van Justi­tie van VRIJDAG, 7 augustus 1998, in tegen­woordig­heid van Mr. M.TEDJOE, funge­rend-Griffier.

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.M.ISHAAK namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.R.U.F.TRUIDEMAN en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advo­kaat Mr.Dr.C.D.OOFT, zijn bij de uit­spraak ter te­rechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1999-5

M.H GENERALE ROL No.13996

[appellant], wonende aan [adres] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.TRUIDEMAN, advokaat,

appellant in Kort Geding,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie in Suriname, kantoorhoudende te diens Parkette aan de Gravenstraat no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.KRUISLAND, advokaat, geïntimeerde in Kort Geding,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 20 maart 1998 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ter voldoening aan voormeld vonnis de Griffier van het Hof het door het Hof verlangde procesdossier heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast en geinsereerd dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis had bepaald op 17 april 1998, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof hier overneemt hetgeen bij zijn tussenvonnis van 20 maart 1998 is overwogen en beslist en volhardt daarbij;

Overwegende, dat appellant tegen het beroepen vonnis vier grieven heeft opgeworpen;

Overwegende, dat volgens grief 2 de Kantonrechter ten onrechte als volgt heeft overwogen en beslist, te weten: ”.. dat in casu ook niet van een onrechtmatige daad zijdens de gedaagde jegens de eiser sprake is dat bij stopzetting daarvan de eiser een dadelijk en onmiddellijk belang heeft, blijkende uit eiser’s stellingen dat hij een geldvordering op de gedaagde heeft dat een doorlopend karakter heeft, en nu hij niet gesteld heeft noch gebleken is dat hij in financiële nood verkeert, zal hij de ambtenarenrechter (Het Hof van Justitie) moeten adiëren om over zijn vordering een oordeel te geven en is hij in zijn vordering niet ontvankelijk”;

Overwegende, dat appellant in de toelichting op de grief heeft aangegeven waarom hij genoodzaakt was de Kortgedingrechter te benaderen, maar door die verklaring niet weerlegd wordt ’s Kantonrechters beslissing dat uit de gestelde feiten niet was gebleken dat appellant, toen-eiser, een dadelijk en onmiddellijk belang had bij stopzetting van de beweerde onrechtmatige daad;

Overwegende, dat nu appellant niet had voldaan aan zijn stelpicht met betrekking tot de spoedeisendheid van de zaak, hij door de Kantonrechter terecht niet-ontvankelijk is verklaard in zijn vordering;

Overwegende, dat de overige grieven geen bespreking behoeven, omdat, gelet op het voorgaande, die grieven, ook bij gegrondbevinding, niet tot vernietiging van het vonnis kunnen leiden;

Overwegende, dat het beroepen vonnis zal worden bevestigd en appellant als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten zal worden verwezen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, op 27 maart 1997 tussen partijen uitgesproken, waarvan beroep;

Veroordeelt appellant in de proceskosten aan de zijde van de geintimeerde gevallen en begroot op f.750,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden toegekende salaris van f.750,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op f.750,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.OMBRE, Fungerend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.K.PULTOO, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 5 maart 1999, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.E.S.OMBRE

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.R.BALDEW namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.Truideman en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.ESSED namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.Kruisland, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1998-4

V.S.

GENERALE ROL NO.13968

[appellant], wonende aan [adres] in het [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.TRUIDEMAN,advocaat,

appellant,

tegen

N.V.BILLITON MAATSCHAPPIJ SURINAME, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Smalkalden, Onverdacht, in het distrikt Para, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.KRUISLAND, advocaat,

geïntimeerde.

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, van 6 mei 1997 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 22 mei 1997, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advocaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat de eiser de navolgende rechtsvordering op verkorte termijn wenst in te stellen tegen de N.V.BILLITON MAATSCHAPPIJ SURINAME, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Smalkalden, Onverdacht in het distrikt Para, gedaagde;

2. dat de eiser op 1 mei 1974 in dienst is getreden van de gedaagde, alwaar hij de functie vervulde van bulldozerdrijver 1e klasse met een basisloon van Sf 1524,–(VIJFTIENHONDERD VIER EN TWINTIG GULDEN);

3. dat de eiser bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton dd. 8 februari 1994 A.R. No. 906891 in zijn vordering niet ontvankelijk werd verklaard, met het verzoek de inhoud van dit vonnis als hier ingelast en geïnsereerd te willen beschouwen;

4. dat de Kantonrechter wel in het vonnis dd. 8 februari 1994 heeft overwogen en beslist, dat als door de gedaagde gesteld en door de eiser (bedoeld wordt de verzoeker) gemotiveerd weersproken rechtens vaststaat dat op 31 maart 1989 tussen eiser en gedaagde een overeenkomst is gesloten tot beëindiging van de dienstbetrekking bij vrijwillige ontslagaanvrage van eiser hij, gedaagde, eiser in aanmerking zou laten komen voor een uitkering gelijk aan driemaal zijn jaarsalaris, ten bewijze waarvan de gedaagde heeft overgelegd een ontslagaanvrage van eiser dd. 31 maart 1989;

5. dat de gedaagde tegen dit vonnis niet in beroep is gegaan, zodat deze rechtsoverweging van de Kantonrechter voor de gedaagde onherroepelijk vaststaat;

6. dat de eiser met inachtneming van het vonnis voornoemd van de gedaagde te vorderen heeft 3 x zijn jaar salaris, te rekenen van 1 april 1989, geënt op een salaris van Sf 1524,—(VIJFTIENHONDERD VIER EN TWINTIG GULDEN) per maand en alle andere toelagen en vergoedingen;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd;

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de gedaagde zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de eiser te betalen, te rekenen van 1 april 1989 3 (drie) maal het jaarsalaris van de eiser, berekend op een maand salaris van Sf 1524,–,

Sf 54.764,– (VIER EN VIJFTIGDUIZEND ZEVEN HONDERD VIER EN ZESTIG GULDEN) eveneens alle aan de eiser op het tijdstip van 1 april 1989 toekomende toelagen en andere vergoedingen, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% ’s jaars vanaf de dag van rechtsingang tot aan de dag der algehele voldoening; kosten rechtens;

Overwegende, dat N.V.BILLITON MAATSCHAPPIJ SURINAME als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – onder overlegging van produkties welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiser in zijn vordering niet zal worden ontvangen, althans deze hem als ongegrond zal worden ontzegd;

Overwegende, dat hierna de volgende conclusies zijn genomen:

1. een schriftelijke conclusie van repliek en uitlating produkties;

2. een schriftelijke conclusie van dupliek onder overlegging van produkties;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating produkties zijdens eiser bepaald,diens gemachtigde zich aan het oordeel van de Rechter heeft gerefereerd;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij vonnis van 6 mei 1997 op de daarin opgenomen gronden:

Eiser niet ontvankelijk in zijn vordering heeft verklaard;

De proceskosten tussen partijen heeft gecompenseerd in dier voege dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant]in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 6 mei 1997;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R.KAPPEL van 3 juli 1997 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat ten dage voor pleidooi peremptoir bepaald advocaat Mr.R.U.F.TRUIDEMAN namens advocaat Mr.F.F.P.TRUIDEMAN recht op stukken heeft gevraagd;

Overwegende, dat nadat de gemachtigde van geïntimeerde een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating had genomen, het Hof vonnis in deze zaak heeft bepaald, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 20 februari 1998, doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat de appellant tijdig in hoger beroep gekomen is van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis op 6 mei 1997;

Overwegende, dat de appellant geen grieven tegen die beslissing van de eerste Rechter aangevoerd heeft en recht op stukken gevraagd heeft, waartegen de geïntimeerde geen bezwaren geopperd heeft;

Overwegende, dat het Hof zich met de overwegingen en de beslissing van de Kantonrechter kan verenigen en zal het vonnis, waarvan beroep, dan ook worden bevestigd, met de veroordeling van de appellant, als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt het vonnis op 6 mei 1997 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken, waarvan beroep;

Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en begroot op f……

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem houden pleidooi toegekende salaris van f.1.500,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op f.1.500,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.S.GANGARAM PANDAY, fungerend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 17 APRIL 1998, in tegenwoordigheid van Mr.A.CHARAN, fungerend-Griffier.

w.g.A.CHARAN w.g.S.GANGARAM PANDAY

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat Mr.R.BALDEW namens zijn gemachtigde, advocaat Mr.F.F.P.TRUIDEMAN en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat Mr.H.R.LIM A PO namens haar gemachtigde, advocaat Mr.F.KRUISLAND zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1998-3

V.S.

GENERALE ROL No. 13702

[appellant], wonende aan [adres], te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.C.M.HOOPLOT, advocaat,

appellant,

tegen

[bedrijf], rechtspersoon, ten deze domicilie kiezende te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.TRUIDEMAN, advocaat,

geïntimeerde.

De fungerend-President spreekt in deze zaak, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 16 mei 1997, tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, appellant in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advocaat Mr.E.C.M.HOOPLOT en [naam 1],Directrice van geïntimeerde, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partijen – hier als geïnsereerd aan te merken – schriftelijke conclusies na gehouden comparitie van partijen hadden genomen, partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 17 oktober 1997, doch na enige malen te zijn aangehouden, nader werd bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof hier overneemt en volhardt bij hetgeen bij tussenvonnis d.d. 16 mei 1997 is overwogen en beslist;

Overwegende, dat de bevolen comparitie van partijen voor het inwinnen van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling op 13 juni 1997 gehouden is, waarbij partijen het Hof de nodige inlichtingen verstrekt hebben, doch niet bereid waren tot een schikking te geraken;

Overwegende, dat het Hof zich met de vaststelling van de feiten van de eerste rechter in zijn vonnis van 18 januari 1994 kan verenigen en hier overneemt;

Overwegende, dat die rechter zijn beslissing tot ontbinding van de huurovereenkomst tussen partijen en ontruiming van het gehele gehuurde door de appellant gebaseerd heeft op het feit dat in de overeenkomst van onderhuur tussen de appellant en [naam 2] opgenomen is de bepaling dat het onderverhuurde gedeelte door de onderhuurder als winkel en werkplaats mag worden gebruikt en dat uit het onderzoek door die rechter gepleegd, gebleken is dat de onderhuurder een deel van die ruimte aldaar daadwerkelijk mede als werkplaats gebruikt heeft voor de reparatie van videocassetterecorders, t.v.toestellen, radio’s en soortgelijke apparaten;

Overwegende, dat die overeenkomst van onderhuur is gesloten op 30 juli 1987,kort waarna de onderhuurder met diens activiteiten aldaar een aanvang gemaakt heeft;

Overwegende, dat de Kantonrechter in het bestreden vonnis d.d 18 januari 1994 vastgesteld heeft dat de geïntimeerde het aan de appellant gehuurde regelmatig bezocht heeft (zie rechtsoverweging no.9.) en had zij dus de gelegenheid te constateren met welke activiteiten de onderhuurder zich daar bezighield en zij heeft het onderhavige geding pas op 18 mei 1990 aanhangig gemaakt;

Overwegende, dat bij de door het Hof gehouden comparitie van partijen gebleken is dat de door de appellant aan de onderhuurder [naam 2]ter beschikking gestelde ruimte ± 125 m² bedroeg, terwijl de grootte van het totaal door appellant van de geïntimeerde gehuurde winkelruimte een oppervlakte had van ± 1500 m²;

Overwegende, dat bovendien het begrip ”werkplaats” i.c. gelet op de aard waarvoor de onderhuurder zijn deelruimte gebruikte niet een werkplaats in eigenlijke zin was alwaar hinderlijke activiteiten voor de omgeving hebben plaatsgegrepen- zijnde dit overigens gesteld noch gebleken – mede gelet op het feit dat de onderhuurder dat soort apparaten daar ook ter verkoop aanbood;

Overwegende, dat de grief van de appellant dat de Kantonrechter ten onrechte een dermate ernstige wanprestatie zijdens de appellant tegen de geïntimeerde vanwege het onderverhuur van een deel van de gehuurde ruimte mede als werkplaats aangenomen heeft met ontbinding als rechtsgevolg, gelet op het bovenoverwogene, gegrond is, te meer als de achtergrond van het geding in acht genomen wordt, n.l. dat het bij de geintimeerde eerder om huurverhoging dan om ontruiming te doen was (zie het inleidend rekest en het petitum sub c en sub d);

Overwegende, dat het aangevochten vonnis danook als na te melden zal worden vernietigd, en de vordering van de geïntimeerde alsnog aan haar zal worden ontzegd, met haar veroordeling, als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Vernietigt het eindvonnis d.d. 18 januari 1994 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen tussen partijen en uitgesproken, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

Ontzegt aan de geïntimeerde haar vordering in zoverre die toegewezen is bij eindvonnis d.d 18 januari 1994;

Veroordeelt geïntimeerde in de gedingkosten in beide instanties aan de zijde van appellant gevallen en begroot op:

– in eerste aanleg op f……

– in hoger beroep op f…..

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f.5.000,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geïntimeerde eveneens op f.5.000,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.S.GANGARAM PANDAY, fungerend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 17 APRIL 1998, in tegenwoordigheid van Mr.A.CHARAN, fungerend-Griffier.

w.g.A.CHARAN w.g.S.GANGARAM PANDAY

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat Mr.S.MANGROELALL namens zijn gemachtigde, advocaat Mr.E.C.M.HOOPLOT en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat Mr.R.BALDEW namens haar gemachtigde, advocaat Mr.F.F.P.TRUIDEMAN zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1999-4

M.H.

GENERALE ROL NO: 14039.

[appellant], wonende aan [adres 1] te [district], voor wie als gemach­tigde op­treedt, Mr.F.F.P.TRUIDEMAN, advo­kaat,

appellant,

t e g e n

[geintimeerde] , wonende aan [adres 2], te [district], voor wie als ge­mach­tigde op­treedt, Mr.G.GANGARAM PANDAY, advo­kaat,

geinti­meerde,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 6 november 1998 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ter gehouden en bevolen compari­tie van partijen zijn verschenen, Mevrouw Sheoratan, Radjwatie Lucia, notariële gevolmachtigde van appel­lant, advokaat Mr.F.F.P.Truideman, gemachtigde van appellant en geintimeerde in persoon, bijgestaan door zijn ge­machtigde advokaat Mr.G.Gangaram Panday, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis had bepaald op 9 april 1999, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat geintimeerde, ter op 26 maart 1999, gehou­den comparitie van partijen, gelast bij tussenvon­nis van 6 november 1998, in persoon, versche­nen – voorzo­ver ten deze van belang – verklaard heeft, dat hij de woning aan de Schietbaanweg no.68 te Parama­ribo uiter­lijk december 1999 zal ontruimen en verlaten en ter vrije en algehele beschikking van appellant stel­len; dat indien het hem gelukt eerder te vertrek­ken, hij dat gelijk zal doen – dat hij tevens aan de hand van zijn verklaring begrijpt dat de huurovereenkomst tussen partijen dan zal zijn beëindigd;

Overwegende, dat nu appellant niet heeft doen blijken niet accoord te gaan met het door geintimeerde verklaarde als hierboven vermeld, het Hof zal aannemen dat hij daarmede instemt;

Overwegende, dat het Hof met in achtneming van het vorenoverwogene zal beslissen en het beroepen vonnis vernietigen en opnieuw rechtdoende geintimeerde tot ontruiming veroordelen; de door appellant tegen dit vonnis ontwikkelde grieven behoeven dan geen bespreking meer;

Overwegende, dat het Hof de proceskosten in hoger beroep zal compenseren in dier voege dat iedere partij de hare draagt achtende het Hof daartoe termen aanwezig; Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 16 juli 1996, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

Veroordeelt geintimeerde om op uiterlijk 31 decem­ber 1999 de woning no.68, staande op het erf, dat gelegen is te [district] aan [adres 2], te ontruimen en te verlaten en, met medeneming van alle van zijnentwege zich daarin bevindende personen en goede­ren, ter vrije en algehele beschikking van appel­lant te stellen; met machtiging op appellant om indien geintimeerde weigeren mocht te ontruimen, daartoe zelf over te gaan, desnoods met behulp

Veroordeelt geintimeerde in de proceskosten aan de zijde van appellant in prima gevallen en begroot op Sf…..

Compenseert de proceskosten in hoger beroep in dier voege dat iedere partij de hare draagt;

Met inbegrip van het door het Hof aan elk der advokaten voor de door hen gehouden pleidooien toege­kende salaris van Sf………

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-Presi­dent, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Vice-President uitge­sproken ter open­bare te­recht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJ­DAG, 23 april 1999, in tegenwoor­digheid van Mr.M.E.VAN GENDE­REN-RELYVELD, Substituut-Grif­fier.

w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.J.R.VON NIESEWAND

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.P.BOLDEWIJN namens zijn gemachtigde, advo­kaat Mr.F.F.P.Truideman en geintimeer­de vertegenwoor­digd door zijn ge­machtig­de, advokaat Mr.G.GANGARAM PANDAY, zijn bij de uit­spraak ter terecht­zit­ting ver­sche­nen.

 

SRU-HvJ-1998-2

H.M.

GENERALE ROL NO: 13844

[appellante], wonende in Nederland, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.U.F.TRUIDEMAN, advokaat,

appellante in Kort Ge­ding,

t e g e n

[geïntimeerde], wonende aan [adres] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.H.R.SCHURMAN, advokaat,

geintimeer­de in Kort Geding,

De fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het Geding waaronder:

1. de in afschrift overgelegde vonnissen in Kort Geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, respectievelijk van 30 november 1995 en 21 december 1995 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 3 januari 1996, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellante] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kanton­rechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. Eiseres wenst de navolgende rechtsvordering in KORT GEDING in te stellen tegen: [geïntimeerde], wonen­de aan [adres]te [district], gedaag­de;

2. In of omstreeks het jaar 1981 heeft eiseres het huis staande en gelegen aan [adres]te [district]verhuurd aan gedaagde aanvankelijk tegen een huurvergoeding van sf.75,– per maand en laatstelijk voor sf.400,– per maand;

3.Gedaagde onderhoudt noch het huis, noch het erf, waardoor het een en ander thans een zeer dringende grote reparatie behoeft;

4. Verder behoorde bij de woning een aparte op het erf gebouwde keuken, waarvan gedaagde zonder toestem­ming een woonhuis heeft gemaakt, welke hij eveneens zonder toestemming aan derden heeft (onder) verhuurd;

5. Ook heeft gedaagde zonder toestemming een grote kippenhok gemaakt op het erf, hetgeen erg onhygiënisch is en een enorme stank oplevert voor de buurt;

6. Gedaagde heeft verder zelf elektrische draden gespannen van de ene ruimte naar de andere ruimte en ook tapt hij stroom af van het hoofdgebouw naar de door hem van keuken tot woonhuis gemaakte ruimte. Dit levert natuurlijk een verhoogd brandgevaar op, met alle gevol­gen van dien;

7. Eiseres wenst ook nog op te merken, dat gedaagde vanaf mei 1994 geen huurpenningen meer voldoet, hetgeen dus ook wanprestatie oplevert;

8. Het gehuurde wordt aldus niet onderhouden en ook onbehoorlijk gebruikt. Eiseres dreigt haar vermogen op deze manier te verliezen, hetgeen zij niet langer wenst te tolereren. Verder worden de huurpenningen reeds langer dan één jaar niet voldaan;

9. Uit de stellingen van eiseres blijkt wel, dat zij een spoedeisend belang heeft bij een voorziening in Kort Geding;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis in Kort Geding tot zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren:

a. de ten rekeste gestelde huurovereenkomst van het jaar 1981 tussen partijen zal worden geschorst c.q. op zal worden geschort;

b. gedaagde zal worden veroordeeld om binnen een week na de uitspraak ten deze het pand gelegen aan [adres]te [district]te ontruimen met mede­neming van alle zich van zijnentwege daarin/daarop bevindende personen en/of goederen en ter vrije en algehele beschikking van eiseres te stellen, met mach­tiging van eiseres om deze ontruiming zelf te bewerk­stelligen, desnoods met behulp van de Sterke Arm, indien en voor zover gedaagde in gebreke mocht blijven met de ontruiming als verzocht binnen de vastgestelde termijn;

c. gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van dit geding;

Overwegende, dat [geïntimeerde] als gedaag­de partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord, onder over­leg­ging van produkties – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiseres niet ontvankelijk verklaard dient te worden in haar vordering, althans haar deze zal worden geweigerd, alszijnde ongegrond en niet bewezen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclu­sies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 30 november 1995 op de daarin opgenomen gronden een descente heeft bepaald:

Overwegende, dat ter gehouden descente en compari­tie van partijen d.d. 5 december 1995 zijn verschenen namens eiseres de heer [naam], bijgestaan door de gemachtigde en de gedaagde in persoon die hebben verklaard gelijk in het daarvan door Ons opge­maakt – hier als ingelast te beschouwen – proces-ver­baal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 21 december 1995 op de daarin opgenomen gronden:

De gevraagde voorzieningen heeft geweigerd;

Eiseres heeft verwezen in de kosten van het pro­ces, aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op sf.nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellante] in hoger beroep is gekomen van voor­meld eindvonnis in Kort Geding van 21 december 1995;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R.KAPPEL van 17 juni 1996 aan geintimeerde aan­zegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de

recht­sdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aange­zegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toege­licht en verdedigd, waarna partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 7 december 1997, doch na enige malen te zijn aange­houden, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

1.1. Overwegende, dat het hoger beroep tijdig is inge­steld;

1.2. Overwegende, dat als enerzijds gesteld en ander­zijds niet, althans niet gemotiveerd, betwist vaststaat dat appellante in of omstreeks het jaar 1981 aan gein­ti­meerde heeft verhuurd het huis, staande en gelegen aan [adres] te [district], aanvankelijk tegen een vergoeding van f.75,– per maand en laatste­lijk voor f.400,– per maand;

2.1. Overwegende, dat appellante als eiseres in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep van belang, heeft gevorderd om de tussen partijen gesloten huurovereen­komst te schorsen c.q. op te schorten, de geintimeerde te veroordelen de woning aan [adres] te [district]te ontruimen en om de proceskosten te beta­len;

2.2. Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 30 november 1995, onder meer overwegende dat het spoed­eisend karakter uit de aard der stellingen van eiseres haar vordering blijkt en dat hij in de stellingen van partijen aanleiding vond een gerechtelijke plaatsopne­ming en bezichtiging te gelasten teneinde de situatie waarin de onder 2 bedoelde woning zich bevindt op te nemen, een descente heeft bevolen;

2.2. Overwegende, dat de Kantonrechter vervolgens bij vonnis van 21 december 1995 de gevraagde voorzieningen heeft geweigerd en appellante heeft veroordeeld in de proceskosten, daartoe, voor zoveel hier van belang het volgende overwegende:

dat Ons ter descente, gehouden op 5 december 1995, niet gebleken is dat gedaagde het huis en het erf niet onderhoudt, waardoor een en ander thans dringende grote reparatie behoeft, de bij de woning aparte op het erf gebouwde keuken tot een woonhuis heeft gemaakt en aan derden heeft (onder) verhuurd, een groot kippenhok op het erf heeft gemaakt dat erg onhygienisch is en voor de buurt een enorme stank oplevert, zelf electrische draden van de ene ruimte naar de andere gespannen heeft en stroom aftapt van het hoofdgebouw naar de door hem van keuken tot woonhuis gemaakte ruimte;

dat Ons op grond van al het hier vorenoverwogene dan ook niets anders rest dan de van Ons gevraagde voorzieningen te weigeren, onder verwijzing van eiseres als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit proces;

3.1. Overwegende, dat geintimeerde heeft aangevoerd dat hij uitdrukkelijk erop wenst te wijzen dat de onderha­vige zaak spoedeisendheid mist;

3.2. Overwegende, dat geintimeerde dit verweer reeds in eerste aanleg heeft gevoerd, maar nu de Kantonrechter heeft beslist dat de zaak een spoedeisend karakter draagt en geintimeerde tegen deze beslissing geen (incidenteel) beroep heeft ingesteld, zijn verweer hem niet meer kan baten;

4. Overwegende, dat appellante vier grieven tegen het beroepen vonnis heeft opgeworpen;

5.1. Overwegende, dat grief I erop neerkomt dat de omstandigheden, die appellante aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd en waarvan de Kantonrechter tijdens de descente heeft vastgesteld dat zij niet aanwezig waren, wel bestonden;

5.2. Overwegende, dat appellante geen concreet aanbod van bewijs van de onjuistheid van ’s Kantonrechters constateringen heeft gedaan, zodat de grief als niet serieus bedoeld verder wordt gepasseerd;

6.1. Overwegende, dat appellante als grief II heeft aangevoerd dat geintimeerde nimmer een beroep op de Huurbeschermingswet heeft gedaan, zodat de kortgeding­rechter de vordering van appellante had kunnen toewij­zen en geintimeerde een ontruimingstermijn van desnoods een jaar had kunnen geven;

6.2. Overwegende, dat de bepalingen van de Huurbescher­mingswet waarop appellante het oog heeft dwingend recht zijn en de appellante er daarom ten onrechte van uit­gaat dat de Rechter slechts verplicht is deze bepalin­gen toe te passen indien een partij zich daarop be­roept; dat grief II dan ook faalt;

7.1. Overwegende, dat appellante als grief III heeft aangevoerd dat de Kantonrechter ten onrechte heeft overwogen als zou juist appellante hebben gewanpres­teerd door de verschuldigde huur op een gegeven moment niet meer op te halen;

7.2. Overwegende, dat de gewraakte overweging, anders dan appellante doet voorkomen in de toelichting op grief III, niet berust op enige beslissing op het door gein­timeerde in eerste aanleg gevoerde verweer dat hij de huur in consignatiekas had gestort; dat de stellin­gen van appellante dat geintimeerde bij die storting niet de juiste weg heeft gevolgd dan ook niet relevant zijn en de grief faalt;

8.1. Overwegende, dat, nu de Kantonrechter tot het oordeel was gekomen dat appellante’s vordering onge­grond was, in het onderhavig geval geen plaats was voor toewijzing van appellante’s vordering op grond van afweging van, overigens niet nader aangegeven, belan­gen; dat, immers, die belangenafweging reeds door de wetgever heeft plaatsgevonden en wel in dier voege dat volgens de Huurbeschermingswet 1947 de ontruiming van een woning slechts kan worden bevolen indien de in die wet genoemde gronden aanwezig zijn, op welk beginsel wellicht slechts een uitzondering is te maken voor het geval dat partijen overeenkomen hun lopende huurover­eenkomst te beëindigen;

8.2. Overwegende, dat ook grief IV niet opgaat en het vonnis waarvan beroep dus moet worden bevestigd;

8.3. Overwegende, dat appellante als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten zal worden verwezen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in Kort Geding tussen partijen gewezen en op 21 december 1995 uitgesproken;

Veroordeelt appellante in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van de geinti­meer­de gevallen en begroot op f……………..

Met inbegrip van het door het Hof aan geintimeer­de’s advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f…..

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant op f…….

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.OMBRE, funge­rend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openba­re terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 3 april 1998, in tegenwoordigheid van Mr.A.CHARAN, fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is versche­nen advokaat Mr.H.BOLDEWIJN, namens de gemachtigden van partijen.